id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 24 december 2004 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2004:ARR.20041224.3 Rolnummer: 42155 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2005-09-16 Raadplegingen: 109 - laatst gezien 2026-07-03 20:11 Fiche Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP - RECHT - WETGEVING - GERECHTELIJK RECHT - Territoriale bevoegdheid - Werknemers die buiten het bedrijf werken - Plaats waar zij effectief hun werk verrichten bepalend voor de territoriale bevoegdheid - Regel ook toepasselijk voor niet-handelsvertegenwoordigers. Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 627,9° - 03 ELI link Pub nr 1967101054 Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN VIERENTWINTIG DECEMBER TWEEDUIZEND EN VIER. DERDE KAMER Bediendecontract Tegensprekelijk Definitief In de zaak: NV IZEN, met maatschappelijke zetel te 2275 LILLE, Hoeksken nr. 56 en ingeschreven in het handelsregister te Antwerpen onder nummer 326.092; Appellante, vertegenwoordigd door Mr. L. Lenaerts loco Mr. E. Van Der Hallen, advocaat te Antwerpen; Tegen: D. P. E., Geïntimeerde, vertegenwoordigd door mevrouw L. Vrints, volmachtdrager en syndicaal afgevaardigde voor het ACV, representatieve werknemersorganisatie; Dagvaarding in tussenkomst en gemeenverklaring: De VLAAMSE DIENST VOOR ARBEIDSBEMIDDELING EN BEROEPSOPLEIDING (VDAB), met zetel te 1000 BRUSSEL, Keizerslaan nr. 1; Vertegenwoordigd door Mr. L. Haubrechts loco Mr. Swennen, advocaat te Zellik; ó ó ó Na beraadslaging, velt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest. Gelet op de stukken der rechtspleging en ondermeer: - het eensluidend verklaard afschrift van het vonnis uitgesproken op tegenspraak door de 12e kamer van de Arbeidsrechtbank te Brussel op 7 september 2001 (AR nr. 19551/00), alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep ontvangen op de griffie van het Arbeidshof op 8 oktober 2001; - de besluiten, synthesebesluiten en tweede syn-thesebesluiten van geïntimeerde, ontvangen ter griffie op respectievelijk 8 januari 2002, 12 april 2002 en 10 maart 2003; - de besluiten, aanvullende besluiten en synthese-besluiten van appellante, ontvangen ter griffie op 25 februari 2002, 1 augustus 2002 en 6 okto-ber 2003; - de dagvaarding in tussenkomst en gemeenverklaring betekend op 6 maart 2002 door Mr. L. Inde-ku, gerechtdeurwaarder te Vorst, aan de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding (VDAB); - de besluiten van de VDAB ontvangen ter griffie op 9 april 2002; Gehoord de partijen in hun middelen en verdediging ter openbare terechtzitting van 19 november
- Appellante partij en geïntimeerde partij legden elk een bundel neer waarna de debatten gesloten werden en de zaak in beraad werd genomen. p p p I. RELEVANTE FEITEN EN RECHTSPLEGING. De NV IZEN verkoopt en installeert panelen en aanverwante met toepassing van zonne-energie. De heer D. P. legt een arbeidsovereenkomst voor die hij en de NV IZEN zouden hebben afgesloten op 2 oktober 1998 met een proefbeding van 6 maanden. De heer De P. zou op diezelfde datum in dienst treden als technisch commercieel bediende tegen een maandloon van 65.000 BEF. De NV IZEN betwist dat zij een arbeidsovereenkomst zou hebben afgesloten. Partijen zijn het erover eens dat aan die arbeidsovereenkomst geen uitvoering werd gegeven. Op diezelfde datum deed de vennootschap wel een aanvraag bij de VDAB tot individuele beroepsopleiding voor twee personen, de heer D. P. en de heer L.. Op 12 november 1998 ondertekenden de heer D. P., de NV IZEN en de VDAB Antwerpen een overeenkomst voor beroepsopleiding (afgekort IBO) overeenkomstig art. 120 e.v. van het Besluit van de Vlaamse Executieve van 21 december 1988(BVE). De overeenkomst werd gesloten voor een periode van 22 weken die zou aanvangen op 12 november 1998 en eindigen op 21 april
