← België

ECLI:BE:CTBRL:2005:ARR.20050118.20

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 18 januari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2005:ARR.20050118.20 Rolnummer: 42815 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2005-06-03 Raadplegingen: 189 - laatst gezien 2026-07-02 03:28 Fiche Het Hof van Cassatie besliste dat de ontbinding ten vroegste wordt uitgesproken vanaf de vordering in rechte (Cass 24.1.1980 , A.H.C. 1979-80,592 ; Cass.29.5.1980, A.H.C. 1979-80, 1211; Cass. 8.10.1987, A.H.C. 1987-88, A.H.C. 1987-88-164). Wanneer de partijen echter reeds voor het inleiden van de vordering hun prestatie hebben gestaakt kan de ontbinding tot op dat ogenblik teruggaan (Cass. 14.4.1994, A.H.C. 1994,374; Cass.25.2.1991,Pas 1991,I,616, met conclusies openbaar ministerie; Cass 24.3.1972, Pas 1972, I, 693; Cass. 24.1.1980, Pas.1980,I,581; La rétroactivité de la résolution des contrats pour inexécution fautive,RCJB 1990, p.382, n° 41 à 44). De beëindiging van de overeenkomst vooraleer de rechter waarbij de vordering tot ontbinding aanhangig is uitspraak heeft gedaan, maakt bijgevolg die vordering niet noodzakelijk doelloos (Cass. 25.2.1991, R.W.1993-1994,569; A.H. Antwerpen 31.3.2004, S.R.K. 2004,464; Cass 14.4.1994, A.H.C. 1994,373; L. Cornelis, Algemene theorie van de verbintenis, Intersentia 2000 , nr 582). Vrije woorden: ARBEIDSOVEREENKOMSTEN - ALGEMENE REGELINGEN - Vordering tot ontbinding op basis van artikel 1184 Burgerlijk Wetboek - Ontbinding in principe ex nunc, doch kan teruggaan tot op het ogenblik dat partijen hun prestaties gestaakt hebben.- Beëindiging van de overeenkomst vooraleer er uitspraak is op de vordering tot ontbinding maakt deze vordering niet noodzakkelijk doelloos. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 1,L.2 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Nota: Gerangschikt onder IIAAN art.1, 2de lid om praktische redenen. Annotaties Publicaties: PASICRISIE BELGE - - 1972(I,P.693) ARRESTEN VAN HET HOF VAN CASSATIE - - 1987

(88)(P.164) PASICRISIE BELGE - - 1991(I,P.616) ARRESTEN VAN HET HOF VAN CASSATIE - - 1979
(80)(P.592) ARRESTEN VAN HET HOF VAN CASSATIE - - 1979
(80)(P.1211) ARRESTEN VAN HET HOF VAN CASSATIE - - 1994(P.374) PASICRISIE BELGE - - 1981(P.581) SOCIAALRECHTELIJKE KRONIEKEN - - 2004(P.464) REVUE CRITIQUE DE JURISPRUDENCE BELGE - CORNELIS,L. - 1990(P.382) Tekst van de beslissing OPENBARE TERECHTZITTING VAN 18 JANUARI 2005 3e KAMER Bediendecontract Op tegenspraak Definitief In de zaak : V. H.. Appellant, geïntimeerde op incidenteel hoger beroep, verschijnend in persoon en bijgestaan door Mter P. Engelen, advocaat te 3630 Maasmechelen; Tegen : V.Z.W. ONZE-LIEVE-VROUWLYCEUM, met maatschappelijke zetel gevestigd te 3600 Genk, Collegelaan, 30, Geïntimeerde, appellante op incidenteel hoger beroep, vertegenwoordigd door Mter M. Vanbuul, advocaat te 3700 Tongeren; Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel volgend arrest uit : Gelet op de stukken van de rechtspleging en meer bepaald op : -het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis op tegenspraak gewezen door de Arbeidsrechtbank te Tongeren op 10 november 1998; - het verzoekschrift in hoger beroep ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt op 4 december 1998; - het voor eensluidend verklaard afschrift van het arrest uitgesproken op tegenspraak door het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt op 25 oktober 1999; - de voorziening in Cassatie betekend op 3 juli 2000 door het ambt van plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder D. Palet en neergelegd ter griffie van het Hof van Cassatie op 4 juli 2000; - het voor eensluidend verklaard afschrift van het arrest uitgesproken op tegenspraak door het Hof van Cassatie op 11 juni 2001; - de dagvaarding dd. 18 februari 2002 van plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder D. Palet, ontvangen ter griffie van dit Hof op 28 maart 2002; - de conclusies van partijen en de aanvullende conclusies van geïntimeerde; - het arrest van dit Hof van 7 juli 2004, waarbij de heropening der debatten werd bevolen; - de conclusies en aanvullende conclusies van geïntimeerde na heropening der debatten neergelegd ter griffie van dit Hof respectievelijk op 15 november 2004 en 30 november 2004; - de conclusies van appellant na heropening der debatten neergelegd ter griffie van dit Hof op 25 november 2004; - gelet op de voorgelegde stukken; Gehoord partijen in hun middelen en beweringen op de openbare terechtzitting van 30 november 2004, waarbij de zaak werd herpleit. x x x Voor de uiteenzetting over de feiten en de voorgaanden van de rechtspleging verwijst Het Hof naar zijn arrest van 7 juli
  1. Vooraleer de grond van de zaak nader te onderzoeken achtte het Hof een heropening der debatten noodzakelijk om de geïntimeerde partij de gelegenheid te geven zich nader te verklaren m.b.t.de draagwijdte van de brief die zij op 21-11->98 aan de Heer V. stuurde na de uitspraak van het beroepen vonnis. In ondergeschikte orde had zij immers gevraagd dat het Hof dit vonnis zou bevestigen waar het voor recht zegde dat zij gerechtigd was over te gaan tot de éénzijdige beëindiging van de arbeidsovereenkomst en de rechtshandeling van 21-11->98 houdende éénzijdige beëindiging van de arbeidsovereenkomst tussen partijen van waarde te verklaren. DRAAGWIJDTE VAN DE BRIEF VAN 21 november 1998 De brief van 21-11->98 luidde als volgt: De VZW Onze-Lieve-Vrouwlyceum ....deelt U hierbij mee dat zij een einde stelt aan de arbeidsovereenkomst tussen U en de VZW Onze-Lieve-Vrouwlyceum. Zij werd hiertoe uitdrukkelijk gemachtigd in het vonnis van de Arbeidsrechtbank van Tongeren dd. 10-11->
  2. Conform voormeld vonnis van de Arbeidsrechtbank van Tongeren wenst de inrichtende macht de modaliteiten van deze beëindiging van de arbeidsovereenkomst door onderling overleg tussen de partijen te bepalen. Huidig schrijven wordt U gericht onder voorbehoud van alle recht en zonder enige nadelige erkentenis, hetgeen betekent dat, in geval van hoger beroep tegen het vonnis van de Arbeidsrechtbank van Tongeren dd. 10-11->98, de inrichtende macht incidenteel hoger beroep zal instellen waarbij zij zal vorderen: -in hoofdorde de ontbinding van de arbeidsoveeenkomst wegens wanprestatie op grond van artikel 1184 Burgerlijk Wetboek, -in eerste ondergeschikte orde het ambtshalve ontslag wegens volgehouden onverenigbaarheden, -in tweede ondergeschikte orde de machtiging tot éénzijdige beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Geïntimeerde zet uiteen dat de inrichtende macht verplicht was formeel een einde te stellen aan de overeenkomst met de Heer V. , hetgeen zij trouwens in rechte voor de Arbeidsrechtbank had gevorderd om te beletten dat de Heer V. terug in de school zou komen nu de sanctie van terbeschikkingstelling ongeveer vier maanden later zou verlopen. Zij stelt dat de aldus gestelde rechtshandeling geen andere draagwijdte had dan de vorderingen zoals ze bij dagvaarding in hoofdorde en in ondergeschikte orde werden ingesteld, nl. de gerechtelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens wanprestatie op grond van artikel 1184 BW en ondergeschikt te horen zeggen dat zij gerechtigd was over te gaan tot éénzijdige beëindiging van de arbeidsovereenkomst met het bepalen van de termijnen voor vergoeding. Volgens haar kan dit schrijven niet anders geïnterpreteerd worden dan de ondubbelzinnige formulering ervan, met name : A
  3. dat zij een einde stelt aan de arbeidsovereenkomst;
  4. dat zij, onder uitdrukkelijk voorbehoud van alle rechten in geval van hoger beroep door de Heer V. , aanbiedt om zich ten titel van minnelijke schikking te onderwerpen aan het vonnis van de Arbeidsrechtbank en aanbiedt om te onderhandelen over de modaliteiten van de éénzijdige beëindiging en de hierop betrekking hebbende vergoedingen;
