← België

ECLI:BE:CTBRL:2005:ARR.20050314.10

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 14 maart 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2005:ARR.20050314.10 Rolnummer: 45269 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2005-10-17 Raadplegingen: 113 - laatst gezien 2026-07-02 03:31 Fiche De beoordeling van de noodwendigheden inzake de werking van de onderneming en het uitstippelen van de beleidsnormen behoren tot de uitsluitende bevoegdheid van de werkgever. De werkgever dient echter wel van deze beoordelingsvrijheid op een redelijke wijze gebruik te maken. De beoordelingsbevoegdheid van de rechter blijft wel marginaal. De rechtbank dient de waarachtigheid van de door de werkgever aangehaalde reden voor het ontslag toetsen en niet de opportuniteit van de genomen maatregel, evenmin als de keuze van de ontslagen werknemer, behoudens wanneer deze willekeurig voorkomt. Vrije woorden: ARBEIDSOVEREENKOMSTEN - WERKLIEDEN - Willekeurig ontslag - Ontslag om redenen die niet berusten op de noodwendigheden inzake de werking van de onderneming - Beoordelingsvrijheid behoort tot de uitsluitende bevoegdheid van de werkgever, doch moet op een redelijke wijze worden gebruikt - Beoordelingsbevoegdheid van de rechter blijft marginaal. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 63 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN 14 MAART

  1. 5DE KAMER Arbeidscontract Tegensprekelijk Definitief In de zaak: N.V. DRUKKERIJ ARTOOS, met maatschap-pelijke zetel gevestigd te 1910 KAMPENHOUT, Oudestraat
  2. Appellante, vertegenwoordigd door Mr. M. SIMON loco Mr B. VAN SCHOEBEKE, advocaat te Gent. Tegen: E. V. , Geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. B. TAS, advocaat te Willebroek. ó ó ó Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit : Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid : - het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis gewezen door de vierde kamer van de Arbeidsrechtbank te Brussel d.d. 23 december 2003; - het verzoekschrift in hoger beroep neergelegd ter griffie van het Arbeidshof te Brussel d.d. 24 maart 2004; - de besluiten en aanvullende besluiten van de partijen; Gehoord de partijen in hun middelen en verdediging ter openbare terechtzitting van 31 januari 2005 waarna de debatten gesloten werden. Gelet op de neergelegde stukken. ó ó ó Feiten en procedurevoorgaanden Mevrouw E. trad in dienst van N.V. Drukkerij Artoos op 15 februari 2001 krachtens arbeidsover-eenkomst voor een voltijdse tewerkstelling van onbepaalde duur in hoedanigheid van arbeidster (helper). Zij werkte op de afdeling "afwerking" nl handafwerking, hetgeen louter manueel werk is in tegenstelling tot de gemechaniseerde afwerking met als specialiteiten plooien, verzamelnieten, snijden en veredelen. Op 15 februari 2002 stelde N.V. Drukkerij Artoos een einde aan de arbeidsovereenkomst wegens "economische reden" en mits betaling van een opzegvergoeding gelijk aan vijf weken loon. Bij aangetekend schrijven van de vakvereniging van mevrouw E. d.d. 2 juli 2002 betwist deze het willekeurig ontslag, aangezien mevrouw E. zelf overuren presteerde, en aangezien negen uitzend-krachten in dienst werden genomen waarvan één tewerkgesteld op dezelfde plaats en in hetzelfde uurstelsel als mevrouw E. Bij aangetekend schrijven van 9 juli 2002 antwoordt N.V. Drukkerij Artoos. Zij geeft tevens een overzicht met de periode en de namen van de interims die in februari-maart 2002 bij hen tewerkgesteld waren. Een interim was ter vervanging van een lang-durig zieke en de andere interim had een totaal andere functie nl. helper drukker. Enkel op 28 februari en 1 maart zijn er extra interims aangevraagd wegens een piek in het werkvolume. Bij dagvaarding beoogde mevrouw E. veroordeling van N.V. Drukkerij Artoos tot het betalen van een bedrag van 8.894,56 EUR ten titel van vergoeding wegens willekeurig ontslag te vermeerderen met de vergoedende intresten aan de wettelijke intrestvoet vanaf 15 februari 2002, de gerechtelijke intresten en de kosten van het geding. Met het bestreden vonnis verklaart de Arbeids-rechtbank de vordering ontvankelijk en gegrond. De Arbeidsrechtbank stelt vast dat uit de cijfers van de neergelegde jaarrekeningen kan afgeleid worden dat de omzet gedurende het derde kwartaal 2000 evenals deze van het derde kwartaal 2001 zwakker is dan andere kwartalen,en het derde kwartaal 2001 in de omzet zelfs hoger lag dan de omzet van het derde kwartaal