- Het gemiddeld brutoloon in het aangeleerd beroep werd bepaald op 61.500 BEF per maand. De bijlagen aan de opleidingsovereenkomst vermelden de inhoud van de beroepsopleiding. De heer D. P. oefende taken als technisch commercieel medewerker uit in de regio Brussel-Wallonië. Hij genoot doorbetaling van zijn werkloosheidsuitkeringen en daarnaast een productiviteitspremie betaald door de vennootschap overeenkomstig artikel 123 BVE. De VDAB beëindigde de overeenkomst op 10 april 1999 op grond van artikel 121 van het BVE en deelde dit aan de heer D. P. mee met een brief van 15 april
- Op het formulier C91 - Beëindiging beroepsopleiding - vermeldde de VDAB dat de opleiding werd stopgezet op initiatief van de VDAB omwille van ongeschiktheid voor het aanleren van het beroep. Op 15 juni 1999 richtte de heer D. P. een brief aan de VDAB waarin hij zijn beklag deed. Hij beweerde nooit een beroepsopleiding te hebben genoten en onmiddellijk ingeschakeld geweest te zijn in het arbeidsproces. De VDAB reageerde op 20 juli
- Hij gaf toe dat het opleidingsprogramma niet correct werd gevolgd, maar aangezien de verklaringen van beide partijen tegenstrijdig waren de stopzetting van de opleiding de enige oplossing was. Met dagvaarding van 18 april 2000 spande de heer D. P. een geding aan tegen de vennootschap. Hij vorderde dat zij zou worden veroordeeld tot betaling van: - 225.875 BEF bruto t.t.v. verbrekingsvergoeding, - 199.398 BEF bruto t.t.v. achterstallig loon onder aftrek van 46.318 BEF netto reeds betaald, - 30.269 bef t.t.v vertrekvakantiegeld, - 3.000 BEF t.t.v. feestdagenloon 1 mei 1999, meer de wettelijke intresten en de kosten - tot afgifte van de C4, tewerkstellingsattest, 2 vakantieattesten, loonafrekening een belastingfiche 281.10 en dit onder verbeurte van een dwangsom van 500 BEF per dag per ontbrekend document. - het vonnis uitvoerbar bij voorraad te horen verklaren. Met het beroepen vonnis herkwalificeerde de Arbeidsrechtbank de overeenkomst tussen partijen als een arbeidsovereenkomst en veroordeelde de vennootschap tot betaling van: - 213.674 BEF t.t.v. opzegvergoeding, - 199.398 BEF t.t.v. achterstallig loon, - 30.263 BEF t.t.v. vertrekvakantiegeld, - 3.000 BEF t.t.v. feestdagenloon meer de wettelijke en gerechtelijke intresten en veroordeelde de vennootschap tot afgifte van de ingevolge het vonnis verschuldigde sociale documenten, met name C4 tewerkstellingsattest, vakantieattest, loonafrekening en belastingsfiche 281.10 binnen de maand vanaf de betekening ervan en bij gebreke hieraan te voldoen onder verbeurte van een dwangsom van 500 BEF per dag per ontbrekend document, alsmede tot de kosten van het geding. II. VOORWERP VAN HET HOGER BEROEP. Met dagvaarding van 5 april 2000 daagde de vennootschap de VDAB Antwerpen tot tussenkomst in het voor dit Hof hangend geschil en tot gemeenverklaring van de beslissing die zou worden uitgesproken. De vennootschap verzoekt het Hof: - "Het hoger beroep toelaatbaar en gegrond te verklaren, - De bestreden beslissing teniet te doen en opnieuw rechtdoende, zich onbevoegd te verklaren ratione loci en de zaak te verzenden naar het Arbeidshof te Antwerpen, minstens de oorspronkelijke vordering af te wijzen als zijnde niet-toelaatbaar en ongegrond, - De kosten van zowel de procedure in beroep als deze van in eerste aanleg, rechtsplegingsvergoedingen inbegrepen, ten laste te leggen van geïntimeerde. - Minstens ondergeschikt, voor zover het Hof enige relevantie zou willen toekennen aan de zogenaamde overeenkomst van 2 oktober 1998 (stuk 1 geïntimeerde), akte te verlenen aan de vennootschap dat zij met betrekking tot dit stuk de valsheidprocedure