← België

ECLI:BE:CTBRL:2005:ARR.20050225.6

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 25 februari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2005:ARR.20050225.6 Rolnummer: 43061 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2005-07-14 Raadplegingen: 106 - laatst gezien 2026-07-02 03:31 Fiche Het Hof meent dat in de geschetste concrete omstandigheden van deze zaak dient te worden vastgesteld dat mevrouw H. de relatieve nietigheid van de opzegging door haar houding heeft gedekt door m.n. na de ontvangst van de opzeggingsbrief, de ontvangst van deze brief schriftelijk zonder enige opmerking te bevestigen alsook door de door de werkgever voorgestelde datum van beëindiging van de arbeidsovereenkomst schriftelijk te bevestigen en door zonder enige opmerking te blijven verder werken tot de aangekondigde beëindigingsdatum en door zich vanaf deze datum niet meer op het werk aan te bieden en ook niet meer van zich te laten horen. Mevrouw H. dekte de relatieve nietigheid van de opzegging door verder te blijven werken zonder enig voorbehoud tijdens de vooropgestelde opzegtermijn en door de arbeidsovereenkomst als beëindigd te beschouwen op het door de werkgever aangegeven tijdstip. Het feit dat zij gedurende deze periode geen halve dagen verlof nam of vroeg is met deze houding niet strijdig; Sollicitatieverlof overeenkomstig artikel 41 van de A.O.-wet is een recht voor de werknemer doch geen verplichting. Vrije woorden: ARBEIDSOVEREENKOMSTEN - ALGEMENE REGELINGEN - Opzegbrief - Niet-vermelding van begindatum en duur van de opzegtermijn - Relatieve nietigheid die gedekt kan worden door de houding van de partij die ontslag krijgt. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 37 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN VIJFENTWINTIG FEBRUARI TWEEDUIZEND EN VIJF. DERDE KAMER Bediendecontract Tegensprekelijk Definitief In de zaak: V. D. S. G., Appellante, verweerster op incidenteel hoger beroep, vertegenwoordigd door Mr. R. Moszynski, advocaat te 1060 Brussel; Tegen:

  1. H. C., eerste geïntimeerde, eiseres op incidenteel hoger beroep,vertegenwoordigd door Mr. V. Verbesselt loco Mr. A. Vermoortele, advocaat te 1540 Herne;
  2. L. F., tweede geïntimeerde, eiseres op incidenteel hoger beroep, vertegenwoordigd door Mr. S. Hognoul, advocaat te 3300 Tienen; ó ó ó Na beraadslaging, velt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest: Gelet op: - de stukken der rechtspleging en ondermeer het eensluidend verklaard afschrift van het vonnis uitgesproken op tegenspraak door de twaalfde kamer van de Arbeidsrechtbank te Brussel op 7 februari 2002 (AR nr 14.427/96), alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep ontvangen op de griffie van het Arbeidshof op 4 juni 2002; - de besluiten van eerste geïntimeerde, ontvangen ter griffie op 2 oktober 2003; - de besluiten van tweede geïntimeerde, ontvangen ter griffie op 31 december 2002; - de besluiten van appellante, ontvangen ter griffie op 28 mei 2004; - gelet op de beschikking van het Arbeidshof te Brussel bij toepassing van artikel 747 ,§ 2 van het Gerechtelijke Wetboek op 2 juni 2004; Gehoord de partijen in hun middelen en verdediging ter openbare terechtzitting van 28 januari
  3. Partijen legden hun bundel neer waarna de debatten gesloten werden en de zaak in beraad werd genomen. p p p I. De feiten Mevrouw H. werd door mevrouw G. V. D. S. aangeworven bij arbeidsovereenkomst dd. 27 juni 1994, in de hoedanigheid van verpleegster (cfr. Stuk nr 1 van eerste geïntimeerde) in het rusthuis Beau Soleil dat zij uitbaatte. Per aangetekende brief van 28 december 1994 heeft appellante aan eerste geïntimeerde opzeg betekend als volgt: (Vrij vertaald uit het Frans) "AANGETEKEND Onderwerp : Bericht van opzegging Mevrouw, De Directie van de "Beau Soleil" beslist de reorganisatie te moeten aankondigen. Om deze reden, zijn we verplicht een einde te stellen aan Uw overeenkomst die op 31 maart 1995 zal beëindigd zijn. Met de meeste hoogachting". (stuk 2 eerste geïntimeerde). Op 6 februari 1995 schrijft mevrouw H. aan appellante : (vertaald door het Hof) "Mevrouw, In antwoord op Uw brief van 28 december 1994 neem ik dus nota van uw intentie mij te ontslaan met ingang van 31 maart
