id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 28 januari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2005:ARR.20050128.4 Rolnummer: 45309 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2005-04-15 Raadplegingen: 104 - laatst gezien 2026-07-02 03:29 Fiche Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP-RECHT-WETGEVING - PUBLIEK- EN ADMINISTRATIEF RECHT - Vakantiegeld - Openbare- of privé-sektor? Wettelijke bepalingen: Wet - 30-12-1988 - 93 - 31 ELI link Pub nr 1989021219 Tekst van de beslissing OPENBARE TERECHTZITTING VAN ACHTENTWINTIG JANUARI TWEEDUIZEND EN VIJF. DERDE KAMER Bediendecontract Tegensprekelijk Definitief In de zaak: INTERNATIONALE SPORT VOOR ALLEN FEDERATIE, met zetel te 1700 DILBEEK, Molendal nr. 26; Appellante, vertegenwoordigd door Mr. N. Daelman loco Mr. B. S., advocaat te Brugge; Tegen: V. E. S., Geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. K. Callebout, advocaat te Aalst; ó ó ó Na beraadslaging, velt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest: Gelet op: - de stukken der rechtspleging en ondermeer het eensluidend verklaard afschrift van het vonnis uitgesproken op tegenspraak door de 12e kamer van de Arbeidsrechtbank te Brussel op 5 februari 2004 (AR nr. 29.747/02), alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep ontvangen op de griffie van het Arbeidshof op 2 april 2004; - de besluiten en aanvullende besluiten van geïntimeerde, ontvangen ter griffie op respectievelijk 17 juni 2004 en 5 oktober 2004; - de besluiten van appellante, ontvangen ter griffie op 6 augustus 2004; Gehoord de partijen in hun middelen en verdediging ter openbare terechtzitting van 17 december
- Partijen legden hun bundel neer waarna de debatten gesloten werden en de zaak in beraad werd genomen. p p p I. DE FEITEN. De heer S. was vanaf 23 maart 1994 in dienst van appellante als vertaler in het kader van een arbeidsovereenkomst betiteld als "arbeidsovereenkomst voor gesubsidieerde contractuelen, tewerkgesteld door openbare besturen, bedoeld bij artikel 93, 1e lid, 2°,3° en 4° en 2e lid van de Programmawet van 30 december 1988". Bij brief van 16 april 2001 heeft de heer V. E. een einde gesteld aan de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 mei
- Bij brief van 20 november 2001 wordt appellante door het Vakverbond van geïntimeerde in gebreke gesteld om reden van de niet-betaling van de vakantiegelden 2001 en 2002 en werd een bedrag gevorderd van 123.317 BEF bruto voor het vakantiegeld 2000 en 41.884 BEF bruto voor het vakantiegeld
- Met inleidende dagvaarding betekend op 24 april 2002 vordert geïntimeerde appellante te horen veroordelen te betalen het bedrag van 3.535,12 euro hoofdens vakantiegeld voor de vakantiedienstjaren 2000 en 2001 (vakantiejaren 2001 + 2002), te vermeerderen met de moratoire intresten aan 7% per jaar vanaf 9 augustus 2001 alsmede vanaf voornoemde datum tot 17 december 2001 over het bedrag van 560,12 euro. verder tot afgifte van de vakantie-attesten van voornoemde dienstjaren alsmede tot het betalen van een schadevergoeding van 276,38 euro hoofdens loonverlies wegens het onbetaald verlof dat geïntimeerde heeft dienen te nemen t.g.v. de niet-aangifte van voornoemde vakantie-attesten. Tenslotte appellante te horen veroordelen tot het betalen van de kosten van het geding. In het dispositief van de "hernemende en aanvullende conclusie" neergelegd ter griffie van de arbeidsrechtbank op 28 februari 2003 vordert geïntimeerde de veroordeling van appellante: - tot afgifte van de vakantie-attesten dienstjaren 2000 en 2001 - tot betaling van een netto bedrag van 1.450,85 euro hoofdens vakantiegeld meer de moratoire