wil instellen." De heer D. P. vordert: - "Het hoger beroep ontvankelijk te verklaren, - De exceptie van verwijzing door appellante naar het Arbeidshof te Antwerpen af te wijzen als ongegrond, - Het Hoger beroep voor het overige eveneens ongegrond te verklaren, - Het vonnis a quo te bevestigen voor wat betreft de bedragen inzake het achterstallig loon en het vakantiegeld, - Appellante derhalve te veroordelen tot betaling van: · EUR 5.296,84 bruto t.t.v. verbrekingsvergoeding, · EUR 6.201,30 bruto t.t.v. achterstallig loon onder aftrek van 46.318 BEF (EUR 1148,19) reeds betaald, · EUR 917,78 bruto t.t.v. vakantiegeld bij uitdiensttreding, · EUR 74,37 bruto t.t.v. feestdagenloon - Voornoemde bedragen te vermeerderen met de wettelijke en gerechtelijke intresten, alsmede tot de kosten van het geding, - Appellante eveneens te veroordelen tot afgifte van de overeenkomstige sociale documenten, met name formulier C4, een tewerkstellingsattest, twee vakantieattesten, de loonafrekening en belastingsfiche 281.10 en dit op straffe van een dwangsom van 500 BEF per dag per ontbrekend document bij niet-afgifte ervan binnen de maand na de betekening van het uit te spreken vonnis." De VDAB verzoekt: "De eis in tussenkomst en gemeenverklaring onontvankelijk en in ieder geval als ongegrond af te wijzen. Aanlegster in tussenkomst te veroordelen tot de kosten van het geding." ó ó ó III. BEOORDELING.
- Ontvankelijkheid van het hoger beroep. Nu geen betekeningsakte van het beroepen vonnis wordt voorgelegd, kan worden aangenomen dat het ho-ger beroep dat naar vorm regelmatig is, werd inge-steld binnen de wettelijke termijn en derhalve ont-vankelijk is.
- Ontvankelijkheid van de vordering in tussenkomst en gemeenverklaring in graad van beroep. Aangezien de VDAB partij was bij de afgesloten IBO-overeenkomst waarop de vennootschap zich beroept en enkel de tussenkomst en gemeenverklaring van de te wijzen beslissing wordt gevorderd en tegen die partij geen andere vorderingen worden ingesteld is de vordering in tussenkomst en gemeenverklaring ingesteld tijdens de beroepsprocedure toelaatbaar. Dergelijke vordering heeft enkel tot doel de beslissing die zou worden uitgesproken tegenstelbaar te maken aan de in tussenkomst gedaagde partij en gezag van gewijsde toe te kennen ten haren opzichte. Hiermee kan worden belet dat deze in een afzonderlijk geding zou kunnen opwerpen dat de beslissing haar niet tegenstelbaar is. (Cass. 20-10-88, Pas. 89,I,191; Cass. 21-10-77, Pas. 78, I,228; Cass 9-11-92, Pas.92, I, 1241)
- Ten Gronde. De territoriale bevoegdheid van de Arbeidsrechtbank te Brussel De NV IZEN roept de territoriale onbevoegdheid in van de Arbeidsrechtbank te Brussel en meent dat deze daaraan ten onrechte voorbij is gegaan. De vordering is gesteund op het bestaan van een arbeidsovereenkomst tussen partijen. Het Hof deelt terzake het standpunt van de Arbeidsrechtbank. Overeenkomstig artikel 627,9E Gerechtelijk Wetboek is voor alle geschillen bedoeld in artikel 578 en 582, 3° en 4° Gerechtelijk Wetboek alleen bevoegd "de rechter van de plaats waar de mijn, de fabriek, de werkplaats, het magazijn, het kantoor gelegen is en in het algemeen van de plaats die bestemd is voor de exploitatie van de onderneming, de uitoefening van het beroep of de werkzaamheid van de vennootschap van de vereniging of van de groepering" Het determinerend criterium ter bepaling van de bevoegdheid is de plaats waar de werknemer zijn arbeid verricht. (J.Petit, sociaal procesrecht nr. 575 met verwijzing naar Verslag Van Reepinghen deel I, 252) De werknemer werkt doorgaans in het bedrijf. Er rijst enkel discussie wanneer hij buiten het bedrijf werkt. Enkel m.b.t. de handelsvertegenwoordigers heeft de wetgever aan de territoriale bevoegdheid