  4. Met beleefde groeten". Eerste geïntimeerde is verder arbeid blijven verrichten voor appellante tot 31 maart
  5. Op 13 april 1995 levert appellante een C 4 document af aan mevrouw H. alsook een tewerkstellingsattest en vakantieattesten (partijen leggen een copie neer van het origineel document C 4 dat werd geperforeerd op de plaats waarop de datum was geschreven. Van de volledige datum is nog te lezen 3 april 1995 doch meer dan waarschijnlijk is dit document opgesteld en afgegeven aan de werknemer samen met het tewerkstellingsattest en de vakantieattesten op 13 april 1995 zoals mevrouw V. D. S. stelt. Op 21 april 1995 maant mevrouw H. via haar vakorganisatie appellante aan tot betaling van een verbrekingsvergoeding gelijk aan drie maand loon daar de brief dd. 28 december 1994 van appellante geen geldige opzegging was. Op 16 mei 1995 wordt de onderneming overgedragen aan tweede geïntimeerde. Op 26 maart 1996 dagvaardt mevrouw H. appellante en tweede geïntimeerde voor de eerste rechter en vordert verweersters solidair de ene bij gebreke aan de andere te veroordelen tot de betaling van een verbrekingsvergoeding gelijk aan drie maanden loon of 177.098 frank bruto vermeerderd met de wettelijke en gerechtelijke intresten op het nettobedrag en tot de kosten van het geding met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding. Appellante stelde voor de eerste rechter een vordering in vrijwaring jegens F. L. teneinde haar te horen veroordelen tot vrijwaring van appellante ten belope van alle hoofdsommen, intresten en gerechtskosten waartoe zij zou veroordeeld worden. II. Het vonnis a quo Verklaart de vordering van mevrouw H. ontvankelijk en gegrond voor zover gericht tegen mevrouw V. D. S.; Veroordeelt deze laatste tot het betalen van een bedrag 4.390,14 EURO (177.098 frank) ten titel van verbrekingsvergoeding, vermeerderd met de wettelijke en gerechtelijke intresten op het nettobedrag; Wijst eiseres voor het overige af. Verklaart de eis in vrijwaring zonder voorwerp; Veroordeelt appellante tot de kosten van het geding. III. De beroepsgrieven
  6. Het hoofdberoep, ingesteld door mevrouw V. D. S.. Zij verzoekt ons Hof: In Hoofdorde Het bestreden vonnis te hervormen en doende wat de Eerste Rechter had moeten doen: De oorspronkelijke vordering van mevrouw H. voor zover zij gericht is tegen appellante, in haar geheel als niet ontvankelijk en ongegrond af te wijzen. Eerste geïntimeerde te veroordelen tot de volledige kosten van beide gedingen, erin begrepen de respectievelijke rechtsplegingsvergoedingen. In ondergeschikte orde de veroordeling van appellante of de ene bij gebreke aan de andere te beperken tot het bedrag van 4.060,41 EURO ten titel van verbrekingsvergoeding, met dien verstande dat de intresten slechts berekend worden op het nettobedrag na aftrek van de fiscale en sociaal rechterlijke bijdragen. Appellante meent dat zij een geldige opzegging heeft betekend aan mevrouw H. daar het begin van de opzegtermijn impliciet maar met volledige zekerheid kan worden afgeleid uit het vermelde einde van de opzegtermijn. Minstens heeft mevrouw H. de eventuele nietigheid ervan gedekt door haar houding. Alleszins leverde zij arbeidsprestaties ná het ontslag zodat de oorzaak van de verdere uitvoering van de arbeidsprestaties enkel gevonden kan worden in het bestaan van een nieuw arbeidscontract. Mevrouw H. bewijst volgens appellante niet dat appellante deze nieuwe arbeidsovereenkomst zou beëindigd hebben op 31 maart 1995 zodat zij niet kan gehouden zijn tot betaling van een opzeggingsvergoeding.
