id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 04 februari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2005:ARR.20050204.27 Rolnummer: 39977 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2005-07-14 Raadplegingen: 86 - laatst gezien 2026-07-02 03:30 Fiche Overwegende dat Parfulux bij bes1uiten dd. 30 juni 1999 een tegeneis inleidde voor de eerste rechter strekkende tot terugbetaling door appellant van 20.562 BEF zijnde het bedrag van de boete tot betaling waarvoor zij veroordeeld werd door de Politierechtbank te Leuven met vonnis dd. 19 februari 1997 wegens de verkeersinbreuk begaan door appellant op 5 september 1995 te Landen nl. overdreven snelheid van 95 km/uur alwaar maximum 50 km/uur is toegelaten (bebouwde kom). Parfulux blijkt deze boete te hebben betaald (na invordering) eind juni 1997. Parfulux richtte via haar raadsman op 15 september 1997 een brief van de raadsman van appellant waarmee hij hem verzoekt het bedrag van de boete te betalen (stuk 6 appellant). Overeenkomstig artikel 67 van de Wegverkeerswet is de aansteller als burgerlijke aansprakelijke, overeenkomstig artikel 1384 B.W. voor de vergoeding van de schade veroorzaakt door de fout van de aangestelde, ook aansprakelijk voor de betaling van de geldboete aan de aangestelde opgelegd wegens een verkeersovertreding gepleegd in de uitoefening van zijn functie. Deze geldelijke maatregel is t.a.v. de werkgever van burgerlijke aard en heeft niet het karakter van een strafrechterlijke veroordeling (Arbitragehof nr. 70/2000/14.6.2000, BS 10.8.2000). De werkgever kan op grond van de wettelijke subrogatie krachtens artikel 1251, 3° B.W. terugbetaling vorderen vanwege de werknemer van de schuld tot betaling waarvan hij met of voor de werknemer gehouden was (AH gent afd. Brugge 18.4.1997/ Soc. Kron. 1998/ 75). Overwegende dat appellant aanvoert dat de tegeneis door Parfulux werd ingeleid op 30 juni 1999 en dat hij overeenkomstig artikel 15 A.O.W. verjaard is, want ingesteld meer dan één jaar na het beëindigen van de arbeidsovereenkomst, m.n. 28 september 1995. Overwegende dat de regresvordering van Parfulux gesteund is op de wettelijke subrogatie voorzien bij artikel 1251, 3° B.W. Krachtens deze subrogatie wordt Parfulux jegens appellant van rechtswege in de plaats gesteld in de rechten van de schuldeiser zijnde de Belgische overheid, meer bepaald het Ontvangkantoor der Domeinen en Penale boeten aan wie zij de boete heeft betaald waartoe zij met of voor de werknemer gehouden was overeenkomstig artikel 67 van de Verkeerswet. Overwegende dat deze subrogatoire vordering strekt tot betaling van een som geld gelijk aan de waarde van de boete verschuldigd door appellant op grond van een door appellant begaan misdrijf m.n. overdreven snelheid (95 km/u i.p.v. 50 km/u). Appellant kan zich hierbij ter zijner verdediging niet beroepen op zijn aansprakelijkheidsbeperking overeenkomstig artikel 18 A.O.W. De wettelijke beperking van zijn aansprakelijkheid overeenkomstig artikel 18 A.O.W. betreft enkel zijn burgerlijke aansprakelijkheid doch speelt niet t.a.v. zijn strafrechterlijke aansprakelijkheid (Cass. 27.1.1998, R. Cass. 1998, 339; Luik 28.5.l998, JLMB 99 , 268; AH Gen t 7. 5 . 199 0 , RW 90 - 91, 3 0 1 ; - AH Gen t afd. Brugge 7.2.2001, JTT 2001, 244; AH Gent afd.Brugge 18.4.1997, Soc. Kron. 98, 75). Voor de toepassing van de bijzondere korte verjaring voorzien door artikel 15 van deze wet, is vereist dat de vordering ontstaan is uit de arbeidsovereenkomst. Deze verjaring is niet van toepassing op vorderingen die niet (rechtstreeks of onrechtstreeks) uit de arbeidsovereenkomst zijn ontstaan. Overwegende dat de werkgever gehouden was tot betaling van de boete van appellant krachtens artikel 67 Wegverkeerswet juncto zijn quasi delictuele of buitencontractuele aansprakelijkheid overeenkomstig artikel 1384, 4e lid van het Burgerlijk Wetboek. Zijn subrogatoire vordering op grond van artikel 1251, 3° B.W. is geen contractuele vordering die ontstaan is uit de arbeidsovereenkomst tussen partijen (het begaan van verkeersovertredingen weze het tijdens de uitvoering van de arbeidsovereenkomst behoort immers niet tot de arbeidsovereenkomst) maar uit artikel 67 van de Verkeerswet. Deze subrogatoire vordering ontstond vanaf het ogenblik dat Parfulux door de politierechtbank tot betaling werd veroordeeld m.n. op 19 februari 1997 en kon dus onmogelijk vóór deze datum reeds