intresten hierover aan 7% per jaar vanaf 9 augustus 2001, alsmede vanaf voornoemde datum tot 17 december 2001 over een bedrag van 560,12 - tot betaling van een bedrag van 276,38 euro hoofdens geleden loonverlies - tot betaling van een bedrag van 1000 euro hoofdens morele schade t.g.v. het verlies van 20 verlofdagen - de veroordeling tot de kosten van het geding. II. HET VONNIS A QUO. Het vonnis a quo verklaart deze vordering ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond en veroordeelt appellante tot het betalen aan geïntimeerde van: - het netto bedrag van 1450,85 euro als vakantiegeld, vermeerderd met de intresten vanaf 9 augustus 2001 tot op de dag van de effectieve betaling alsmede vanaf 9 augustus 2001 tot op 17 december 2001 op het betaalde bedrag van 560,12 euro, - het bedrag van 279,38 euro uit hoofde van geleden loonverlies, - tot afgifte van de aangepaste vakantie-attesten voor de dienstjaren 2000 en 2001 en de kosten van het geding. De eerste rechter oordeelt dat de heer S. recht heeft op vakantiegeld overeenkomstig de regeling zoals van toepassing in de privé-sector daar er in onderhavige zaak geen gelijkstelling mogelijk is met tewerkstelling door openbare besturen daar appellante geen bewijs bijbrengt dat zij opgericht is overeenkomstig de bepalingen van de wet van 27 juni 1991 betreffende de VZW's zoals vereist door artikel 93 van de Programmawet van 30 december
- III. DE BEROEPSGRIEVEN. Appellante verzoekt ons Hof het vonnis van de eerste rechter te vernietigen en opnieuw wijzende de oorspronkelijke vordering van geïntimeerde af te wijzen als ongegrond en geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van beide instanties. Appellante stelt dat zij dient te worden gelijkgesteld met een openbaar bestuur overeenkomstig artikel 93 tweede lid a van de Programmawet van 30 december 1988 daar zij een vzw vormt, zoals blijkt uit haar statuten (stukken 8,9 en 10). Appellante stelt dat zij van de VDAB effectief gedurende ettelijke jaren premies ontving voor de 4 door haar tewerkgestelde GESCO's en besluit hieruit dat de overheid derhalve het GESCO-statuut goedkeurde zodat haar verworven rechten heden niet in vraag kunnen worden gesteld. Appellant stelt dat, los van de discussie omtrent de toepassing van de Programmawet van 30 december 1988 er tussen partijen, wat de loonbepaling betreft, steeds een consensus is geweest dat inzake de jaarlijkse vakantie hetzelfde stelsel wordt toegepast als in de openbare sector. De kwalificatie die partijen aan hun overeenkomst geven speelt een uiterst belangrijke rol. Er dient in casu dan ook rekening gehouden te worden met de wilsautonomie van de partijen. De overeenkomst strekt hun overeenkomstig artikel 1134 BW tot wet. Appellante stelt dat zij voor 4 tewerkgestelde bedienden steeds consequent het stelsel van de openbare sector heeft toegepast voor de verloning en voor het vakantiegeld zoals de drie overige bedienden verklaren (stuk 7). Appellante beroept zich op stuk 6, een overzicht van de inkomsten en uitgaven m.b.t. haar vier werknemers voor de periode 1994 t.e.m. 2000, waaruit volgens haar blijkt dat de lonen steeds in functie van de VDAB-premies werden berekend, en dat het nooit de bedoeling van appellante was haar werknemers én het voordeel van het hogere loon én van de hogere jaarlijkse vakantie toe te kennen nu dit onmiskenbaar een overschrijding van haar loonbudget zou hebben betekend. Indien geïntimeerde zich wenst te beroepen op het statuut van de privé-sector wat dus hoger vakantiegeld inhoudt en het Hof volgt deze redenering, dan dienst volgens appellante consequent gehandeld te worden en dient het volledige