← België

ECLI:BE:CTBRL:2005:ARR.20050314.15

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 14 maart 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2005:ARR.20050314.15 Rolnummer: 44383 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-02-27 Raadplegingen: 105 - laatst gezien 2026-07-02 03:31 Fiche Uit de feiten blijkt wel degelijk een bestaande wilsuiting tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst in hoofde van appellant. Hij had zijn vakorganisatie voorafgaandelijk geraadpleegd en verkeerde in de mening dat hij zijn ontslag bij de werkgever diende te vragen. Hij heeft met dit doel, hiertoe, in een periode van schorsing van de arbeidsovereenkomst, zich vrijwillig aangeboden bij de werkgever, hetgeen bevestigd wordt in de overeenkomst dat deze gesloten werd op verzoek van de werknemer. Het is niet noodzakelijk dat elk geschrift nopens een verbintenis voorafgaandelijk dient medegedeeld wil deze verbintenis een voorwerp hebben of wil de wilsuiting een voorwerp hebben. Zo is het evenmin noodzakelijk om een geldige wilsuiting tot ontslag te hebben dat de betrokkene op de hoogte dient te zijn van alle gevolgen en draagwijdte van de gevolgen van die verbintenis. De heer T. wist dat, bij een beëindiging van de arbeidsovereenkomst, hierdoor de arbeidsovereenkomst definitief wordt beëindigd en dat hij bijgevolg geen overeengekomen arbeidsprestaties meer diende te presteren tegen een overeengekomen loon. Hij wenste op de werkloosheid te staan. Zo kon de werknemer zich evenmin vergissen nopens de identiteit van de tegenpartij en kon hij het onderscheid maken tussen het aanvragen van een onderhoud met de arbeidsgeneesheer en het ontmoeten van zijn werkgever. Evenmin is het juist zoals appellant stelt in zijn beroepsbesluiten dat hij zonder enige intentie in zijn achterhoofd naar de werkgever toestapte en hij gewoon verwachtte dat hij gewoon terug zou komen werken. In de besluiten genomen voor de eerste rechter meldt appellant dat hij een werkherneming niet zag zitten gezien hij door het voortdurend overwerk ernstige familiale en gezondheidsproblemen had. De eerste rechter heeft terecht de feiten juist beoordeeld. In casu heeft appellant zich na het vrijwillig ondertekenen van de overeenkomst, verwijderd van de arbeidsplaats en zich niet meer aangeboden, evenmin enig loon na 1 april gevorderd. De ingeroepen depressiviteit en psychologische problemen bewijzen geen ontoerekeningsvatbaarheid met enige impact op de gegeven wilsuiting. Een andere vraag is of de op 1 april 1999 gegeven wilsuiting van appellant door dwaling is aangetast. De rechtspraak oordeelt op bestendige wijze dat de dwaling niet als een wilsgebrek kan worden ingeroepen indien zij onverschoonbaar is in hoofde van de dwaler. (Cornelis algemene theorie van de verbintenis, intersentia nr 39) namelijk indien de ver-keerde voorstelling van de werkelijkheid niet zou zijn gebeurd door een redelijk en normaal voorzich-tig persoon die zich in dezelfde feitelijke omstandigheden zou hebben bevonden. Door als frans- en nederlandsonkundig allochtoon advies te vragen aan de vakvereniging, of een overeenkomst te tekenen bij de werkgever, zonder enige aanwezige tolk, heeft appellant zich zeker niet als een normaal en voorzichtig en redelijke werknemer gedragen en is de wilsuiting niet door dwaling aangetast. Wat de gekwalificeerde benadeling betreft ligt niet de manifeste wanverhouding tussen de wederkerige verbintenissen ten grondslag van dit wilsgebrek doch wel het manifest nadeel dat door het misbruik van een toestand van ondergeschiktheid wordt berokkend. Doordat appellant zelf zich bij de werkgever vrijwilig aanbood met de vraag tot ontslag is er in casu geen misbruik van onder-geschikte positie noch blijkt dat het nadeel manifest is. De versie van appellant wordt betwist door geïntimeerde en wordt door appellant niet bewezen. Nochtans dient de partij, die beweert dat een overeenkomst tot beëindiging in onderling akkoord aangetast is door een wilsgebrek ,daarvan het bewijs te leveren. Dit geldt zowel voor de beweringen dat geïntimeerde de over-eenkomst heeft opgedrongen aan