een grondige bespreking geweid. Wat de handelsvertegenwoordigers betreft is er eensgezindheid in rechtspraak en rechtsleer dat de territoriale bevoegdheid wordt bepaald door de plaats waar zij volgens de overeenkomst hun activiteit uitoefenen ofwel de plaats waar de bedrijfszetel is gevestigd. J.Petit merkt daarbij op dat uit de afwezigheid van bespreking m.b.t. de territoriale bevoegdheid voor wat betreft betwistingen die gewone werknemers betreffen ten onrechte wordt afgeleid dat voor hen enkel de plaats van de exploitatiezetel in aanmerking kan genomen worden. Hij wijst erop dat in de parlementaire voorbereiding immers wordt gesteld: "wat de (andere )werknemers betreft, meer in het bijzonder de handelsvertegenwoordigers is de rechtbank bevoegd van de plaats waar de verbintenis is ontstaan of waar zij dient uitgevoerd te worden." (Parl.St. Kamer 1965-1966, 59/49) Het Hof deelt het standpunt dat voor andere werknemers die buiten het bedrijf werken dezelfde regel geldt als voor de handelsvertegenwoordigers, die trouwens overeen stemt met de algemene bevoegdheidsregel in artikel 624,2° Ger.Wb. Aangezien de heer De P. werd aangeworven voor de regio Brussel-Wallonië en uit de stukken blijkt dat hij voor een groot deel in buitendienst werkte in die regio bevestigt het Hof de beslissing van de Arbeidsrechtbank in de mate dat zij zich bevoegd achtte om van het geschil kennis te nemen. De arbeidsovereenkomst van 2 oktober
- Het Hof meent niet nader te moeten ingaan op de betwisting met betrekking tot de echtheid van de arbeidsovereenkomst van 2 oktober 1998 die op diezelfde datum zou ingaan daar partijen het erover eens zijn dat daaraan geen uitvoering werd gegeven. De overeenkomst van 12 november
- De betwisting betreft de vraag of partijen gebonden waren door een IBO-overeenkomst dan wel door een arbeidsovereenkomst. De Arbeidsrechtbank heeft geoordeeld dat de wijze waarop de overeenkomst werd uitgevoerd volledig strijdig was met de door partijen gegeven kwalificatie waardoor een nieuwere latere overeenkomst is ontstaan. Zij stelde vast dat de heer D. P. vrijwillig arbeidsprestaties als technicus commercieel vertegenwoordiger voor de regio Brussel-Wallonië verrichte in een verhouding van ondergeschiktheid of gezag t.o.v. de vennootschap vanaf 12 november 1998, zodat er op die datum een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur was ontstaan. De vennootschap meent dat de Arbeidsrechtbank ten onrechte tot een herkwalificatie is overgegaan. Zij merkt op dat de heer D. P. tijdens de duur van de overeenkomst nooit heeft opgeworpen dat hij de overeenkomst als een arbeidsovereenkomst beschouwde. Steeds werden de voorschriften vervuld die gelden voor de IBO-overeenkomst, o.m. het indienen van maandelijkse staten. Bij de beëindiging van de overeenkomst gedroegen partijen zich eveneens naar de voorschriften die golden voor de IBO-overeenkomst. De vennootschap meldde dat zij de heer D. P. niet geschikt achtte om het beroep waarvoor opleiding werd gegeven uit te oefenen. De VDAB deelde daarop mee dat de IBO-overeenkomst beëindigd werd en overhandigde hem een C 91 document dat was voorzien bij het beëindigen van een IBO-overeenkomst. Pas geruime tijd nadien bekloeg de heer D. P. zich bij de VDAB over het niet correct uitvoeren van de IBO-overeenkomst daar het voorziene opleidingsschema niet werd gevolgd. De VDAB stemde ermee in dat het opleidingsprogramma niet werd gevolgd doch ondernam geen stappen tegen de vennootschap. De heer D. P. stelt dat de vennootschap misbruik heeft gemaakt van de IBO-regeling, dat zij het vooropgestelde opleidingsprogramma niet uitvoerde en hem gewoon tewerkstelde als commercieel afgevaardigde. Voor een groot deel diende hij beurzen en stands te