id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 18 maart 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2005:ARR.20050318.5 Rolnummer: 44443 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-06-29 Raadplegingen: 268 - laatst gezien 2026-07-04 12:37 Fiche Overwegende dat appellante zich niet kan beroepen op het wettelijk vermoeden, voorzien in artikel 10, eerste lid AOW en dat partijen die verscheidene opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor een bepaalde tijd hebben afgesloten verondersteld worden een overeenkomst voor onbepaalde tijd te hebben aangegaan. Dit wettelijk vermoeden is ingesteld in het voordeel van de werknemer en kan derhalve enkel door hem worden ingeroepen (Cass. 2.12.2002, nr. S.02.0060.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021202.7, ). Dat de werkgever het bedoelde vermoeden, wanneer het in zijn nadeel wordt aangevoerd - quod non - wel kan weerleggen op de in artikel 10 eerste lid bepaalde wijze (Cass. 2.12.2002 id.). De werkneemster voert in deze zaak het wettelijk vermoeden, vervat in artikel 10 AOW niet aan. Vrije woorden: ARBEIDSOVEREENKOMSTEN - ALGEMENE REGELINGEN - Opeenvolgende contracten voor bepaalde tijd - Wettelijk vermoeden dat partijen een contract hebben afgesloten voor onbepaalde tijd - Vermoeden alleen ingesteld ten voordele van de werknemer. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 10 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN ACHTTIEN MAART TWEEDUIZEND EN VIJF. DERDE KAMER Bediendecontract Tegensprekelijk Definitief In de zaak: KATHOLIEKE UNIVERSITEIT LEUVEN, met zetel te 3000 LEUVEN, Oude Markt nr. 13; Appellante, geïntimeerde op incidenteel hoger beroep, vertegenwoordigd door Mr. S. Vissenaken loco Mr. Ph. Willemyns, advocaat te Leuven; Tegen: V. G. , Geïntimeerde, appellante op incidenteel hoger beroep, vertegenwoordigd door mevrouw I. Godts, volmachtdrager en syndicaal afgevaardigde voor het ACV, representatieve werknemersorganisatie; ó ó ó Na beraadslaging, velt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest: Gelet op: - de stukken der rechtspleging en ondermeer het eensluidend verklaard afschrift van het vonnis uitgesproken op tegenspraak door de 1e kamer B van de Arbeidsrechtbank te Leuven op 2 januari 2003 (AR nr. 2365/01), alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep ontvangen op de griffie van het Arbeidshof op 16 juli 2003; - de besluiten en synthesebesluiten van geïntimeerde, ontvangen ter griffie op respectievelijk 3 september 2003 en 19 februari 2004; - de besluiten en synthesebesluiten van appellante, ontvangen ter griffie op respectievelijk 2 februari 2004 en 1 september 2004; Gehoord de partijen in hun middelen en verdediging ter openbare terechtzitting van 28 januari
- Partijen legden hun bundel neer waarna de debatten gesloten werden en de zaak in beraad werd genomen. p p p I. DE FEITEN. Geïntimeerde trad in dienst bij K.U. Leuven op 22 april 1996 en werd tewerkgesteld krachtens opeenvolgende contracten van bepaalde duur (stukken 1-8 bundel geïntimeerde)). Het laatste contract voor bepaalde duur, hetwelk niet in het bundel is opgenomen, heeft betrekking op een tewerkstelling van 1 september 1999 t.e.m. 30 augustus
- Appellante stelde mevrouw V. tewerk als administratief bediende, secretaresse, voor het project Zorgverbreding. Bij aangetekend schrijven van 22 mei 2000 deelde appellante mee aan mevrouw V. dat zij genoodzaakt was de arbeidsovereenkomst te beëindigen. De inhoud van dit schrijven luidt als volgt: "Wij zijn erg verveeld met onderhavig schrijven, dat wij in overleg met uw diensthoofd noodgedwongen aan u moeten richten. Momenteel bent u tewerkgesteld met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd die verstrijkt op 31 augustus