appellant als de bewering dat hij de overeenkomst onmiddellijk diende te ondertekenen zodat hij deze niet ter advies kon mededelen aan zijn vakvereniging, als de bewering dat de werkgever misbruik heeft gemaakt van een ongeletterd allochtoon. Aangezien appellant voordien de vakvereniging had geraadpleegd doch een verkeerde voorstelling van hun antwoord had, is het logisch en evident dat appellant vrijwillig naar de werkgever toeging met dit doel en ook vrijwillig en onmiddellijk de overeenkomst tot beëindiging in onderling akkoord ondertekende. De werkgever heeft in deze concrete omstandigheden slechts gevolg gegeven aan het verzoek van appellant, waarvan deze achteraf beseft dat ze op een verkeerde voorstelling van de situatie berust doch dewelke alleen aan zijn eigen kennelijke onzorgvuldigheid te wijten is. Vrije woorden: ARBEIDSOVEREENKOMSTEN - ALGEMENE REGELINGEN - Beëindiging in onderling overleg - Dwaling kan niet als wilsgebrek worden ingeroepen indien zij onverschoonbaar is in hoofde van de dwaler - Frans- en Nederlandsonkundige allochtoon die overeenkomst tekent zonder enige aanwezige tolk gedraagt zich niet als een normaal en voorzichtig en redelijke werknemer, en zijn wilsuiting is niet door dwaling aangetast. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 32 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN 14 MAART

  1. 5DE KAMER Arbeidscontract Tegensprekelijk Definitief In de zaak: T. Y. , Appellant, vertegenwoordigd door Mevr. I. GODTS, syndicaal afgevaardigde en volmachtdraagster te Leuven. Tegen: N.V. VANDEROEL TRANSPORTS, met maatschappelijke zetel gevestigd te 3071 ERPS-KWERPS, Nederokkerzeelsesteenweg
  2. Geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. F. WILKIN loco Mr R. SCHROEYERS, advocaat te Antwerpen. ó ó ó Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit : Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid : - het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis gewezen op tegenspraak door de Eerste Kamer A van de Arbeidsrechtbank te Leuven d.d. 29 april 2003; - het verzoekschrift in hoger beroep ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 26 juni 2003; - de besluiten van de partijen; Gehoord de partijen in hun middelen en verdediging ter openbare terechtzitting van 31 januari 2005 waarna de debatten gesloten werden. Gelet op de neergelegde stukken. ó ó ó Feiten en procedurevoorgaanden De heer T. trad in dienst van N.V. Transports Vanderoel op 4 maart 1996, krachtens arbeidsovereen-komst voor onbepaalde duur in de hoedanigheid van chauffeur. N.V. Transports Vanderoel ressorteert onder de bevoegdheid van het Paritair Comité
  3. 4 van het goederenvervoer. De arbeidsovereenkomst in artikel 12 stelt uitdruk-kelijk : " bij ziekte of afwezigheid ons een medisch attest laten geworden binnen de 24 uren ". Bij het aangetekend schrijven van 8 januari 1999 meldt N.V. Transports Vanderoel dat de heer T. sinds 1 december 1998 niet meer op het werk aanwezig was en hen ook niet heeft verwittigd, noch enig bewijsstuk heeft toegestuurd dat zijn af-wezigheid kan rechtvaardigen. Bijgevolg wordt de af-wezigheid als niet betaald ongewettigd beschouwd. Er wordt gevraagd zo spoedig mogelijk schriftelijk te contacteren en dit de laatste 48 u na ontvangst van dit schrijven. Bij aangetekend schrijven van 22 januari 1999 wordt een gelijkaardig schrijven gericht aan de heer T. . Eenzelfde schrijven werd gericht bij aangetekend schrijven van 12 februari 1999 evenals bij aangetekend schrijven van 12 maart
  4. De heer T. bood zich aan op het werk op 1 april en verzocht door zijn werkgever te worden ontslagen. Op 1 april 1999 werd een overeenkomst van beëindiging in onderling overleg opgesteld met volgende inhoud : " Rekening houdend met het verzoek van de werknemer; Gelet op het onderhoud tussen partijen Wordt overeengekomen wat volgt
  5. de partijen beslissen in onderling overleg de arbeidsovereenkomst te beëindigen vanaf 1 april
  6. Hierbij zien beide partijen af van elke opzegvergoeding ten laste van de andere.
  7. de werkgever verbindt er zich toe de sociale en fiscale documenten over te maken.