beginnen te verjaren vermits zij nog niet was ontstaan (actiones non natae non prescribuntur). Sinds de wet van 10 juni 1998 tot wijziging van sommige bepalingen inzake verjaring verjaren de burgerlijke buitencontractuele rechtsvorderingen volgend uiteen misdrijf overeenkomstig artikel 26 van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering volgens de regels van het Burgerlijk Wetboek of van de bijzondere wetten die van toepassing zijn op de rechtsvordering tot vergoeding van de schade. Zij kunnen niet verjaren vóór de strafvordering. Voor alle buitencontractuele vorderingen tot vergoeding van de schade volgend uit een (quasi) delictuele fout die al dan niet een misdrijf is, bepaalt artikel 2262 bis, ,§1, tweede lid B.W. zoals gewijzigd bij wet van 10 juni 1998, een verjaringstermijn van 5 jaar vanaf de kennisname door de benadeelde van de schade. Deze bepaling is te beschouwen als de algemene bepaling die van toepassing is op vorderingen tot schadevergoeding uit een misdrijf (memorie van toelichting Parl. St. kamer 1996-97, nr. 1087/1 p.2 en 8-11). Overwegende dat de subrogatoire vordering van Parfulux overeenkomstig de bepaling van artikel 2262bis, ,§1, tweede B.W. verjaart 5 jaar na de veroordeling van Parfulux tot betaling door de politierechtbank (19 februari 1997). Dat Parfulux haar subrogatoire vordering inleidde met besluiten dd. 30 juni 1999 voor de eerste rechter; dat deze tegeneis overeenkomstig artikel 2262bis, ,§1 B.W. niet is verjaard. Overwegende dat appellant de verkeersovertreding beging beteugeld door artikel 11.1 van de Wegverkeerswet nl. overdreven snelheid (95 km/u i.p.v. 50 km/
- u)beging op 6 september 1995 zoals blijkt uit de pro justitia dd. 7 september 1995 (stuk 4 Parfulux) waarvoor Parfulux de geldboete en kosten betaalde. Daar appellant de strafrechterlijke verantwoordelijke is voor deze overtreding dient hij het bedrag van deze boete aan Parfulux terug te betalen te vermeerderen met gerechtelijke intresten vanaf de inleiding van de tegeneis of 30 juni 1999. Vrije woorden: ARBEIDSOVEREENKOMSTEN - ALGEMENE REGELINGEN - Verjaring - Eis tot terugbetaling van boeten betaald door de werkgever wegens verkeersinbreuk van de werknemer - Eis gesteund op wettelijke subrogatie krachtens art. 1251, 3° B.W. en niet op de arbeidsovereenkomst - Slechts verjaard na 5 jaar na veroordeling van de werkgever door de politierechtbank. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 15 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN VIER FEBRUARI TWEEDUIZEND EN VIJF. DERDE KAMER Bediendecontract Tegensprekelijk Definitief In de zaak: H. P., Appellant, geïntimeerde op incidenteel beroep, vertegenwoordigd door Mr. A. Van Droogenbroeck loco Mr. J. De Brabanter, advocaat te Asse; Tegen: N.V. PARFULUX, met zetel te 1090 BRUSSEL, Dieleghemsesteenweg nr; 102/104 en ingeschreven in het handelsregister te Brussel onder nummer 450.121; Geïntimeerde, appellante op incidenteel hoger beroep, vertegenwoordigd door Mr. F. Vandevoorde loco Mr. B. Weinberger, advocaat te Brussel; ó ó ó Na beraadslaging, velt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest: Gelet op: - de stukken der rechtspleging en ondermeer het eensluidend verklaard afschrift van het vonnis uitgesproken op tegenspraak door de 12e kamer van de Arbeidsrechtbank te Brussel op 17 december 1999 (AR nr. 2344/95), alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep ontvangen op de griffie van het Arbeidshof op 26 april 2000; - de besluiten, aanvullende besluiten en synthese besluiten van geïntimeerde, ontvangen ter griffie op respectievelijk 7 november 2000, 28 juli 2004 en 8 november 2004; - de besluiten en aanvullende besluiten van appellant, ontvangen ter griffie op respectievelijk 4 januari 2001 en 6 augustus 2004; Gehoord de partijen in hun middelen en verdediging ter openbare terechtzitting van 24 december 2004. Partijen legden hun bundel neer waarna de debatten gesloten werden en de zaak in beraad werd genomen. p p p I. DE FEITEN. Tussen partijen werd op 21 april 1995 een arbeidsovereenkomst afgesloten waarbij appellant als handelsvertegenwoordiger in dienst werd genomen van geïntimeerde met ingang van 21 april 1995. In artikel 7 van deze arbeidsovereenkomst werd bepaald dat tussen partijen een proefperiode werd afgesloten van 12 maanden en dat gedurende deze proefperiode partijen vrijblijvend een einde kunnen stellen aan de arbeidsovereenkomst