  7. Het incidenteel hoger beroep ingesteld door C. H. Mevrouw H. verzoekt ons Hof: Het vonnis a quo te bevestigen in de mate dat haar oorspronkelijke vordering gegrond verklaard werd voor zover gericht tegen mevrouw V. D. S.. Het vonnis a quo te vernietigen in de mate dat haar oorspronkelijke vordering ongegrond verklaard werd voor zover gericht tegen mevrouw L.. Opnieuw rechtsprekende haar oorspronkelijke vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren jegens beiden en mevrouw V. D. S. en mevrouw L. te veroordelen in solidum, de ene bij gebreke aan de andere, tot betaling van een verbrekingsvergoeding gelijk aan drie maanden loon zijnde het bedrag van 4.390,14 EURO. Te vermeerderen met de wettelijke en gerechtelijke intresten alsook tot de kosten van beide aanleggen. Zij meent dat haar recht op verbrekingsvergoeding is ontstaan vóór de overdracht van onderneming zodat mevrouw L. overeenkomstig artikel 8 van de C.A.O. 32 bis in Solidum gehouden is tot betaling van deze schuld samen met de overdrager.
  8. Het subsidiair incidenteel hoger beroep ingesteld door mevrouw L. Voor zover ons Hof zou oordelen dat zij als overnemer tot enige vergoeding aan mevrouw H. gehouden is verzoekt zij ons Hof haar akte te verlenen dat zij een tussenvordering in vrijwaring instelt tegen appellante op hoofdberoep, V. D. S., zulks inzake alle veroordelingen welke in haren hoofde zouden worden uitgesproken, in hoofdsom, intresten en alle gerechtskosten opzichtens eerste geïntimeerde en appellante op hoofdberoep te veroordelen tot vrijwaring van mevrouw L. ten belope van alle hoofdsommen, intresten en gerechtskosten waartoe zij zou worden veroordeeld. IV. Beoordeling door het Hof Overwegende dat het hoger beroep en het incidenteel hoger beroep naar vorm en tijd ontvankelijk voorkomen. Gezien de door partijen neergelegde stukken in het bijzonder de brief van appellante dd. 28 december 1994 houdende "bericht van opzegging". De vermelding van het begin en de duur van de opzeggingstermijn in de opzeggingsbrief zijn door de wetgever voorgeschreven op straffe van nietigheid (artikel 37 ,§ 1, tweede, derde lid A.O.-wet). Overwegende dat de aangetekende brief van 28 december 1994 enkel een datum vermeldt waarop de arbeidsovereenkomst zal eindigen namelijk op 31 maart 1995 de opzegbrief vermeldt noch het begin van de opzegtermijn noch de duur ervan. Uit de omstandigheid dat de einddatum van de opzegtermijn is vermeld en dat artikel 82 ,§ 1 A.O.-wet de bepaling inhoudt van het tijdstip waar op een normale opzeggingsperiode begint te lopen, vermag de rechter niet afleiden dat het begin en derhalve ook de duur van de opzeggingsperiode was aangegeven (Cass. 14 december 1992, Soc. Kron. 1993, 225). Het Hof stelt vast dat de opzeggingsbrief niet voldoet aan de door artikel 37 voorziene opgave van begin en duur van de opzegtermijn. Het Hof stelt vast dat de opzeggingsbrief met een nietigheid is behept wegens het ontbreken van verplichte vermeldingen, zoals bedoeld in artikle 37 ,§ 1, 2° lid A.O.-wet. In tegenstelling tot wat mevrouw H. stelt is dergelijke nietigheid GEEN ABSOLUTE doch een RELATIEVE nietigheid. Uit de tekst van artikel 37 ,§ 1 vierde lid van de A.O.