- Met spijt moeten wij u, namens de KU Leuven meedelen dat uw arbeidsovereenkomst wordt beëindigd. Vermits uw huidige arbeidsovereenkomst reeds een verlenging is van vorige tijdelijke overeenkomsten in het kader van projecten en teneinde, gelet op artikel 10 van de arbeidsovereenkomstenwet, elke discussie in verband met het al dan niet gewettigd zijn van dergelijke opeenvolgende overeenkomsten te vermijden, houden wij eraan uw arbeidsovereenkomst thans formeel op te zeggen. Rekening houdend met de wetgeving terzake bedraagt de opzeggingstermijn 3 maanden. Deze termijn gaat in op 1 juni
- Uiteraard kunt u kandideren voor andere betrekkingen die zouden vacant komen in de KU Leuven, eventueel in de dient waar u nu tewerkgesteld is, indien voor 1 september alternatieve financieringsbronnen zouden beschikbaar zijn. Tenslotte danken wij u voor de goede diensten die u aan de Katholieke Universiteit te Leuven heeft bewezen." (stuk 9 bundel V. ) Op 30 augustus 2000 richtte appellante een schrijven aan geïntimeerde met de mededeling dat ingevolge het opnemen van vakantie in de opzeggingsperiode, de laatste werkdag werd verschoven naar 20 september 2000 (stuk 10 V. ). De arbeidsovereenkomst werd vervolgens ook nog geschorst wegens ziekte (stuk 11 V. Op 22 september stelt appellante mevrouw V. vrij van verdere prestaties vanaf 25 september
- Uiteindelijk werd de arbeidsovereenkomst definitief beëindigd op 2 oktober
- Op 29 september 2000 leverde appellante een formulier C4 af met als opgave van de einddatum 2 oktober 2000 en als reden van werkloosheid "einde contracten bepaalde duur" (stuk 14 V. ). Mevrouw V. verzoekt bij schrijven van 13 december 2000 van haar vakorganisatie om betaling van haar vakantiegeld bij uitdiensttreding en het loon voor de feestdag van 1 november 2000, alsmede de betaling van een verbrekingsvergoeding, gelet op de nietigheid van de opzeg gegeven door appellante. Na tussenkomst van de vakorganisatie werd het vakantiegeld en het loon voor de feestdag 1 november 2000 geregeld door de KUL. Op 31 augustus 2001 dagvaardt zij appellante voor de eerste rechter en vordert haar veroordeling tot betaling van een opzegvergoeding van 6 maanden of 18.445,51 euro, minstens 3 maanden of 9.222,75 euro, en de afgifte van de sociale en de fiscale documenten. Bij conclusie van 1 oktober 2002 stelde de KUL een tegenvordering in wegens contractbreuk vanwege geïntimeerde en vordert zij een opzegvergoeding van deze laatste van 1,5 maand of 4.611,38 euro, plus intresten en kosten, bij vonnis dat uitvoerbaar zou zijn bij voorraad. Van deze tegenvordering wordt de verjaring tegengeworpen. II. HET VONNIS A QUO. Het vonnis a quo verklaart de vordering van mevrouw V. ontvankelijk en grotendeels gegrond en veroordeelt de KUL om aan mevrouw V. nog een opzegvergoeding te betalen van 12.279 euro te vermeerderen met de wettelijke en gerechtelijke intresten te berekenen op het overeenstemmend netto-bedrag en beveelt tevens de afgifte van de wettelijke sociale en fiscale documenten in overeenstemming met het beschikkend gedeelte van dit vonnis. De tegenvordering van de KUL wordt niet ontvankelijk verklaard wegens verjaring en de kosten worden ten laste gelegd van de KUL. Het vonnis zegt dat er geen aanleiding toe bestaat enige maatregel van voorlopige tenuitvoerlegging op