← België

ECLI:BE:CTBRL:2005:ARR.20050104.18

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 04 januari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2005:ARR.20050104.18 Rolnummer: 44640 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2005-10-17 Raadplegingen: 98 - laatst gezien 2026-07-02 03:27 Fiche Voor de beoordeling van huidig geschil is het van belang eerst de wettelijke regeling m.b.t. de rechtspositie van de hypotheekbewaarders te onderzoeken. Bij de wet van 16-12-1851 werden de voorrechten en hypotheken geregeld, middelen om bepaalde schuldeisers toe te laten bij voorrang uitbetaald te worden op de opbrengst van de goederen van hun schuldenaar. Om zekerheid te verschaffen over de toestand van die goederen werden publiciteitsmaatregelen voorzien die verzekerd worden door het ambt van de hypotheekbewaarder die voor de uitvoering ervan persoonlijk verantwoordelijk wordt gesteld. De hypotheekbewaarder heeft een dubbele hoedanigheid, die van staatsrekenplichtige, belast met het innen van bepaalde belastingen en die van openbaar ambtenaar. Als rekenplichtige wordt hem een vaste wedde toegekend en hangt hij volledig af van de administratie. Als openbaar ambtenaar belast met het verlenen van publiciteit aan zakelijke rechten wordt hij door het publiek vergoed. Bij gelegenheid van elke formaliteit wordt inderdaad een loon gevorderd. In die sfeer is de hypotheekbewaarder persoonlijk aansprakelijk voor alle schade ontstaan door zijn fout of die van zijn aangestelden. Die aansprakelijkheid blijft bestaan tot 10 jaar na zijn ambtsbeëindiging. Zo werd bepaald in art. 128 en 130 van de hypotheekwet (J.G. Van Zeghbroeck, Het statuut van de hypotheekbewaarder, TBP '80, p. 397 e.v.; Traité des Hypothèques et de la Transcription, nr. 3477 E.v. 3529 e.v.). De autonomie en de persoonlijke aansprakelijkheid van de hypotheekbewaarder als openbaar ambtenaar belet nochtans niet dat de overheid toezicht uitoefent over de correcte naleving van de hypotheekwet en daartoe beschikt over een disciplinaire bevoegdheid. Zij waakt over de keuze van de ambtenaren die aan het hoofd van een hypotheekkantoor worden aangesteld, houdt toezicht over het bijhouden van de documenten en registers, de snelheid en de regelmatigheid van de hypothecaire verrictingen, de correctheid van de geïnde lonen, kortom over alles wat het beheer de orde en de discipline van het bureau betreft (Traité des Hypothèques et de la transcription nr. 3532). Dit toezicht houdt verband met de aard en de opdracht van de hypotheekkantoren ten dienste van het algemeen belang. Diezelfde dualiteit komt ook tot uiting in het statuut van de bedienden die de hypotheekbewaarder bijstaan in de uitoefening van zijn taak. Het statuut van die bedienden werd vastgesteld door een besluit van de Regent van 1.7.'

  1. De tekst ervan zoals gewijzigd bij K.B. van 19.9.1962 werd gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 22.9.
  2. Volgens artikel 3 van dit Besluit A worden de betrekkingen tussen de bewaarder en zijn bedienden beheerst door het gemeen recht van de bediendenovereenkomst en de bepalingen van het besluit A. Artikel 3bis bepaalt dat het kader van de bedienden die aan elk kantoor gehecht zijn wordt vastgesteld door de directeur-generaal van de B.T.W., registratie en domeinen. Artikel 4 bepaalt de graden van de bedienden. Het besluit bevat verder bepalingen over de wervingsvoorwaarden, de proef, de stage en de stabiliteit van de betrekking, de bezoldiging, de bevorderingen in graad, het signalement, de afdanking en schorsing, de beroepsmogelijkheid tegen beslissingen inzake signalement, verloven en afwezigheden, syndicaal statuut, rechten en plichten van de bediende die inderdaad een doorslag lijken te zijn van het ambtenarenstatuut, zoals geïntimeerde opmerkt. Omdat de bewaarder van hypotheken uitsluitend aansprakelijk is voor de uitvoering van de door de hypotheekwet voorgeschreven civielrechtelijke formaliteiten is de wetgever diens personeelsleden als zijn particuliere bedienden blijven beschouwen. De hypotheekbewaarder werft de bedienden aan volgens het gemeen recht met een arbeidsovereenkomst voor bedienden. Op grond van de wet van 10-7-1922 heeft de Koning in opeenvolgende besluiten ten behoeve van de bedienden van hypotheekbewaarders een stel bepalingen uitgevaardigd die de voor hen vastgestelde regels nader tot die van het Statuut van het Rijkspersoneel hebben gebracht. Hoewel die wet de regering enkel gemachtigd heeft de grondslagen van het loon der bedienden van de hypotheekbewaarders vast te stellen, oordeelde de regering dat zij tevens gemachtigd was bepaalde waarborgen inzake vastheid van betrekking toe te kennen. Tijdens de parlementaire voorbereiding werd immers betreurd dat de klerken van bewaarders ontoereikende lonen hadden en evenmin vastheid van betrekking genoten. De rechtstoestand van de bedienden van de hypotheekbewaarder is dus gemengd. Hij wordt deels door een arbeidsovereenkomst en deels door verordeningsbepalingen geregeld. Door het uitvaardigen van een geheel van bepalingen werd de administratieve toestand van deze bedienden nagenoeg gelijk gesteld met deze van het rijkspersoneel. Het samengaan van een statutair en contractueel statuut is niet uitgesloten en wordt ook in andere instellingen aangetroffen (Advies Raad van State voorafgaand aan KB van 19-9-'62, BS 22-9-'62, p 8271; J.De Clercq, TBP '75 p 29 e.v.; J.Sarot, Précis de fonction publique, Bruylant '94 p 23). De Raad van State heeft in zijn advies voorafgaand aan het K.B. van 19.9.1962 de aandacht gevestigd op de hybriede toestand van de bedienden van de hypotheekbewaarders. Hij achtte het samengaan van een arbeidsovereenkomst met een statutaire regeling niet tegenstrijdig Hoewel de bewaarder zijn bedienden moet bezoldigen zoals bepaald in hoofdstuk IV van het regentbesluit, dat hen de wedde en de vergoedingen gelijk aan die van de rijksambtenaren toekent, mag hij daar nochtans van afwijken om grotere voordelen toe te kennen. Ook hierin komt zijn hoedanigheid van werkgever tot uiting. Aanvankelijk kwamen de geheven overschrijvingslonen volledig toe aan de hypotheekbewaarders. Nadien kwam progressief een gedeelte errvan aan de Schatkist toe. Sinds het KB van 18-12-'62 tot vaststelling van de lonen van hypotheekbewaarders, zijn de voorafnemingen ten bate van de Schatkist tegen een progressief tarief bepaald. Met die voorafnemingen worden de bezoldigingen, toelagen, vergoedingen, pensioenbijdragen en andere uitgaven betaald van het personeel der hypotheekkantoren