-wet alsook uit de voorbereidende werken van de wijziging ervan (Gedr. St. Kamer 1987-1988, nr. 1025/1, 14, 16) blijkt dat de wetgever een einde wilde maken aan het frequent gebruik van antidatering van de opzegbrief bij opzeg door de werkgever door afgifte van een geschrift en heeft hij aan de voorgeschreven WIJZEN van kennisgeving een ABSOlUTE nietigheidssanctie verbonden door de woorden "met dien verstande dat de werknemer die nietigheid niet kan dekken "artikel 37 ,§ 1, vierde lid. Deze bewoordingen zijn NIET terug te vinden in de tekst van artikel 37 ,§ 1, tweede lid AO.-wet die de nietigheidssanctie bevat omwille van de niet naleving van verplichte vermelding van begin en duur van de opzegtermijn. Het Hof meent en het wordt ook algemeen aanvaard dat de bij artikel 37 ,§ 1, tweede lid voorgeschreven nietigheid een RELATIEVE nietigheid is (A.H. Brussel 6 januari 1981, T.S.R.,1982 146; Cass. 3 december 1979, T.S.R. 1980, 148, A.H. Brussel 20 november 1978, Med. V.B.O. 1980, 346, AH. Antwerpen 1 maart 1983, Limb. Rechtsleer 1983, 23, A.H. Luik 14 februari 1996, J.T.T. 1997, 125). Dergelijke relatieve nietigheid kan na het ontslag door de werknemer gedekt worden o.a. door de houding van de werknemer (A.H. Brussel 20 november 1978, Med. V.B.O., 1980, 346, A.H. Antwerpen 1 maart 1983, Lun. Rechtsl. 1983, 23, A.H. Luik 6 mei 1993, J.T.T. 1994, 290, A.H. Brussel 5 mei 1989, T.S.R., 1990, 305). Het Hof merkt volledigheidshalve op dat mevrouw H. overeenkomstig artikel 82 ,§ 2 A.O.-wet gerechtigd was op een opzeggingstermijn gelijk aan drie maanden. De aangetekende opzeggingsbrief dd. 28 december 1994 stelt het einde van de arbeidsovereenkomst op 31 maart 1995 (zijnde na drie volle maanden). Overwegende dat bewezen is dat mevrouw H. na ontvangst van de opzegbrief verder is blijven werken tot 31 maart 1995 zonder enige opmerking te maken betreffende een gebeurlijke nietigheid van de opzegging. Dat zij op 6 februari 1995 een aangetekende brief schrijft aan appellante waarin zij stelt "in antwoord op uw brief van 28 december 1994 neem ik akte van uw intentie om mij te ontslaan" met ingang op 31 maart
  9. Dat zij ook in deze brief geen enkele opmerking maakt over een nietigheid van de opzegbrief. Zij bevestigt in deze brief zonder meer dat zij kennis heeft van appellantes beslissing tot ontslag met ingang op 31 maart
  10. Zij uit bij dit ontslag geen enkele opmerking onenigheid of commentaar. Zij blijft verder werken tot 31 maart 1995 en biedt zich vanaf 1 april 1995 niet meer op het werk aan en laat aan haar werkgever ook niets meer van zich horen. Zij ontvangt op 19 april 1995 (en niet op 31 maart 1995 zoals zij tegen de stukken in beweert) het document C 4, het tewerkstellings- en vakantieattest. Pas op 21 april 1995 contacteert zij appellante opnieuw (via haar vakorganisatie) en stelt dan voor het eerst dat de ontslagbrief geen opzegging bevat noch een begin noch een duur zodat hij nietig is en maakt aanspraak op betaling van een opzegvergoeding gelijk aan drie maand loon. Het Hof merkt hierbij meteen op dat de opzegbrief in zijn aanhef de woorden "Avis de préavis" Kennisgeving van opzegging "(vertaald door Hof) vermeldt en dus wel degelijk een opzegging bevat in tegenstelling met wat mevrouw H. beweert. Slechts de duur en het begin van de opzegtermijn zijn er niet in vermeld. Het Hof meent dat in de geschetste concrete omstandigheden van deze zaak dient te worden vastgesteld dat mevrouw H. de