bedrag aan te veel betaald loon terugbetaald te worden aan appellante. Appellante stelt dat de vertraging in de betaling van het vertrekvakantiegeld te wijten is aan geïntimeerde die zelf ten onrechte opdracht heeft gegeven aan het sociaal secretariaat om het te berekenen volgens de private sector zodat een herberekening moest gebeuren. Appellante blijft zich ook verzetten tegen de door de eerste rechter toegekende bijkomende vordering t.b.v. 276,38 euro uit hoofde van geleden loonverlies. Deze vordering komt neer op dubbel gebruik: én vertrekvakantiegeld vorderen én een vergoeding omdat er bij de nieuwe werkgever verlof wordt opgenomen, houdt volgens appellante geen steek. Veranderen van werkgever zou in de onlogische visie van geïntimeerde dus automatisch tot wel erg veel vakantie-kassagerinkel leiden. Tenslotte wijst appellante er nog op dat niet zonder meer op basis van een niet-tegensprekelijk verslag van de sociale inspectie en een geseponeerd strafdossier gewag kan worden gemaakt van een misdrijf dat op grond van artikel 54, 2° van de Jaarlijkse Vakantiewet strafrechtelijk gesanctioneerd kan worden met de aldaar opgesomde straffen. Of er door appellante al dan niet een misdrijf is gepleegd, staat allesbehalve ontegensprekelijk vast. Een sepot is geen vrijspraak en een sepot pogen gelijk te stellen met een veroordeling is een onmogelijke deductie in een rechtstaat... ó ó ó IV. BEOORDELING DOOR HET HOF. Overwegende dat het hoger beroep ontvankelijk voorkomt, wat overigens niet wordt betwist. Gezien de door partijen neergelegde stukken. Artikel 93 van de programmawet van 30 december 1988 stelt letterlijk dat "voor toepassing van dit hoofdstuk (Hoofdstuk II: Opzetting van een stelsel van gesubsidieerde contractuelen bij sommige openbare besturen) met openbare besturen worden gelijkgesteld.". a)..., de instellingen van openbaar nut en de verenigingen zonder winstoogmerk beheerst door de wet van 27 juni 1921 waarbij aan de verenigingen zonder winstoogmerk en aan de instellingen van openbaar nut rechtspersoonlijkheid wordt verleend, en die een sociaal, humanitair of cultureel doel nastreven. Uit de door appellante neergelegde stukken (8 t.e.m. 10) blijkt dat zij een internationale vereniging is die wordt beheerst door haar statuten en door artikel 21 e.v. van het lokale Burgerlijke Wetboek (dat zij niet nader beschrijft...). dat zij haar zetel heeft te Straatsburg, waar zij is ingeschreven in het register der verenigingen (Régistre des associations). Overwegende dat vaststaat dat appellante niet wordt beheerst door de genoemde Belgische Wet van 27 juni 1921, doch door een (niet nader gepreciseerde) Franse (burgerlijke?) wetgeving. dat appellante beweert doch helemaal niet bewijst dat zijn inhoudelijk zou beantwoorden aan de wettelijke bepalingen voorzien door de wet van 27 juni 1921 voor de vzw's. De loutere vermelding in de statuten dat zijn geen winst nastreeft is daartoe uiteraard niet voldoende. Het Hof meent dat de eerste rechter terecht oordeelde dat er overeenkomstig artikel 93 van de programmawet van 30 december 1988 slechts een gelijkstelling kan zijn met openbare besturen indien het gaat over verenigingen zonder winstoogmerk die beantwoorden aan de vereisten van de Belgische wet van 27 juni 1921 zoals de tekst het voorschrijft. De programmawet voorziet immers alternatieve tewerkstellingsbevorderende maatregelen waardoor de werkgevers (openbare besturen) enerzijds, premies en vrijstellingen van de werkgeversbijdragen genieten en waarvoor de rechtspositie van de tewerkgestelde werknemers anderzijds van de Arbeidsovereenkomstenwet en de Vakantiewet voor werknemers van 1971 afwijkt (qua loon en vakantiegeld zie art. 98 ,§2 en ,§4). Het Hof meent dat deze tewerkstellingsbevorderende maatregel als een uitzondering op de algemene regel derhalve STRIKT dient te worden geïnterpreteerd. Overwegende dat appellante geen enkel stuk voorlegt waaruit blijkt dat de overheid officieel zou hebben erkend dat appellante dient te worden gelijkgesteld met een openbare bestuur. Appellante blijkt daadwerkelijk betaling van premies genoten te hebben vanwege de VDAB doch dit is volgens het Hof geen bewijs dat de overheid erkend heeft dat zij overeenkomstig artikel 93 van de programmawet met een openbaar bestuur dient of kan worden gelijkgesteld. Uit de door geïntimeerde neergelegde brieven van de Vlaamse Minister van Tewerkstelling en van de Sociale Inspectie (Ministerie van Sociale Zaken), blijkt dat deze beide ministers van oordeel zijn dat de vakantieregeling van de privé-sector "zonder enige twijfel" op de heer Van Eester van toepassing is, wat allerminst een erkenning of goedkeuring van het GESCO-statuut inhoudt, wel integendeel. Overwegende dat het recht op jaarlijkse vakantie en vakantiegeld der werknemers geregeld is door de bij KB van 28 juni 1971 gecoördineerde wetsbepalingen betreffende de jaarlijkse vakantie der werknemers (de Vakantiewet) en het uitvoeringsbesluit ervan dd. 30 maart
- Deze wet is in beginsel van toepassing op de personen die onderworpen zijn aan de sociale zekerheidsregeling voor werknemers (art. 1 Vakantiewet). Geïntimeerde is alleszins onderworpen aan de sociale zekerheidsregeling voor werknemers. Deze wet is evenwel niet van toepassing op de categorieën van personen die met een andere wettelijke jaarlijkse vakantieregeling zijn begunstigd (art. 1, 2e lid, 2 Vakantiewet). Overwegende dat de bepalingen van de Vakantiewet en het Vakantiebesluit van dwingend recht zijn waarvan de partijen niet bij overeenkomst kunnen afwijken (Cass. 4.1.1993, JTT 93, 328; Cass. 29.1.1996, JTT 96, 188). Dat een werknemer staande de arbeidsovereenkomst ook niet rechtsgeldig afstand kan doen van zijn recht op jaarlijkse vakantie en vakantiegeld overeenkomstig de dwingende bepalingen van de Vakantiewet (Cass. 7.12.1992, RW 92-93, 1375), die overigens strafrechtelijk sanctioneerbaar zijn in hoofde van de werkgever (art. 54 tot 59 Vakantiewet). Overwegende dat appellante zich derhalve niet kan beroepen op een conventionele kwalificatie van het rijksvakantiegeld door partijen. Dergelijke overeenkomst is nietig voor zover zij strijdig is met de dwingende bepalingen van artikel 1, 1e lid van genaamde Vakantiewet. Overwegende dat ten overvloede dient opgemerkt dat appellante helemaal niet bewijst dat geïntimeerde zich akkoord zou hebben verklaard met het vakantiegeld van de rijksambtenaren. Dit blijkt niet uit de geschreven arbeidsovereenkomsten (art. 6 vermeldt een door partijen niet gedane keuze tussen hetzij privé, hetzij openbare sector), noch uit de verklaringen van 3 getuigen (bij appellante in dienst zijnde werknemers) die voor zichzelf verklaren dat zij ervan op de hoogte waren dat voor de verloning het systeem van de openbare dienst van toepassing was bij appellante. Deze verklaringen binden slechts hun auteurs en niet de heer Van Eester. Overwegende dat appellante niet kan worden gelijk gesteld met een openbare bestuur, zoals hiervoor reeds gesteld. Overwegende dat de bepaling van artikel 98 ,§4 van de programmawet van 31 december 1988 derhalve terzake niet van toepassing is op de heer van Eester. Geïntimeerde is derhalve niet met een andere wettelijke vakantieregeling begunstigd en heeft recht op vakantiegeld overeenkomstig de bepalingen van de Vakantiewet (artikel 1, eerste