en het loon van de overschrijvers. Toepassing De analyse van de rechtsverhouding dient zich toe te spitsen op de gezagsverhouding nu de betwisting geen betrekking heeft op het bestaan van een arbeidsovereenkomst doch enkel op de vraag bij wie het werkgeversgezag berust. De dubbele hoedanigheid van de hypotheekbewaarder en de hybriede rechtstoestand van de bedienden verbonden aan de hypotheekkantoren doordringt elk facet van de tewerkstelling, hetgeen de beoordeling bemoeilijkt. De Raad van State wees er reeds op dat deze hybriede rechtstoestand een aantal delicate problemen deed rijzen. Men kan inderdaad niet stellen dat het gaat om een schoolvoorbeeld van de klassieke arbeidsovereenkomst. Elk van de partijen heeft ter staving van zijn stelling wel een aantal formele elementen kunnen vinden die normaal door de werkgever worden ten laste genomen. Ook hier geen éénduidigheid. Zo wijzen appellanten erop dat de arbeidsovereenkomsten, ontslagen en andere documenten bestemd voor het personeel door de hypotheekbewaarder in eigen naam werden ondertekend. Dat hij zich aansloot bij een kinderbijslagfonds en dat de wedden en vergoedingen via zijn rekening werden betaald. De Heer Ketels wijst er dan weer op dat de weddes sinds '98 via de postrekening van de administratie werden betaald, de weddefiches het Ministerie van Financiën als werkgever vermelden evenals de sociale en fiscale formulieren. Het zijn echter de inhoudelijke aspecten met betrekking tot de uitoefening van werkgeversgezag die bepalend zijn. In zijn advies voorafgaand aan het KB van 19-9->62, herinnerde de Raad van State eraan dat voor het bediendenstatuut werd geopteerd omwille van de persoonlijke aansprakelijkheid van de bewaarder van het hypotheekkantoor voor de op hem rustende wettelijke publiciteitsvoorschriften. Deze aansprakelijkheid is niet beperkt tot zijn eigen daden doch strekt zich uit tot deze van zijn bedienden, hetgeen verantwoordt dat de hypotheekbewaarder t.o.v. de bedienden die hem hierin bijstaan het werkgeversgezag kan uitoefenen. Het KB bepaalt uitdrukkelijk in art 83 tot 85 dat de bewaarder naar goeddunken, de bevoegdheden van ieder lid van zijn personeel regelt, dat hij zo nodig de bijzondere plichten van toezicht bepaalt die op de eerste klerken, de revisoren en op het bureelhoofd rusten en nauwkeurig hun voorrechten aanwijst. Er wordt verder in bepaald dat de bedienden, zonder de toestemming van de bewaarder geen inlichtingen mogen verschaffen. Uit die bepalingen blijkt de gezagsrelatie tussen de hypotheekbewaarder en zijn bedienden. De tussenkomst van de overheid in bepaalde gevallen via de directeur-generaal die inderdaad in tal van praktijken en instructies tot uiting komt, houdt enerzijds verband met de statutaire regeling die contractueel op de personeelsleden van toepassing is en op de bevoegdheid van de overheid om toezicht uit te oefenen op de naleving van de hypotheekwet in het algemeen belang. Dit verklaart waarom aanvragen tot cumul met andere prestaties, dienstvrijstelling, opleidingsverloven, vaderschapsverlof en borstvoedingspausedoor de overheid moesten worden goedgekeurd. Deze tussenkomst komt tot uiting in beslissingen over de personeelsbezetting, de machtiging tot aanwerving, ontslag, verlenging van tewerkstelling, opname in de vaste personeelsformatie. Dit houdt weliswaar een beperking in van de autonomie van de hypotheekbewaarder die evenwel het beslissingsrecht behoudt onder voorbehoud van machtiging. De hypotheekbewaarder treft ook de beslissingen i.v.m. de organisatie van het kantoor en de verlofregelingen. De controle die de overheid uitoefent heeft te maken met de werking van het kantoor als zodanig doch niet met de prestaties van de individuele bedienden die uitsluitend door de hypotheekbewaarder ter verantwoording kunnen worden geroepen. Uit de uiteenzetting van geïntimeerde over de binnen het hypotheekkantoor gegroeide wantoestanden blijkt dat de overheid daarin niet rechtstreeks ingreep. Daaruit blijkt eveneens dat hijzelf het initiatief nam om hieraan paal en perk te stellen en daartoe de nodige maatregelen trof, vanuit het bewustzijn van zijn eigen aansprakelijkheid terzake. Daaruit blijkt duidelijk de uitoefening van werkgeversgezag. Het tweeledig statuut van de hypotheekbewaarder en van zijn bedienden biedt eveneens een verklaring voor de samenstelling van het loon dat enerzijds wordt bepaald volgens de binnen het Ministerie van Financiën geldende barema=s anderzijds via vergoedingen door het publiek betaald voor de verrichtingen in zijn hoedanigheid van openbaar ambtenaar voor de formaliteiten van publiciteit van zakelijke rechten waarvoor hij zoals gezegd volledig aansprakelijk is. Die vergoedingen kan hij zelf vaststellen binnen de door de wet bepaalde grenzen. Hij kan daarop bijkomende voordelen toekennen aan zijn bedienden. Het is dus niet helemaal juist dat partijen geen overeenkomst konden sluiten over het toepasselijk loon. Enkel de minimumbarema=s werden immers vastgelegd, hetgeen in tal van sectoren het geval is. De Heer Ketels concludeert uit de techniek der voorafnemingen op de inkomsten van het hypotheekkantoor ter betaling van de wedden en vergoedingen van de bedienden dat die wedden volledig ten laste vallen van de Schatkist nu de vergoedingen van het hypotheekkantoor aan de Staat toekomen. Zelfs indien de wedde van de personeelsleden door de Staat ten laste genomen wordt dan is dit niet bepalend om de hoedanigheid van werkgever vast te stellen. Ook in andere regelingen, bvb. in het vrij gesubsidieerd onderwijs worden de weddetoelagen door de Staat ten laste genomen, zonder dat de Staat daarom het werkgeversgezag uitoefent. De wijze waarop de verdeling van de vergoedingen en de afschaffing ervan onder het gezag van de Heer Ketels werd geregeld wijst op de uitoefening van werkgeversgezag. Aangenomen dat dit gebeurde in overleg met het personeel en niet éenzijdig, zoals hij voorhoudt, dient toch vastgesteld te worden dat de afspraken rechtstreeks met hem gemaakt werden en op zijn initiatief zonder enige tussenkomst van de Belgische Staat Hoewel het statuut van de bedienden van de hypotheekbewaarder hybried is, is het gezag van de hypotheekbewaarder over de bedienden nog steeds duidelijk en wordt het verantwoord door zijn persoonlijke verantwoordelijkheid als openbaar ambtenaar, belast met de publiciteitsvoorschriften zonder enige tussenkomst van de Belgische Staat. Dit criterium komt doorslaggevend voor en ligt aan de basis van de keuze door de wetgever van een bediendenstatuut onder het gezag van de hypotheekbewaarder. Vrije woorden: ARBEIDSOVEREENKOMSTEN - ALGEMENE REGELINGEN - WAO Bediendencontracten - Art. 3 Hypotheekbewaarder - Hoedanigheid van werkgever tegenover personeel tewerkgesteld in zijn dienst, zelfs al worden de bedienden door de Schatkist betaald en genieten zij van een bijzonder statuut door de wet bepaald. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 3 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Tekst van de beslissing Rep.Nr_________ ARBEIDSHOF TE BRUSSEL &§9472;&§9472;&§9472;&§9472;&§9472;&§9472;&§9472;&§9472;&§9472; ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN 4 JANUARI 2005 3e KAMER Bediendecontract Op tegenspraak Definitief In de zaak :
