id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 25 maart 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2005:ARR.20050325.8 Rolnummer: 44.059 Rechtsgebied: Internationaal privaatrecht Invoerdatum: 2008-06-11 Raadplegingen: 204 - laatst gezien 2026-07-02 07:42 Versie(s): Vertaling FR Fiche
- Om te bepalen welke vennootschap de hoedanigheid van werkgever heeft ten aanzien van een gedetacheerde werknemer die onderworpen blijft aan de sociale zekerheid van het land van oorsprong, moet men nagaan wie het werkgeversgezag uitoefent, het loon betaalt en de bonus vaststelt.
- Het beding tot aanwijzing van gerechtelijke bevoegdheld moet niet voldoen aan de Belgische taalwetgeving. Dit beding heeft geen invloed op de arbeidsovereenkomst aangezien het voor het ontstaan van het geschil gesloten werd. In casu zijn de gebruikelijke tewerkstelling (zoals geïnterpreteerd conform het Verdrag van Rome van 19 juni 1980) en woonplaats van de werknemer gevestigd in België, zodat de Belgische rechtbanken bevoegd zijn.
- Kennisgeving van de dagvaarding aan de Britse onderneming is gebeurd op het voormalige hoofdkantoor. De sanctie voor zulke dwaling is de relatieve nietigheid van de dagvaarding. De onderneming is echter in rechte verschenen en heeft geconcludeerd; zij heeft dus geen schade geleden.
- In de detacheringbrief hebben beide partijen gekozen voor het Britse recht. Deze keuze is geldig maar de dwingende Belgische bepalingen moeten ook krachtens artikel 6 en 7 van het Verdrag van Rome van 19 juni 1980 toegepast worden.
- Hoewel de detacheringbrief een maximale termijn bevat, moet de arbeidsrelatie beschouwd worden als een overeenkomst van onbepaalde duur. In toepassing van artikel 82 van de Arbeidsovereenkomstenwet moet men rekening houden met de omstandigheden eigen aan de zaak bij het bepalen van de opzeggingstermijn of -vergoeding. In casu had de werknemer zelf ontslag aangevraagd en was hij nog voor zijn ontslag werkzaam bij een concurrent. Het basisloon omvat het dubbele vakantiegeld, het privégebruik van een bedrijfsvoertuig, de betaling van de huur door de werkgever en het variabel loon. Rekening houdend met deze elementen kon de werknemer aanspraak maken op een opzeggingsvergoeding gelijk aan 6 maanden loon.
- Wat de jaarlijkse vakantie betreft, heeft de in België gedetacheerde werknemer het recht het dubbele vakantiegeld te eisen, ook al is hij onderworpen aan de Britse sociale zekerheid. 7.In toepassing van het Vlaamse decreet van 19 juli 1973 is de ontbindende voorwaarde vervat in het aandelenoptieplan nietig wanneer dit plan in het Engels is opgesteld. UTU-thesaurus: GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - INTERNATIONAAL PRIVAATRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Algemeen (internationaal privaatrecht - algemene beginselen) Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP - RECHT - WETGEVING - INTERNATIONAAL PRIVAAT- EN PUBLIEKRECHT - Internationale arbeidsovereenkomst - Begrip werkgever - Bevoegde rechtbank - Dagvaarding van een buitenlandse onderneming - Toepasselijke wetgeving - Opzeggingsvergoeding - Vakantiegeld - Aandelenoptie. Wettelijke bepalingen: Verdrag EG/EU - 16-09-1988 - - - LUGANO Link Justel databank 19880916-LUGANO Nota: Gepubliceerd in S.R.K. 2007, p. 386-
- Gerangschikt onder I G. Annotaties Publicaties: Sociaalrechtelijke kronieken - - 2007(386-395) Chroniques de droit social - - 2007(386-397) Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN 25 MAART 2005 TWEEDUIZEND EN VIJF. DERDE KAMER Bediendecontract Tegensprekelijk Gedeeltelijk definitief + heropening der debatten op 20 september 2005 om 14 uur In de zaak: De Heer C. D., wonende te [xxx]; Appellant, geïntimeerde op incidenteel hoger beroep, vertegenwoordigd door Mter Ph. Kempeneers, advocaat te 1050 Brussel; Tegen : 1.N.V. ATOS ORIGIN INTERNATIONAL COMPETENCES AND ALLIANCES (ORIGINAL ICA), ingeschreven in het handelsregister van Brussel onder het nummer 532.341, met maatschappelijke zetel gevestigd te 1930 Zaventem, Imperiastraat, 12,