lid) (KB 28.6.1971) en haar uitvoeringsbesluit (KB 30.3.1967) waarvan partijen niet rechtsgeldig bij overeenkomst konden afwijken. De eerste rechter veroordeelde appellante derhalve terecht tot betaling van vertrekvakantiegeld voor 200 en 2001 overeenkomstig de bepalingen van de Vakantiewet en het Vakantiebesluit, waarvan de bedragen zoals berekend door het sociaal secretariaat van appellante als dusdanig niet worden betwist. overwegende dat de eerste rechter appellante terecht veroordeelde tot intresten op het hoofdbedrag van 1450,80 euro netto vanaf 9 augustus 2001 tot algehele betaling en van 9 augustus 2001 tot 17 december 2001 op het bedrag van 560,12 euro bruto dat zij laattijdig aan de heer Van Eester betaalde op 18 december
- Appellante diende dit vertrekvakantiegeld immers aan de heer Van Eester overeenkomstig artikel 46 van het genoemde uitvoerings-KB van 30 maart 1967 te betalen bij zijn vertrek. Appellante beweert doch bewijst allerminst dat de laattijdige betaling aan het toedoen van de heer Van Eester te wijten zou zijn. Uit zijn stuk 6 blijkt dat appellant onnodig heeft getalmd om haar sociaal secretariaat opdracht tot betaling te geven. Wat de vordering van 279,38 euro uit hoofde van loonverlies betreft. Overwegende dat de heer V. E. bewijst dat hij bij zijn nieuwe werkgever verlof (3 dagen) nam in de maand mei 2001 waarvoor deze loon inhield t.b.v. 11.149 BEF (zijn stuk 4). Het loonverlies voor deze drie verlofdagen is evenwel gedekt door het vertrekvakantiegeld dat hij vanwege appellante ontving op 18 december 2001 enerzijds en het saldo hem toegekend bij het vonnis a quo anderzijds alsmede door de door eerste rechter toegekende verwijlintresten wegens laattijdige betaling. Appellante stelt derhalve terecht dat de heer Van Eester voor deze drie verlofdagen niet nogmaals aanspraak heeft op betaling van gederfd loon daar hij in realiteit geen loon heeft gederfd. ó ó ó OM DEZE REDENEN, Het Arbeidshof, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24, Rechtsprekend op tegenspraak, Alle andere middelen en conclusies verwerpende, Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond in de hierna vermelde mate. Hervormt het vonnis a quo voor zover en slechts voor zover het appellante veroordeelt tot betaling van het bedrag van 279,38 euro t.t.v. geleden loonverlies. Opnieuw rechtdoende op dit punt, Verklaart de oorspronkelijke vordering van de heer V. E. tot betaling van een bedrag van 276,38 euro wegens loonverlies ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt het vonnis a quo in al zijn overige beschikkingen. Veroordeelt partijen ieder tot de helft van de kosten van het hoger beroep, tot op heden als volgt begroot: - voor appellante: - rechtsplegingsvergoeding hoger beroep EUR 273,67 - uitgavenvergoeding EUR 57,02 - voor geïntimeerde: - rechtsplegingsvergoeding hoger beroep EUR 273,67 Aldus gewezen en uitgesproken op de openbare terechtzitting van de derde kamer van het Arbeidshof te Brussel op achtentwintig januari tweeduizend en vijf. Waren aanwezig: M. VERMAELEN: Raadsheer. F. VANDEWIJNGAERDEN: Raadsheer in Sociale Zaken als werkgever, aangeduid bij bevelschrift van heden, ter vervanging van de heer P. GROENINCKX, Raadsheer in Sociale Zaken als werkgever, die de debatten heeft bijgewoond en heeft deelgenomen aan het beraad van onderhavig arrest, maar wettig verhinderd is om de uitspraak ervan bij te wonen (art. 779 van het Gerechtelijk Wetboek). M. WAMPERS: Raadsheer in Sociale Zaken als werknemer-bediende. L. COEN: Eerstaanwezend adjunct-grif-fier. PDF document ECLI:BE:CTBRL:2005:ARR.20050128.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div