te leggen. De eerste rechter oordeelt dat partijen tot 31 augustus 2000 verbonden waren door een arbeidsovereenkomst van bepaalde duur die niet kan worden opgezegd. Hij stelt vast dat mevrouw V. in dienst bleef na 31 augustus 2000 en het enige wat hieruit volgens de eerste rechter kan besloten worden is dat zij zich bevindt in de toestand van artikel 11 AOW, nl. voortgaan met de uitvoering van de overeenkomst na het verstrijken van de termijn waardoor een overeenkomst van onbepaalde duur gold. Het initiatief tot beëindiging werd opgenomen door de KUL. Zulks werd regelmatig bevestigd in het kader van de gegeven opzegging en de vrijstelling van prestaties, en er kan dan ook niet anders dan besloten worden dat aan mevrouw V. op het ogenblik van de beëindiging op 2 oktober 2000 er nog een opzegvergoeding verschuldigd was. Gelet op de in acht te nemen parameters, lopend loon 78.521 BEF, leeftijd mevrouw V. (39 jaar) en de anciënniteit van 4 jaar en 5 maand, kan deze opzegvergoeding worden geraamd op 4 maanden als compensatie om een gelijkwaardige betrekking te vinden, hetgeen neerkomt op 12.297 euro. III. DE BEROEPSGRIEVEN. A. Het hoger hoofdberoep. De KUL verzoekt ons Hof het vonnis a quo te vernietigen, en opnieuw recht te doen, de vordering van geïntimeerde ontvankelijk doch ongegrond te verklaren en de vordering van de KUL ontvankelijk en gegrond te verklaren en dienvolgens geïntimeerde te veroordelen aan de KUL te betalen, onder alle voorbehoud van vermeerdering of vermindering in de loop van de procedure, het bedrag van 4.611,38 euro t.t.v. opzegvergoeding gelijk aan 1,5 maand loon meer de intresten vanaf 3 oktober 2000 tot de datum van betaling. Geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van beide aanleggen. Appellante stelt dat uit haar ontslagbrief blijkt dat er twijfel kon rijzen betreffende het karakter (bepaalde of onbepaalde duur) van de arbeidsovereenkomst zodat zij geïntimeerde een maximale sociale bescherming heeft willen bieden en de overeenkomst als een overeenkomst van onbepaalde duur heeft beschouwd en opgezegd met een opzeggingstermijn. Appellante stelt dat zowel uit de bewoordingen van artikel 10 AOW als uit de wetsgeschiedenis blijkt dat alleen de werkgever het wettelijk vermoeden mag weerleggen dat de partijen die verscheidene opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor een bepaalde tijd hebben gesloten zonder dat er een onderbreking is, toe te schrijven aan de werknemer, een overeenkomst voor onbepaalde tijd hebben aangegaan (Parl. St., Senaat, 77-78, 2.2.78, nr. 258,4; AH Antw. 4.11.1998, Soc. Kron. 99, 317). Ook de NAR heeft in zijn advies van 24 april 1970 (nr. 320) uitdrukkelijk beklemtoond dat het bewijs van het geoorloofd zijn van opeenvolgende contracten van bepaalde duur bij de werkgever ligt. Appellante stelt dat zij derhalve met recht de arbeidsovereenkomst beschouwde als zijnde gesloten voor onbepaalde duur. De KUL stelt vervolgens dat mevrouw V. akkoord ging met deze kwalificatie van de overeenkomst als zijnde van onbepaalde duur wat allereerst blijkt uit het gebrek aan protest tegen de opzeg. Verder heeft zij in haar schrijven van 25 augustus 2000 uitdrukkelijk bevestigd dat op 31 augustus 2000 er een einde kwam aan de arbeidsovereenkomst, dat zij geen nieuw contract zou ondertekenen, en dat zij de schorsing van de opzegperiode verlangde door het opsturen van haar vakantiekaart en personeelskaart. Ook uit het opsturen van de vakantiekaart blijkt volgens de KUL dat geïntimeerde ontegensprekelijk zelf akkoord ging