- ORIGIN UK SERVICES LTD (ORIGIN UK), met maatschappelijke zetel gevestigd te Whyteleafe Surrey CR3 OAT, Whyteleafe Business Village (Company n° 02674501) in het Verenigd Koninkrijk, Geïntimeerden, appellanten op incidenteel hoger beroep, vertegenwoordigd door Mters J. Hofkens en G. Cuppens, advocaten te 1130 Brussel Na beraadslaging, velt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest: Gelet op de stukken van de rechtspleging en meer bepaald op : -het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis op tegenspraak gewezen door de Arbeidsrechtbank te Brussel op 19 juli 2002, 2de Kamer; - het verzoekschrift tot hoger beroep ontvangen ter griffie van dit Hof op 1 april 2003; - de besluiten van partijen; - de voorgelegde stukken; Gehoord partijen in hun middelen en beweringen op de openbare terechtzitting van 15 februari
- x x x RELEVANTE FEITEN EN RECHTSPLEGING De Heer C. die de Engelse nationaliteit bezit, ondertekende op 15-10-96 een arbeidsovereenkomst met de vennootschap naar Engels recht ORIGIN IT SERVICES Ltd. (later ATOS ORIGIN UK SERVICES Ltd.), gespecialiseerd in informaticaprojecten voor multinationale ondernemingen. De Origin groep is in het begin van de jaren 90 ontstaan als afsplitsing van Philips en ontwikkelde zich als een zelfstandige dienstverlener van informaticadiensten. Krachtens die arbeidsovereenkomst werd de Heer C. vanaf 4-11-96 als Project Manager tewerkgesteld binnen de "Global SAP Practice".Hij werd er belast met projecten voor o.m. Philips Consumer Electronics, Philips Semiconductors, Philips Components, Ericsson e.d.m. Op het ogenblik van de aanwerving van de Heer C. bestond de Origin Groep uit een internationale matrixorganisatie van "Globale Services Lines" enerzijds en "Country Organisaties" anderzijds. Hieraan werd een globale accountas toegevoegd. De organisatie werd uitgebouwd tot een globale organisatie op internationaal vlak die de lokale nationale structuren omvatte en oversteeg. De verschillende businesslijnen bestonden uit ES (enterprise solutions) PS (professional services) en MS (management services). John Le Rossignol was in 1996 verantwoordelijk als Global Service Line Director voor de SAP business wereldwijd. Eind 96 werden "Ambassador consultants" en "International Project Managers " aangeworven die internationaal mobiel waren. De Heer C. was één van hen. De arbeidsovereenkomst bepaalde dat de tewerkstelling normaal zou plaats vinden in het Verenigd Koninkrijk doch dat de plaats van tewerkstelling kon worden gewijzigd. Vanaf het begin van zijn tewerkstelling leverde de heer C. meer dan de helft van zijn prestaties in Zaventem waar de zetel gevestigd was van ORIGIN ICA doch hij was ook in andere landen werkzaam. Begin 1999 werden de ERP Global service lines (waaronder SAP,BAAN,QUAD.) gegroepeerd tot 1 globale Service Group,onder de leiding van J.D. Le Rossignol, tevens lid van het "operating comittee", het hoogste beleidsorgaan van de wereldwijde Originorganisatie. Vanaf 1-7-99 werd een formele detachering van de Heer C. van Origin UK in Engeland naar Origin ICA in België tot stand gebracht. Op 13-12-99 werd de detacheringsbrief, een nieuwe arbeidsovereenkomst, gesloten. Deze werd ondertekend door P.B. in zijn hoedanigheid van "Chief Operating Officer Global Enterprises Solutions". De overeenkomst vermeldde dat de Heer C. de functie van Industry Manager kreeg toegewezen en werd uitgezonden naar Origin ICA voor de voorziene duur van 3 jaar. In de overeenkomst werd rechtskeuze gedaan voor het Engels recht en werden de Engelse rechtbanken als bevoegde rechtsmacht aangeduid.Verder werd bepaald dat Origin UK de werkgever bleef en dat de oorspronkelijke arbeidsovereenkomst van toepassing bleef. Bij de bevoegde Engelse sociale zekerheidsinstelling werd een formulier E 101 aangevraagd waardoor de Heer C. aan de Engelse sociale zekerheid onderworpen kon blijven. Dit formulier, afgeleverd op 14-12-98, vermeldde art 14,1 b van de richtlijn 1408/71 als basis voor de uitzending en de datum van -1-7-98 als begin van de tewerkstelling voor de aanvrager, Origin UK. De Heer C. bleef onderworpen aan de Engelse sociale zekerheid en ook fiscaal was hij in het Verenigd Koninkrijk gedomicilieerd zodat hij het statuut van buitenlands kaderlid genoot. De Heer C. vervulde internationale taken in verschillende landen doch voor het grootste deel bleef hij actief in Zaventem vanwaar hij zijn activiteiten organiseerde. De personen die aan hem ondergeschikt waren, waren in verschillende landen werkzaam en verbonden aan verschillende juridische entiteiten van de Origin groep. In de loop van het jaar 2000 was er een discussie gerezen met betrekking tot de bonusberekening van de Heer C. die daarover zijn ongenoegen uitte tijdens een vergadering in Utrecht op 8-11-