  3. De Heer S. D. B., verschijnend in persoon,
  4. De Heer P. A., verschijnend in persoon,
  5. De Heer Cl. G.,
  6. Mevrouw N. V. A.,
  7. Mevrouw A. L.,
  8. De Heer J. D., verschijnend in persoon,
  9. De Heer E. B.,
  10. De Heer M. A.,
  11. Mevrouw C. D. G.,
  12. Mevrouw N. L.,
  13. Mevrouw H. D. B.,
  14. Mevrouw A. H.,
  15. De Heer C. T.,
  16. Mevrouw R. B.,
  17. De Heer L. D. N., verschijnend in persoon,
  18. De Heer P. H., Appellanten, vertegenwoordigd door Mter Willy Van der Gucht, advocaat te 9000 Gent; Tegen :
  19. DE HYPOTHEEKBEWAARDER VAN HET ZEVENDE HYPOTHEEKKANTOOR TE BRUSSEL, gevestigd aan de Regentschapsstraat, 54 te 1000 Brussel,
  20. De Heer W. K., hypotheekbewaarder bij het zevende hypotheekkantoor te Brussel, Geïntimeerden, vertegenwoordigd door Mters P. Michielsen en V. Cauwels, advocaten te 9051 Gent (Sint-Denijs-Westrem); Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel volgend arrest uit : Gelet op de stukken van de rechtspleging en meer bepaald op : -het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis op tegenspraak gewezen door de Arbeidsrechtbank te Brussel op 23 juni 2003; - het verzoekschrift in hoger beroep ontvangen ter griffie van dit Hof op 19 september 2003; - de besluiten en aanvullende besluiten van appellante, de besluiten, aanvullende besluiten en tweede aanvullende besluiten voor geïntimeerde; - gelet op de voorgelegde stukken; Gehoord partijen in hun middelen en beweringen op de openbare terechtzitting van 30 november 2004; x x x RELEVANTE FEITEN EN RECHTSPLEGING Appelanten waren allen als bedienden tewerkgesteld in het 7de hypotheekkantoor te Brussel.. De Heer K. , geïntimeerde werd er op 1-4->95 als hypotheekbewaarder benoemd voor de duur van 7 jaar. Met dagvaarding van 18-5-2001 betekend aan Ade hypotheekbewaarder van het 7de hypotheekkantoor te Brussel, vorderden de appellanten de veroordeling van de hypotheekbewaarder tot betaling van achterstallige vergoedingen bestaande uit de ontvangsten voor het overschrijven van plans en het opzoeken van titels over de periode van juni 1996 tot en met september 2002, waarvan het aandeel van ieder van hen als volgt werd bepaald: - S. D. B. : 7.073, 86 _ - P. A. : 15.812, 69 _ - C. G. : 6.065, 94 _ - N. V. A. : 5.138, 69 _ - A. L. : 14.001, 37 _ - J. D. : 15.812, 69 _ - E. B. : 15.604, 76 _ - M. A.: 6.555, 14 _ - C. D. G. : 8.302, 49 _ - N. L.: 7734, 37 _ - H. D. B. : 2.106, 77 _ - A. H. : 10.062, 46 _ - C. T. : 14.504, 67 _ - R. B. : 1.720, 60 _ - L. D. : 15.812, 69 _ - P. H. : 3.570, 06 _ de gerechtelijke intresten op die bedragen en de kosten. Zij maakten voorbehoud voor de sinds oktober 2002 nog te vervallen vergoedingen Zij vorderden tevens de hypotheekbewaarder te veroordelen om ook na de datum van het tussen te komen vonnis de ontvangsten uit het overschrijven van plans en het opzoeken van titels aan hen uit te betalen. Gelet op de opgeworpen onontvankelijkheid m.b.t. de oorspronkelijke dagvaarding werd op 17-7-2002 een tweede dagvaarding betekend aan de Heer W. K. in zijn hoedanigheid van hypotheekbewaarder van het 7de hypotheekkantoor. Met het beroepen vonnis verklaarde de Arbeidsrechtbank de dagvaarding betekend aan de hypotheekbewaarder onontvankelijk, en stelde zij de verjaring vast van de vordering van de Heer P.H. en Mevrouw H. D. B. zoals ingesteld bij de tweede dagvaarding van 17.7.2002 Voor het overige verklaarde zij de vorderingen ongegrond. Zij besloot dat de Heer W. K. immers niet de werkgever was van de appellanten, doch enkel hun hiërarchische meerdere die optrad als uitvoerder van de instructie die hem door zijn hogere overheid, de Belgische Staat, gegeven werd en de personeelsleden van de hypotheekkantoren bijgevolg contractuele personeelsleden van de Belgische Staat zijn. De Arbeidsrechtbank oordeelde eveneens dat aan het gebruik om het casueel aan de bedienden uit te betalen een einde was gekomen en dat zij geen rechten meer konden laten gelden op een in onbruik geraakt gebruik. VOORWERP VAN HET HOGER BEROEP Appelanten verzoeken het Hof: - het beroepen vonnis te niet te doen en opnieuw wijzend, geïntimeerde te veroordelen tot betaling van achterstallige vergoedingen, de intresten daarop vanaf de datum van opeisbaarheid ervan, onder voorbehoud van de sinds maart 2004 vervallen vergoedingen, - geïntimeerde te veroordelent tot de verplichting om hen vanaf de datum van het tussen te komen arrest maandelijks de als Acasueel@ omschreven vergoedingen uit te betalen. Geïntimeerden verzoeken het Hof het hoger beroep onontvankelijk, minstens ongegrond te verklaren en het vonnis van de Arbeidsrechtbank integraal te bevestigen, Zij stellen een vordering in wegens tergend en roekeloos hoger beroep. Zij verzoeken het Hof die vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren en elk van de appellanten afzonderlijk te veroordelen tot de betaling van een schadevergoeding van 500 Euro, hetzij in totaal 8.000 Euro en tot de kosten van beide aanleggen. BEOORDELING 1.Ontvankelijkheid van het hoger beroep Nu geen betekeningsakte van het beroepen vonnis wordt voorgelegd, kan worden aangenomen dat het hoger beroep dat naar vorm regelmatig is, binnen de wettelijke termijn werd ingesteld. Het is derhalve ontvankelijk. 2.Ten gronde A. De ontvankelijkheid van de oorspronkelijke dagvaarding van 18-5-