  5. dat, voor zover De Heer V. zich niet onderwerpt aan het vonnis van de Arbeidsrechtbank, zij dit evenmin doet en zich alle rechten voorbehoudt om bij incidenteel beroep haar bij dagvaarding in hoofdorde gestelde oorspronkelijke vordering te handhaven (cfr. supra), met name de ontbinding wegens wanprestatie op grond van artikel 1184 Burgerlijk Wetboek of het ambtshalve ontslag wegens volgehouden onverenigbaarheden. Zoals uitdrukkelijk gesteld in de bewuste brief van 21 november 1998, bevat deze geen enkele nadelige erkentenis en kan hij aldus niet zonder meer als een A éénzijdige beëindiging met recht op vergoeding A beschouwd worden. Zij meent hiermee haar juridische positie op dat ogenblik ondubbelzinnig omschreven te hebben en in de navolgende gerechtelijke procedures consequent deze positie te hebben gehandhaafd. Zij betoogt dat de brief niet zonder meer als een éénzijdige beëindiging met recht op vergoeding kan beschouwd worden waarover het Hof niet meer vermag te oordelen. Zij kwalificeert de brief juridisch als een beslissing tot buitengerechtelijke ontbinding in afwachting van een definitieve uitspraak over de vordering tot ontbinding waarbij de beoordeling van de rechtmatigheid van deze éénzijdige beslissing aan de rechter wordt onderworpen. Zij verwijst naar twee arresten van het Hof van Cassatie van 2-5-2002 waarin de mogelijkheid daartoe wordt aanvaard. Hieruit volgt volgens haar dat enkel indien het Hof oordeelt dat de ingeroepen wanprestatie de ontbinding niet verrechtvaardigt, de brief van 21-11->98 gedefinieerd dient te worden als een éénzijdige beëindiging in welk geval er zal moeten gestatueerd worden over de vergoeding waarop de Heer V. zou gerechtigd zijn. De brief van 21-11->98 heeft derhalve volgens haar geen impact op de vorderingen zoals ze door haar zijn ingesteld en die in geen enkel opzicht gewijzigd werden. Zij vordert in het dispositief van haar conclusie A Het hoger beroep van appellant, zoals beperkt door de voorziening in Cassatie van concluante en het hierop volgend arrest van het Hof van Cassatie dd. 11 juni 2001, ongegrond te verklaren; Het incidenteel beroep van concluante ontvankelijk en gegrond te verklaren en dienvolgens : In hoofdorde : - de rechtshandeling van concluante van 21 november 1998, inhoudende de ontbinding van de arbeidsovereenkomst tussen partijen in toepassing van artikel 1184 Burgerlijk Wetboek wegens bewezen wanprestatie in hoofde van appellant V. , rechtsgeldig te verklaren conform de inleidende dagvaarding en de navolgende conclusies; - de arbeidsovereenkomst dd. 26 augustus 1988 tussen verweerder en concluante wegens de bewezen en toerekenbare foutieve wanprestatie van verweerder op grond van artikel 1184 Burgerlijk Wetboek te ontbinden lastens verweerder en hem ambtshalve te ontslaan zonder opzegging overeenkomstig artikel 60, 4° van het decreet rechtspositie; - te zeggen voor recht dat de gerechtelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst tussen concluante en verweerder terugwerkt tot 1 november 1996, met name tot de eerste volledige maand waarin (en sedert wanneer) verweerder de facto geen arbeidsprestaties voor concluante meer geleverd heeft; - verweerder te veroordelen tot betaling aan concluante van een schadevergoeding van 1 _ provisioneel, wegens schade, veroorzaakt aan concluante door zijn voornoemde toerekenbare, foutieve wanprestatie. In eerste ondergeschikte orde - de rechtshandeling van concluante van 21 november 1998, inhoudende de ontbinding van de arbeidsovereenkomst tussen partijen in toepassing van artikel 1184 Burgerlijk Wetboek wegens bewezen wanprestatie in hoofde van appellant V. , rechtsgeldig te verklaren conform de inleidende dagvaarding en de navolgende conclusies; - de arbeidsovereenkomst dd. 26 augustus 1988 tussen verweerder en concluante wegens de bewezen en toerekenbare foutieve wanprestatie van verweerder op grond van artikel 1184 Burgerlijk Wetboek te ontbinden lastens verweerder en hem te ontslaan met opzegging overeenkomstig de artikelen 60, 5°, 62, 3°, 64, 6° van het decreet rechtspositie; - te zeggen voor recht dat de gerechtelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst tussen concluante en verweerder terugwerkt tot 1 november 1996, met name tot de eerste volledige maand waarin (en sedert wanneer) verweerder de facto geen arbeidsprestaties voor concluante meer geleverd heeft; - akte te verlenen aan concluante van haar aanbod om aan verweerder een vergoeding te betalen van 1 _ provisioneel op grond van artikel 66 van het decreet rechtspositie. In tweede ondergeschikte orde - het vonnis a quo van de Arbeidsrechtbank van Tongeren van 10 november 1998 te bevestigen waar het zegt voor recht dat concluante gerechtigd is over te gaan tot de éénzijdige beëindiging van de arbeidsovereenkomst en te bepalen welke vergoeding voor éénzijdige beëindiging aan verweerder moet betaald worden; - de rechtshandeling van concluante van 21 november 1998, voor zover deze betrekking heeft op de éénzijdige beëindiging van de arbeidsovereenkomst tussen partijen buien het toepassingsgebied van artikel 1184 Burgerlijk Wetboek en voor zover er geen wansprestatie in hoofde van appellant V. bewezen is, van waarde te verklaren; - akte te verlenen aan concluante van haar aanbod om aan verweerder een vergoeding te betalen van 1 _ provisioneel wegens de éénzijdige beëindiging door concluante van de arbeidsovereenkomst tussen concluante en verweerder. In derde ondergeschikte orde Alvorens ten gronde uitspraak te doen aan het Arbitragehof de prejudiciële vraag voor te leggen of het statuut van verweerder, vervat in het decreet rechtspositie van 27 maart 1991, in strijd is met het gelijkheidsbeginsel van artikel 10 Gec. Grondwet en met het beginsel van de vrijheid van onderwijs van artikel 24 Gec. Grondwet; Verweerder te veroordelen tot alle kosten van het geding A. De Heer V. merkt terecht op dat de vorderingen zoals in het dispositief van de laatste conclusie verwoord wel degelijk werden gewijzigd, nu geïntimeerde in haar eerste beroepsbesluiten in hoofdorde en in eerste ondergeschikte orde de ontbinding van de arbeidsovereenkomst vorderde en slechts in tweede ondergeschikte orde de rechtshandeling van 21-11->98 inhoudende de éénzijdige beëindiging van de arbeidsovereenkomst tussen partijen van waarde te verklaren. De Heer V. verwijst nog naar een brief die geïntimeerde hem op 27-10->99 schreef, waarvan de tekst luidt : A Geachte Heer, Voor zoveel als nodig bevestigt de V.Z.W. Onze-Lieve-Vrouwlyceum, met zetel te 3600 Genk, Collegelaan 30, Inrichtende Macht van de onderwijsinstelling Onze-Lieve-Vrouwlyceum te Genk, de inhoud van haar aangetekend schrijven aan U gericht op 21 november
  6. Na de uitspraak van het arrest van het Arbeidshof van Antwerpen, afdeling Hasselt, dd. 25 oktober 1999, bevestigt de Inrichtende Macht, gebruik makende van de vrijheid die haar in voormeld arrest werd toegekend, dat zij een einde stelt aan de arbeidsovereenkomst tussen U en de V.Z.W. Onze-Lieve-Vrouwlyceum, en dit zowel met betrekking tot Uw functie van leerkracht als tot uw bevorderingsambt van directeur. Het is U derhalve niet meer toegestaan om Uw voormelde functies op te nemen of uit te oefenen. De beëindiging van Uw arbeidsovereenkomst gaat in op 27 maart
