← België

ECLI:BE:CTBRL:2005:ARR.20050203.20

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 03 februari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2005:ARR.20050203.20 Rolnummer: 33100 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-11-13 Raadplegingen: 107 - laatst gezien 2026-07-02 03:30 Fiche In het arrest van het Arbitragehof 17 september 2003, nr 112/2003, is te lezen dat het OCMW binnen de grenzen van zijn wettelijke opdracht, een hulp kan toekennen ter verhelping van de nog actuele gevolgen van een vroeger niet menswaardig bestaan, in de mate dat deze gevolgen de betrokkene niet toelaten alsdan een menswaardig leven te leiden. Het is een wezenlijk kenmerk van maatschappelijke dienstverlening dat zij enkel ogenblikkelijk en in de toekomst kan worden verstrekt en het is materieel onmogelijk om iemand in staat te stellen een menswaardig leven te leiden voor een periode die reeds voorbij is. Het enige wat de rechter bij betwisting kan doen is hulp toekennen met betrekking tot de nog bestaande gevolgen van een hulpbehoevend bestaan, in zoverre die nadelige gevolgen geïntimeerde niet toelaten thans een menswaardig leven te leiden. Vrije woorden: SOCIALE VOORZORG - OPENBARE CENTRA VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN - Maatschappelijke dienstverlening kan enkel ogenblikkelijk en in de toekomst worden verstrekt - Vroegere toestand van betrokkene slechts relevant indien de gevolgen van deze toestand nog voortduren op het ogenblik van de rechterlijke beslissing. Wettelijke bepalingen: Wet - 08-07-1976 - 57 - 01 ELI link Pub nr 1976070810 Annotaties Publicaties: SOCIAALRECHTELIJKE KRONIEKEN - - 2006(P.200) Tekst van de beslissing Rep.Nr_________ ARBEIDSHOF TE BRUSSEL &§9472;&§9472;&§9472;&§9472;&§9472;&§9472;&§9472;&§9472;&§9472; ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN ZEVENENTWINTIG MEI TWEEDUIZEND EN VIER. 7de KAMER Not. 580, 8° G.W. Maatschappelijke dienstverlening Op tegenspraak Heropening der debatten In de zaak : OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN VAN WEMMEL, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 1780 Wemmel, Prins Boudewijnlaan 12, appellant, verschijnend bij Mr. J. Oostvogels, advocaat te 1731 Zellik, Tegen : M. T. D., geïntimeerde, verschijnend bij Mr. Durnez loco Mr. Ch. Lekeu, advocaat te 1853 Strombeek-Bever; Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit : Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid : - het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, op tegenspraak gewezen door de Arbeidsrechtbank te Brussel op 14 maart 1996; - het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 18 april 1996; - de besluiten, aanvullende besluiten en synthesebesluiten in hoger beroep door partijen neergelegd; Gehoord partijen in hun middelen en beweringen ter openbare terechtzitting van 4 maart 2004, waarna de debatten gesloten werden. Het hoger beroep werd tijdig en op geldige wijze ingesteld, wat overigens niet betwist wordt, en is derhalve ontvankelijk. Voorgaanden Bij beslissing dd. 19 oktober 1995 van appellant en aan geïntimeerde betekend op 27 oktober 1995 wordt met ingang van 17 oktober 1995 financiële hulp gelijk aan het equivalent van het bestaansminimum voor samenwonenden geweigerd met als motivering dat aan de maatschappelijke dienstverlening een einde wordt gemaakt vanaf de datum van de uitvoering van het bevel om het grondgebied te verlaten, en ten laatste, vanaf de dag van het verstrijken van de termijn van het definitieve bevel om het grondgebied te verlaten (artikel 57, ,§ 2, lid 3 van de organieke wet van 8 juli 1976). Bij vonnis dd. 14 maart 1996 van de tiende kamer van de Arbeidsrechtbank te Brussel wordt de vordering van geïntimeerde ontvankelijk en gegrond verklaard, wordt de bestreden beslissing van appellant dd. 19 oktober 1995 en betekend op 27 oktober 1995, vernietigd, wordt voor recht gezegd dat geïntimeerde gerechtigd is op maatschappelijke dienstverlening voor een bedrag gelijk aan het bestaansminimum voor samenwonenden (categorie 4) met ingang van 17 oktober 1995 en wordt appellant veroordeeld tot betaling aan geïntimeerde van deze steun, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten vanaf 27 november 1995 (datum van het inleidend verzoekschrift). De eerste rechter was van oordeel dat, hoewel het beroep bij de Raad van State geen schorsende werking heeft ten aanzien van de uitvoering van het bevel om het grondgebied te verlaten, er dient gesteld dat het bevel nog geen definitief karakter heeft zolang er desbetreffend geen uitspraak werd gedaan door de Raad van State aangaande het beroep tot schorsing van voornoemd bevel en dat hieruit volgt dat indien men bepaalde mensen in het Rijk gedoogt, hen ook de nodige steun dient te worden verleend om hen in staat te stellen een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid overeenkomstig artikel 1 van de organieke wet dd. 8 juli