met de opzegtermijn, tenminste ook met de schorsing ervan gezien de jaarlijkse vakantie en ziekte en dat zij zich dan ook zelf ontegensprekelijk op een overeenkomst voor onbepaalde duur baseerde. Dat haar akkoord betreffende haar opzegtermijn van 3 maanden, of alleszins het principe van de opzeg, minstens impliciet uit haar handelwijze n.a.v. de opzegbrief die zij op 22 mei 2000 ontving, blijkt. Volgens de KUL wordt zelfs in het schrijven van de LBC van 13 december 2000 uitdrukkelijk bevestigd dat op 2 oktober 2000 er een einde kwam aan de tewerkstelling "nadat mevrouw V. de betekende opzegtermijn presteerde", wat impliciet betekent dat zij de opzegtermijn en de verlenging ervan wegens schorsing aanvaardde. Appellant stelt dat tevens bewezen is dat geïntimeerde bovendien zelfs geen nieuwe arbeidsovereenkomst verlangde, integendeel, zij wenste alleen dat haar lopende opzegtermijn geschorst werd. Volgens appellante blijkt dit duidelijk uit haar schrijven dd. 25 augustus 2000: "Aangezien er op 31/08/2000 een einde komt aan mijn opzegperiode en ik geen nieuw contract zal ondertekenen, stuur ik in bijlage mijn vakantiekaart en mijn personeelskaart". Appellante stelt dat geïntimeerde misbruik van recht maakt door te gaan beweren dat een nieuwe arbeidsovereenkomst na 31 augustus 2000 zou zijn ontstaan, daar waar zij aanvaardde dat er een einde was gekomen aan de overeenkomst ingevolge opzegging. Appellante stelt tenslotte dat haar tegeneis niet is verjaard. Dat de verjaring van haar tegenvordering immers gestuit werd door het uitbrengen van de dagvaarding tegen appellante. "De gedinginleidende dagvaarding stuit de verjaring van de tegenvorderingen die een verweer tegen de hoofdvordering uitmaken" (AH Luik, 24.4.1997, JTT 1998 (verkort), 30, noot). Zeer ondergeschikt stelt de KUL dat, indien de stelling van geïntimeerde zou worden gevolgd, er nooit een opzegging heeft plaatsgevonden, en dan is het wel degelijk geïntimeerde zelf die eenzijdig de arbeidsovereenkomst heeft beëindigd, door na 2 oktober 2000 zich niet meer aan te bieden op het werk. B. Het incidenteel hoger beroep. Mevrouw V. meent dat de eerste rechter ten onrechte de opzeggingstermijn overeenkomstig artikel 82 ,§3 AOW bepaalde op 4 maanden en maakt, rekening houdend met haar anciënniteit (4 jaar 5 maand), leeftijd (39 jaar 4 maand) en loon (1.068.457 BEF/jaar) aanspraak op een opzeggingstermijn van 6 maand welke overeenstemt met een verbrekingsvergoeding gelijk aan 18.445,51 euro. Mevrouw V. verzoekt ons Hof: - Het vonnis a quo te bevestigen in zoverre de KUL veroordeelt wordt tot betaling van een verbrekingsvergoeding plus de afgifte van de overeenkomstige wettelijke sociale een fiscale documenten. - Het vonnis a quo te hervormen wat het bedrag van de verbrekingsvergoeding betreft en de KUL dienovereenkomstig te veroordelen tot betaling van een verbrekingsvergoeding van in hoofdorde 18.445,51 euro bruto of in subsidiaire orde van 9.222,75 euro bruto plus de intresten en de kosten. ó ó ó IV. BEOORDELING VAN HET HOF. Overwegende dat het hoger hoofdberoep en het incidenteel hoger beroep naar vorm en tijd ontvankelijk voorkomen, wat overigens niet wordt betwist. Overwegende dat partijen sinds 22 april 1996 verbonden waren door opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde duur in het kader van een tijdelijk wetenschappelijk project (zorgverbreding) dat gefinancierd was door externe middelen (overheid). Jaarlijks werd er over de verlenging beslist. De laatste arbeidsovereenkomst was gesloten voor bepaalde duur van 1 september 1999 tot 31 augustus