  21. De oorspronkelijke dagvaarding vermeldde enkel de titel Ahypotheekbewaarder van het 7de hypotheekkantoor. Artikel 702 Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de dagvaarding op straffe van nietigheid o.m. de naam, de voornaam en de woonplaats of bij gebreke van een woonplaats de verblijfplaats van de gedaagde dient te vermelden. Het betreft een relatieve nietigheid zodat deze niet kan uitgesproken worden indien de belangen van de gedaagde hierdoor niet werden geschaad. Artikel 867 Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat het verzuim of onregelmatigheid van de vorm van een proceshandeling niet tot nietigheid kan leiden wanneer uit de gedingstukken blijkt dat de handeling het doel heeft bereikt dat de wet ermee beoogt. Het lijdt geen twijfel dat op het ogenblik van de betekening van de dagvaarding de Heer K. de -enigehypotheekbewaarder was van het 7de hypotheekkantoor zodat er geen onduidelijkheid kon bestaan omtrent de bestemmeling van de dagvaarding. Dit blijkt o.m. uit het feit dat hij op de inleidende zitting is verschenen en zijn verdediging heeft kunnen voorbrengen. Het Hof meent dat er derhalve geen reden toe is de nietigheid van de dagvaarding uit te spreken. B. de verjaring van de vorderingen van de Heer P.H. en Mevrouw H. D.B.. De vaststelling van de verjaring van deze vorderingen door de Arbeidsrechtbank op grond van artikel 15 van de wet op de arbeidsovereenkomsten was het gevolg van de verklaring van onontvankelijkheid van de dagvaarding van 18-5-
  22. Op het ogenblik dat de tweede dagvaarding werd betekend die wel geldig werd bevonden, was de arbeidsovereenkomst van deze twee personen reeds meer dan één jaar beëindigd. Nu het Hof de dagvaarding van 18-5-2001 niet nietig acht, volgt daaruit dat de vorderingen ingesteld door deze personen niet is verjaard. C. De hoedanigheid van de hypotheekbewaarder. Stanpunt van partijen Dat appelanten werkzaam zijn onder een bediendenovereenkomst is niet betwist. Het voornaamste twistpunt betreft de vraag of de Keer K. dan wel de Belgische Staat als hun werkgever dient beschouwd te worden Deze vraag dient opgelost te worden vooraleer over de vorderingen zelf uitspraak kan worden gedaan. De Arbeidsrechtbank is het standpunt van de Heer K. gevolgd dat hij niet de hoedanigheid van werkgever bezat en dat appellanten contractueel verbonden waren met de Belgische Staat. De beslissing steunt op de overwegingen dat de constitutieve bestanddelen van de arbeidsovereenkomst niet zijn vervuld. Hun loon zou ten laste vallen van de schatkist, dit zou voortvloeien uit artikels 8, 9 en 10 KB 18-9-1962 waarbij artikel 17 van het besluit van de Regent van 1-7->49 werd opgeheven, terwijl artikels 2 en 3 van het Besluit van de Regent in tegenspraak zouden zijn met artikels 2 en 3 van de WAO dat als hogere rechtsbron voorrang heeft. Bovendien zou dit loon ook niet door partijen worden bepaald doch vastgesteld bij wet. Een tweede overweging is dat de hypotheekbewaarder geen autonoom werkgeversgezag uitoefent aangezien hij niet kan beslissen over aanwervingen, promoties of ontslagen van de personeelsleden, dat het toezicht over de prestaties zou gebeuren door de inspecteurs van het Ministerie van Financiën, dat het gehele personeelsbeleid en het gehele personeelsbeheer bij het Ministerie van Financiën berust. Tenslotte zou de hypotheekbewaarder evenmin kunnen beschikken over de arbeidsprestaties van de personeelsleden. Geïntimeerde wijst erop dat de bedienden er al jaren op aandringen dat zij formeel als ambtenaren zouden erkend worden hetgeen overeenstemt met de realiteit van hun statuut. Appellanten vechten dit standpunt aan. Volgens hen is hun werkgever wel degelijk de Heer K. zelf, in zijn hoedanigheid van ambtenaar en niet ten persoonlijken titel en verwierf hij die hoedanigheid door het ambt van hypotheekbewaarder te aanvaarden. Dit volgt volgens hen uit de bepalingen van artikels 2 en 3 van het besluit van de Regent van 1-7-
  23. Dat de overheid maatregelen voorschrijft die verband houden met de organisatie van het kantoor en bepaalde loons- en arbeidsvoorwaarden van de bedienden is volgens hen verklaarbaar door het feit dat het een openbaar ambt betreft en doet geen afbreuk aan de hoedanigheid van werkgever van de hypotheekbewaarder. Zij menen dat de Heer K. bovendien niet aantoont dat zij geen arbeidsprestaties onder zijn gezag zouden verrichten tegen betaling van loon. Wettelijk statuut Voor de beoordeling van huidig geschil is het van belang eerst de wettelijke regeling m.b.t. de rechtspositie van de hypotheekbewaarders te onderzoeken. Bij de wet van 16-12-1851 werden de voorrechten en hypotheken geregeld, middelen om bepaalde schuldeisers toe te laten bij voorrang uitbetaald te worden op de opbrengst van de goederen van hun schuldenaar. Om zekerheid te verschaffen over de toestand van die goederen werden publiciteitsmaatregelen voorzien die verzekerd worden door het ambt van de hypotheekbewaarder die voor de uitvoering ervan persoonlijk verantwoordelijk wordt gesteld. De hypotheekbewaarder heeft een dubbele hoedanigheid, die van staatsrekenplichtige, belast met het innen van bepaalde belastingen en die van openbaar ambtenaar. Als rekenplichtige wordt hem een vaste wedde toegekend en hangt hij volledig af van de administratie. Als openbaar ambtenaar belast met het verlenen van publiciteit aan zakelijke rechten wordt hij door het publiek vergoed. Bij gelegenheid van elke formaliteit wordt inderdaad een loon gevorderd. In die sfeer is de hypotheekbewaarder persoonlijk aansprakelijk voor alle schade ontstaan door zijn fout of die van zijn aangestelden. Die aansprakelijkheid blijft bestaan tot 10 jaar na zijn ambtsbeëindiging. Zo werd bepaald in art. 128 en 130 van de hypotheekwet (J.G. Van Zeghbroeck, Het statuut van de hypotheekbewaarder, TBP >80, p. 397 e.v.; Traité des Hypothèques et de la Transcription, nr. 3477 E.v. 3529 e.v.). De autonomie en de persoonlijke aansprakelijkheid van de hypotheekbewaarder als openbaar ambtenaar belet nochtans niet dat de overheid toezicht uitoefent over de correcte naleving van de hypotheekwet en daartoe beschikt over een disciplinaire bevoegdheid. Zij waakt over de keuze van de ambtenaren die aan het hoofd van een hypotheekkantoor worden aangesteld, houdt toezicht over het bijhouden van de documenten en registers, de snelheid en de regelmatigheid van de hypothecaire verrictingen, de correctheid van de geïnde lonen, kortom over alles wat het beheer de orde en de discipline van het bureau betreft (Traité des Hypothèques et de la transcription nr. 3532). Dit toezicht houdt verband met de aard en de opdracht van de hypotheekkantoren ten dienste van het algemeen belang. Diezelfde dualiteit komt ook tot uiting in het statuut van de bedienden die de hypotheekbewaarder bijstaan in de uitoefening van zijn taak. Het statuut van die bedienden werd vastgesteld door een besluit van de Regent van 1.7.=
  24. De tekst ervan zoals gewijzigd bij K.B. van 19.9.1962 werd gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 22.9.