- Ook had hij reeds bij mailbericht van 3-11-2000 verzocht te worden opgenomen op de A lijst, een lijst van werknemers die bij de herstructurering zouden worden ontslagen. Daarop werd hem een brief gestuurd, namens Origin ondertekend door de Heer G., waarin akte werd genomen van zijn beslissing tot ontslagname en deze werd aanvaard mits een opzegtermijn van drie maanden werd nageleefd. De Heer C. protesteerde hiertegen met een bij brief van 13-11-2000 en stelde geenszins te kennen te hebben gegeven dat hij ontslag wenste te nemen. Daarop werd hem een overeenkomst voorgelegd tot minnelijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst en werd hem verzocht zich niet meer op het werk aan te bieden. Op 14-11-2000 werd de Heer C. benoemd tot bestuurder van "Hour Glass Enterprise Consulting Ltd.", een vennootschap met een concurrerende activiteit. De Heer C. meldde dat hij zich opnieuw op het werk zou aanbieden, doch de Engelse vennootschap Origin UK had intussen op 30-11-2000 ontslag betekend. De betaling van een opzeggingsvergoeding gelijk aan drie maanden loon werd in het vooruitzicht gesteld. Aldus was de overeenkomst verbroken. Na voorafgaande ingebrekestelling spande de Heer C. met dagvaarding betekend aan ORIGIN ICA op 26-2-2001 een geding aan voor de Arbeidsrechtbank. Op 30-11-2001 gaf hij opdracht een dagvaarding in gedwongen tussenkomst te laten betekenen aan de vennootschap Origin UK. De vordering ingeleid door de Heer C., zoals gewijzigd en uitgebreid bij conclusie beoogde: - ORIGIN ICA EN ORIGIN UK te veroordelen tot de betaling van ofwel 20.750.435 BEF (514.389,85 euro ) bruto provisioneel ten titel van opzeggingsvergoeding gelijk aan het loon van 19 maanden indien de arbeidsovereenkomst werd afgesloten voor een bepaalde duur, te vermeerderen met de wettelijke intresten vanaf het ontslag, hetzij vanaf 30 november 2000, en met de gerechtelijke intresten vanaf de dagvaarding, hetzij vanaf 26 februari 2001, ofwel 25.118.948 BEF (662.682,46 euro ) bruto provisioneel ten titel van opzeggingsvergoeding gelijk aan het loon van 23 maanden indien de arbeidsovereenkomst werd afgesloten voor een onbepaalde duur, te vermeerderen met de wettelijke intresten vanaf het ontslag, hetzij vanaf 30 november 2000, en met de gerechtelijke intresten vanaf de dagvaarding, hetzij vanaf 26 februari 2001; - overeenkomstig artikel 962 van het Gerechtelijk Wetboek een revisor aan te stellen als gerechtsdeskundige met als opdracht de bonus voor de prestaties van het jaar 1999 te berekenen aan de hand van het model dat ORIGIN ICA op 12 april 2000 zelf heeft medegedeeld aan D. C.; - overeenkomstig artikel 962 van het Gerechtelijk Wetboek een revisor aan te stellen als gerechtsdeskundige met als opdracht de bonus voor de prestaties van het jaar 2000 te berekenen aan de hand van het model dat ORIGIN ICA op 15 november 2000 zelf heeft medegedeeld aan D. C.; - ORIGIN ICA en ORIGIN UK te veroordelen tot de betaling van 1.514.179 BEF (37.535,52 euro ) bruto provisioneel ten titel van vertrekvakantiegeld (vakantiedienstjaar 2000- vakantiejaar 2001), te vermeerderen met de gerechtelijke intresten op het netto-vakantiegeld vanaf de dagvaarding, hetzij vanaf 26 februari 2001; - ORIGIN ICA en ORIGIN UK te veroordelen tot de betaling van 420.750 BEF (10.430,12 euro ) ten titel van achterstallig vakantiegeld voor het vakantiejaar 1999, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten op het netto-vakantiegeld vanaf de dagvaarding, hetzij vanaf 26 februari 2001; - ORIGIN ICA en ORIGIN UK te veroordelen tot de betaling