  3. Zo kan ook uit de cijfers van het vierde kwartaal 2001 en het eerste kwartaal 2002 opnieuw een herstel van de omzet worden gezien ten opzichte van de omzet van het derde kwartaal
  4. Bijgevolg wordt niet aangetoond dat het ontslag van mevrouw E. noodzakelijk was om de kostenstructuur in evenwicht te houden. Tevens blijkt uit de loon-fiches van mevrouw E. van december 2001 tot februari 2002 dat zij regelmatig overuren diende te presteren zodat de werkgever niet ernstig kan be-weren dat er in de afdeling afwerking waar mevrouw E. tewerkgesteld was, minder werk was. De verklaring van de syndicaal afgevaardigde kan niet worden weerhouden gezien deze optreedt voor de bedienden en zich niet bezighoudt met de werk-situatie van de arbeiders. Daarenboven blijkt uit de tegengestelde verklaringen van J. D'H., een collega van mevrouw E. dat haar plaats onmiddellijk door een collega werd ingenomen en dat verschillende interimarbeiders werden aangeworven om te worden ingeschakeld in de afdeling afwerking. Er wordt onvoldoende bewijs geleverd door N.V. Druk-kerij Artoos inzake de beweerde ongeschiktheid voor de functie die zij uitoefende. ó ó ó Beroepsgrieven De boekhoudkundige gegevens tonen wel degelijk een durende daling aan van de omzet over de kwartalen heen en dit in vergelijking van het jaar 2002 meer bepaald het eerste kwartaal 2002 kwartaal van het ontslag, in vergelijking met het jaar
  5. De verklaring van D'H. is niet relevant aange-zien deze tewerkgesteld was in de drukkerij en niet in de afdeling afwerking. ó ó ó BEOORDELING
  6. Ontvankelijkheid van het hoger beroep Er wordt geen betekening van het bestreden vonnis overgelegd . Het verzoekschrift is regelmatig naar vorm en werd ingesteld binnen de daartoe wettelijk bepaalde termijn, wat overigens niet wordt betwist. Het is derhalve ontvankelijk.
  7. Ten gronde Onder willekeurig ontslag wordt verstaan het ont-slag van een werkman die aangeworven is voor een onbepaalde tijd, om redenen die niet berusten op de noodwendigheden inzake de werking van de onder-neming. Voor het beoordelen van de noodwendigheden inzake de werking van de onderneming moet men zich stellen op het ogenblik van het ontslag( Arbeidshof Brussel 21 maart '94, Soc. Kron. 1996,18). De beoordeling van de noodwendigheden inzake de werking van de onderneming en het uitstippelen van de beleidsnormen behoren tot de uitsluitende bevoegdheid van de werkgever(zie Jamoulle,Le contrat de travail II Luik Fac de Dr 1986,316). De werkgever dient echter wel van deze beoordelings-vrijheid op een redelijke wijze gebruik te maken. De beoordelingsbevoegdheid van de rechter blijft wel marginaal. De rechtbank dient de waarachtigheid van de door de werkgever aangehaalde reden voor het ontslag toetsen en niet de opportuniteit van de genomen maatregel, evenmin als de keuze van de ontslagen werknemer behoudens wanneer deze willekeurig voorkomt. Gezien het ontslag plaatsvond op 15 februari 2002 is een vergelijking met omzetcijfers van het derde kwartaal 2001 met het derde kwartaal 2000 niet relevant, evenmin als een vergelijking tussen de omzetcijfers van het derde kwartaal 2001 met het vierde kwartaal
  8. Feit is dat uit de boekhoudkundige gegevens blijkt dat er in het eerste kwartaal 2002 een belangrijke achteruitgang is in de omzet ten aanzien van de eerste twee kwartalen van 2001, datum van aanwer-ving, evenals een achteruitgang met het vierde kwartaal van