  25. Volgens artikel 3 van dit Besluit A worden de betrekkingen tussen de bewaarder en zijn bedienden beheerst door het gemeen recht van de bediendenovereenkomst en de bepalingen van het besluit A. Artikel 3bis bepaalt dat het kader van de bedienden die aan elk kantoor gehecht zijn wordt vastgesteld door de directeur-generaal van de B.T.W., registratie en domeinen. Artikel 4 bepaalt de graden van de bedienden. Het besluit bevat verder bepalingen over de wervingsvoorwaarden, de proef, de stage en de stabiliteit van de betrekking, de bezoldiging, de bevorderingen in graad, het signalement, de afdanking en schorsing, de beroepsmogelijkheid tegen beslissingen inzake signalement, verloven en afwezigheden, syndicaal statuut, rechten en plichten van de bediende die inderdaad een doorslag lijken te zijn van het ambtenarenstatuut, zoals geïntimeerde opmerkt. Omdat de bewaarder van hypotheken uitsluitend aansprakelijk is voor de uitvoering van de door de hypotheekwet voorgeschreven civielrechtelijke formaliteiten is de wetgever diens personeelsleden als zijn particuliere bedienden blijven beschouwen. De hypotheekbewaarder werft de bedienden aan volgens het gemeen recht met een arbeidsovereenkomst voor bedienden. Op grond van de wet van 10-7-1922 heeft de Koning in opeenvolgende besluiten ten behoeve van de bedienden van hypotheekbewaarders een stel bepalingen uitgevaardigd die de voor hen vastgestelde regels nader tot die van het Statuut van het Rijkspersoneel hebben gebracht. Hoewel die wet de regering enkel gemachtigd heeft de grondslagen van het loon der bedienden van de hypotheekbewaarders vast te stellen, oordeelde de regering dat zij tevens gemachtigd was bepaalde waarborgen inzake vastheid van betrekking toe te kennen. Tijdens de parlementaire voorbereiding werd immers betreurd dat de klerken van bewaarders ontoereikende lonen hadden en evenmin vastheid van betrekking genoten. De rechtstoestand van de bedienden van de hypotheekbewaarder is dus gemengd. Hij wordt deels door een arbeidsovereenkomst en deels door verordeningsbepalingen geregeld. Door het uitvaardigen van een geheel van bepalingen werd de administratieve toestand van deze bedienden nagenoeg gelijk gesteld met deze van het rijkspersoneel. Het samengaan van een statutair en contractueel statuut is niet uitgesloten en wordt ook in andere instellingen aangetroffen (Advies Raad van State voorafgaand aan KB van 19-9->62, BS 22-9->62, p 8271; J.De Clercq, TBP >75 p 29 e.v.; J.Sarot, Précis de fonction publique, Bruylant >94 p 23). De Raad van State heeft in zijn advies voorafgaand aan het K.B. van 19.9.1962 de aandacht gevestigd op de hybriede toestand van de bedienden van de hypotheekbewaarders. Hij achtte het samengaan van een arbeidsovereenkomst met een statutaire regeling niet tegenstrijdig Hoewel de bewaarder zijn bedienden moet bezoldigen zoals bepaald in hoofdstuk IV van het regentbesluit, dat hen de wedde en de vergoedingen gelijk aan die van de rijksambtenaren toekent, mag hij daar nochtans van afwijken om grotere voordelen toe te kennen. Ook hierin komt zijn hoedanigheid van werkgever tot uiting. Aanvankelijk kwamen de geheven overschrijvingslonen volledig toe aan de hypotheekbewaarders. Nadien kwam progressief een gedeelte errvan aan de Schatkist toe. Sinds het KB van 18-12->62 tot vaststelling van de lonen van hypotheekbewaarders, zijn de voorafnemingen ten bate van de Schatkist tegen een progressief tarief bepaald. Met die voorafnemingen worden de bezoldigingen, toelagen, vergoedingen, pensioenbijdragen en andere uitgaven betaald van het personeel der hypotheekkantoren en het loon van de overschrijvers. Toepassing De analyse van de rechtsverhouding dient zich toe te spitsen op de gezagsverhouding nu de betwisting geen betrekking heeft op het bestaan van een arbeidsovereenkomst doch enkel op de vraag bij wie het werkgeversgezag berust. De dubbele hoedanigheid van de hypotheekbewaarder en de hybriede rechtstoestand van de bedienden verbonden aan de hypotheekkantoren doordringt elk facet van de tewerkstelling, hetgeen de beoordeling bemoeilijkt. De Raad van State wees er reeds op dat deze hybriede rechtstoestand een aantal delicate problemen deed rijzen. Men kan inderdaad niet stellen dat het gaat om een schoolvoorbeeld van de klassieke arbeidsovereenkomst. Elk van de partijen heeft ter staving van zijn stelling wel een aantal formele elementen kunnen vinden die normaal door de werkgever worden ten laste genomen. Ook hier geen éénduidigheid. Zo wijzen appellanten erop dat de arbeidsovereenkomsten, ontslagen en andere documenten bestemd voor het personeel door de hypotheekbewaarder in eigen naam werden ondertekend. Dat hij zich aansloot bij een kinderbijslagfonds en dat de wedden en vergoedingen via zijn rekening werden betaald. De Heer K. wijst er dan weer op dat de weddes sinds >98 via de postrekening van de administratie werden betaald, de weddefiches het Ministerie van Financiën als werkgever vermelden evenals de sociale en fiscale formulieren. Het zijn echter de inhoudelijke aspecten met betrekking tot de uitoefening van werkgeversgezag die bepalend zijn. In zijn advies voorafgaand aan het KB van 19-9->62, herinnerde de Raad van State eraan dat voor het bediendenstatuut werd geopteerd omwille van de persoonlijke aansprakelijkheid van de bewaarder van het hypotheekkantoor voor de op hem rustende wettelijke publiciteitsvoorschriften. Deze aansprakelijkheid is niet beperkt tot zijn eigen daden doch strekt zich uit tot deze van zijn bedienden, hetgeen verantwoordt dat de hypotheekbewaarder t.o.v. de bedienden die hem hierin bijstaan het werkgeversgezag kan uitoefenen. Het KB bepaalt uitdrukkelijk in art 83 tot 85 dat de bewaarder naar goeddunken, de bevoegdheden van ieder lid van zijn personeel regelt, dat hij zo nodig de bijzondere plichten van toezicht bepaalt die op de eerste