- Een overeenkomst gesloten voor bepaalde duur kan niet beëindigd worden door eenzijdige opzegging door de werkgever (art. 37 AOW). Overwegende dat appellante aanvoert dat zij de overeenkomst herkwalificeerde als een overeenkomst van onbepaalde duur. Appellante beroept zich daarvoor op het wettelijk vermoeden voorzien in artikel 10, eerste lid AOW. Overwegende dat een overeenkomst gesloten voor bepaalde duur niet eenzijdig door één der partijen kan worden gewijzigd in een overeenkomst van onbepaalde duur. Overwegende dat appellante zich niet kan beroepen op het wettelijk vermoeden, voorzien in artikel 10, eerste lid AOW en dat partijen die verscheidene opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor een bepaalde tijd hebben afgesloten verondersteld worden een overeenkomst voor onbepaalde tijd te hebben aangegaan. Dit wettelijk vermoeden is ingesteld in het voordeel van de werknemer en kan derhalve enkel door hem worden ingeroepen (Cass. 2.12.2002, nr. S.02.0060.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021202.7, stuk 29 bundel V. ). Dat de werkgever het bedoelde vermoeden, wanneer het in zijn nadeel wordt aangevoerd quod non wel kan weerleggen op de in artikel 10 eerste lid bepaalde wijze (Cass. 2.12.2002 id.). De werkneemster voert in deze zaak het wettelijk vermoeden, vervat in artikel 10 AOW niet aan. Uit de neergelegde stukken blijkt, en geen der partijen betwist dit overigens dat de opeenvolgende arbeidsovereenkomsten die partijen sloten voor bepaalde duur, ook de laatste overeenkomst gesloten van 1 september 1999 tot 31 augustus 2000 gerechtvaardigd waren door de tijdelijke aard van het wetenschappelijk project dat afhankelijk was van tijdelijke financiering door derden. Appellante stelt ten onrechte dat geïntimeerde met de herkwalificatie van de arbeidsovereenkomst in een overeenkomst van onbepaalde duur zou hebben ingestemd. Eert en vooral dient volgens het Hof te worden opgemerkt dat appellante zelf niet de overeenkomst duidelijk heeft geherkwalificeerd zoals ze beweert. in de ontslagbrief (stuk 1 KUL) zegt de KUL duidelijk zelf dat geïntimeerde is tewerkgesteld met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd die verstrijkt op 31 december
- Verder betekent zij formeel een opzeg om alle toekomstige discussies over de aard van de overeenkomst overeenkomstig artikel 10 AOW te vermijden. Volgens het Hof is dit geen duidelijke wijziging noch een duidelijk voorstel aan de werknemer tot eventuele gezamenlijke wijziging van de oorspronkelijk overeengekomen voorwaarden van de arbeidsovereenkomst. Volgens het Hof blijkt vervolgens uit geen enkel stuk noch feit dat mevrouw V. expliciet of impliciet zou hebben ingestemd met de omzetting van de door partijen gesloten arbeidsovereenkomst (voor bepaalde duur tot 31 augustus 2000) in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur, althans niet vóór 31 augustus
- Dergelijk akkoord blijkt niet uit een gebrek aan protest tegen de opzegbrief noch uit haar schrijven van 25 augustus 2000, noch uit het feit dat zij verder heeft gewerkt tot 31 augustus