  8. Partijen erkennen dat onderhavige overeenkomst een dading is in de zin van artikel 2044 BW. Mits uitvoering van deze overeenkomst verzaken beide partijen rechten te doen gelden die zouden verband houden of die zouden ontsproten zijn uit de arbeids-relatie die tussen hen bestond" . De heer T. ondertekent deze overeenkomst met de vermelding "lu et approuvé",en ook de werkgever ondertekent deze overeenkomst. Hierna volgt nog diverse briefwisseling. Bij geding- inleidende dagvaarding van 30 maart 2000 vordert de heer T. veroordeling tot betaling van : - 1.538,48 EUR bruto t.t.v. verbrekingsvergoeding, - 2.056,15 EUR bruto ten titel van regularisatie van loon en overloon, - 931,83 EUR netto ten titel van vergoedingen inzake meerprestaties eigen aan de sector, meer de wettelijke en gerechtelijke intresten en de kosten van het geding, afgifte van verbeterde loon-fiches over de maanden januari en februari 1997 en tot de loonfiche inzake de betaling van verbrekings-vergoeding op straffe van een dwangsom. Met het bestreden vonnis verklaart de Arbeidsrechtbank de vordering ontvankelijk doch ongegrond. Er wordt geen wilsgebrek bewezen. In de concrete om-standigheden is de dwaling niet verschoonbaar en kan zij niet meer door een vordering tot nietigverklaring worden aangevochten. De heer T. had minstens een tolk moeten meenemen naar het dienstencentrum van het ACV indien hij weet dat hij noch het Nederlands noch het Frans machtig is. Ook diende hij zich te bevragen indien de werkgever hem iets voorschotelde dat hij niet begreep. De dwaling is onverschoonbaar. Er is evenmin een gekwalificeerde benadeling aan-gezien de heer T. in geen enkel opzicht bewijst dat N.V. Transports Vanderoel misbruik zou hebben gemaakt van welke omstandigheden dan ook waardoor er een aanzienlijke wanverhouding zou zijn ontstaan tussen de wederzijdse verbintenissen. De arbeidsovereenkomst werd op rechtsgeldige wijze in onderling overleg beëindigd op 1 april 1999 en de vordering tot betaling van een verbrekingsvergoeding werd als ongegrond afgewezen. Ook de vordering inzake achterstallige overuren en vergoedingen is ongegrond aangezien de overeenkomst afgesloten tussen beide partijen een geldige dadingsovereenkomst is die is ondertekend na de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. ó ó ó Beroepsgrieven Volgens de heer T. werd hij ziek vanaf 27 januari 1998 en heeft hij dit gemeld aan zijn werkgever. Omstreeks 15 maart diende hij het werk te hervatten doch hij zag dit niet zitten gezien het voortdurende overwerk dewelke ernstige gezondheids-problemen en familiale problemen met zich bracht. Hij zou door de werkgever huiswaarts gestuurd zijn met de mededeling later te zullen worden gecontac-teerd. Na een bezoek bij het ACV dienstencentrum zou deze hem de raad hebben gegeven een onderhoud te vragen met de arbeidsgeneesheer om na te gaan of hij medisch nog geschikt was voor de aangenomen functie. In het negatieve geval kon de arbeidsovereenkomst beëindigd worden wegens overmacht namelijk defini-tieve arbeidsongeschiktheid. Gezien de heer T. echter van Turkse afkomst is en het Nederlands en Frans zeer slecht begrijpt, heeft deze begrepen dat hij zijn werkgever om ontslag diende te vragen. Via tussenkomst van zijn vakorganisatie werd uitleg gevraagd bij de beëindiging in onderling akkoord : "graag hadden wij vernomen wat de onderliggende reden was van de overeenkomst gezien deze ons nogal onbegrijpelijk lijkt in de context van zijn toen-malige en huidige situatie. Onze aangeslotene was zich totaal niet bewust van de mogelijke gevolgen voortkomend uit de ondertekening van dit bewuste document, laat staan dat hij begreep wat hij ondertekende." De overeenkomst van beëindiging in onderling overleg is nietig. Zij werd eenzijdig opgesteld door de werkgever. De heer T. had bijgevolg geen voorafgaande kennis van de inhoud en de draagwijdte van de verbintenis zodat, zonder deze kennis, zijn wilsuiting