mist opzegging van een termijn van 7 dagen. Volgens de arbeidsovereenkomst werd ten voordele van appellant een maandelijks brutoloon bedongen ten belope van 85.000 BEF (stuk 1,2 appellant). Op 5 september 1995 werd appellant geflitst te Landen door een radar van de politie toen hij in dienst was van geïntimeerde. Hij reed met een bedrijfswagen aan een snelheid van 95 km/u alwaar maximum 50 km/u is toegelaten. In haar hoedanigheid van burgerlijke aansprakelijke werd NV Parfulux wegens deze inbreuk veroordeeld op 19 februari 1997 door de Politierechtbank te Brussel tot het betalen van een geldboete van 20.562 BEF. Geïntimeerde stelde bij aangetekend schrijven van 28 september 1995 een einde aan de overeenkomst en betaalde een verbrekingsvergoeding aan appellant gelijk aan 7 maanden loon, hetzij een bedrag van 21.504 BEF (stuk 4 appellant). Met dagvaarding dd. 26 oktober 1995 vordert appellant voor de eerste rechter veroordeling van de NV Parfulux tot betaling van: - het lopende loon voor de maand september 1995: 9.242 BEF - vergoeding opzeggingsperiode: 21.564 BEF - maaltijdcheques: 2.668 BEF Samen: 33.474 BEF. De vordering strekte er eveneens toe Parfulux te veroordelen tot afgifte van alle sociale documenten en dit binnen de 48 uur na het vonnis, bij gebreke hiervan haar te veroordelen tot betaling van een dwangsom van 2.500 BEF per dag tot op de datum van de afgifte. Bij besluiten neergelegd ter griffie van de rechtbank op 15 januari 1998 gaat appellant over tot een belangrijke uitbreiding van zijn vordering en eist hij de betaling van een bedrag van 516.526 BEF (te vermeerderen met de verwijlintresten vanaf 28 september 1995, de gerechtelijke intresten en de gerechtskosten), bedrag als volgt samengesteld: - saldo opzeggingsvergoeding: 238.596 BEF - uitwinningsvergoeding als handelsreiziger: 260.100 BEF - maaltijdcheques: 2.668 BEF - lopend loon voor de maand september 1995: 9.242 BEF - ten onrechte ingehouden bedrag: 5.920 BEF Bij synthesebesluiten neergelegd ter griffie van de arbeidsrechtbank op 30 juni 1999 heeft Parfulux een tegenvordering ingesteld ten einde de betaling te bekomen van een bedrag van 20.562 BEF dat door haar zou zijn betaald voor een verkeersboete ingevolge een snelheidsovertreding begaan door appellant. II. HET VONNIS A QUO. Het vonnis a quo verklaart de door Parfulux ingestelde tegeneis ontoelaatbaar wegens ingetreden verjaring. Verklaart de ingestelde hoofdvordering van appellant zoals bij besluiten uitgebreid ontvankelijk maar slechts gedeeltelijk gegrond. Veroordeelt NV Parfulux tot het betalen aan appellant van het bedrag van 5920 BEF te vermeerderen met de wettelijke en gerechtelijke intresten. Verklaart de vordering voor het overige ongegrond. Veroordeelt iedere partij tot de door haar begrote kosten. De eerste rechter oordeelt dat het door partijen in de arbeidsovereenkomst bedongen proefbeding geldig is en dat Parfulux een einde kon stellen aan de overeenkomst met betaling van een verbrekingsvergoeding gelijk aan 7 dagen loon. De vordering van appellante t.t.v. maaltijdcheques acht de eerste rechter ongegrond bij gebreke aan bewijs en het achterstallig loon eveneens ongegrond bij gebrek aan door hem geleverde arbeidsprestaties. De vordering van appellant tot betaling van een door Parfulux op zijn loon ingehouden bedrag van 4913 BEF + BTW verklaart de eerste rechter gegrond daar Parfulux niet bewijst dat appellant goederen zou hebben meegenomen. III. VOORWERP VAN HET HOGER HOOFDBEROEP EN HET INCIDENTEEL HOGER BEROEP. A. HET HOOFDBEROEP Appellant verzoekt ons Hof het vonnis a quo te hervormen voor zover het zijn oorspronkelijke vordering als ongegrond afwees en opnieuw rechtdoende, - de oorspronkelijke vordering door appellant ingesteld ontvankelijk en gegrond te verklaren - dienvolgens geïntimeerde te veroordelen tot betaling van appellant van een bedrag van 253.758 BEF onder voorbehoud van wijziging, vermeerdering of vermindering in de loop van het geding, te vermeerderen met de verwijlintresten, de wettelijke en gerechtelijke intresten met veroordeling van geïntimeerde tot de kosten van beide aanleggen - het vonnis a quo te bevestigen voor wat de tegenvordering door geïntimeerde ingesteld betreft. B. Het incidenteel hoger beroep. Parfulux stelt bij beroepsbesluiten incidenteel hoger beroep in en verzoekt ons Hof het vonnis a quo te hervormen voor zover het zijn oorspronkelijke tegeneis