klerken, de revisoren en op het bureelhoofd rusten en nauwkeurig hun voorrechten aanwijst. Er wordt verder in bepaald dat de bedienden, zonder de toestemming van de bewaarder geen inlichtingen mogen verschaffen. Uit die bepalingen blijkt de gezagsrelatie tussen de hypotheekbewaarder en zijn bedienden. De tussenkomst van de overheid in bepaalde gevallen via de directeur-generaal die inderdaad in tal van praktijken en instructies tot uiting komt, houdt enerzijds verband met de statutaire regeling die contractueel op de personeelsleden van toepassing is en op de bevoegdheid van de overheid om toezicht uit te oefenen op de naleving van de hypotheekwet in het algemeen belang. Dit verklaart waarom aanvragen tot cumul met andere prestaties, dienstvrijstelling, opleidingsverloven, vaderschapsverlof en borstvoedingspausedoor de overheid moesten worden goedgekeurd. Deze tussenkomst komt tot uiting in beslissingen over de personeelsbezetting, de machtiging tot aanwerving, ontslag, verlenging van tewerkstelling, opname in de vaste personeelsformatie. Dit houdt weliswaar een beperking in van de autonomie van de hypotheekbewaarder die evenwel het beslissingsrecht behoudt onder voorbehoud van machtiging. De hypotheekbewaarder treft ook de beslissingen i.v.m. de organisatie van het kantoor en de verlofregelingen. De controle die de overheid uitoefent heeft te maken met de werking van het kantoor als zodanig doch niet met de prestaties van de individuele bedienden die uitsluitend door de hypotheekbewaarder ter verantwoording kunnen worden geroepen. Uit de uiteenzetting van geïntimeerde over de binnen het hypotheekkantoor gegroeide wantoestanden blijkt dat de overheid daarin niet rechtstreeks ingreep. Daaruit blijkt eveneens dat hijzelf het initiatief nam om hieraan paal en perk te stellen en daartoe de nodige maatregelen trof, vanuit het bewustzijn van zijn eigen aansprakelijkheid terzake. Daaruit blijkt duidelijk de uitoefening van werkgeversgezag. Het tweeledig statuut van de hypotheekbewaarder en van zijn bedienden biedt eveneens een verklaring voor de samenstelling van het loon dat enerzijds wordt bepaald volgens de binnen het Ministerie van Financiën geldende barema=s anderzijds via vergoedingen door het publiek betaald voor de verrichtingen in zijn hoedanigheid van openbaar ambtenaar voor de formaliteiten van publiciteit van zakelijke rechten waarvoor hij zoals gezegd volledig aansprakelijk is. Die vergoedingen kan hij zelf vaststellen binnen de door de wet bepaalde grenzen. Hij kan daarop bijkomende voordelen toekennen aan zijn bedienden. Het is dus niet helemaal juist dat partijen geen overeenkomst konden sluiten over het toepasselijk loon. Enkel de minimumbarema=s werden immers vastgelegd, hetgeen in tal van sectoren het geval is. De Heer K. concludeert uit de techniek der voorafnemingen op de inkomsten van het hypotheekkantoor ter betaling van de wedden en vergoedingen van de bedienden dat die wedden volledig ten laste vallen van de Schatkist nu de vergoedingen van het hypotheekkantoor aan de Staat toekomen. Zelfs indien de wedde van de personeelsleden door de Staat ten laste genomen wordt dan is dit niet bepalend om de hoedanigheid van werkgever vast te stellen. Ook in andere regelingen, bvb. in het vrij gesubsidieerd onderwijs worden de weddetoelagen door de Staat ten laste genomen, zonder dat de Staat daarom het werkgeversgezag uitoefent. De wijze waarop de verdeling van de vergoedingen en de afschaffing ervan onder het gezag van de Heer K. werd geregeld wijst op de uitoefening van werkgeversgezag. Aangenomen dat dit gebeurde in overleg met het personeel en niet éenzijdig, zoals hij voorhoudt, dient toch vastgesteld te worden dat de afspraken rechtstreeks met hem gemaakt werden en op zijn initiatief zonder enige tussenkomst van de Belgische Staat Hoewel het statuut van de bedienden van de hypotheekbewaarder hybried is, is het gezag van de hypotheekbewaarder over de bedienden nog steeds duidelijk en wordt het verantwoord door zijn persoonlijke verantwoordelijkheid als openbaar ambtenaar, belast met de publiciteitsvoorschriften zonder enige tussenkomst van de Belgische Staat. Dit criterium komt doorslaggevend voor en ligt aan de basis van de keuze door de wetgever van een bediendenstatuut onder het gezag van de hypotheekbewaarder. Dat de het in de actuele context wenselijk zou zijn dat de rechtstoestand van het personeel der hypotheekkantoren volledig zou geregeld worden volgens het ambtenarenstatuut vereist in ieder geval de tussenkomst van de overheid. Met betrekking tot het recht op de verdere uitbetaling van het Acasueel@ Dat de vergoedingen voor de overschrijving van plans en het opzoeken van titels een tegenprestatie vormen van krachtens de arbeidsovereenkomst geleverde arbeid en derhalve arbeidsrechtelijk als loon dienen beschouwd te worden, lijdt geen twijfel. De vraag is of het recht erop ook voor de toekomst is verworven. Appellanten gronden hun recht op de verdere uitbetaling ervan op een afdwingbare verplichting van de werkgever die voortvloeit uit het gebruik. Opdat een praktijk als een gebruik zou kunnen bestempeld worden, dient ze de kenmerken van algemeenheid, vastheid en bestendigheid te bezitten. Voor een ondernemingsgebruik moet er sprake zijn van een door de werkgever gewild gebruik. De algemeenheid veronderstelt dat de praktijk zich herhaalt en zich uitstrekt tot alle werknemers of een bepaalde categorie ervan. Vastheid veronderstelt dat de praktijk een patroon vertoont dat in functie van bepaalde parameters of criteria wordt bepaald en niet door subjectieve factoren. Bestendigheid houdt in dat de herhaling een zekere tijd moet aanhouden. (cfr. W. van Eeckhoutte, Informele bronnen in het Arbeidrect, Actuele problemen van het Arbeidsrecht 5, Mys & Breesch, >97 p 554 e.v., M. De Vos, Loon naar Belgisch Arbeidsovereenkomstenrecht nr. 457 