  7. Wil U ons meedelen welke Uw aanspraken zijn. Huidig schrijven wordt U gericht onder voorbehoud van alle rechten, inclusief het recht op cassatieberoep, en zonder enige nadelige erkentis. Hoogachtend. Namens de Inrichtende Macht De Voorzitter en de Secretaris van de Raad van Beheer A. V. M. A. Het Hof treedt de stelling van de Heer V. bij dat geïntimeerde met haar aangetekend schrijven van 21-11->98 de arbeidsovereenkomst niet in het raam van een procedure tot ontbinding heeft verbroken daar zij deze brief heeft geschreven ingevolge machtiging daartoe door het beroepen vonnis dat voor het overige de vordering tot ontbinding ongegrond verklaarde. Nog duidelijker is de brief van 27-10->99 die in uitvoering van het Arrest van het Arbeidshof te Antwerpen werd geschreven, dat eveneens de vordering tot ontbinding afwees. In de bewuste brief van 21-11->98 heeft de geïntimeerde de beëindiging evenwel gekoppeld aan een voorbehoud van alle recht, meer bepaald het recht om opnieuw de ontbinding van de arbeidsovereenkomst te vorderen bij incidenteel beroep indien de Heer V. hoger beroep tegen het vonnis van de Arbeidsrechtbank te Tongeren zou instellen. Hiermee gaf zij te kennen de beslissing van de Arbeidsrechtbank slechts te aanvaarden voor zover daartegen door de Heer V. geen hoger beroep werd ingesteld. Met de brief van 21-11->98 werd de arbeidsovereenkomst alleszins éénzijdig beëindigd. Hij is te analyseren als een rechtshandeling waarmee een partij aan de andere partij haar wil te kennen geeft de overeenkomst te beëindigen (Cass., 12-9->88, Pas. I, >89, 41; Cass., 23-3->81, Pas. I, >81, 787). Dergelijke beslissing is definitief en onherroepelijk, tenzij partijen in onderling akkoord daarop terugkomen. In het arrest van 12-9->88 stelde het Hof van Cassatie duidelijk dat een partij die de arbeidsovereenkomst beëindigt deze handeling niet meer kan herroepen, zelfs niet indien deze herroeping ondergeschikt was aan een voorwaarde die niet van haar wil afhankelijk was. In het aangehaalde arrest was er eveneens sprake van een ontslag gegeven in uitvoering van een vonnis onder voorbehoud van hoger beroep Nu niet blijkt dat partijen akkoord gingen hun arbeidsovereenkomst verder te zetten, is deze bijgevolg op 21 november 1998 definitief en onherroepelijk beëindigd. . De brief van 27 oktober 1999 illustreert nogmaals duidelijk de stelling van geïntimeerde partij, doch gelet op de eerdere verbreking heeft hij geen verdere rechtsgevolgen. De vraag rijst welke gevolgen dit ontslag heeft op de ingestelde vorderingen, meer bepaald of de vordering tot ontbinding van de overeenkomst nog overeind blijft. Het door geïntimeerde gemaakte voorbehoud kon weliswaar de overeenkomst niet meer doen herleven doch belette haar niet in voorkomend geval incidenteel hoger beroep in te stellen om de ontbinding van de overeenkomst vooralsnog te horen uitspreken. De brief van 21-11->98 kan niet geïnterpreteerd worden als een ondubbelzinnige berusting in het beroepen vonnis, gelet op het gemaakte voorbehoud. Berusting houdt de afstand in van het recht op hoger beroep. Zelfs de spontane tenuitvoerlegging van een niet uitvoerbare beslissing door de veroordeelde partij maakt geen berusting uit indien niet blijkt dat deze partij de zekere en vaste bedoeling had zich bij het vonnis neer te leggen (K.Broeckx, het recht op hoger beroep en het beginsel van de dubbele aanleg, Maklu 2001 ,nr 721e.v, 726). Doch, zelfs al ging het om een berusting, dan nog behield geïntimeerde het recht om incidenteel hoger beroep in te stellen bij hoger beroep van de Heer V. . Door de brief van 21-11-98 na de heropening der debatten te kwalificeren als een buitengerechtelijke ontbinding op éénzijdige verklaring die door het Hof kan bekrachtigd worden in het raam van de vordering tot ontbinding die het voorwerp uitmaakt van het incidenteel hoger beroep, heeft geïntimeerde haar vordering alleszins gewijzigd, doch deze wijziging voldoet aan de voorschriften van artikel 807 Gerechtelijk Wetboek. Hoewel in principe de rechterlijke tussenkomst aan de ontbinding van de overeenkomst moet voorafgaan, neemt een belangrijk deel van rechtspraak en rechtsleer aan dat een partij kan overgaan tot een éénzijdige, buitengerechtelijke ontbindingsverklaring van de overeenkomst mits aan bepaalde voorwaarden is voldaan (A. Van Oevelen noot onder Cass., 2-5-2002 RW 2002-2003, p 501; S. Stijns o.c., Buitensprekelijke ontbinding van overeenkomsten, Maklu, >94, p 601-321 nrs 459-481). Ook het Hof van Cassatie aanvaardt dat de regel van artikel 1184 BW volgens dewelke de ontbinding van een wederkerige overeenkomst wegens wanprestatie in rechte moet worden gevorderd, er niet aan in de weg staat dat een contractpartij in een wederkerige overeenkomst op eigen gezag en op eigen risico beslist haar verbintenissen niet uit te voeren en kennis geeft aan de wederpartij dat zij de overeenkomst als beëindigd beschouwt en dat de beoordeling van de rechtmatigheid van deze éénzijdige beslissing onderworpen wordt aan de rechter bij een latere vordering tot gerechtelijke ontbinding (Cass., 2-5-2002, (2 arresten) RW 2002-2003, p 501, noot A.Van Oevelen). Ook de schuldeiser die eigenmachtig tot ontbinding beslist, vooraleer de rechter zich over een aanhangige vordering tot ontbinding heeft kunnen uitspreken, handelt echter op eigen risico(A.Dirix en Van Oevelen, Kroniek 85-92, RW >92->93, nr 64; Van Ommeslaghe, Examen de Jurisprudence, RCJB >75 nr 65 bis, RCJB 86 nr >99). Een ongegronde éénzijdige ontbinding heeft voor gevolg dat hij als een foutief verbrekende partij zal worden beschouwd (S.Stijns, o.c. nr 414 en 475). De buitengerechtelijke ontbinding op éénzijdige verklaring wordt echter uitgesloten geacht telkens wanneer de wetgever op dwingende wijze de beëindigingsvormen wegens wanprestatie heeft geregeld en telkens hij met een verbod op het uitdrukkelijk ontbindend beding specifiek heeft bedoeld de partijen te verplichten voorafgaandelijk aan de ontbinding naar de rechter te stappen. Dit is onder meer het geval m.b.t. de arbeidscontracten (S.Stijns o.c. nr 104; W.Rauws , Civielrechtelijke beëindigingswijzen van de arbeidsovereenkomst, RSR, Kluwer, >87, p 514) en a fortiori in het voorliggende geval waarin de rechtsverhouding tussen partijen voornamelijk wordt bepaald door het Decreet Rechtspositie (DRP). De vordering tot ontbinding is evenwel niet doelloos geworden door de éénzijdige beëindiging die intussen heeft plaats gevonden. De ontbinding van een wederkerige overeenkomst met toepassing van artikel 1184 Burgerlijk Wetboek heeft in beginsel uitwerking voor het verleden (ex tunc) met als gevolg dat partijen in dezelfde toestand moeten worden teruggeplaatst als die waarin zij zich zouden bevinden als zij geen overeenkomst hadden gesloten. Indien het een contract betreft met opeenvolgende wederzijdse prestaties die niet voor restitutie vatbaar zijn wordt door de rechtspraak aangenomen dat de ontbinding alleen voor de toekomst geldt en geen terugwerkende kracht heeft. (Cass., 31-1->91, Arr. Cass. >90->91, 584; Cass., 25-2->91, Arr.Cass.=90->91, 693). Het Hof van Cassatie besliste dat de ontbinding dan ten vroegste wordt uitgesproken vanaf de vordering in rechte.(Cass., 24-1->80, Arr.Cass.=79->80, 592; Cass. 29-5->80, Arr. Cass.=79->80, 1211; Cass.8-10->87, Arr.Cass. >87->88 164). Wanneer de partijen echter reeds voor het inleiden van de vordering hun prestaties hebben gestaakt kan de ontbinding tot op dat ogenblik teruggaan (Cass., 14-4->94, Arr.Cass. >94, 374; Cass, .25-2->91, Pas. >91 I; 616, met conclusies openbaar ministerie; Cass. 24-3->72, Pas. >72, I;693; Cass., 24-1->80, Pas.