ontoelaatbaar verklaarde wegens verjaring en voor zover het Parfulux veroordeelde tot betaling aan de heer H. van het bedrag van 5.920 BEF of 146,75 euro en opnieuw rechtdoende, - de oorspronkelijke hoofdeis van de heer H. volledig ongegrond te verklaren - de oorspronkelijke tegeneis van Parfulux ontvankelijk en gegrond te verklaren. Bijgevolg de heer H. te veroordelen tot het terugbetalen aan Parfulux van de geldboete van 508,83 euro te vermeerderen met de gerechtelijke intresten. In ondergeschikte orde vast te stellen dat er van rechtswege een schuldvergelijking heeft plaatst gevonden tussen partijen op grond van artikel 1290 BW. In uiterst ondergeschikte orde, in zoverre ons Arbeidshof de oorspronkelijke vordering van H. niettemin gegrond zou achten, quod non, in elk geval te zeggen voor recht dat de loop der intresten dient te worden opgeschort gedurende de volgende periodes: - 1 mei 1996, hetzij één maand na de mededeling van de eerste conclusie van Parfulux, tot 14 januari 1998, datum waarop appellant zijn conclusie heeft meegedeeld - 14 februari 1998, één maand na de mededeling van de conclusie van appellant, tot 26 april 1999, datum neerlegging door appellant van het verzoekschrift 747 ,§2 GW - 15 januari 2001, één maand na de mededeling van de beroepsconclusie door appellant, tot 21 april 2004, datum neerlegging door appellant van het verzoekschrift747 ,§2 G.W. of minstens gedurende 6 jaar en twee maanden. De heer H. te veroordelen tot alle kosten van het geding. IV. MIDDELEN VAN DE PARTIJEN. A. De heer H. maakt aanspraak op een opzeggingsvergoeding gelijk aan 3 maanden loon hetzij 86.700 BEF x 3 = 260.000 onder aftrek van 21.504 BEF (betaald) of 238.596 BEF. hij stelt dat het proefbeding voor een termijn van 12 maanden overeenkomstig artikel 67 AOW nietig is daar zijn basisloon onder de jaarloongrens van 1.067.000 BEF bruto ligt. Hij stelt tevens dat de opzegging dd. 28 september 1995 nietig is omdat deze opzegging werd opgesteld in de Franse taal en gericht aan appellant die in het Nederlandstalig landsgedeelte woonachtig is. Appellant stelt dat overeenkomstig artikel 52 ,§1 van de gecoördineerde wetten op het gebruik der talen in bestuurszaken dd. 18 juli 1966 (nationale wet) voor alle akten en bescheiden die voorgeschreven zijn bij de wetten en reglementen en die bestemd zijn voor hun personeel, de private nijverheidshandels financiebedrijven, de taal van het gebied waar hun exploitatiezetel of onderscheidelijke exploitatiezetels gevestigd zijn, dienen te gebruiken. Dat indien, zoals in casu, deze exploitatiezetel gevestigd is in Busselhoofdstad, deze bedrijven voormelde bescheiden in het Nederlands moeten overmaken wanneer zij bestemd zijn voor het Nederlandssprekend personeel en in het Frans wanneer zij bestemd zijn voor het Franssprekend personeel. Dat overeenkomstig hoofdstuk I en hoofdstuk II de toepassing van de wet op het gebruik van de talen in bestuurszaken dd. 18 juli 1966 vereist dat voormelde bescheiden worden overgemaakt in de Nederlandse taal voor de personeelsleden die woonachtig zijn in het Nederlandstalig taalgebied. Dat appellant woonachtig is in het Nederlandstalig taalgebied zodat bescheiden, bedoeld bij voormelde wet door Parfulux dienden te worden opgesteld in de Nederlandse taal, zoals ten andere de arbeidsovereenkomst die tussen partijen werd opgesteld. Appellant stelt dat de opzegging nietig en onbestaande is zodat hij bij gebreke aan geldige opzegging aanspraak heeft op een vergoeding wegens onregelmatige opzegging van een contract voor onbepaalde duur of 3 maanden loon. Appellant maakt ook aanspraak op lopend loon voor de maand september 1995 hetzij 9.242 BEF. B. De NV Parfulux stelt dat de eerste rechter haar ten onrechte veroordeelde tot betaling aan de heer H. van het bedrag van 5.920 BEF dat zij ten onrechte zou hebben ingehouden op het loon wegens niet teruggeven van het werkmateriaal. Zij stelt dat zij slechts 3.750 BEF inhield en niet 5.920 BEF en verwijst verder naar appellants fax dd. 2 oktober 1995 waarin hij uitdrukkelijk erkent dat hij het telefaxapparaat, de peignoirs Façonnable en Ted Lapidus en de weekendtas niet heeft teruggegeven. Parfulux meent dat appellant alleszins geen recht heeft op gerechtelijke intresten op eventueel hem toegekende bedragen voor zover het uitblijven van een gerechtelijke beslissing aan zijn eigen nalatigheid te wijten is (Cass. 27.6.1994, JTT 94, 