van 743.762 BEF (18.437,38 euro ) ten titel van achterstallig vakantiegeld voor het vakantiejaar 2000, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten op het netto-vakantiegeld vanaf de dagvaarding, hetzij vanaf 26 februari 2001; - ORIGIN ICA en ORIGIN UK te veroordelen tot de betaling van 419.557 BEF (10.400,55 euro ) ten titel van schadevergoeding voor de niet gebruikte 11 vakantiedagen van het vakantiejaar 2000, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten vanaf de dagvaarding, hetzij vanaf 26 februari 2001; - ORIGIN ICA en ORIGIN UK te veroordelen tot de betaling van 141.984 BEF (3.519,69 euro ) ten titel van terugbetaling van de schadevergoeding wegens voortijdige beëindiging van de huurovereenkomst, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten vanaf de dagvaarding, hetzij vanaf 26 februari 2001; - ORIGIN ICA en ORIGIN UK te veroordelen tot de betaling van 546.440 BEF (13.545,89 euro ) ten titel van terugbetaling van factuur EXE 210421 van de N.V. TRANSEURO WORLDWIDE MOVERS dd. 9 februari 2001, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten vanaf de dagvaarding, hetzij vanaf 26 februari 2001; - ORIGIN ICA en ORIGIN UK te veroordelen tot de betaling van 29.218 BEF (724,30 euro ) ten titel van terugbetaling van factuur 211.153 van de N.V. TRANSEURO WORLDWIDE MOVERS dd. 23 juli 2001, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten vanaf de neerlegging van de initiële besluiten, hetzij vanaf 4 september 2001; - te zeggen voor recht dat D. C. het recht tot aankoop van 7000 certificaten van aandelen dat werd toegezegd op 28 juli 1999 zal kunnen uitoefenen vanaf 28 juli 2002 indien hij het wenst; - te zeggen voor recht dat D. C. het recht tot aankoop van 7000 certificaten van aandelen dat werd toegezegd op 29 mei 2000 zal kunnen uitoefenen vanaf 269 mei 2003 indien hij het wenst; - ORIGIN ICA en ORIGIN UK te veroordelen tot de kosten van het geding, inclusief de rechtsplegingsvergoeding; - ORIGIN ICA en ORIGIN UK te veroordelen tot de overlegging van de afrekening ten bedrage van 35.764,99 euro dd. 15 december 2000, de vakantieattesten (vakantiejaren 2000 en 2001) en van het behoorlijk ingevuld werkloosheidsbewijs " C4" op straffe van een dwangsom van 1000 BEF per document en per dag vertraging bij gebreke van overlegging binnen de zeven kalenderdagen volgend op de betekening van het uit te spreken vonnis; - het uit te spreken vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, niettegenstaande alle verhaal, zonder borgstelling, noch kantonnement; Met het beroepen vonnis verklaarde de Arbeidsrechtbank de vordering van de Heer C. t.a.v. Atos Origin International Competences & Alliances (ICA) NV onontvankelijk bij gebreke aan arbeidsovereenkomst tussen partijen en de vordering in gedwongen tussenkomst t.a.v. Origin Uk Services LTD. onontvankelijk en minstens verjaard. De tegenvordering van Origin ICA verklaarde ze eveneens onontvankelijk en ze veroordeelde de Heer C. tot de kosten van het geding. VOORWERP VAN DE HOGERE BEROEPEN De Heer C. vordert dat het Hof zijn hoger beroep ontvankelijk en gegrond zou verklaren, zijn oorspronkelijke vordering volledig zou inwilligen en het incidenteel hoger beroep van Origin ICA zou afwijzen. De vennootschappen vorderen dat het beroepen vonnis zou worden bevestigd. De vennootschap Origin ICA stelde bij conclusie incidenteel hoger beroep in in de mate dat het Hof zou oordelen dat zij als werkgever dient beschouwd te worden. De vennootschap Origin UK stelt op haar beurt incidenteel hoger beroep in voor het geval de tegen haar gerichte vordering ontvankelijk zou worden beschouwd. De incidentele hogere beroepen beogen de veroordeling van de Heer C. tot betaling van een schadevergoeding wegens het uitoefenen van concurrerende activiteiten tijdens zijn tewerkstelling , niettegenstaande het verbod daartoe in zijn arbeidsovereenkomst. BEOORDELING DOOR HET HOF 1 Ontvankelijkheid van de hogere beroepen Het hoger beroep dat regelmatig is naar vorm werd ingesteld binnen de wettelijke termijn. Het is derhalve ontvankelijk. Hetzelfde geldt voor de incidentele hogere beroepen.