en aldaar vermelde verwijzingen). Dat de personeelsleden de betaling van een Acasueel@ genoten is niet betwist. De Heer K. beweert trouwens met het personeel afspraken te hebben gesloten om dit tot redelijke proporties terug te brengen en vervolgens op te heffen. Volgens de Heer K. ging het om een gedoogde praktijk en niet om een vrijwillige toekenning. Naar zijn zeggen stelde hij bij zijn aantreden vast dat er binnen het kantoor wantoestanden waren ontstaan waarbij o.m. de vergoedingen die werden gevraagd voor de plans en titels en de afhandeling van dringende aanvragen door het personeel werden bepaald en ver boven de wettelijk bepaalde minimabedragen waren uitgegroeid en dat deze toestand door zijn voorgangers enkel werd gedoogd. Het Hof meent dat van een louter gedogen geen sprake kan zijn. Het behoort tot de bevoegdheid van de hypotheekbewaarder die vergoedingen voor de overschrijving van plans en het opzoeken van titels te bepalen, rekening houdend met de wettelijke richtlijnen terzake en te beslissen over de eventuele verdeling ervan onder de personeelsleden die hem daarin bijstaan. Aangezien dit tot zijn verantwoordelijkheid behoort en hij het werkgeversgezag uitoefent kan hij niet stellen dat deze praktijk een eigen leven leidde waarop de hypotheekbewaarder geen vat zou hebben. De Heer K. heeft trouwens vrijwel onmiddellijk de inning en de verdeling van die vergoedingen binnen redelijke perken pogen te brengen. Het Hof meent dat de praktijk minstens met de stilzwijgende instemming van zijn voorgangers tot stand kwam. Het bedrag dat de personeelsleden ontvingen was in ieder geval variabel en afhankelijk van de geïnde vergoedingen. Volgens de verklaringen van verschillende personeelsleden die intussen uit dienst zijn was de praktijk reeds lang in voege. De Heer D. P. bevestigt dat dit het geval was tijdens de periode van =46 tot =
  26. De Heer V. bevestigt dit voor de periode =72 tot =
  27. Beide verklaren dat het totaal der ontvangsten voor de reproductie van plans en opzoekingen van 30-jarige titels onder het personeel werd verdeeld. Volgens de appellanten was dit ook nog het geval onder de Heer D. C., de vorige hypotheekbewaarder. Indien de heer K. zulks betwist zou hij dit aan de hand van de boekhouding kunnen weerleggen, hetgeen hij niet doet. Appellanten leggen nog stukken voor met betrekking tot twee onder hen in verband met betalingen van dergelijke vergoedingen in =73 en >74,=
  28. Verder leggen zij een door veertien personeelsleden ondertekende brief voor aan de hypotheekbewaarder van 8-6->76 waarin zij erop aandringen dat de voordelen die steeds stilzwijgend werden toegekend en die derhalve een verworven recht uitmaakten, verder zouden worden uitbetaald. Dat de verdeling van het casueel gebeurde volgens een bepaalde verdeelsleutel en bepaalde criteria wordt door appellanten aangetoond. Uit verschillende stukken blijkt dat de verdeling gebeurde volgens een puntensysteem dat in verhouding stond tot de anciënniteit. Indien deze verdeelsleutel en de criteria al niet door de vorige hypotheekbewaarders zouden zijn bepaald dan is er in ieder geval sprake van een stilzwijgende instemming ermee. Het Hof leidt uit de door appellanten voorgelegde stukken gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens af dat er geruime tijd een gebruik bestond binnen het hypotheekkantoor waarbij aan de bedienden de totaliteit van de vergoedingen voor afdrukken van plans en opzoeken van dertigjarige titels werd toegekend volgens een puntensysteem gebaseerd op anciënniteit. Dergelijke vermoedens gelden als bewijs overeenkomstig art 1353 Burgerlijk Wetboek. Indien de heer K. in vraag stelt dat het om de totaliteit zou gaan, dat er geen vast patroon zou zijn of dat die betaling niet aan alle bedienden gebeurde, dan zou hij dit makkelijk kunnen weerleggen aangezien hij in zijn hoedanigheid van hypotheekbewaarder toegang heeft tot de volledige boekhouding en alle stukken. Uit de voorgelegde stukken en de uiteenzettingen van geïntimeerde blijkt dat er o.m. met betrekking tot het vaststellen van vergoedingen misbruiken waren ontstaan. Die waren te wijten aan het feit dat de wetgever slechts minimumbedragen hiervoor had vastgesteld die niet op tijd en stond werden aangepast en kennelijk ook aan het feit dat de hypotheekbewaarders min of meer de vrije hand lieten aan hun bedienden bij het vaststellen van die vergoedingen. Dit heeft klaarblijkelijk geleid tot excessen die ertoe leidden dat een audit werd bevolen naar de gangbare praktijken in de hypotheekkantoren. De Heer K. wenste de bestaande praktijken tot normale proporties terug te schroeven. Daarbij werd ook de verdeling van de vergoedingen gewijzigd en ten slotte afgeschaft, hetgeen de kern van dit geschil vormt. Niet onbelangrijk bij de beoordeling van dit geschil is dat de wetgever de wettelijke minimumtarieven heeft opgetrokken vanaf eind >97, begin >98 doch de voorstellen daartoe waren reeds langer bekend. Bovendien genoten de personeelsleden vanaf het jaar >98 belangrijke loonsverhogingen met het oog op de gelijkschakeling van hun wedde met deze van de personeelsleden van de administratie financiën en dit zelfs met retroactieve uitwerking tot >