473; AH Gent 8.2.2000, JTT 2002, 399). De loop der intresten moet volgens Parfulux worden opgeschort tussen volgende periodes: - 1 mei 1996, hetzij één maand na de mededeling van de eerste conclusie van Parfulux, tot 14 januari 1998, datum waarop appellant zijn conclusie heeft meegedeeld - 14 februari 1998, één maand na de mededeling van de conclusie van appellant, tot 26 april 1999, datum neerlegging door appellant van het verzoekschrift 747 ,§2 GW - 15 januari 2001, één maand na de mededeling van de beroepsconclusie door appellant, tot 21 april 2004, datum neerlegging door appellant van het verzoekschrift747 ,§2 G.W. samen 2254 dagen of 6 jaar en 2 maanden. Wat haar oorspronkelijke tegeneis betreft t.b.v. 508,83 euro of 20.562 BEF verkeersboete overeenkomstig artikel 69 van de wegverkeerswet, waarvoor zij een regresvordering overeenkomstig art. 1251 3° BW uitoefent jegens haar werknemer. Parfulux stelt dat deze vordering niet is gestoeld op de arbeidsovereenkomst maar op de strafrechtelijke d.i. buitencontractuele aansprakelijkheid van appellant. Het nieuw artikel 26 van de voorafgaande titel van het Wetboek voor Strafvordering voorziet dat de burgerlijke rechtsvordering volgend uit een misdrijf verjaart volgens de regels van het Burgerlijk Wetboek of van de bijzondere wetten die van toepassing zijn op de rechtsvordering tot vergoeding van schade. Het nieuw artikel 2262bis ,§1 lid 2 BW voorziet dat alle rechtsvorderingen tot vergoeding van schade op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid verjaren door verloop van 5 jaar vanaf de dag volgend op deze waarop de benadeelde kennis heeft gekregen van de schade of van de verzwaring ervan en van de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon. Parfulux stelt dat haar regresvordering ingeleid op 30 juni 1999, gesteund op de buitencontractuele aansprakelijkheid van de heer H. die in gebreke werd gesteld bij brief dd. 15 september 1997, niet is verjaard. In subsidiaire orde beroept Parfulux zich op de wettelijke schuldvergelijking overeenkomstig artikel 1290 BW. ó ó ó V. BEOORDELING VAN HET HOF. Overwegende dat het hoger hoofdberoep en het incidenteel hoger beroep naar vorm en tijd ontvankelijk voorkomen, wat niet betwist wordt. Gezien de door partijen neergelegde stukken. 1. Over het beding van proeftijd. Voor het vaststellen van de loongrens voor de beoordeling van de geldigheid van het beding van proeftijd zoals bedoeld in artikel 67 AOW (1.067.000 in 1995) moet rekening gehouden worden met het loonbedrag dat op het ogenblik van de indiensttreding met zekerheid gekend is (Cass. 19.11.1984, Soc. Kron. 85, 78). Met de voordelen verworven krachtens de arbeidsovereenkomst zoals het dubbel vakantiegeld voor bedienden moet rekening gehouden worden (Cass. 19.3.1975, JTT 1976, 239, Cass. 17.2.1992, JTT 92, 221; Cass. 5.4.1993, RW 93-94, 465). Overwegende dat partijen een bruto maandloon bedongen van 85.000 BEF bij indiensttreding x 12 = 1.020.000 BEF alsook maaltijdcheques waarvoor de werkgever tussenkomsten betaalt van 180 BEF x 231 dagen = 41.580 BEF en waaraan alleszins dient toegevoegd het wettelijk dubbel vakantiegeld 85.000 BEF x 0,8975 = 76.287 BEF maakt een totaal van 1.137.867 BEF. Overwegende dat het door partijen bedongen jaarloon de grens bepaald in artikel 67 AOW voor het jaar 1995 (1.067.000 BEF) overschrijdt, zodat het proefbeding van 12 maanden geldig is. 2. De exceptie van nietigheid van het ontslag. Aangezien Parfulux ten tijde van het ontslag van appellant zijn exploitatiezetel heeft in 1090 Brussel Hoofdstad is het KB van 18 juli 1966 houdende coördinatie van de wetten op het gebruik der talen in bestuurszaken van toepassing. Overeenkomstig artikel 52 ,§1 eerste lid, tweede lid en ,§2 van deze wet op de Talen in Bestuurszaken dient Parfulux voor de akten en bescheiden, voorgeschreven bij de wetten en reglementen en voor de akten en bescheiden bestemd voor het personeel het Nederlands te gebruiken voor het Nederlands sprekend personeel en het Frans voor het Frans sprekend personeel. Appellant stelt ten onrechte dat deze wet voorziet dat het personeel, dat in het Nederlandstalig taalgebied woonachtig is Nederlands sprekend personeel is. Deze wet schrijft niets dergelijks voor. Appellant voegt aan de wet toe wat niet geschreven is. Overwegende dat de door Parfulux neergelegde stukken 7,8 en 9 in het bijzonder uit de eigenhandig in het Frans geschreven