- Ten gronde Verschillende geschilpunten dienen opgelost te worden vooraleer de grond van de zaak kan worden onderzocht en wel de volgende:
- Welke vennootschap dient als werkgever van de Heer C. te worden beschouwd of kunnen zij beide als werkgever worden beschouwd ?
- Zijn de arbeidsgerechten te Brussel bevoegd om kennis te nemen van de zaak ? De vennootschappen menen van niet.
- Werd de dagvaarding aan de vennootschap Origin UK geldig betekend en binnen de verjaringstermijn ? Origin meent dat dit niet het geval is.
- Welk recht is toepasselijk op de overeenkomst tussen partijen? VOORAFGAANDE ANALYSE VAN DE VERHOUDING TUSSEN PARTIJEN -DE HOEDANIGHEID VAN WERKGEVER Uit de stukken blijkt dat ORIGIN UK is opgetreden bij het afsluiten van de oorspronkelijke arbeidsovereenkomst van 15-6-96 waarin echter werd bepaald dat deze tot stand kwam met ORIGIN GLOBAL SAP PRACTICE, die daartoe mandaat had gegeven. De Engelse vennootschap betaalde het loon uit, vulde de loonbrieven in en betaalde kennelijk ook de sociale zekerheidsbijdragen in het Verenigd Koninkrijk. ORIGIN UK verzond eveneens de ontslagbrief op 30-11-
- Dit gebeurde evenwel pas nadat de Heer G., Managing Director van ORIGIN ICA eerst de ontslagname door de Heer C. had vastgesteld en hem had meegedeeld dat hij deze aanvaardde. Nadat de Heer C. de ontslagname had betwist werd hem een minnelijke regeling voorgesteld door de HR directie van ORIGIN UK op naam van "ATOS ORIGIN GROUP" waarmee bedoeld werd ATOS ORIGIN SA, de Belgische Vennootschap en de vennootschappen waarin deze minstens voor 50% participeerde. De "uitzendbrief" dd 13-12-99, waarbij de Heer C. werd uitgezonden naar Zaventem, werd vanuit Amsterdam naar de Heer C. verstuurd op zijn adres in Tervuren. De uitzendbrief die een heuse overeenkomst is waarbij de oorspronkelijke contractvoorwaarden werden gewijzigd, o.m. wat de functie betrof, werd ondertekend door de Heer P. B.,COO GLOBAL ENTERPRISE SOLUTIONS en namens ORIGIN ICA Belgium door John Le Rossignol. De Heer P. B. maakte deel uit van de Nederlandse vennootschap ORIGIN BV en bovendien van het bestuur van de internationale structuur ORIGIN GLOBAL, zonder rechtspersoonlijkheid. In de uitzendbrief werd bepaald dat de "bonus" zou worden vastgesteld volgens het gebruik in het gastland, België dus. Uit de stukken tot vaststelling van de bonus voor 99 en 2000 blijkt dat deze werd bepaald in functie van criteria en objectieven die niets van doen hadden met de Engelse vennootschap. Het bonusplan voor 99 werd ondertekend door de heer B. als "responsible manager" na goedkeuring door het "operating comittee". Dit voor het jaar 2000 werd ondertekend door de heer G. als "responsible manager" na goedkeuring door de Heer T. L.. Ook de werkuren zouden worden bepaald volgens het gebruik in het gastland. Als Host Manager werd de Heer B. aangeduid en als host sponsor de heer John Le Rossignol. De bijlage aan die overeenkomst bevat een clausule met betrekking tot het beroepsgeheim en een niet-concurrentiebeding dat betrekking heeft op een tewerkstelling voor Origin BV. De Heer C. beweert dat hij vanaf het begin van zijn tewerkstelling naar Zaventem werd uitgestuurd. De overeenkomst vermeldde als plaats van tewerkstelling de kantoren in het Verenigd Koninkrijk of iedere andere overeen te komen plaats. De Heer C. staaft zijn bewering met tal van bewijsstukken o.m. m.b.t. hotelonkosten voor de eerste week van tewerkstelling gefactureerd aan Origin ICA, visitekaartjes die hij sinds 4-11-96 gebruikte met vermelding van een tewerkstellingsadres in Zaventem, een Belgisch GSM-nummer dat hij sinds diezelfde datum in gebruik had, een American Expresskaart op naam van ORIGIN ICA vanaf die datum. Hij beschikte over een wagen op naam van ORIGIN ICA.Hij verrichte talrijke verplaatsingen per vliegtuig vanuit London op maandagochtend om er op vrijdagavond terug te keren, hetgeen bevestigd wordt door zijn secretaresse die hem bracht en afhaalde en ook zijn administratie en zakenreizen regelde. Zijn onkosten werden terugbetaald door ORIGIN ICA. Verschillende collega's-werknemers bevestigen eveneens zijn tewerkstelling in Zaventem vanaf november