=80, I, 581; La rétroactivité de la résolution des contrats pour inexécution fautive, RCJB >90 p 382 nE41à 44). De beëindiging van de overeenkomst vooraleer de rechter waarbij de vordering tot ontbinding aanhangig is uitspraak heeft gedaan, maakt bijgevolg die vordering niet noodzakelijk doelloos (Cass., 25-2->91, Pas. 1991, I, 616, RW >93->94, 569; AH Antwerpen 31-3-04, Soc.Kron. >04 p 464.; Cass.,14-4->94, Arr.Cass. >94, 373; L. Cornelis, Algmene theorie van de verbintenis, Intersentia 2000 nr 582). De Inrichtende Macht verwijt aan de Heer V. een aantal tekortkomingen waarvoor de Algemene Vergadering bij tuchtbeslissing van van 7-10-96 de Heer V. uit zijn ambt van directeur en uit zijn statuut van personeelslid van de VZW OLVlyceum heeft ontslagen. De Kamer van Beroep heeft bij beslissing van 27-3->97 dit ontslag vernietigd en de Heer V. bij tuchtmaatregel ter beschikking gesteld voor de duur van twee jaar met halvering van zijn wedde. De arbeidsverhouding werd derhalve reeds sedert 7-10->96 geschorst. Het Hof vermag dus nog steeds de vordering tot ontbinding te onderzoeken. De Inrichtende Macht heeft bij die vordering een belang, gelet op de bepaling van artikel 28 '2 schoolpactwet dat het verlies van weddetoelagen voorziet wanneer de betrekking aan een niet rechthebbend ander personeelslid wordt toegewezen bij onregelmatige beëindiging van de overeenkomst; Mocht de vordering tot ontbinding ex tunc gegrond worden bevonden, dan sorteert de éénzijdige beëindiging van 21-11->98 geen rechtsgevolgen. HET INCIDENTEEL HOGER BEROEP DE VORDERING TOT ONTBINDING Uitgangspunt In zijn arrest van 11-6-2001 heeft het Hof van Cassatie geoordeeld -dat de bepalingen van het Decreet Rechtspositie (DRP) van de Vlaamse Raad van 27-3->91 op de personeelsleden van het vrij gesubsidieerd onderwijs toepasselijk worden krachtens een arbeidsovereenkomst, -dat krachtens artikel 1184,eerste lid van het Burgerlijk Wetboek in wederkerige overeenkomsten, de ontbindende voorwaarde steeds stilzwijgend is begrepen voor het geval dat één van de partijen haar verbintenis niet nakomt, dat zij evenwel in rechte dient gevraagd te worden, -dat krachtens artikel 32 van de Arbeidsovereenkomstenwet, de algemene wijzen waarop verbintenissen teniet gaan van toepassing zijn op de verbintenissen die volgen uit de door die wet geregelde overeenkomsten, -dat het Decreet Rechtspositie de toepassing van de gerechtelijke ontbinding overeenkomstig artikel 1184 van het Burgerlijk Wetboek niet principieel uitsluit, -dat daaruit volgt dat zowel de vrije gesubsidieerde onderwijsinstelling als de personeelsleden de ontbinding van de arbeidsovereenkomst kunnen vorderen met toepassing van artikel 1184 Burgerlijk Wetboek, -dat de gerechtelijke ontbinding evenwel uitgesloten is in zoverre zij strijdig is met de beperkingen van het onmiddellijk ontslag die in het Decreet rechtspositie zijn bepaald, -dat het feit dat de Kamer van Beroep oordeelt dat er geen aanleiding is om een tuchtmaatregel van ontslag op te leggen aan de Heer V. de beoordeling van de feiten door de arbeidsgerechten voor de toepassing van artikel 1184 Burgerlijk Wetboek niet uitsluit. Bij de beoordeling zal het Hof er derhalve rekening mee houden dat artikel 1184 BW geen mogelijkheid biedt om de beperkingen van het onmiddellijk ontslag die in het Decreet Rechtspositie zijn ingebouwd te omzeilen. Inzake beschermde werknemers had het Hof van Cassatie een gelijkaardig standpunt ingenomen (Cass., 26-10 en 23-11->81 ;Cfr. Rauws, o.c. p 526). Dit vloeit overigens logisch voort uit het feit dat in de hiërarchie der rechtsbronnen het DRP primeert op het algemeen verbintenissenrecht. (zie Memorie van Toelichting DRP p 20). Het Hof houdt er rekening mee dat het decreet rechtspositie (DRP) van 27-3-1991 uitgevaardigd door de Vlaamse Raad , in uitvoering van de Schoolpactwet van 29-5-1959, beoogde een statuut uit te werken voor de stabiliteit van betrekking van de personeelsleden en een disciplinair statuut en een redelijk evenwicht te vinden tussen de vrijheid en de autonomie van de Inrichtende Machten en anderzijds de vastheid van betrekking van het onderwijzend personeel en de gelijkheid in de voorwaarden van toegang tot de loopbaan (Memorie van Toelichting DRP p 16). De zwaarwichtigheid van de voor de ontbinding ingeroepen feiten dient beoordeeld te worden op het ogenblik dat de vordering tot ontbinding werd ingesteld, hetzij in oktober >97 (C.Wantiez, La résolution judiciaire du contrat de travail, La fin du contrat de travail, aspects particuliers, studiedag 8-12-94). Algemene overwegingen met betrekking tot de gerechtelijke ontbinding Artikel 1184 Burgerlijk Wetboek maakt de ontbinding van de arbeidsovereenkomst mogelijk indien een partij haar verbintenissen niet nakomt. De gerechtelijke ontbinding is naast een sanctie een algemene wijze van beëindiging van de wederkerige overeenkomst (gesteund op de vermoede wil van partijen). De ontbinding treedt niet van rechtswege in doch dient door de schuldeiser te worden gevraagd aan de rechter die daartoe machtiging dient te verlenen. De ontbinding heeft de beëindiging van de overeenkomst lastens de schuldenaar voor gevolg en tevens de bevrijding van de schuldeiser hetgeen inherent is aan de aard van een wederkerige overeenkomst. Opdat de ontbinding van een overeenkomst zou kunnen uitgesproken worden is, volgens de rechtspraak vereist dat de wanprestatie waaraan de schuldenaar van een verbintenis zich schuldig heeft gemaakt Avoldoende zwaarwichtig@ is. (Cass., 9-6->61, Pas., >61, I, 1104; Cass., 28-5->65, Pas. >65, I, 1051; Cass. 9-9->65, Pas. >66, I, 47; Cass., 31-1-91, Arr. Cass. >90->91, 584; AH Luik 15-11-01, Soc.Kron. 03; 37; AH gent 8-11-04, AR 417/03 niet gepubliceerd). De rechtspraak weegt de zwaarwichtigheid voornamelijk af t.a.v. de vraag of de samenwerking tussen partijen ondanks de wanprestatie in concreto nog mogelijk is en of door de houding van de schuldenaar het noodzakelijke vertrouwen niet volledig werd aangetast (Cornelis.o.c. 584; S.Stijns o.c. nr 474). De ernst van de feiten dient in zijn geheel te worden bekeken en beoordeeld en mag daarbij onder meer ook de eigen contractuele fout van de partij die de ontbinding vordert in acht nemen (Cass., 6-11-97, RW 99-2000, 638). De rechter mag de vordering tot ontbinding niet verwerpen enkel omdat de eiser zich, naar zijn oordeel zelf aan een tekortkoming aan zijn verbintenis schuldig heeft gemaakt (Cass.15-6->95, Arr. Cass.95,611). Grondslag van de vordering en standpunt van partijen De Inrichtende Macht houdt voor dat de relatie tussen partijen door de tekortkomingen van de Heer V. als directeur dermate verstoord was dat hij ook na die periode de school niet meer kon besturen Daarom stelde zij met dagvaarding van 1-10->97 de vordering tot ontbinding in. Na de verbreking van het arrest van het Arbeidshof te Antwerpen door het Hof van Cassatie, wijzigde de Inrichtende Macht haar vordering als volgt: Waar zij eerst in hoofdorde de ontbinding vorderde op grond van artikel 1184 Burgerlijk Wetboek wegens toerekenbare foutieve wanprestatie en in ondergeschikte orde het ambtshalve ontslag wegens volgehouden onverenigbaarheid op grond van artikel 60,5E van het DRP, vordert zij voor dit Hof in hoofdorde de ontbinding op grond van artikel 60,4E van het DRP en in ondergeschikte orde de ontbinding op grond van artikel 60,5E, 62,3E en 64,6E ervan , telkens met terugwerkende kracht tot 1-11->96 eerste volledige maand na de beëindiging van de arbeidsprestaties. Het lyceum schikt zich naar de uitspraak van het Hof van Cassatie in het arrest van verwijzing dat artikel 1184 Burgerlijk Wetboek m.b.t. de gerechtelijke ontbinding in principe van toepassing is op de rechtsverhouding tussen partijen doch dat deze uitgesloten is in zoverre zij strijdig is met de beperkingen van het onmiddellijk ontslag in het DRP. Volgens het lyceum valt enkel het onmiddellijk ontslag, op staande voet en zonder vergoeding onder de beperkingen van het DRP dat inzake het ontslag wegens wanprestatie een onderscheid maakt tussen -ambtshalve ontslag zonder opzegging conform artikel 60 waarin een aantal kenmerkende contractuele wanprestaties worden opgesomd zoals ongewettigde afwezigheid, werkweigering en statutaire onverenigbaarheden, -het ontslag met opzegging conform artikel 60,5E,62,3E en 64,6E DRP, hiermee doelend op inbreuken op de specifieke veplichtingen eigen aan het onderwijsproject, waarover het specifiek tuchtorgaan oordeelt zonder evenwel afbreuk te doen aan de volheid van rechtsmacht van de arbeidsgerechten. Volgens het lyceum dient het Hof zich erover uit te spreken of de aan de Heer V. aanrekenbare wanprestaties vallen onder het decretaal ontslag zonder opzegging of ontslag met opzegging. Het lyceum onderscheidt als toerekenbare