brief van de heer H. (stuk 7) blijkt dat deze zich in de betrekkingen met zijn werkgever in de Franse taal uitdrukt, zodat hij volgens het Hof als Frans sprekend personeel dient te worden beschouwd. Overwegende dat het besproken document (stuk 4 appellant) geen opzegging is die moet voldoen aan de vormvoorwaarden zoals voorgeschreven door artikel 37 AOW, dit op straffe van nietigheid van de opzegging, zoals appellant ten onrechte stelt. De brief van de werkgever dd. 28 september 1995 is een eenzijdige beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever met onmiddellijk ingang en vrijstelling van prestaties en betaling van een verbrekingsvergoeding. Deze brief is een ontslag houdende een onregelmatige beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever. Overwegende dat een ontslag een eenzijdige rechtshandeling is die aan geen vormvoorwaarden onderworpen is (Cass. 11.5.1981, RW 81-82, 2837; Cass. 6.1.1997, JTT 97, 119). Het ontslag kon evengoed mondeling gegeven zijn. De nietigheid van een opzegging tast overigens de geldigheid van het ontslag niet aan (Cass. 14.12.1992; JTT 93, 226; Cass. 6.1.1997, JTT 97, 119). Overwegende dat de brief dd. 28 september 1995 van Parfulux volgens het Hof tegenstelbaar is aan appellant en dat geen tijdrovende vertaling overeenkomstig artikel 59 van de wet op het Taalgebruik in bestuurszaken noodzakelijk is daar bewezen is dat appellant Franssprekend personeel is. 3. De verbrekingsvergoeding en het achterstallig loon. Overwegende dat appellant na het ontslag dd. 28 september 1995 niet meer heeft gewerkt. Dat hij overeenkomstig de artikelen 39 AOW en 81 AOW recht had op een opzegvergoeding gelijk aan het loon voor de door de werkgever in aanmerking te nemen opzegtermijn zijnde 7 dagen vermits het ontslag gegeven werd tijdens de proefperiode. Overwegende dat appellant het loon ontving voor 7 dagen, nl. 21.504 BEF, waarvan hij het bedrag niet betwist. Overwegende dat appellant geen recht heeft op loon voor de na het ontslag (28 september 1995) resterende dagen van de maand september (29 en 30 september 1995) waarop hij geen arbeid presteerde overeenkomstig de algemene regel: "Geen loon zonder arbeid" (Cass. 24.12.1979, RW 80-81, 410; Cass. 26.4.92, RW 93-94, 507). 4. De inhouding op het loon. Gezien de loonfiche (stuk 3 Parfulux) dd. 6 oktober 1995, waaruit een inhouding blijkt te zijn verricht door de werkgever ten belope van 3.750 BEF (en niet 5.920 BEF). Dat partijen briefwisseling voerden (stukken 7,8 en 9 Parfulux en 5 appellant) i.v.m. een aantal voorwerpen waarvan de werkgever beweert dat het werkmateriaal is dat appellant onrechtmatig onder zich houdt en waarvan appellant beweert dat hij het werkmateriaal heeft ingeleverd bij Parfulux of bij een klant en dat hij sommige cadeauartikelen met uitdrukkelijk akkoord van Parfulux mocht behouden. Het enige feit dat het Hof uit de neergelegde stukken met zekerheid kan vaststellen is dat Parfulux 3.750 BEF inhield op het loon van appellant voor beweerd achtergehouden materiaal waarvan zijzelf in een factuur stelt dat de waarde ongeveer 20.000 BEF zou bedragen (stuk 8 en 9 Parfulux)? - Telefaxapparaat : 17.900 BEF - Peignoir Façonnable: 1250 BEF - Peignoir Ted Lapidus: 460 BEF Weekendzak Façonnable : ? Overwegende dat Parfulux niet bewijst dat appellant werkmateriaal noch welk werkmateriaal zonder titel zou hebben achtergehouden ten belope van 3.750 BEF. De door Parfulux neergelegde stukken stemmen helemaal niet overeen met de ingehouden som van 3.750 BEF. Dat zij gehouden is dit bedrag (netto) - dat zij ten onrechte afhield van zijn loon aan appellant terug te betalen, meer wettelijke en gerechtelijke intresten. Parfulux merkt terecht op dat appellant naliet de voortzetting van de gerechtelijke procedure te benaarstigen over de periode van 1 mei 1996 tot 14 januari 1998 daar hij naliet zijn besluiten neer te en over te leggen binnen de maand na de neerlegging van besluiten door Parfulux voor de eerste rechter daar hij dit pas deed op 14 januari 1998. Overwegende dat Parfulux echter ten onrechte aan appellant verwijt dat hij een verzoekschrift overeenkomstig artikel 747 ,§2 GW en artikel 750 ,§2 GW pas indiende op 26 april 1999 op 21 april 2004. Appellante diende deze verzoekschriften immers aan de Voorzitter van de arbeidsrechtbank en het Hof te richten omdat Parfulux in gebreke bleef tijdig besluiten en aanvullende besluiten neer te leggen. De vertraging van de gerechtelijke procedure is over de periode van 14 februari 1998 tot 26 april 1999 en van 15 januari 2001 tot 21 april 2004 te wijten aan de nalatigheid van Parfulux. De toekenning van de gerechtelijke intresten aan appellant op de hoofdsom van 3.750 BEF dient derhalve te worden geschorst over de periode van 1 mei 1996 tot 14 januari 1998 waarover appellant de gerechtelijke procedure heeft vertraagd door het nalaten van antwoordbesluiten neer te leggen voor de eerste rechter. 