als het ware inhoudsloos of zonder voorwerp is en dus niet rechtsgeldig. Ten onrechte stelt de eerste rechter dat het bewijs niet wordt geleverd dat de overeenkomst is opgedron-gen op de een of andere wijze aan de heer T. . Hij is op 1 april naar de werkgever toegestapt met de mededeling dat hij maximum 40 u per week wou presteren zoniet zou hij binnen de kortste keren hervallen in zijn arbeidsongeschikt-heid. De Arbeidsrechtbank houdt ten onrechte rekening met de vermelding in de overeenkomst dat rekening wordt gehouden met het verzoek van de werknemer. Had de heer T. de firma willen verlaten dan had hij al lang daarvoor tijdens de schorsing deze kunnen beëindigen met een opzeg. Ten onrechte stelt de Arbeidsrechtbank dat de af-wezigheid van enige druk van de werkgever op de werknemer blijkt uit het feit dat een beëindiging wegens overmacht voor de werknemer dezelfde gevolgen zou hebben gehad als een beëindiging in onderling akkoord. Wanneer het Arbeidshof zou aannemen dat er een wils-uiting bestaat dan is deze gebrekkig wegens dwaling. De heer T. zou nooit de overeenkomst tot minnelijke beëindiging hebben ondertekend indien hij geweten had welke de draagwijdte en de gevolgen waren van deze verbintenis onder meer uitsluiting van het recht op werkloosheidsuitkeringen. De dwaling is niet onverschoonbaar aangezien de heer T. niet de kans heeft gehad om zich te informeren en gezien hij verplicht werd om de document onmiddellijk te ondertekenen. Appellant biedt de persoonlijke verschijning aan van partijen. Tot slot meent appellant zich te kunnen beroepen op de rechtsfiguur van de gekwalificeerde benadeling, aangezien er een manifeste wanverhouding is tussen de wederkerige verbintenissen van de partijen, veroorzaakt door het misbruik van de ondergeschikte toestand waarin de ene partij zich bevindt en dit misbruik was determinerend voor de wilsuiting van de schuldenaar zijnde de werknemer. Er is een duidelijke wanverhouding, tussen de wederkerige verbintenissen aangezien de afstand voor de heer T. ook een afstand inhield van elke mogelijke vordering van achterstallig loon, premies, kosten met daarenboven nog zware gevolgen voor de werkloosheidsuitkeringen. Het misbruik bestaat erin dat N.V. Transports Vanderoel manifest van de situatie gebruik heeft gemaakt door een ongeletterde allochtoon die geen Nederlands kent en onvoldoende Frans een overeen-komst te laten tekenen, waarvan hij noch de bete-kenis noch de draagwijdte en de gevolgen kende. Daarbij dient rekening te worden gehouden dat de heer T. reeds psychologische problemen had met name onder andere depressiviteit. ó ó ó Beoordeling Ontvankelijkheid van het hoger beroep Er wordt geen betekening van het bestreden vonnis overgelegd . Het verzoekschrift is regelmatig naar vorm en werd ingesteld binnen de daartoe wettelijk bepaalde termijn, wat overigens niet wordt betwist. Het is derhalve ontvankelijk. ó ó ó Ten gronde De overeenkomst tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst in onderling overleg d.d. 1 april 1999 Het Arbeidshof stelt vast dat de Arbeidsrechtbank de feitelijke en juridische argumenten van de partijen grondig heeft onderzocht vooraleer op uitvoerige wijze overtuigend en gemotiveerd te beslissen de vordering ongegrond te verklaren. Het Arbeidshof houdt deze overwegingen van de Arbeidsrechtbank hier uitdrukkelijk als herhaald. Ten overvloede wordt hieraan toegevoegd : Uit de feiten blijkt wel degelijk een bestaande wilsuiting tot beëindiging van de arbeidsovereen-komst in hoofde van appellant. Hij had zijn vakorganisatie voorafgaandelijk geraadpleegd en verkeerde in de mening dat hij zijn ontslag bij de werkgever diende te vragen. Hij heeft met dit doel, hiertoe, in een periode van schorsing van de arbeidsovereenkomst, zich vrijwillig aangeboden bij de werkgever, hetgeen bevestigd wordt in de overeenkomst dat deze gesloten werd op verzoek van de werknemer. Het is niet noodzakelijk dat elk