foutieve wanprestaties enerzijds de feiten weerhouden tijdens de tuchtprocedure en anderzijds de feiten gepleegd na de tuchtprocedure. Het lyceum acht bewezen dat de Heer V. tekort is gekomen aan de verplichtingen voortvloeiend uit artikels 10 en 11 DRP en uit artikels 2'2, 5 en 15 van de aanstellingsovereenkomst. Het betoogt dat hij ook na het beëindigen van de tuchtprocedure blijft weigeren een einde te maken aan de volgehouden toestand van onverenigbaarheid en fout waarin hij zich bevindt sinds de aanvang van het conflict tussen partijen door publiekelijke vijandigheid, insubordinatie en politiek-commercieel misbruik van zijn functie ten nadele van het lyceum, hoewel de Kamer van Beroep heeft beslist dat hij tijdens de periode van de terbeschikingstelling een personeelslid bleef en aan de bepalingen van het decreet in verband met de plichten en onverenigbaarheden onderworpen bleef. Deze tekortkomingen acht het lyceum voldoende zwaarwichtig om de gerechtelijke ontbinding uit te spreken conform artikel 1184 Burgerlijk Wetboek. De Heer V. meent dat uit de door de Kamer van Beroep weerhouden feiten niet afgeleid kan worden dat hij zijn verbintenissen in de zin van artikel 1184 Burgerlijk Wetboek niet zou zijn nagekomen. Hij onderlijnt dat de Kamer Van Beroep rekening meende te moeten houden met de diensten die hij als leraar en directeur aan de school had bewezen , met de ommezwaai in het beleid van de inrichtende macht m.b.t. de afdeling Menswetenschappen en het feit dat deze niet steeds een éénduidige houding heeft aangenomen en ten slotte dat het optreden van derden het conflict heeft verscherpt en buitenmaatse proporties heeft doen aannemen. Hij meent dat de feiten die dateren van na de tuchtprocedure door het lyceum niet afdoende worden gepreciseerd zodat niet kan nagegaan worden of het een volgehouden onverenigbaarheid betreft. zoals bedoeld in artikel 60,5E DRP. Volgens hem kan op grond van de ingeroepen feiten geen ontbinding van de arbeidsovereenkomst worden uitgesproken. Mocht het Hof menen dat dit wel het geval is dan is de mogelijkheid van ontbinding volgens hem beperkt tot het ontslag dat bij wijze van tuchtmaatregel dient genomen te worden. Er dient volgens hem echter rekening gehouden te worden met artikel 69 DRP waarin bepaald wordt dat de Kamer van Beroep in laatste aanleg uitspraak doet m.b. tot de door de inrichtende macht opgelegde tuchtmaatregelen. Indien het Hof zou oordelen dat de feiten die door de Kamer van Beroep werden weerhouden de gerechtelijke ontbinding rechtvaardigen, dan zou dit volgens hem een schending uitmaken van de bepalingen van het Decreet Rechtspositie. Hoogstens zou zij hem kunnen veroordelen tot een schadevergoeding. BEOORDELING DOOR HET HOF.
  8. De vordering in hoofdorde gesteund op artikel 60 4E van het Decreet Rechtspositie Artikel 60 DRP vermeldt de gevallen waarin ambtshalve ontslag zonder opzegging mogelijk is Artikel 60,4E biedt deze mogelijkheid: AIndien het (personeelslid) zich bevindt in de gevallen waarin de toepassing van de burgerlijke wetten en van de strafwetten de ambtsneerlegging ten gevolge heeft@ De Inrichtende Macht meent dat hiermee gedoeld wordt op inbreuken op algemene contractuele verplichtingen waarop ingevolge het gemene verbintenissenrecht dergelijke sanctie van toepassing is. Het standpunt van geïntimeerde dat die bepaling onder meer de ontbinding overeenkomstig artikel 1184 Burgerlijk Wetboek wegens bewezen en toerekenbare foutieve wanprestatie behelst kan niet worden bijgetreden. Dit standpunt kadert geenszins in het algemeen opzet en de tekst van het Decreet Rechtspositie. In het verwijzingsarrest onderlijnde het Hof van Cassatie overigens dat de gerechtelijke ontbinding uitgesloten is in zoverre zij strijdig is met de beperkingen van het onmiddellijk ontslag die in het Decreet Rechtspositie zijn bepaald. Het Hof deelt op dit punt de zienswijze van de Heer V. dat met die bepaling die wetten worden bedoeld die specifiek voorzien in een verbod of een onmogelijkheid om het beroep uit te oefenen, zoals bvb het in artikel 382 ' 2 van het strafwetboek als sanctie voorziene verbod om een bedrijf uit te baten of er werkzaam te zijn. De mogelijkheid tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst voor het personeel in het Vrij Gesubsidieerd Onderwijs wegens contractuele wanprestatie wordt overigens behandeld in de artikelen 62, 3Een 64 van het DRP. De bepaling van artikel 60,4E viseert de omstandigheid dat het personeelslid niet meer voldoet aan de essentiële wettelijke basisvoorwaarden voor een tijdelijke aanstelling of vaste benoeming in het onderwijs. Deze bepaling blijkt in voorliggend geval geen toepassing te kunnen vinden.
  9. Subsidiaire vordering tot ontbinding op grond van artikelen 60,5E, 62,3E, 64,6E Met betrekking tot artikel 60,5E - Artikel 60,5E viseert de definitieve ambtsneerlegging indien het (personeelslid) na uitputting van de procedure weigert een einde te maken aan een vastgestelde en volgehouden toestand van onverenigbaarheid; artikel 66 is van overeenkomstige toepassing op dit personeelslid Artikel 66 voorziet in de toepassing van een opzeggingstermijn. In het vrij gesubsidieerd onderwijs kunnen aan de personeelsleden bijkomende verplichtingen en onverenigbaarheden worden opgelegd zoals die voortvloeien uit de specificiteit van het onderwijs (W.Rauws, o.c.373). Hoofdstuk II van het DRP behandelt de APlichten en onverenigbaarheden@ Artikel 15 onder de afdeling 1 Plichten bepaalt In de uitoefening van hun ambt moeten de personeelsleden de verplichtingen voortvloeiend uit de specificiteit van het opvoedingsproject naleven. Met betrekking tot de onverenigbaarheden (afdeling 2) bepaalt artikel 16 : AOnverenigbaarheden die voortvloeien uit de specificiteit van het opvoedingsproject worden schriftelijk meegedeeld voor indiensttreding en worden vastgelegd in de overeenkomst of het besluit van indiensttreding@ De memorie van toelichting bij het DRP verduidelijkte dat de onverenigbaarheid een toestand is waarbij bepaalde activiteiten die op zichzelf misschien wel oorbaar zijn met een opdracht in het onderwijs worden gecombineerd en als combinatie niet toelaatbaar worden geacht, terwijl aan het begrip plicht een tekortkoming in de ambtsuitoefening, dus een fout gekoppeld is en een tuchtprocedure waarin deze fout wordt nagegaan en afgemeten aan een eventuele tuchtmaatregel.@(Memorie van Toelichting, Vlaamse Raad, stuk 471, 1990-1991 nr 1 p 31 39 en 40). In de memorie van Toelichting wordt onderstreept dat de specificiteitsverplichtingen en onverenigbaarheden geen afbreuk mogen doen aan de Grondwet en de internationale verdragen met directe werking (Memorie van Toelichting ,32,
  10. Advies Raad van State, 144) In zijn advies bij het decreet van 1-2->93 voor het Franstalig gesubsidieerd vrij onderwijs dat bepalingen bevat die analoog zijn met deze van het DRP merkte de Raad van State inzake de specificiteitsverplichtingen op dat o.m. in het licht van artikel 8 van het EVRM, deze verplichtingen betrekking moeten hebben op de activiteiten van de personeelsleden in de onderwijsinrichting en dat geen enkele leefwijze, geen enkel engagement of politieke, ideologische, religieuze of filosofische aanhorigheid, welke ook, hen kan worden verboden. De Raad Van State onderstreepte dat de verplichtingen en onverenigbaarheden voortvloeiende uit de specificiteit van het vrije onderwijs nauwkeurig moeten worden omschreven, derwijze dat er geen enkele onduidelijkheid bestaat inzake de draagwijdte van de verplichtingen ten laste van de leraar en dat het in het bijzonder onaanvaardbaar zou zijn om deze verplichtingen te definiëren door een eenvoudige verwijzing naar een godsdienst, een doctrine of een bepaalde filosofie, omdat dit geheel van regels waarnaar verwezen wordt zich leent voor uiteenlopende interpretaties (Advies Raad van State, Gedr.St. Fr. Gem.R. B.Z. 1992 nr 61/1,90). Gelet op de mogelijkheid tot ambtshalve ontslag op basis van Avolgehouden@ onverenigbaarheden, komt de schriftelijke vaststelling ervan vooraf als essentieel voor en kan niet worden aanvaard dat zij pas naderhand invulling zouden krijgen. De aanwerving van de Heer V. dateert van voor de tot standkoming van het DRP. De inrichtende macht toont niet aan dat er bij de aanwerving een kennisgeving van de onverenigbaarheden zoals voorgeschreven door artikel 16 DRP zou zijn gebeurd. Het blijkt niet dat zij werden vastgesteld in de overeenkomst of het besluit van indiensttreding. De oorspronkelijke arbeidsovereenkomst wordt niet voorgebracht en het bijvoegsel van 26-8->88 waarbij de Heer V. tot inrichtingshoofd werd aangesteld vermeldt geen onverenigbaarheden noch verwijst het expliciet naar het statuut van de deontologische kamer van het katholiek onderwijs van 12-7->