  1. Appellant tekent hoger beroep aan en verzoekt het Hof het beroep toelaatbaar en gegrond te verklaren, derhalve het vonnis waartegen beroep te niet te doen in al zijn beschikkingen en opnieuw wijzend, de oorspronkelijke vordering niet gegrond te verklaren en oorspronkelijke aanlegger van zijn vordering af te wijzen en hem tot de kosten van de beide instanties te veroordelen. Appellant stelt dat de door geïntimeerde voor de Raad van State ingestelde vordering tot nietigverklaring geen schorsende werking heeft en bijgevolg de uitvoerbaarheid van de genomen beslissing van het Commissariaat Generaal voor de vluchtelingen niet opheft, noch de tenuitvoerlegging van het bevel om het grondgebied te verlaten schorst. In ondergeschikte orde stelt appellant dat vanaf 2 augustus 1996 (?) betrokkene ingescheven is in Merchtem en appellant vanaf deze datum in ieder geval niet langer bevoegd is. Geïntimeerde verzoekt het Hof het huidig hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren en bijgevolg het vonnis van de tiende kamer van de Arbeidsrechtbank te Brussel dd. 14 maart 1996 te bevestigen en voor recht te zeggen dat geïntimeerde gerechtigd is op maatschappelijke dienstverlening voor een bedrag gelijk aan het bestaansminimum voor samenwonende (categorie 4) met ingang van 17 oktober 1995 tot en met 2 oktober 1996 meer de gerechtelijke intresten vanaf 27 november
  2. Geïntimeerde is van mening dat aan de term "definitief" de betekenis dient gehecht te worden dat alle beroepsmogelijkheden zijn uitgeput en dat zolang er geen definitieve uitspraak m.b.t. het beroep bij de Raad van State is, geïntimeerde dus verder aanspraak kan maken op maatschappelijke dienstverlening en dat hij dus recht had op maatschappelijke dienstverlening in de periode van 17 oktober 1995 tot en met 2 oktober
  3. X X X Uit de stukken neergelegd door geïntimeerde blijkt dat op 27 juni 1995 een verzoekschrift tot schorsing en vernietiging werd neergelegd bij de Raad van State op verzoek van B. D. Y. F. en M. T. D. en ondertekend door de vader M. T.. Ter openbare terechtzitting van 4 maart 2004 verklaren beide partijen niet te weten welk gevolg aan dit verzoek bij de Raad van State tegen de negatieve beslissing van het Commissariaat Generaal voor de vluchtelingen werd gegeven. Het auditoraat-generaal adviseert het Hof als volgt : " mijn ambt heeft na het sluiten van de debatten mededeling bekomen van het arrest dat door de Raad van State op 26 april 1996 werd uitgesproken in de zaak van de Heren M. T. D. en B. D. Y. F. tegen het Commissariaat voor Vluchtelingen en Staatlozen en voegt dit stuk toe aan het dossier van de rechtspleging. Het dringt zich op de debatten te heropenen teneinde het de partijen mogelijk te maken standpunt te nemen omtrent dit nieuwe gegeven. De vraag stelt zich eveneens of geïntimeerde thans, acht jaar na de betwiste periode, nog aanspraak kan maken op achterstallen inzake maatschappelijke dienstverlening (vgl. hieromtrent Ah. Brussel 21.3.2002, A.R. nr. 40.797 en Arbitragehof 17 september 2003 arrest nr. 112/2003). Partijen dienen m.i. desbetreffend nader standpunt te nemen. Om deze redenen adviseert mijn ambt uw Hof het beroep ontvankelijk te verklaren, doch vooraleer verder recht te doen, de debatten te heropenen om voormelde redenen". Het Hof is van oordeel dat gelet op het arrest van de Raad van State dd. 26 april 1996 met de verwerping van het verzoek tot schorsing, de heropening der debatten inderdaad dient te worden bevolen. OM DEZE REDENEN : De zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel; Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24; Recht doende op tegenspraak; Gehoord de heer André, Substituut-generaal, in de voorlezing en de neerlegging van het schriftelijk advies op de openbare terechtzitting van 18 maart 2004; Gelet op de repliekbesluiten van partijen neergelegd ter griffie van het Arbeidshof respectievelijk op 23 maart 2004 door appellant en op 9 april 2004 door geïntimeerde, waarna de zaak in beraad werd genomen op 22 april 2004; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk, beveelt de heropening der debatten om voormelde redenen ; Stelt de heropening der debatten op de openbare terechtzitting van de zevende kamer van dit Hof op 18 november 2004 te veertien uur dertig, te 1000 Brussel, Poelaertplein 3, zaal 0.
  4. Houdt de kosten aan. Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van de zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel op zevenentwintig mei tweeduizend en vier. Waar aanwezig waren : mevrouw B. VAN DE VELDE, Raadsheer de heer L. DERUA, Raadsheer in Sociale Zaken als werkgever de heer G. BONNEWIJN, Raadsheer in Sociale Zaken als werknemer arbeider mevrouw G. DE SAEDELEER, Griffier G. DE SAEDELEER B. VAN DE VELDE L. DERUA G. BONNEWIJN PDF document ECLI:BE:CTBRL:2005:ARR.20050203.20 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.