geschrift nopens een verbintenis voorafgaandelijk dient medegedeeld wil deze verbintenis een voorwerp hebben of wil de wilsuiting een voorwerp hebben. Zo is het evenmin noodzakelijk om een geldige wilsuiting tot ontslag te hebben dat de betrokkene op de hoogte dient te zijn van alle gevolgen en draag-wijdte van de gevolgen van die verbintenis. De heer T. wist dat, bij een beëindiging van de arbeidsovereenkomst, hierdoor de arbeidsovereen-komst definitief wordt beëindigd en dat hij bij-gevolg geen overeengekomen arbeidsprestaties meer diende te presteren tegen een overeengekomen loon. Hij wenste op de werkloosheid te staan. Zo kon de werknemer zich evenmin vergissen nopens de identiteit van de tegenpartij en kon hij het onder-scheid maken tussen het aanvragen van een onderhoud met de arbeidsgeneesheer en het ontmoeten van zijn werkgever. Evenmin is het juist zoals appellant stelt in zijn beroepsbesluiten dat hij zonder enige intentie in zijn achterhoofd naar de werkgever toestapte en hij gewoon verwachtte dat hij gewoon terug zou komen werken. In de besluiten genomen voor de eerste rechter meldt appellant dat hij een werkherneming niet zag zitten gezien hij door het voortdurend overwerk ernstige familiale en gezondheidsproblemen had. De eerste rechter heeft terecht de feiten juist beoordeeld. In casu heeft appellant zich na het vrijwillig ondertekenen van de overeenkomst, verwijderd van de arbeidsplaats en zich niet meer aangeboden, evenmin enig loon na 1 april gevorderd. De ingeroepen depressiviteit en psychologische problemen bewijzen geen ontoerekeningsvatbaarheid met enige impact op de gegeven wilsuiting. Een andere vraag is of de op 1 april 1999 gegeven wilsuiting van appellant door dwaling is aangetast. De rechtspraak oordeelt op bestendige wijze dat de dwaling niet als een wilsgebrek kan worden ingeroe-pen indien zij onverschoonbaar is in hoofde van de dwaler. (Cornelis algemene theorie van de verbintenis, intersentia nr 39) namelijk indien de verkeerde voorstelling van de werkelijkheid niet zou zijn gebeurd door een redelijk en normaal voorzichtig persoon die zich in dezelfde feitelijke omstandigheden zou hebben bevonden (zie ook Cass. 28.06.96 Arr Cass 1996,664). Door als frans- en nederlandsonkundig allochtoon advies te vragen aan de vakvereniging, of een overeenkomst te tekenen bij de werkgever, zonder enige aanwezige tolk, heeft appellant zich zeker niet als een normaal en voor-zichtig en redelijke werknemer gedragen en is de wilsuiting niet door dwaling aangetast. Wat de gekwalificeerde benadeling betreft ligt niet de manifeste wanverhouding tussen de wederkerige verbintenissen ten grondslag van dit wilsgebrek doch wel het manifest nadeel dat door het misbruik van een toestand van ondergeschiktheid wordt berokkend (zie Cornelis,op cit nr 55). Doordat appellant zelf zich bij de werkgever vrijwilig aanbood met de vraag tot ontslag is er in casu geen misbruik van ondergeschikte positie noch blijkt dat het nadeel manifest is. De versie van appellant wordt betwist door geïntimeerde en wordt door appellant niet bewezen. Nochtans dient de partij, die beweert dat een overeenkomst tot beëindiging in onderling akkoord aangetast is door een wilsgebrek ,daarvan het bewijs te leveren (Cass 12.10.1998,JTT 99,484). Dit geldt zowel voor de beweringen dat geïntimeerde de over-eenkomst heeft opgedrongen aan appellant als de bewering dat hij de overeenkomst onmiddellijk diende te ondertekenen zodat hij deze niet ter advies kon mededelen aan zijn vakvereniging, als de bewering dat de werkgever misbruik heeft gemaakt van een ongeletterd allochtoon. Aangezien appellant voordien de vakvereniging had geraadpleegd doch een verkeerde voorstelling van hun antwoord had, is het logisch en evident dat appellant vrijwillig naar de werkgever toeging met dit doel en ook vrijwillig en onmiddellijk de overeenkomst tot beëindiging in onderling akkoord ondertekende. De werkgever heeft in