  11. In conclusies verwijst de Inrichtende Macht naar een Amodelcontract@ dat op het ogenblik van de indiensttreding van toepassing zou zijn geweest waarin zulke verwijzingen wel zouden voorkomen. Het blijkt niet dat het modelcontract door beide partijen werd ondertekend. De aangehaalde bepaling is derhalve niet dienstig om er een vordering tot ontbinding op te gronden. Met betrekking tot de toepassing van artikelen 62,3E en 64,6E DRP Artikel 62, 3E bepaalt: Voor de vast benoemde personeelsleden geven eveneens aanleiding tot definitieve ambtsneerlegging.... 3E het ontslag als gevolg van een tuchtmaatregel Artikel 64,6E bepaalt In geval van tekortkoming aan hun plichten kunnen de vast benoemde personeelsleden één van de volgende sancties oplopen: 6E het ontslag Feiten weerhouden in de tuchtprocedure Wat de feiten betreft die aanleiding hebben gegeven tot de tuchtprocedure, stelt het Hof vast dat de beslissing van de Kamer van Beroep niet wordt aangevochten in de mate dat zij bepaalde feiten als bewezen verklaarde en andere niet zodat het Hof bij de beoordeling van de vordering kan uitgaan van de feiten zoals ze door de Kamer van Beroep werden weerhouden. Deze feiten worden beschreven onder nr. 5.2.4.2.en 5.2.4.3 op p.11, 12, 13 en 14 van de beslissing van de Kamer van Beroep van 27-3-97 De feiten onder nr 5.2.4.
  12. betreffen: -de problematiek omtrent de afdeling menswetenschappen en het creëren van structuren buiten het katholiek onderwijs, -het geven van een mandaat aan een ondergeschikte in een betwiste problematiek over de instandhouding of afschaffing van de afdeling menswetenschappen, -de deelname aan een vergadering over de instandhouding van de afdeling menswetenschappen. Met betrekking tot deze feiten, merkte de Raad van Beroep op dat ook al dienden deze aan de Heer V. te worden aangerekend, deze voor een deel verklaarbaar waren door de houding van de inrichtende macht die tot eind >95 geijverd had voor de oprichting en het behoud van die afdeling die ze voor de tweede maal zonder toestemming van de DPCC (diocesane planificatiecommissie) had ingericht hetgeen aanleiding kon geven tot verwarring. De feiten onder 5.2.4.
  13. kunnen worden samengevat tot: -het niet reageren op een brief in verband met de pastorale studiedagen en op een aangetekende brief van de Voorzitter van de Inrichtende Macht met betrekking tot de staking van 28-2->96, -verklaringen in de pers waarbij hij zijn persoonlijk belang boven dat van de school stelde, -het betrekken van leerlingen bij het conflict via een interview dat in de schoolkrant werd gepubliceerd, -uitspraken over collega=s leerkrachten, -het niet voorleggen van de begroting >96 en de slotrekening >95 , -het niet tijdig organiseren van verkiezingen van de Participatieraad. De Kamer van Beroep besloot dat een aantal van de beweerde tekortkomingen niet in aanmerking konden of mochten worden genomen, dat verder moest worden vastgesteld dat andere bewezen tekortkomingen in een normaal schoolgebeuren met een herinnering van het gevraagde zouden zijn afgedaan en niet als een tuchtvergrijp zouden zijn aangemerkt (dit gold volgens haar o.m. voor de niet beantwoorde brieven) dat wat de betreft de tekortkomingen m.b.t. de afdeling menswetenschappen ook de houding van de inrichtende macht niet altijd éénduidig was, dat niettemin aan de Heer V. nog steeds moest worden verweten dat hij door zijn optreden in de media de inrichtende macht zowel binnen als buiten de school in diskrediet had gebracht, dat hij bepaalde oprdrachten van zijn inrichtende macht had genegeerd, dat hij zich zowel buiten als binnen de school niet steeds op correcte wijze had gedragen tegenover collega=s en vooral dat hij de leerlingen had betrokken in zijn conflict met de inrichtende macht, dat hij aldus was tekortgekomen aan de verplichtingen voortvloeiend uit de artikelen 10 en 11 van het DRP en uit de artikelen 2'2,5 en 12 van de overeenkomst waarbij hij als instellingshoofd werd aangesteld, dat hij door zijn handelwijze het belang van de onderwijsinstelling had geschaad (artikel 9 van het decreet). De Kamer van Beroep hield bij het opleggen van de tuchtstraf rekening met de omstandigheid dat een aantal feiten niet in aanmerking konden genomen worden, met de verzwarende omstandigheid dat de Heer V. als directeur van een grote school de impact van zijn gedragingen moest kunnen inschatten, met de ongunstige weerslag van de begane tekortkomingen op de onderwijsinstelling. Anderzijds hield zij rekening met de goede diensten die de Heer V. had bewezen, met de ommezwaai in het beleid van de inrichtende macht en haar niet steeds éénduidige houding m.b.t. de problematiek menswetenschappen en ten slotte met de omstandigheid dat het optreden van derden het conflict tussen de Inrichtende Macht en de Heer V. had verscherpt en buitenmatige proporties had doen aannemen. Bij het opleggen van de tuchtsanctie van terbeschikkingstelling voor de duur van twee jaar wees de Kamer van Beroep erop dat hij onderworpen bleef aan de bepalingen van het decreet in verband met de plichten en onverenigbaarheden. Het Hof deelt de analyse en de appreciatie van de feiten door de Kamer van Beroep. Uit het omvangrijke bewijsmateriaal dat wordt voorgelegd met talrijke persknipsels en verschillende uren beeldmateriaal, blijkt dat de inrichting van een studierichting menswetenschappen door de inrichtende macht aanleiding had gegeven tot misnoegdheid vanwege een andere school in de regio die daartoe wel gemachtigd was. De term schooloorlog werd zelfs gebruikt. De plotse ommezwaai in het beleid van de Inrichtende Macht die afdeling niet langer aan te bieden, had door bepaalde uitspraken van de Voorzitter van haar Raad van Beheer in het oudercomité de indruk gewekt dat die afdeling werd afgebouwd omdat zij door heel wat allochtone meisjes werd gevolgd. Dat de Heer V. aanvankelijk weigerde zich neer te leggen bij de beslissing van de Inrichtende Macht de afdeling op te heffen en bleef ijveren voor het behoud ervan is inderdaad als een tekortkoming te beschouwen aan zijn contractuele verplichtingen als directeur. Hij was er immers toe gehouden de beslissingen van de Inrichtende Macht met betrekking tot het opvoedingsproject uit te voeren (artikelen 2 en 3 van de aanstellingsovereenkomst). Daarna toonde hij zich echter wel bereid zich bij de beslissing van de Inrichtende Macht neer te leggen. Zelfs na de schorsing van zijn overeenkomst en het starten van de tuchtprocedure verklaarde hij zich bereid tot dialoog. In de rand van het conflict rond de afdeling menswetenschappen ontstonden andere conflicthaarden en ontsponnen zich allerhande discussies o.m. over inspraak in het onderwijs, communicatie tussen de bij het opvoedingsproject betrokken partijen, discriminatie t.o.v. allochtonen, syndicale vertegenwoordiging van het onderwijspersoneel, de verschillende strekkingen binnen de katholieke ideologie, de vastheid van betrekking in het onderwijs die een brede maatschappelijke problematiek aan de