5. De tegeneis. Overwegende dat Parfulux bij besluiten dd. 30 juni 1999 een tegeneis inleidde voor de eerste rechter strekkende tot terugbetaling door appellant van 20.562 BEF zijnde het bedrag van de boete tot betaling waarvoor zij veroordeeld werd door de Politierechtbank te Leuven met vonnis dd. 19 februari 1997 wegens de verkeersinbreuk begaan door appellant op 5 september 1995 te Landen nl. overdreven snelheid van 95 km/uur alwaar maximum 50 km/uur is toegelaten (bebouwde kom). Parfulux blijkt deze boete te hebben betaald (na invordering) eind juni 1997. Parfulux richtte via haar raadsman op 15 september 1997 een brief van de raadsman van appellant waarmee hij hem verzoekt het bedrag van de boete te betalen (stuk 6 appellant). Overeenkomstig artikel 67 van de Wegverkeerswet is de aansteller als burgerlijke aansprakelijke, overeenkomstig artikel 1384 BW voor de vergoeding van de schade veroorzaakt door de fout van de aangestelde, ook aansprakelijk voor de betaling van de geldboete aan de aangestelde opgelegd wegens een verkeersovertreding gepleegd in de uitoefening van zijn functie. Deze geldelijke maatregel is t.a.v. de werkgever van burgerlijke aard en heeft niet het karakter van een strafrechterlijke veroordeling (Arbitragehof nr. 70/2000, 14.6.2000, BS 10.8.2000). De werkgever kan op grond van de wettelijke subrogatie krachtens artikel 1251, 3° BW terugbetaling vorderen vanwege de werknemer van de schuld tot betaling waarvan hij met of voor de werknemer gehouden was (AH gent afd. Brugge 18.4.1997, Soc. Kron. 1998, 75). Overwegende dat appellant aanvoert dat de tegeneis door Parfulux werd ingeleid op 30 juni 1999 en dat hij overeenkomstig artikel 15 AOW verjaard is, want ingesteld meer dan één jaar na het beëindigen van de arbeidsovereenkomst, m.n. 28 september 1995. Overwegende dat de regresvordering van Parfulux gesteund is op de wettelijke subrogatie voorzien bij artikel 1251, 3° BW. Krachtens deze subrogatie wordt Parfulux jegens appellant van rechtswege in de plaats gesteld in de rechten van de schuldeiser zijnde de Belgische overheid meer bepaald het Ontvangkantoor der Domeinen en Penale boeten aan wie zij de boete heeft betaald waartoe zij met of voor de werknemer gehouden was overeenkomstig artikel 67 van de Verkeerswet. Overwegende dat deze subrogatoire vordering strekt tot betaling van een som geld gelijk aan de waarde van de boete verschuldigd door appellant op grond van een door appellant begaan misdrijf m.n. overdreven snelheid (95 km/u i.p.v. 50 km/u). Appellant kan zich hierbij ter zijner verdediging niet beroepen op zijn aansprakelijkheidsbeperking overeenkomstig artikel 18 AOW. De wettelijke beperking van zijn aansprakelijkheid overeenkomstig artikel 18 AOW betreft enkel zijn burgerlijke aansprakelijkheid doch speelt niet t.a.v. zijn strafrechterlijke aansprakelijkheid (Cass. 27.1.1998, R. Cass. 1998, 339; Luik 28.5.1998, JLMB 99, 268; AH Gent 7.5.1990, RW 90-91, 301; AH Gent afd. Brugge 7.2.2001, JTT 2001, 244; AH Gent afd. Brugge 18.4.1997, Soc. Kron. 98, 75). Voor de toepassing van de bijzondere korte verjaring voorzien door artikel 15 van deze wet, is vereist dat de vordering ontstaan is uit de arbeidsovereenkomst. Deze verjaring is niet van toepassing op vorderingen die niet (rechtstreeks of onrechtstreeks) uit de arbeidsovereenkomst zijn ontstaan. Overwegende dat de werkgever gehouden was tot betaling van de boete van appellant krachtens artikel 67 Wegverkeerswet juncto zijn quasi delictuele of buitencontractuele aansprakelijkheid overeenkomstig artikel 1384 4e lid van het Burgerlijk Wetboek. Zijn subrogatoire vordering op grond van artikel 1251 3° BW is geen contractuele vordering die ontstaan is uit de arbeidsovereenkomst tussen partijen (het begaan van verkeersovertredingen weze het tijdens de uitvoering van de arbeidsovereenkomst behoort immers niet tot de arbeidsovereenkomst) maar uit artikel 67 