  29. In uitvoering van het KB van 9-10-2001 werden hen ook weddecomplementen toegekend, hetgeen de uitbetaling van het Acasueel@ tot dan toe wellicht in de weg had gestaan. Dit wordt ten minste vermeld in de door de vakbond CCOD in maart >98 verspreide tekst en komt ook begrijpelijk voor. Volgens de Heer K. werden m.b.t. de toekenning van het casueel met het personeel volgende afspraken gemaakt: -Vanaf zijn benoeming op 1-4->95 tot eind >95 werd het geïnde casueel verdeeld volgens een verdeelsleutel 30% voor de hypotheekbewaarder, 70% voor het personeel, waar dit voordien voor 100% aan het personeel toekwam, hetgeen hem gelet op de enorme aansprakelijkheid van de hypotheekbewaarder niet normaal voorkwam; De vergoeding voor snelle afhandeling kwam wel nog voor 100% aan het personeel toe. -Vanaf 1996 werd een verdeling van 50% /50% toegepast met het oog op de nakende optrekking van de wettelijke tarieven die het bedrag van een overschrijving voor een A4 formaat zou brengen op 500Fr, waar dit voordien 120 tot 240 F bedroeg. Bovendien werden geen inhoudingen bedrijfsvoorheffing meer verricht. Voordien gebeurde dit wel doch de maandelijks ingehouden voorheffing werd slechts op het einde van het jaar doorgestort aan de fiscus hetgeen de hypotheekbewaarder de opbrengst van de intussen gegenereerde intresten opleverde. Verder werd hen een deel van de opbrengst van de faxen toegekend en een verhoging van 30 Fr van de vergoeding voor verbetering en snelle afhandeling. -Vanaf eind 97 waren er volgens hem een aantal nieuwe omstandigheden die de afschaffing van het Acasueel@ wettigden A. Er vond een audit plaats naar de wantoestanden op de hypotheekkantoren B. Er ontstond zekerheid over het optrekken van de wettelijke vergoedingen tot 500 F per A4 blad C.Er vond een weddeverhoging plaats in januari >98 die retroactief werd toegepast vanaf januari >
  30. Deze maatregelen gingen gepaard met het terugschroeven van de voorheen toegepaste vergoedingstarieven die ver boven de wettelijke richtprijs waren komen te liggen. Dat er terzake afspraken werden gemaakt met het personeel wordt door appellanten betwist. De doorgevoerde wijzigingen staan echter wel vast en blijken overigens uit de stukken. Hieruit volgt dat het gebruik zoals het tot dan toe bestond niet meer in voege was. Als bewijs dat de wijzigingen in samenspraak met het personeel gebeurden verwijst de Heer K. naar de verklaringen van de Heren D.B. en B. die dit bevestigen en de door de personeelsleden zelf opgestelde verdeellijsten die met de gemaakte afspraken overeenstemmen en die door elk van hen werden afgetekend. Hij wijst erop dat de bedienden de aldus uitgevoerde regeling niet hebben betwist voor de dagvaarding, hetgeen inderdaad blijkt. In tegenstelling tot wat in >76 gebeurde, werd door de bedienden geen collectief verzoek gericht aan de hypotheekbewaarder om de vergoedingen uit te betalen zoals voorheen. Aangezien voor de wijzigingen redelijke motieven werden aangehaald zou de afwezigheid van reactie vanwege appellanten er kunnen op duiden dat zij het met die wijzigingen eens waren. Het is niet onmogelijk dat zij hoopten dat de toekenning van de weddecomplementen erdoor zou komen indien het casueel niet meer werd uitbetaald dat hiervoor kennelijk een hinderpaal vormde, hetgeen ook begrijpelijk is. Hun stilzitten was niet louter passief en kan als omstandig omschreven worden. De consequentie van dit stilzitten is de uitdoving van het gebruik. Vanaf 1995 kan geen continuïteit meer worden vastgesteld in de toepassing . Eerst werd het aan de bedienden toegekend percentage teruggebracht tot 70%, vervolgens vanaf 1996 tot 50% om ten slotte ter gelegenheid van de loonaanpassing van 1998 helemaal te worden afgeschaft. De bewering van de Heer K. dat in quasi alle hypotheekkantoren de betaling van het casueel werd afgeschaft vanaf 1998 wordt door appellanten niet afdoende weerlegd. Er dient te worden vastgesteld dat op het ogenblik van de dagvaarding het gebruik in onbruik was geraakt en uitgedoofd en dat er een loonaanpassing gevolgd door weddecomplementen voor in de plaats gekomen is. Geïntimeerde trekt terecht een parallel naar het geval van de belangrijke éénzijdige wijziging van de arbeidsovereenkomst waarbij het Hof van Cassatie oordeelde dat de werknemer die blijft verder werken gedurende langere tijd dan nodig is om standpunt in te nemen geacht wordt te hebben ingestemd met de nieuwe arbeidsvoorwaarden en geen impliciet ontslag meer kan inroepen ook al maakte hij voorbehoud (Cass, 17-6-2002, JTT 2002, 417). Vanaf april 1995 was immers duidelijk dat een wijziging van de bestaande rgeling werd doorgevoerd. De vordering van appellanten komt derhalve ongegrond voor. De vordering wegens tergend en roekeloos hoger beroep Het principe van de dubbele aanleg is in ons rechtsbestel ingeschreven. Het Hof meent dat de appellanten geen misbruik hebben gemaakt van hun recht om hoger beroep in te stellen, nu het door hen naar voor gebrachte standpunt niet getuigt van een schuldige lichtzinnigheid. De vordering tot schadevergoeding door geïntimeerde ingesteld komt dan ook niet gegrond voor. OM DEZE REDENEN, HET ARBEIDSHOF, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24, Rechdoende op tegenspraak, Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond, Hervormt het beroepen vonnis, Zegt voor recht dat de oorspronkeliijke dagvaarding van 18-5-2001 niet is aangetast door nietigheid en derhalve ontvankelijk is, dat bijgevolg ook de vorderingen van de Heer H. en Mevrouw D. B. niet zijn verjaard; Zegt voor recht dat de geïntimeerde wel de hoedanigheid van werkgever bezit Bevestigt het beroepen vonnis voor het overige, Verklaart de vordering van geïntimeerde tot het bekomen van een schadevergoeding wegens tergend en roekeloos hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond, Legt de kosten van het hoger beroep ten laste van appellanten Deze kosten werden tot op heden begroot als volgt : - in hoofde van appellanten : rechtsplegingsvergoeding hoger beroep : 267, 73 _ uitgavenvergoeding : 54, 54 _ - voor geïntimeerden : rechtsplegingsvergoeding hoger beroep : 279, 62 _ Aldus gewezen en uitgesproken op de openbare terechtzitting van de 3de Kamer van het Arbeidshof te Brussel op 4 januari 2005, waar aanwezig waren : Mevrouw G. BALIS, Raadsheer, De Heer P. KESSELS, Raadsheer in sociale zaken als werkgever, De Heer P. BUYENS, Raadsheer in sociale zaken als werknemer-bediende, Mevrouw L. HERREGODTS, Griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.