- De Heer C. stelt dat er hooguit enkele vergaderingen in het Verenigd Koninkrijk zijn geweest die dan nog vanuit België geregeld werden, waar hij hoofdzakelijk werkzaam was en van waaruit hij ook zijn andere activiteiten in het buitenland organiseerde. Zijn tijdsgebruik ziet er als volgt uit: in 96 : 64%van zijn tijd besteed aan Origin ICA en 27% nagenoeg uitsluitend weekends doorgebracht in het Verenigd Koninkrijk , 9% vakantie. Voor 97 wordt dit respectievelijk 70%, 22% en 8%. De vennootschappen betwisten de hoofdzakelijke tewerkstelling in België tijdens de periode van 4-11-96 tot 1-7-99, doch brengen geen stukken bij die zulks weerleggen. Uit geen enkel stuk blijkt dat de Heer C. activiteiten zou hebben gehad in het Verenigd Koninkrijk voor rekening van de Engelse vennootschap. In een juridisch advies dat de vennootschap inwon bij Clifford Chance en Meiss Ltd met betrekking tot de arbeidsomstandigheden van buitenlandse werknemers, wordt gewezen op het problematische van de situatie.Daarin werd opgemerkt dat in de meeste gevallen (van buitenlandse werkgevers) er weinig of geen bewijs was dat de werknemers een band behielden met het land van hun gewoonlijke verblijfplaats nu de onkostennota's ter goedkeuring werden voorgelegd aan Origin ICA die ook de kredietkaarten verstrekte en de terugbetaling van de beroepskosten verrichtte en de meeste bedienden dan nog onderworpen waren aan het management, de rapporteringslijnen en het gezag van Origin ICA en het grootste gedeelte van hun werk in België verrichtten. Voor de tewerkstellingsperiode die volgde op de "uitzendbrief" kan er al helemaal geen betwisting over bestaan dat de Heer C. zijn professionele activiteiten vooral vervulde in België en zijn activiteiten in het buitenland van daaruit organiseerde. Waar hij aanvankelijk nog in de week-ends naar het Verenigd Koninkrijk terugkeerde waar zijn echtgenote nog verbleef, was de gezinsverblijfplaats nadien duidelijk in België gevestigd waar de Heer C. ook was ingeschreven in de bevolkingsregisters. Aanvankelijk verbleef hij in door de vennootschap ter beschikking gestelde woningen en vervolgens in woningen die hij zelf huurde. Dat de Heer C. nog eigenaar bleef van een woning in het Verenigd Koninkrijk en daar nog een domicilieadres behield doet daar niets aan af. Volgens de inlichtingen verstrekt aan de fiscale administratie beschikte hij er in ieder geval niet meer over "roerende goederen", zodat België zijn werkelijke verblijfplaats was. Waar iemand zijn verblijfplaats heeft is een feitelijke aangelegenheid. De verblijfplaats is iedere plaats waar de betrokkene zich op min of meer permantente wijze heeft gevestigd (A.Fettweis; Manuel de procécure civile Luik, 87 nr 225; P. Rouard, Traité élémentaire de droit judiciaire privé, bd. II, Bruylant, 75, nr 288). Om te bepalen wie werkelijk de werkgever was van de Heer C. dient nagegaan te worden wie over hem het werkgeversgezag uitoefende nu dit de meest kenmerkende eigenschap vormt van de arbeidsovereenkomst. Er bestaat geen betwisting over dat de Heer C. rapporteerde aan de Heer John Le Rossignol die eveneens werkzaam was in Zaventem. In een door de vennootschap voorgebracht stuk wordt vermeld dat de Heer C. in het bedrijf ORIGIN ICA aan de Heer Le Rossignol rapporteerde. De vennootschappen houden voor dat aangezien de Heer Le Rossignol eveneens door de Engelse vennootschap werd aangeworven en op haar loonlijst stond, hij derhalve eveneens werknemer was van ORIGIN UK. Zij leggen arbeidsovereenkomsten voor met de Heer Le Rossignol waarvan de laatste dateert van