oppervlakte brachten en waarin allerhande groepen participeerden en stelling namen: de ouders, leerkrachten, leerlingen, vakbonden, migrantenverenigingen. Door de media-aandacht die eraan werd besteed werden de conflicten opengetrokken en uitvergroot. Dit is te verklaren door de wisselwerking tussen school en maatschappij. Alle factoren die bijgedragen hebben tot de uitvergroting van het conflict kunnen niet zomaar op het conto van de Heer V. worden geschreven en ook de houding van de Inrichtende Macht zelf heeft bijgedragen tot de media-aandacht voor het conflict. Zo bvb. wanneer zij in weerwil van een uitvoerbare beslissing van de kortgedingrechter de rijkswacht opriep om de Heer V. de toegang tot de school te ontzeggen en dit heel anders uitdraaide aangezien de kortgedingrechter de schorsing had opgeheven. De tekortkomingen van de Heer V. acht Het Hof niet zwaarwichtig genoeg om de ontbinding van de overeenkomst te verantwoorden. De tuchtrechtelijke sanctie die door de Raad van Beroep werd uitgesproken schiep de mogelijkheid tot terugkeer naar een meer sereen klimaat en het herstel van de dialoog, een mogelijkheid waartoe de Inrichtende Macht evenwel geen enkel initiatief nam. Feiten na de tuchtprocedure Aangezien de vordering pas in oktober 1997 werd ingesteld, kan het Hof bij de beoordeling van de vordering tot ontbinding ook rekening houden met de feiten die zich hebben voorgedaan na de tuchtprocedure. Het Hof deelt het standpunt van de Heer V. niet dat deze feiten niet werden gepreciseerd. De Inrichtende Macht verwijt aan de Heer V. volgende feiten: -het zich toemeten van bevoegdheden die uitsluitend behoren tot de Inrichtende Macht als werkgever. Zij verwijst hiervoor naar de voor de Eerste Rechter gedane beweringen van de Heer V. dat het conflict te maken had met een verschillende visie op de organisatie van het onderwijs binnen het lyceum. Zij leidt daaruit af dat de Heer V. H. meent dat hij de beleidslijnen, opvoedingsprojecten en pedagogische methoden moet bepalen terwijl die bevoegdheid enkel de Inrichtende Macht toekomt. Zij kwalificeert die houding als insubordinatie die een inbreuk uitmaakt op artikel 15 DRP. Het Hof deelt de zienswijze van de Inrichtende Macht niet. De verklaringen die door de Heer V. in de loop van de procedure werden naar voor gebracht om de oorzaken en de omstandigheden van het conflict toe te lichten kunnen niet als insubordinatie worden afgedaan. -publieke vijandigheid en manifeste insubordinatie tegen zijn werkgever door het publiek en politiek militeren voor de afschaffing van de onderwijsstructuur waarin hij directeur is, o.m. via zijn engagement in de toenmalige nieuwe politieke partij, PNP waarvan hij zich opwierp als één van de boegbeelden, hetgeen volgens haar een schending uitmaakt van artikelen 9,11,12 en 15 van het DRP. Het Hof meent dat hier geraakt wordt aan de problematiek van de specificiteitsverplichtingen en Aonverenigbaarheden@ die het voorwerp uitmaken van artikelen 15 en 16 DRP. Het Hof verwijst hierbij naar het advies van de Raad van State bij het decreet van het Franstalig gesubsidieerd onderwijs dat hierboven werd aangehaald dat de specificiteitsverplichtingen in het licht van artikel 8 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens betrekking moeten hebben op de activiteiten van de personeelsleden in de onderwijsinrichting en dat geen enkele leefwijze, geen enkel engagement of politieke ideologische, religieuse of filosofische aanhorigheid, welke ook hen kan worden verboden, dat bovendien alle verplichtingen en onverenigbaarheden voortvloeiend uit de specificiteit van het vrije onderwijs nauwkeurig moeten worden omschreven en dat de schriftelijke vaststelling ervan essentieel voorkomt. De schriftelijke vaststelling ervan is overigens voorgeschreven in artikelen 15 lid 2 en 16 DRP. De bepaling van artikel 12 van het DRP volgens dewelke de personeelsleden hun gezag niet mogen aanwenden voor politieke of commerciële doeleinden moet worden samen gelezen met artikel 41 van de Schoolpactwet waarin bepaald wordt dat elke politieke activiteit en propaganda, alsmede elke handelsactiviteit verboden is in de onderwijsinstellingen van ondermeer het gesubsidieerd onderwijs (W.Rauws, De rechtspositie van het personeel in het vrij onderwijs, Actuele problemen van het Arbeidsrecht IV , Maklu 93 nr 526). In voorliggend geval werd niet aangetoond dat de onverenigbaarheden schriftelijk werden vastgesteld en is er geen sprake van een politieke activiteit in de onderwijsinstelling zodat er geen inbreuk op artikel 12 DRP kan worden weerhouden. Uit het aan het Hof ter beschikking gestelde bewijsmateriaal blijkt overigens niet dat de Heer V. zich in zijn stellingnames vijandig heeft opgesteld tegen de Inrichtende Macht of deze in diskrediet zou hebben gebracht. -dat ook na de beslissing van de Kamer van Beroep zijn optreden in de media ontoelaatbaar bleef en hij hierbij de Inrichtende Macht zowel in als buiten de school in diskrediet bracht, en zelfs tijdens de procedure nog allerlei schandaalverhalen verspreidde via de pers o.m. met betrekking tot de bindingen van het lyceum met Ahet Werk@ en een Akatholieke Maffia@ o.m. tijdens zijn optreden in de pers op 12-5->98 n.a.v. de boekpresentatie van de Heer Serge Lenglez AEuropean University, de ondergang van een diplomafabriek, waarmee hij de inrichtende macht en het katholiek onderwijs publiekelijk in diskrediet bracht door beschuldigingen in verband met deelname aan frauduleuse praktijken en door het aankondigen van een boek over zijn werkgever Amet het nodige vuurwerk@. Uit het voorgelegde bewijsmateriaal blijkt dat de verklaringen van de Heer V. in de pers voornamelijk betrekking hadden op het verloop van de verschillende procedures en de toelichting van de rechterlijke uitspraken, hetgeen niet als ontoelaatbaar kan worden beschouwd. Wat de zogenaamde schandaalverhalen betreft, werd in de pers inderdaad bericht over linken tussen het lyceum en bepaalde controversiële instellingen met een niet onbesproken reputatie. Reeds in >96 besteedde de pers aandacht aan de ronselpraktijken van Ahet Werk@ bij leerlingen van de school. Deze feiten werden klaarblijkelijk onder de media-aandacht gebracht door betrokkenen die zich misbruikt achtten. Het blijkt geenszins dat de Heer V. daar de hand in had. In de loop van >98 heeft hij inderdaad in de media kritiek geuit op die instellingen waartegen hij aanvankelijk geen argwaan had gekoesterd toen hij er al directeur contact mee had. Men kan stellen dat hij vooral de hand in eigen boezem steekt. Het blijkt echter niet dat zijn kritiek gericht was tegen de Inrichtende Macht van de School zelf of tegen het katholiek onderwijs als zodanig. Het uiten van kritiek op bepaalde extreme tendenzen binnen een bepaalde levensbeschouwelijke ideologie is daarom nog geen aanval op die levensbeschouwing zelf. Het Hof kan zich niet van de indruk ontdoen dat de beweerde tekortkomingen na de tuchtprocedure een voorwendsel zijn om vooralsnog de arbeidsrelatie te kunnen beëindigen en dat het lyceum reeds van meetaf aan het vast voornemen had de Heer V. niet meer in dienst te nemen. Bepaalde uitlatingen van de Inrichtende Macht in de mediaverslagen wijzen hierop. Het komt het Hof onwaarschijnlijk voor dat de Inrichtende Macht bij een andere onderwijsinstelling binnen het katholiek onderwijs zou bemiddeld hebben om de Heer V. als leraar in dienst te nemen, wat intussen ook gebeurd is, mocht zij deze verwijten in verband met vijandigheid tegen het katholiek onderwijs als zodanig werkelijk ernstig nemen. Het Hof meent dat alle feitelijke elementen in acht genomen en daarmee ook de houding van de Inrichtende Macht, er in ieder geval geen tekortkomingen voorliggen die zwaar genoeg wegen om de ontbinding van de arbeidsovereenkomst lastens de Heer V. te kunnen rechtvaardigen. RECHTSGEVOLGEN VAN DE ONTSLAGBRIEF VAN 21-11-98 In het beroepen vonnis heeft de Arbeidsrechtbank te Tongeren de in subsidiaire orde ingestelde vordering van de Inrichtende Macht ingewilligd haar te machtigen tot éénzijdige beëindiging van de overeenkomst en de zaak naar de rol verzonden om partijen de gelegenheid te geven een akkoord te sluiten over de verschuldigde vergoedingen of daarover te concluderen. De Arbeidsrechtbank heeft aldus haar bevoegdheid overschreden. Het betrof immers een actio ad futurum waarover zij geen bevoegdheid had aangezien er geen opzegging was gegeven. Zoals de zaken er bij de behandeling voor dit Hof voor staan kan wel uitspraak worden gedaan over het ontslag nu het effectief werd gegeven. In het Belgisch Arbeidsrecht wordt de ontslagmacht van de werkgever als een fundamenteel gegeven beschouwd waaraan wel beperkingen mogen worden gesteld zonder dat het volledig onmogelijk mag worden gemaakt. Volgens de rechtspraak van het Hof van Cassatie raakt dit beginsel de openbare orde. (Cass.,16-10->69, Arr.Cass.