verzorgen. Hij verwijst naar de wekelijkse staten waarin zijn prestaties werden opgenomen en naar de verslagen van de personeelsvergadering meer bepaald naar deze van 26 november 1998 waarin vermeld wordt dat hij en zijn collega verzocht hebben de opleiding te versnellen. Krachtens artikel 80 van het BVE van 21 december 1988 waarnaar artikel 120 BVE met betrekking tot de IBO-overeenkomst verwijst, dient onder beroepsopleiding verstaan te worden elke maatregel die tot doel heeft iemand beroepsbekwaamheid te verstrekken om arbeid in loondienst te verrichten. Beroepsopleiding kan worden verstrekt via een opleiding in een centrum voor beroepsopleiding, via een individuele opleiding in een onderneming, in een onderwijsinrichting of in een technische onderwijsinrichting. De vennootschap merkt terecht op dat hoewel het voorwerp van de IBO-overeenkomst een beroepsopleiding is, dit niet belet dat ook productieve arbeid kan worden verricht, nu artikel 123 zelfs voorziet dat de werkloze naast een RVA-vergoeding een premie ontvangt ten laste van de werkgever omwille van dergelijke prestaties die gradueel stijgt naargelang de productieve arbeid vermeerdert en op het einde van de opleiding zelfs 100% bedraagt. De NV IZEN, de heer D. P. en de VDAB ondertekenden een IBO-overeenkomst met betrekking tot een opleiding in de onderneming. Er werd een programma opgesteld waarin van week tot week de te verstrekken opleiding werd gedetailleerd. Zolang de overeenkomst duurde zijn er nooit klachten geweest vanwege de heer D. P. met betrekking tot het ontbreken van enige opleiding. De maandelijkse prestatiestaten werden door hem voor akkoord ondertekend, hetgeen een instemming met de opleiding inhoudt. Zelfs tijdens het opvolgingsbezoek van 2 april 1999 door de VDAB beklaagde hij er zich enkel over dat de sfeer onhoudbaar was doch maakte hij geen opmerkingen over het niet naleven van het opleidingsprogramma. Het is mogelijk dat de afwezigheid van opmerkingen in verband staat met de vrees dat de werkgever de opleidingsovereenkomst vroegtijdig zou afbreken en niet zou overgaan tot een tewerkstelling onder arbeidsovereenkomst na het verstrijken van de opleiding. Door de VDAB tijdig in te lichten had deze dienst nochtans een controle kunnen uitvoeren op grond van de mogelijkheid voorzien in het BVE zonder dat de werkgever ervan op de hoogte diende te zijn dat de aanleiding daartoe een klacht was. Art 2,e van de IBO-vereenkomst voorziet duidelijk in een opvolgingsmechanisme. De heer D. P. wachtte nog tot 14 juni vooraleer klachten te uiten met betrekking tot de IBO-opleiding doch ook dan beweerde hij niet dat hij in werkelijkheid onder een arbeidsovereenkomst was tewerkgesteld. De dienst meende hieraan geen verder gevolg te moeten verlenen, gezien de afwezigheid van klachten gedurende de tewerkstelling en het invullen van de voorgeschreven documenten door beide partijen, zonder enig voorbehoud. Op geen enkel ogenblik werd gesteld dat er sprake zou zijn geweest van een arbeidsovereenkomst, noch door de heer D. P., noch door zijn vakvereniging in de navolgende briefwisseling, noch door de VDAB. Dat het opleidingsprogramma niet verliep volgens het bijgevoegd schema is niet betwist. Uit de voorgelegde stukken blijkt dat de heer D. P. en zijn collega IBO-tewerkgestelde op een vergadering van 26-11-98 hebben aangedrongen op het "versnellen" van de opleiding. De vraag is of dit voldoende is om over te gaan tot een herkwalificatie tot een arbeidsovereenkomst. Het BVE vermeldt hierover niets. Dat de opleiding niet volgens het schema verliep hoeft nog niet te betekenen dat er helemaal geen opleiding werd verstrekt. Het blijkt dat de heer D.P. beschikte over informatiemateriaal, klanten bezocht, collectoren installeerde, zodat