van de Verkeerswet. Deze subrogatoire vordering ontstond vanaf het ogenblik dat Parfulux door de politierechtbank tot betaling werd veroordeeld m.n. op 19 februari 1997 en kon dus onmogelijk vóór deze datum reeds beginnen te verjaren vermits zij nog niet was ontstaan (actiones non natae non prescribuntur). Sinds de wet van 10 juni 1998 tot wijziging van sommige bepalingen inzake verjaring verjaren de burgerlijke buitencontractuele rechtsvorderingen volgend uit een misdrijf overeenkomstig artikel 26 van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering volgens de regels van het Burgerlijk Wetboek of van de bijzondere wetten die van toepassing zijn op de rechtsvordering tot vergoeding van de schade. Zij kunnen niet verjaren vóór de strafvordering. Voor alle buitencontractuele vorderingen tot vergoeding van de schade volgend uit een (quasi) delictuele fout die al dan niet een misdrijf is, bepaalt artikel 2262 bis ,§1 tweede lid BW zoals gewijzigd bij wet van 10 juni 1998, een verjaringstermijn van 5 jaar vanaf de kennisname door de benadeelde van de schade. Deze bepaling is te beschouwen als de algemene bepaling die van toepassing is op vorderingen tot schadevergoeding uit een misdrijf (memorie van toelichting Parl. St. kamer 1996-97, nr. 1087/1 p.2 en 8-11). Overwegende dat de subrogatoire vordering van Parfulux overeenkomstig de bepaling van artikel 2262 bis ,§1 tweede BW verjaart 5 jaar na de veroordeling van Parfulux tot betaling door de politierechtbank (19 februari 1997). Dat Parfulux haar subrogatoire vordering inleidde met besluiten dd. 30 juni 1999 voor de eerste rechter; dat deze tegeneis overeenkomstig artikel 2262 bis ,§1 BW niet is verjaard. Overwegende dat appellant de verkeersovertreding beging beteugeld door artikel 11.1 van de Wegverkeerswet nl. overdreven snelheid (95 km/u i.p.v. 50 km/
- u)beging op 6 september 1995 zoals blijkt uit de pro justitia dd. 7 september 1995 (stuk 4 Parfulux) waarvoor Parfulux de geldboete en kosten betaalde. daar appellant de strafrechterlijke verantwoordelijke is voor deze overtreding dient hij het bedrag van deze boete aan Parfulux terug te betalen te vermeerderen met gerechtelijke intresten vanaf de inleiding van de tegeneis of 30 juni 1999. ó ó ó OM DEZE REDENEN, Het Arbeidshof, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24, Rechtsprekend op tegenspraak, Alle andere middelen en conclusies verwerpende, Verklaart het hoger hoofdberoep en het incidenteel hoger beroep ontvankelijk. Verklaart het hoger hoofdberoep ongegrond. Verklaart het incidenteel hoger beroep gegrond. Hervormt het vonnis a quo en opnieuw rechtdoende, Verklaart de oorspronkelijke vordering van de heer Patrick H. gedeeltelijk gegrond in hierna vermelde mate. Veroordeelt NV Parfulux tot betaling aan de heer Patrick H. de som van EUR 92,96 (tweeënnegentig euro en zesennegentig cent 3.750 BEF) netto vermeerderd met de wettelijke intresten vanaf 28 september tot 25 oktober 1995 en gerechtelijke intresten vanaf 26 oktober 1995 tot 30 april 1996 en vanaf 15 januari 1998 tot datum van algehele betaling. Wijst zijn oorspronkelijke eis af voor het meergevorderde. Verklaart de oorspronkelijke tegeneis van NV Parfulux ontvankelijk en gegrond in hierna vermelde mate. Veroordeelt de heer H. tot betaling aan NV Parfulux van de som van EUR 509,72 (vijfhonderd en negen euro en tweeënzeventig cent 20.562 BEF) vermeerderd met gerechtelijke intresten vanaf 30 juni 1999 tot datum van algehele betaling. Veroordeelt partijen ieder tot de helft van de kosten van het geding voor de eerste rechter en veroordeelt appellant tot de kosten van het hoger beroep, tot op heden als volgt begroot: - voor appellant: - dagvaarding EUR 56,25 - rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg EUR 182,95 - rechtsplegingsvergoeding hoger beroep EUR 18,84 - voor geïntimeerde: - rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg EUR 187,41 - rechtsplegingsvergoeding hoger beroep EUR 279,60 Aldus gewezen en uitgesproken op de openbare terechtzitting van de derde kamer van het Arbeidshof te Brussel op vier februari tweeduizend en vijf. Waren aanwezig: M. VERMAELEN: Raadsheer. P. KESSELS: Raadsheer in Sociale Zaken als werkgever. M. WAMPERS: Raadsheer in Sociale Zaken als werknemer-bediende. L. COEN: Eerstaanwezend adjunct-griffier. L. COEN. M. VERMAELEN. M. WAMPERS. P. KESSELS. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div