← België

ECLI:BE:CTBRL:2005:ARR.20050127.2

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 27 januari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2005:ARR.20050127.2 Rolnummer: 43959 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2005-10-07 Raadplegingen: 83 - laatst gezien 2026-07-02 03:29 Fiche Het Hof is van oordeel dat artikel 13 van het koninklijk besluit van 2 januari 1991 gewijzigd door artikel 8 van het koninklijk besluit van 21 december 1992 waarbij wordt bepaald dat een forfaitaire schadevergoeding door de directeur kan worden geëist bij niet naleving door de werkgever van zijn verbintenis tot vervanging van de werknemer en waarvan het bedrag wordt vastgesteld zoals verder in dit artikel bepaald, in die zin moet worden gelezen dat de directeur in beginsel bij de vaststelling dat de vervangingsplicht niet is nageleefd, de betaling van de forfaitaire schadevergoeding dient op te leggen en daartoe de macht heeft en dat, ook al wordt de term "kan" gebruikt, dit geen willekeurige beslissing van de directeur toelaat. De V.Z.W. appelante gaat er verkeerdelijk van uit dat de directeur vrij is al dan niet een forfaitaire schadevergoeding op te leggen. Terecht is het auditoraat-generaal van oordeel dat de forfaitaire schadevergoeding geen strafvervolging in de zin van artikel 6 EVRM uitmaakt en heeft het volgende gesteld : " Deze vergoeding heeft inderdaad in essentie een indemnitair karakter zoals blijkt uit de termen zelf van artikel 13 van het koninklijk besluit van 2 januari 1991. Het was immers de bedoeling de loopbaanonderbreking te koppelen aan de tewerkstelling van een werknemer die sociale uitkeringen ontvangt of deze zou kunnen ontvangen zoals een vergoede volledige werkloze, deeltijds werknemer met behoud van rechten, genieter van het bestaansminimum, minder valide, enz... Wanneer de werkgever zijn vervangingsplicht niet naleeft blijft deze werknemer ten laste van de gemeenschap en wordt hierdoor op onrechtstreekse wijze schade toebracht aan deze laatste". Sedert het koninklijk besluit nr. 424 sluiten de werknemer en de werkgever een overeenkomst inzake de loopbaanonderbreking en daarenboven gaat de werkgever de verbintenis aan met de R.V.A. tot vervanging, tot het bezorgen van het formulier waaruit blijkt dat de vervanger de vereiste voorwaarden voldoet en tot verwittiging bij herneming van het werk door de aanvrager, zodat de schadevergoeding zijn oorsprong vindt in een overeenkomst. Deze schadevergoeding heeft een forfaitair karakter die bijgevolgd niet gerelateerd moet worden met de werkelijk geleden schade. Het Hof heeft terzake slechts een marginale toetsing in die zin dat moet worden nagagaan of de directeur binnen de perken van de reglementering gehandeld heeft en de bedragen heeft geëist die dwingend zijn opgelegd door artikel 13 van het koninklijk besluit van 2 januari 1991 (artikel 8 van het koninklijk besluit van 21 december 1992) en die niet om de een of andere reden kunnen worden verminderd. Het Hof stelt vast dat de berekening van de schadevergoeding en de weerhouden periode van onvolledige vervanging niet wordt betwist. Vrije woorden: ARBEIDSOVEREENKOMSTEN - BEROEPSLOOPBAANONDERBREKING - Werkloosheid - Herstelwet van 22 januari 1985 - Art. 106 bis - Koninklijk Besluit van 2 januari 1991 - Forfaitaire schadevergoeding aan de RVA verschuldigd bij niet eerbiediging van de tervervangingsplicht volgens de wettelijke vereisten, van de arbeider die het werk onderbreekt. - Directeur van het werkloosheidsbureau gehouden tot de invordering van de vergoeding - Marginale toetsing door het Arbeidshof. Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 02-01-1991 - 13 - 40 ELI link Pub nr 1991013073 Wet - 22-01-1985 - 106bis - 30 ELI link Pub nr 1985021271 Tekst van de beslissing Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.