- Daar was zij immers krachtens haar arbeidsovereenkomst, afgesloten voor bepaalde duur van 1 september 1999 tot 31 augustus 2000, toe gehouden. ook het feit dat zij geen nieuwe arbeidsovereenkomst voor bepaalde duur ondertekende met appellante is geen bewijs van een akkoord met de omzetting van haar arbeidsovereenkomst in een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur. Appellante beweert dienaangaande doch bewijst evenmin dat zij aan geïntimeerde een aanbod deed in mei of juni voor verderzetting van dezelfde functie in hetzelfde project (stuk 5 verklaring van een werknemer KUL). Het Hof vraagt zich wel af waarom er dan door KUL in dezelfde periode officieel en formeel opzeg werd gegeven aan geïntimeerde. Op 25 augustus 2000 bevestigt mevrouw V. haar uitdiensttreding op 31 augustus 2000 en verzoekt om afgifte van sociale bescheiden. Ook dit is geen akkoord met een wijziging van de arbeidsovereenkomst van bepaalde duur in een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur. Het Hof stelt met de eerste rechter vast dat partijen tot 31 augustus 2000 verbonden waren door een arbeidsovereenkomst voor bepaalde duur. Dat deze overeenkomst wettelijk niet kon worden beëindigd door een opzegging en dat de door de KUL betekende opzegging als nietig moet worden beschouwd. Op 30 augustus 2000, 14 september en 21 september 2000 geeft appellante geïntimeerde kennis van verlenging van de door haar betekende opzeggingstermijn tot 20 september 2000, 26 september en 2 oktober 2000 wegens jaarlijkse vakantie en ziekte. Op 22 september 2000 stelt appellante haar vrij van verdere prestaties vanaf 25 september
- Geïntimeerde blijft verder in dienst tot 2 oktober 2000 en verricht arbeid tot 22 september
- Partijen zijn aldus ook na 31 augustus 2000 feitelijk verbonden gebleven door de arbeidsovereenkomst die zij oorspronkelijk sloten voor een bepaalde duur tot 31 augustus
- Zij voerden die overeenkomst ook verder uit tot 2 oktober
- Mevrouw V. stelt terecht dat zo na het verstrijken van de termijn de partijen voortgaan met de uitoefening van de overeenkomst, overeenkomstig artikel 11 AOW voor deze overeenkomst dan dezelfde voorwaarden gelden als voor de overeenkomst van onbepaalde tijd. Vanaf 1 september 2000 waren partijen verbonden door een overeenkomst voor onbepaalde tijd. Aan deze overeenkomst voor onbepaalde tijd stelde appellante een einde vanaf 2 oktober 2000, zoals blijkt uit het formulier C4 dat zij aan de werkneemster overhandigde op 29 september 2000 alsook uit de brieven van appellante aan geïntimeerde dd. 21 september 2000 (stuk 3 KUL) en 22 september 2000 (stuk 13 V. ). Vermits de KUL aan deze arbeidsovereenkomst, waarvoor de voorwaarden gelden als voor een overeenkomst van onbepaalde tijd, eenzijdig een einde stelde vanaf 2 oktober 2000 is appellante gehouden tot betaling van een opzeggingsvergoeding overeenkomstig artikel 39 AOW gelijk aan het loon voor de overeenstemmende opzegtermijn. Daar het jaarlijks loon van geïntimeerde de in artikel 82 ,§3 voorziene loongrens (956.000 BEF of 23.698,62 euro) overschrijdt, dient de opzeggingstermijn overeenkomstig artikel 82 ,§3 AOW door de rechter te worden bepaald met inachtneming van de op het tijdstip van de kennisgeving van de opzegging voor de bediende bestaande kans om spoedig een gelijkwaardige betrekking te vinden (Cass. 8.9.1980, arr. Cass. 1980-81, 17), rekening houdend met zijn anciënniteit, zijn leeftijd en de belangrijkheid van zijn functie en het bedrag van zijn loon, dit volgens de gegevens eigen aan de zaak (Cass. 17.9.1975, TSR 1976, 14; Cass. 3.2.1986, JTT 1987, 58; Cass. 4.2.1991, RW 1990-91, 1407), en met de inachtneming van beiderzijdse belangen (Cass. 9.5.1994, Soc. Kron. 1994, 253, noot). Rekening houdende met haar niet betwiste anciënniteit van 4 jaar en 5 maand, haar leeftijd van 39 jaar en 4 maand, haar functie van secretaresse en haar loon van 1.068.457 BEF, zoals blijkt uit de loonfiches en berekening