relatieve nietigheid van de opzegging door haar houding heeft gedekt door m.n. na de ontvangst van de opzeggingsbrief, de ontvangst van deze brief schriftelijk zonder enige opmerking te bevestigen alsook door de door de werkgever voorgestelde datum van beëindiging van de arbeidsovereenkomst schriftelijk te bevestigen en door zonder enige opmerking te blijven verder werken tot de aangekondigde beëindigingsdatum en door zich vanaf deze datum niet meer op het werk aan te bieden en ook niet meer van zich te laten horen. Mevrouw H. dekte de relatieve nietigheid van de opzegging door verder te blijven werken zonder enig voorbehoud tijdens de vooropgestelde opzegtermijn en door de arbeidsovereenkomst als beëindigd te beschouwen op het door de werkgever aangegeven tijdstip. Het feit dat zij gedurende deze periode geen halve dagen verlof nam of vroeg is met deze houding niet strijdig; Sollicitatieverlof overeenkomstig artikel 41 van de A.O.-wet is een recht voor de werknemer doch geen verplichting. Vermits mevrouw H. de relatieve nietigheid van de opzegging dd. 28 december 1994 heeft gedekt of m.a.w. vermits zij deze rechtshandeling impliciet als rechtsgeldig heeft aanvaard, kan zij zich achteraf niet op de nietigheid ervan beroepen teneinde een opzeggingsvergoeding te bekomen wegens een onregelmatig ontslag overeenkomstig artikel 39 A.O.-wet. Het hoger beroep is gegrond. Daar appellante niet gehouden is tot betaling van een aanvullende opzegvergoeding, is het incidenteel hoger beroep ingesteld door mevrouw H. ongegrond; het subsidiair incidenteel hoger beroep ingesteld door partij L. zonder voorwerp. OM DEZE REDENEN : De derde kamer van het Arbeidshof te Brussel; Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24; Recht doende op tegenspraak, Alle andere besluiten verwerpende; Verklaart het hoger hoofdberoep, het incidenteel en het subsidiair incidenteel hoger beroep ontvankelijk; Het hoger hoofdberoep van V. D. S. G. gegrond; Het incidenteel hoger beroep van H. C. ongegrond; Het subsidiair incidenteel hoger beroep van L. F. zonder voorwerp; Hervormt het vonnis a quo; Opnieuw recht doende; Verklaart de oorspronkelijke vordering van mevrouw H. C. jegens mevrouw V. D. S. G. en jegens L. F. ontvankelijk doch ongegrond; Wijst haar ervan af; Verklaart de oorspronkelijke tussenvordering van mevrouw V. D. S. G. jegens mevrouw L. F. zonder voorwerp. Veroordeelt H. C. tot de kosten van beide aanleggen, kosten tot op heden begroot op: - voor appellante niet begroot - voor eerste geïntimeerde 93,93 EURO dagvaarding 191,87 EURO rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg 267,73 EURO rechtsplegingsvergoeding hoger beroep - voor tweede geïntimeerde 196,33 EURO rechtsplegingsverhouding eerste aanleg 279,62 EURO rechtsplegingsvergoeding hoger beroep Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van de zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel op vijfentwintig februari tweeduizend en vijf. Waar aanwezig waren : mevrouw M. VERMAELEN, Raadsheer de heer F. VANDEWIJNGAERDEN, Raadsheer in Sociale Zaken als werkgever de heer A. LEURS, Raadsheer in Sociale Zaken als werknemer bediende de heer D. DE RAEDT, Griffier D. DE RAEDT M. VERMAELEN A. LEURS F. VANDEWIJNGAERDEN PDF document ECLI:BE:CTBRL:2005:ARR.20050225.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.