= 70; 167; Cass. 31-10->75, Pas. >76, 278; Cass. 30-9->91, JTT 91, 479; D.Cuypers en A.Overbeeke, vastheid van betrekking in het vrij gesubsidieerd onderwijs, RW 99-2000, p 1363 e.v.). In een zaak die betrekking had op de vastheid van betrekking ingebouwd in het personeelsstatuut van de door de Staat gesubsidieerde universitaire instellingen waardoor het ontslagrecht van de werkgever beperkt werd tot het ontslag om dringende reden, oordeelde het Hof van Cassatie dat de bijzondere vastheid van betrekking van het personeel als gevolg van een beperking van het ontslagrecht tot het ontslag om dringende reden, de werkgever als partij bij de arbeidsovereenkomst niet verhindert voor de pensioengerechtigde leeftijd van de werknemer tot diens ontslag over te gaan zonder daartoe een reden te moeten opgeven, maar de uitoefening van dat recht enkel bemoeilijkt (Cass., 6-10-97, RW >97-98 1021). Er is voor de Inrichtende Macht in principe geen ruimte voor éénzijdige beëindiging van de arbeidsovereenkomst dan in de gevallen en onder de voorwaarden uitdrukkelijk bepaald in het DRP (Memorie van Toelichting, 57). Het Hof stelt vast dat de Inrichtende Macht gebruik heeft gemaakt van haar ontslagmacht en aldus onherroepelijk een definitief einde heeft gesteld aan de arbeidsovereenkomst, met schending van de voorschriften van het DRP. De arbeidsgerechten zijn er niet toe gemachtigd om de rechtshandeling van het ontslag te vernietigen of ongedaan te maken (Arbitragehof, 31-1-2001, Arrest nr 8/2001)Zij kunnen evenmin de reïntegratie bevelen. Noch in het DRP noch in het Arbeidsrecht is immers de mogelijkheid tot reïntegratie voorzien in geval van onregelmatig ontslag (AH. Antwerpen 30-12->86, RW 86-87, p. 2035). Enkel de gemeenschappelijke wil van partijen kan de overeenkomst doen herleven (Cass., 20-6->88, Pas. >88, I, 1261; AH Br. 27-11->86, JTT >88, 47; K. Rasschaert, Beperking van de ontslagmacht van de werkgever door werkzekerheidsbedingen: afdwinging bij gebrek aan expliciete sanctieregeling, JTT >96 p 386) . Het principaal hoger beroep komt derhalve ongegrond voor in de mate dat het de reïntegratie beöogt. Wanneer herstel in natura materieel noch juridisch mogelijk blijkt heeft het herstel plaats bij equivalent onder vorm van een schadevergoeding waarmee beoogd wordt de schuldeiser in dezelfde situatie te plaatsen als waarin hij zich zou hebben bevonden indien de overeenkomst correct zou zijn uitgevoerd (A.Van Oevelen, Actuele jurisprudentiële en legislatieve ontwikkelingen inzake sancties bij niet nakoming van contractuele verbintenissen. RW >94->95, p 793 e.v; p 799) Deze regel ligt vervat in artikel 1142 Burgerlijk Wetboek waarin wordt bepaald dat de niet- nakoming van een verbintenis om iets te doen enkel aanleiding kan geven tot schadevergoeding. Die vergoeding is te onderscheiden van de opzeggingsvergoeding die wordt toegekend wegen het niet naleven van de opgelegde opzeggingstermijnen (Cass., 6-10->97, RW >97->98 1021). De enige sanctie voor het onrechtmatig ontslag bestaat derhalve in de toekenning van een schadevergoeding. Bij onrechtmatig ontslag in het gesubsidieerd onderwijs gelden daarnaast nog bijzondere bepalingen van de schoolpactwet (W.Rauws, de rechtspositie van het personeel in het vrij gesubsidieerd onderwijs, Actuele problemen van het Arbeidsrecht IV, Maklu 1993, nr 596). Opdat het Hof zich zou kunnen uitspreken over een schadevergoeding dient daartoe vanzelfsprekend eerst een vordering voor te liggen. Aangezien er geen vordering tot het bekomen van schadevergoeding werd ingesteld door de Heer V. en de Inrichtende Macht evenmin de plicht tot doorbetaling van loon krachtens artikel 28 ' 2 schoolpactwet aan de beoordeling van het Hof heeft voorgelegd waaraan overigens door de nieuwe aanstelling van de Heer V. door een andere Inrichtende Macht een einde lijkt te zijn gekomen, noch de Vlaamse Gemeenschap als subsidiërende overheid in het geschil betrokken werd, is de rechtsmacht van het Hof uitgeput. OM DEZE REDENEN, HET ARBEIDSHOF, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24, Rechtdoende op tegenspraak, Statuerend binnen de grenzen van het Arrest van Verwijzing, Verklaart het principaal hoger beroep deels gegrond, het incidenteel hoger beroep ongegrond Hervormt het beroepen vonnis, Vernietigt het in de mate het uitspraak deed over de vordering tot machtiging ontslag te geven die een actio ad futurum betrof, Bevestigt het in de mate het de vordering tot ontbinding overeenkomstig artikel 1184 Burgerlijk Wetboek ongegrond verklaarde, zij het niet geheel op dezelfde gronden, Wijst derhalve de vordering tot ontbinding en tot ambtshalve ontslag overeenkomstig artikel 60, 4E decreet rechtspositie af evenals de vordering tot ontbinding en tot ontslag met opzegging overeenkomstig artikelen 60,5E, 62,3E en 64.6E van het Decreet Rechtspositie, Uitspraak doende over de door geïntimeerde voor dit Hof ingestelde vorderingen, zoals in de laatste conclusie gewijzigd, Verklaart de vordering die ertoe strekt de rechtshandeling van 21-11->98 als een éénzijdige verklaring tot ontbinding rechtsgeldig te verklaren ongegrond, Verklaart de vordering die ertoe strekt de rechtshandeling van 21-11->98 tot éénzijdige beëindiging van de arbeidsovereenkomst van waarde te verklaren gegrond in de mate dat daarmee bedoeld wordt dat deze als ontslag dient erkend te worden dat rechtsgevolgen sorteert. Stelt dienvolgens vast dat de arbeidsovereenkomst tussen de Heer V. en het Onze Lieve Vrouwelyceum werd beëindigd door het ontslag van 21-11->98, Verklaart de vordering tot reïntegratie van de Heer V. ongegrond, Geeft akte aan het Onze Lieve Vrouwelyceum van haar aanbod tot betaling van een vergoeding ten bedrage van 1 Euro provisioneel. Stelt vast dat de rechtsmacht van dit Hof werd geledigd daar er geen verdere vorderingen aanhangig zijn. Veroordeelt de Inrichtende Macht tot de kosten van de procedure. - voor appellante partij : rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg : 3.690,-F of 98, 17 _, rechtsplegingsvergoeding hoger beroep Antwerpen : 4.920,-F of 121, 96 _ - voor geïntimeerde partij : kosten van dagvaarding en rolzetting : 82, 33 _ rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg : 91, 47 _ rechtsplegingsvergoeding hoger beroep : 124, 94 _ kosten van betekening arrest cassatie : 135, 35 _ kosten van dagvaarding en rolzetting na cassatie : 87, 36 _ rechtsplegingsvergoeding hoger beroep na cassatie : 130,89 _ Aldus gewezen en uitgesproken op de openbare terechtzitting van de 3de Kamer van het Arbeidshof te Brussel op dinsdag 18 januari 2005, waar aanwezig waren : Mevrouw G. BALIS, Raadsheer, De Heer P. KESSELS, Raadsheer in sociale zaken als werkgever, Mevrouw B. MUSSCHE, Raadsheer in sociale zaken als werknemer-bediende, Mevrouw L. HERREGODTS, Griffier. PDF document ECLI:BE:CTBRL:2005:ARR.20050118.20 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.