  9. Eveneens wordt een achteruitgang in de bestellingen van multinationals of Amerikaanse bedrijven bewezen (Stuk 14 dossier appellant). Het Hof vindt evenmin een bewijs in casu dat het ontslag en de keuze hiervoor van geïntimeerde op willekeurige wijze is gebeurd. De verklaring van de afdelingschef evenals het feit dat geïntimeerde amper één jaar in dienst was en op de afwerking als manueel niet gespecialiseerd arbeidster werkte, volstaan hiertoe. De eerste rechter stelde terecht vast dat na het ontslag van mevrouw E. geen interim arbeiders haar plaats hebben ingenomen. Dit blijkt uit de verklaring van de heer D.. Tevens blijkt uit de bijlage gestuurd in het antwoordschrijven gericht aan de vakvereniging d.d. 9 juli 2002 dat de tewerk- stelling van de interims slechts voor 2 dagen ge-beurde met name op 28 februari en 1 maart. De twee langdurige uitzendkrachten hadden betrekking op een helper en een vervanger van een zieke persoon in de drukkerij, hetgeen niet de afdeling was van geïnti-meerde. Dit wordt tevens bevestigd door de syndicaal afgevaardigde V.. Uit de stukken 15 en 16 van het dossier van appel-lante, blijkt dat de heer V., wel degelijk syndicaal afgevaardigde was van de arbeiders. Dit wordt trouwens bevestigd door de gewestelijk secretaris bij schrijven van 4 maart
  10. Daarenboven merkt deze syndicale afgevaardigde op dat hijzelf tewerkgesteld is in de afdeling af-werking. Hij verklaart tevens dat K. V. E. in de afdeling "afwerking" werkte als helpster bij de verzamelhechter en dus niet in de handafwerking, waar mevrouw E. werkzaam was. Er is in deze omstandigheden geen enkele reden om de verklaring van de syndicale afgevaardigde niet te weerhouden, wel integendeel. De bewering dat geïntimeerde werd vervangen in haar functie, wordt bijgevolg niet bewezen. Geïntimeerde roept verder in dat aan de reden van economische achteruitgang kan worden getwijfeld aangezien er niemand op technische werkloosheid is geweest. Het behoort echter de werkgever toe te beslissen op welke wijze hij een daling van de omzet wil opvangen. Het behoort de rechtbank niet toe te oordelen dat de werkgever eerder tot technische werkloosheid dient over te gaan alvorens structu-rele maatregelen van ontslag te nemen en evenmin te beslissen dat bij gebreke aan het invoeren van technische werkloosheid, iedere andere structurele maatregel van ontslag, willekeurig zou zijn. De bewering van geïntimeerde dat de door haar gepresteerde 38 overuren het tegenbewijs leveren van een slechte economische bedrijfstoestand is onjuist en hiertoe niet relevant. Dat geïntimeerde op de dag aan haar ontslag vroeger is moeten beginnen werken, is evenmin een tegenbewijs van het bestaan van economische moeilijkheden. De advertentie in de streekkrant voor aanwerving van helpers in de handafwerking dateert van 16 mei 2002 en toont niet de onjuistheid van het motief van de werkgever aan op het ogenblik van het ontslag zijnde 15 februari
  11. Tevens is deze advertentie in de streekkrant gebeurd op een ogenblik dat de omzet in het tweede kwartaal steeg ten aanzien van het eerste kwartaal. Gezien de realiteit van het ingeroepen motief wordt bewezen, komt het ontslag van mevrouw E. voor als zijnde niet willekeurig. Het hoger beroep is gegrond. ó ó ó OM DEZE REDENEN : En alle andere hierin impliciet vervat, Het Arbeidshof, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24; Recht sprekend op tegenspraak; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond; Vernietigt het bestreden vonnis en opnieuw wijzend; Verklaart de oorspronkelijke vordering ontvankelijk doch niet gegrond; Wijst oorspronkelijke eiseres ervan af; Veroordeelt deze tot betaling van de kosten van beide aanleggen; Deze kosten werden tot op heden als volgt begroot : - voor appellante partij : EUR 205,26 rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg, EUR 279,62 rechtsplegingsvergoeding hoger beroep, - voor geïntimeerde partij : EUR 93,31 dagvaardingskosten, EUR 200,79 rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg, EUR 273,67 rechtsplegingsvergoeding hoger beroep; Aldus gewezen en uitgesproken op de openbare terechtzitting van de 5de kamer van het Arbeidshof te Brussel op 14 maart 2005, waar aanwezig waren : Mevr.B. CEULEMANS: Raadsheer. De Heren : A. DE VADDER: Raadsheer in Sociale Zaken als werkgever. D. VRIJSEN: Raadsheer in Sociale Zaken als werknemer-arbeider. D. DE RAEDT: Griffier. PDF document ECLI:BE:CTBRL:2005:ARR.20050314.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.