moet aangenomen worden dat hij allicht informatie kreeg over de eigenschappen en de werking van het verkochte materiaal en aanwijzingen over de installatie ervan. Men kan toch niet veronderstellen dat de heer D. P. klanten kon te woord staan zonder een voldoende kennis over het aangeboden materiaal. Misschien beschikte hij reeds over een goede technische basiskennis hetgeen de informatieverwerking versnelt. Ter zitting konden daarover geen inlichtingen worden gegeven. Ook werd er een stage bij Izen georganiseerd voor een kennismaking met het productieproces. Een onderdeel van de cursus bestond uit een overzicht van promotiemateriaal, beursstands... verkoopsprocedures, opstellen van offertedossiers, ingebruikname, opstart, gebruikersinfo... De weekstaten die eenzijdig documenten zijn en derhalve met omzichtigheid beoordeeld dienen te worden, vermelden naast frequente deelnames aan beurzen o.m. afspraken met klanten, voor informatie en documentatie, opmetingen, plaatsing collectoren, opstart, voorbereiding van offertes, opvolgen van offertes, bespreking en situatie analyse, berekenen projecten en offertes, initiatie warmtepompen, opleiding gasbranders, voorbereiding voordracht en keuze dia's, cursus train the trainer, training Junckers, meeting IZEN-verdelers, meeting IZEN. Ook na de stopzetting van de opleiding waren nog een opleidingssessies voorzien. Het Hof meent daaruit te kunnen besluiten dat althans gedeeltelijk voldaan werd aan de opleidingsverplichtingen aangezien de opgesomde taken anders niet hadden kunnen uitgevoerd worden. Het uitvoeren van de taken kan ook deel uitmaken van de opleiding volgens het principe "al doende leert men". De ondernemingsopleiding beoogt wel degelijk voornamelijk een praktijkgerichte opleiding. Aangezien de heer D. P. werd aangeworven voor de regio Brussel en Wallonië was daaraan inherent dat hij zou ingeschakeld worden bij de klanten en zijn opleiding grotendeels zou genieten op het terrein en dat het niet enkel een theoretische opleiding in het bedrijf zelf betrof. Het Hof meent derhalve dat ook al is de opleiding niet geheel verstrekt volgens het aan de overeenkomst gehechte schema er toch geen aanleiding toe is de overeenkomst te herkwalificeren als een arbeidsovereenkomst. ó ó ó OM DEZE REDENEN, Het Arbeidshof, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24, Rechtsprekend op tegenspraak, Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond. Hervormt het beroepen vonnis. Verklaart de oorspronkelijke vordering ontvankelijk doch ongegrond. Veroordeelt geïntimeerde tot de kosten van beide aanleggen, tot op heden als volgt begroot: - voor appellante: - rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg EUR 196,33 - uitgaven EUR 55,78 - rechtsplegingsvergoeding hoger beroep EUR 267,73 - dagvaarding in tussenkomst & vrijwaring EUR 71,74 - voor geïntimeerde: - dagvaarding EUR 93,38 - voor gedaagde in gemeenverklaring: - rechtsplegingsvergoeding hoger beroep EUR 261,78 Aldus gewezen en uitgesproken op de openbare terechtzitting van de derde kamer van het Arbeidshof te Brussel op vierentwintig december tweeduizend en vier. Waren aanwezig: G. BALIS: Raadsheer. P. KESSELS: Raadsheer in Sociale Zaken als werkgever, aangeduid bij bevel-schrift van heden, ter vervan-ging van de heer P. GROENINCKX, Raadsheer in Sociale Zaken als werkgever, die de debatten heeft bijgewoond en heeft deelgenomen aan het beraad van onderhavig arrest, maar wettig verhinderd is om de uitspraak ervan bij te wonen (art. 779 van het Gerechtelijk Wetboek). M. WAMPERS: Raadsheer in Sociale Zaken als werknemer-bediende. L. COEN: Eerstaanwezend adjunct-griffier. PDF document ECLI:BE:CTBRL:2004:ARR.20041224.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div