deze concrete omstandigheden slechts gevolg gegeven aan het verzoek van appellant, waarvan deze achteraf beseft dat ze op een verkeerde voorstelling van de situatie berust doch dewelke alleen aan zijn eigen kennelijke onzorgvuldigheid te wijten is. ó ó ó De vordering inzake achterstallige overuren en vergoedingen Het Arbeidshof stelt vast dat de Arbeidsrechtbank de feitelijke en juridische argumenten van de partijen grondig heeft onderzocht vooraleer op uitvoerige wijze overtuigend en gemotiveerd te beslissen de vordering gegrond te verklaren. Het Arbeidshof houdt deze overwegingen van de Arbeidsrechtbank hier uitdrukkelijk als herhaald. Ten overvloede wordt hieraan toegevoegd : In casu, en dit in tegenstelling met het arrest waarnaar appellant verwijst van het Hof d.d. 2 juni 2003, is de huidige overeenkomst wel een geldige dadingsovereenkomst. De partijen beslechten een bestaand of toekomstig geschil, met name de toerekenbaarheid van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst en de daaruit volgende al dan niet verschuldigde opzegvergoeding. Hiertoe waren er door geïntimeerde reeds minstens 3 ingebrekestellingen aan appellant gezonden. Er is dus minstens sprake van een toekomstig geschil dat kon beslecht worden toen de vraag kwam van appellant tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Beide partijen doen wederzijdse toegevingen, nl. geïntimeerde ziet af van het vorderen van een opzegvergoeding (of schadevergoeding bij ontslag om dringende redenen) waarop hij eventueel gerechtigd is. Appellant, als verzoekende partij, ziet af van eventueel achterstallig loon en/of opzegvergoeding lastens zijn ex werkgever in mening dat hij zal gerechtigd zijn in de toekomst op werkloosheidsuitkeringen. Appellant zelf overigens geeft toe dat hij zich bij de ondertekening van de overeenkomst van geen kwaad bewust was en meende dat door de ondertekening ervan "alles(? )in orde zou komen". In casu blijkt uit de concrete feitelijke omstandigheden zoals de arbeidsongeschiktheid sinds 27 januari 1999, en het betwisten van de datum van werkhervatting, het doen van een aanvraag tot betaling van voorlopige werkloosheidsuitkeringen in afwachting van de beëindiging van het geschil met de mutualiteit, dat het de reële bedoeling was van appellant een streep te trekken onder het verleden met zijn werkgever in ruil voor een beëindiging van de arbeidsovereenkomst, waarvan appellant niet wist dat ze enige implicatie hadden op zijn werkloosheidsuitkeringen. In deze veronderstelling is een specifieke opsomming van de rechten waarvan men afstand doet niet vereist (zie Neven Transactions et conventions conclues au moment de la fin des rela-tions de travail, vert. transacties en overeenkomsten afgesloten op het ogenblik van het einde van de arbeidsbetrekkingen Or 99,226). De dwaling desbetreffend is niet verschoonbaar. Het nadeel is in deze concrete omstandigheden niet manifest. Het hoger beroep komt voor als ontvankelijk doch niet gegrond. ó ó ó OM DEZE REDENEN : En alle andere hierin impliciet vervat, Het Arbeidshof, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24; Recht sprekend op tegenspraak; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch niet gegrond; Bevestigt het bestreden vonnis in al zijn beschikkingen; Veroordeelt appellant tot de kosten van onderhavig geding; Deze kosten werden tot op heden als volgt begroot : - voor appellante partij : niet begroot, - voor geïntimeerde partij : EUR 279,62 rechtsplegingsvergoeding hoger beroep; Aldus gewezen en uitgesproken op de openbare terechtzitting van de 5de kamer van het Arbeidshof te Brussel op 14 maart 2005, waar aanwezig waren : Mevr. B. CEULEMANS: Raadsheer. De Heren : A. DE VADDER: Raadsheer in Sociale Zaken als werkgever. D. VRIJSEN: Raadsheer in Sociale Zaken als werknemer-arbeider. D. DE RAEDT: Griffier. A. DE VADDER D. VRIJSEN D. DE RAEDT B. CEULEMANS Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.