formule Claeys (stukken 15 en 17 bundel V. ) meent het Hof dat de passende opzegtermijn op 6 maanden dient te worden bepaald zodat zij gerechtigd is op een opzegvergoeding gelijk aan 6 maanden lopend loon en voordelen op 1.068.457 BEF : 12 x 6 = 534.228,5 BEF of 13.243,18 euro (het gevorderde bedrag van 18.445,51 euro blijkt een materiële vergissing te zijn. Over de oorspronkelijke tegeneis van de KUL. De oorspronkelijke tegeneis van de KUL werd ingeleid bij besluiten dd. 24 september 2002 of meer dan één jaar na de definitieve beëindiging van de arbeidsovereenkomst (2 oktober 2000). Deze eis strekt tot veroordeling van geïntimeerde tot betaling van een opzeggingsvergoeding wegens onregelmatige verbreking van de arbeidsovereenkomst op 2 oktober 2000 (door zich niet meer op het werk aan te bieden). Deze vordering is geen louter verweer maar een autonome vordering die in een afzonderlijk geding kon worden ingesteld en die onafhankelijk en losstaand is van de hoofdvordering (Cass. 17.9.1990, JTT 91, 7). De verjaring van deze tegenvordering die geen louter verweer is wordt dan ook niet gestuit door de inleiding van de hoofdvordering bij dagvaarding (AH Luik, 3.12.1977, Jur. Liège 77, 74; AH Antwerpen 16.4.1985, JTT 1987, 170). ó ó ó OM DEZE REDENEN, Het Arbeidshof, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24, Rechtsprekend op tegenspraak, Alle andere middelen en conclusies verwerpende, Verklaart het hoger hoofdberoep en het incidenteel hoger beroep ontvankelijk. Verklaart het hoger hoofdberoep ongegrond. Verklaart het incidenteel hoger beroep deels gegrond in hierna vermalde mate. Bevestigt het vonnis a quo voor zover het de oorspronkelijke tegeneis van de KUL onontvankelijk verklaart wegens verjaring en voor zover het de oorspronkelijke hoofdvordering deels gegrond verklaart en de KUL tot de kosten veroordeelt. Hervormt het vonnis voor zover en slechts voor zover het de KUL veroordeelt tot betaling aan mevrouw G. V. van een bedrag gelijk aan 12.297 euro t.t.v. opzegvergoeding. Opnieuw rechtdoende, Veroordeelt de katholieke Universiteit Leuven tot betaling aan mevrouw G. V. van een bedrag van EUR 13.243,18 (dertienduizend tweehonderd drieënveertig euro en achttien cent) bruto t.t.v. opzegvergoeding te vermeerderen met wettelijke en gerechtelijke intresten te berekenen op het overeenstemmend netto bedrag. Veroordeelt de Katholieke Universiteit Leuven tevens tot afgifte van de wettelijke sociale en fiscale bescheiden in overeenstemming met onderhavig arrest. Veroordeelt appellante tot de kosten van het hoger beroep, tot op heden als volgt begroot: - voor appellante: - rechtsplegingsvergoeding hoger beroep EUR 279,62 - voor geïntimeerde: -- Aldus gewezen en uitgesproken op de openbare terechtzitting van de derde kamer van het Arbeidshof te Brussel op achttien maart tweeduizend en vijf. Waren aanwezig: M. VERMAELEN: Raadsheer. F. VANDEWIJNGAERDEN: Raadsheer in Sociale Zaken als werkgever. B. MUSSCHE: Raadsheer in Sociale Zaken als werknemer-bediende, aangeduid bij bevelschrift van heden, ter vervanging van de heer A. LEURS, Raadsheer in Sociale Zaken als werknemer-bediende, die de debatten heeft bijgewoond en heeft deelgenomen aan het beraad van onderhavig arrest, maar wettig verhinderd is om de uitspraak ervan bij te wonen (art. 779 van het Gerechtelijk Wetboek). L. COEN: Eerstaanwezend adjunct-griffier. PDF document ECLI:BE:CTBRL:2005:ARR.20050318.5 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021202.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div