- In een verklaring van 6-12-01 bevestigt de Heer Le Rossignol het volgende: -dat er twee organisaties waren die als ICA werden betiteld en die beide hun hoofdkwartier in België hadden: een GLOBAL organisatie, later ENTERPRISE SOLUTIONS genaamd die in het begin van de jaren 90 werd opgericht en aan het bestuur van ORIGIN in Nederland rapporteerde en een Belgische vennootschap met die naam die deel uitmaakte van de GLOBAL organisatie. -dat hij zelf verantwoordelijk was voor de GLOBAL organisatie en ook een taak van dagelijks bestuur uitoefende in de Belgische vennootschap "INTERNATIONAL COMPETENCES AND ALLIANCES afgekort ICA. -dat de heer C. aan hem rapporteerde in zijn hoedanigheid van hoofd van de GLOBAL ICA-organisatie, vanaf zijn aanwerving in november 96 tot aan zijn ziekte in september 99, dat hij zijn job uitoefende vanuit het hoofdkwartier van ICA Global in Brussel en in internationale ORIGIN SAP projectactiviteiten werd tewerk gesteld. -dat hijzelf (Le Rossignol dus) op de loonlijst stond van verschillende Engelse vennootschappen doch enkel rapporteerde aan het Nederlands Internationaal Management sinds 1985 -dat hij de Engelse vennootschap nooit juridisch vertegenwoordigde en nooit deel uitmaakte van het bestuur van een Engelse vennootschap. -dat de tewerkstelling van de Heer C. met de zijne vergelijkbaar was. Een stuk daterend van 18-3-94 dat de Heer C. voorlegt met betrekking tot de organisatie van ORIGIN INTERNATIONAL ondersteunt deze verklaring van de Heer Le Rossignol en werpt een licht op de structuur ervan. Daarin wordt uiteengezet dat de ORIGIN GLOBAL ORGANISATION op verschillende pijlers steunt, waaronder IBD (international Business Development) met centrum in Utrecht en bijkantoren op verschillende plaatsen waaronder Brussel en anderzijds ICA (international Competences and Alliances) met centrum te Brussel en bijkantoren op ander plaatsen . Deze onderverdeling heeft een viertal activiteiten waaronder SAP - dat er twee "wettelijke structuren" zijn m.b.t. deze activiteiten . Hieruit blijkt de verwevenheid van de internationale GLOBAL ICA activiteit en de Belgische ORIGIN ICA-vennootschap. Een aantal stukken daterend van 20-12-97 met betrekking tot een loonsverhoging en een premie voor het jaar 98 bestemd voor de Heer C. zijn door de Heer Le Rossignol ondertekend in zijn hoedanigheid van Managing Director SAP Line. Stukken met betrekking tot de voor 1997 toegekende bonus worden door de Heer Le Rossignol ondertekend op briefpapier van de NV ORIGIN ICA te Zaventem. De stukken met betrekking tot de toekenning van de bonus voor '99 worden dan weer ondertekend door de Heer B., (Ex. Vice president Enterprise Solutions) als verantwoordelijke met vermelding dat ze werden goedgekeurd door de "operating comittee" (dit comité oefende de dagelijkse leiding uit en was hiërarchisch ondergeschikt aan de "Board of management" die op zijn beurt onder de "supervisory board" stond) en deze voor 2000 door de Heer Goffin (opvolger van Le Rossignol) na goedkeuring door Tim Lomax. De Heer D. Todd die van januari 97 tot juli 98 afgevaardigd bestuurder was van de Engelse vennootschap ORIGIN UK verklaart dat noch de Heer C. noch de Heer Le Rossignol tijdens de periode dat hij afgevaardigd bestuurder was dienden te rapporteren aan het UK Management Team, ook geen verantwoordelijkheden hadden binnen die vennootschap en op geen enkel organigram (van de Engelse vennootschap) voorkwamen. Hij bevestigde dat Origin UK zoals het geval was in andere landen enkel optrad als betaalkantoor voor "Origin International ICA Brussel om in Engeland verblijvende ICA -werknemers administratief te verwerken en voor hun Sociale Zekerheid in te staan. Uit geen enkel element blijkt derhalve dat de Heer John Le Rossignol tijdens de tewerkstellingsperiode van de Heer C. onder het gezag stond van de Engelse vennootschap. Het blijkt overigens niet dat de Engelse Vennootschap een internationaal activiteitsveld had. Haar werking was hoofdzakelijk beperkt tot de Engelse markt. De internationale activiteit werd opgevolgd door de vennootschap gevestigd te Zaventem, zoals overigens blijkt uit haar benaming. De verschillende vennootschappen van de groep hebben hetzelfde logo "ORIGIN" in hetzelfde lettertype gezet en hun briefwisseling maakt vaak geen melding van de aard van hun juridische rechtspersoonlijkheid noch van hun maatschappelijke zetel. Uit het geheel van de voorgelegde stukken blijkt -dat de Heer C. vanaf het begin van zijn tewerkstelling hoofdzakelijk in België was tewerkgesteld en van daaruit zijn andere buitenlandse activiteiten organiseerde. -dat zijn activiteit verband hield met internationale projecten -dat hij rapporteerde aan de Heer Le Rossignol, (later aan de Heer Goffin) die op zijn beurt rapporteerde aan een internationaal bestuur dat vanuit Nederland de leiding had van "GLOBAL ICA" een internationaal samengestelde groep die geen afzonderlijke rechtspersoonlijkheid had. -dat GLOBAL ICA eveneens opereerde vanuit Zaventem evenals de Belgische vennootschap met dezelfde naam, dezelfde zetel en met een internationale activiteit waarin de Heer Le Rossignol de dagelijkse leiding uitoefende. -dat de uitzendbrief trouwens werd ondertekend door leden van het bestuur van GLOBAL ICA nl. de Heer B., COO van ENTERPRISE SOLUTIONS en Le Rossignol namens ORIGIN ICA BELGIUM. -dat de bonustoekenning gebeurde vanuit de Belgische vennootschap op basis van criteria en quota die door de Belgische vennootschap werden vastgesteld. -dat hierdoor en mede door het gebruik van het briefpapier van de Belgische vennootschap voor mededelingen aan de Heer C. met betrekking tot zijn loonberekening ertoe leidt te besluiten dat de Heer C. zijn activiteiten uitoefende onder het gezag van de Heer Le Rossignol optredend voor GLOBAL ICA die ressorteerde onder de juridische structuur van de Belgische vennootschap ORIGIN ICA NV. De vennootschappen tonen niet aan dat de afdeling GLOBAL ICA tot een andere juridische structuur zou behoren. Minstens dient door verwarring waartoe het gedeelde management, het gebruik van het briefpapier van die vennootschap, en het gebruik van dezelfde vestiging en infrastructuur leidt, GLOBAL ICA als deel uitmakend van de Belgische vennootschap te worden beschouwd en via die vennootschap gezag te hebben uitgeoefend over de Heer C.. De Heer C. had er derhalve alle reden toe de Belgische vennootschap als zijn werkgever te aanzien. Aangezien de Engelse vennootschap klaarblijkelijk eveneens in opdracht handelde van de "ORIGIN GLOBAL SAP PRACTICE" die zelf geen rechtspersoonlijkheid had o.m. bij het opstellen van de oorspronkelijke arbeidsovereenkomst,de ontslagbrief, het vervullen van de sociale zekerheidsverplichtingen en de loonbetaling, kan die vennootschap als medewerkgever worden beschouwd, hetgeen zij overigens niet betwist nu zij zelfs de exclusiviteit van die hoedanigheid als werkgever claimt. BEVOEGDHEID VAN DE BELGISCHE ARBEIDSGERECHTEN De vennootschappen beroepen zich op het forumbeding dat werd ingelast in de detacheringsbrief van 13-12-99 om de bevoegdheid van de Belgische arbeidsgerechten af te wijzen. Artikel 8 van die overeenkomst bevat een beding waarin voor het recht van het Verenigd Koninkrijk werd gekozen en bepaalt dat de geschillen tussen partijen in voorkomend geval beslecht zouden worden door de rechtbanken van het Verenigd Koninkrijk. De argumentatie van de Heer C. dat met het beding geen rekening zou kunnen worden gehouden daar de overeenkomst waarin het is opgenomen strijdig is met het Nederlands taaldecreet en derhalve nietig dient beschouwd te worden kan niet worden bijgetreden. Volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie kan het nationaal recht immers geen bijkomende vereisten stellen aan de geldigheid van een forumbeding zodat dit niet beïnvloed wordt door de dwingende regels die de nationale wetgever heeft ingevoerd om de werknemer te beschermen (H.Van Houtte, het forumbeding in arbeidsovereenkomsten, een onsamenhangende regeling in Liber amicorum, R.Blanpain, Die Keure 98, met verwijzing naar HvJ. Elefanten Schuh t. Jacqmain, 24-6-81, zaak 150/80, Jur 81, 1671 en Arb.rb. Antw. 16-1-96, Soc.Kron. 96,604). Dit komt logisch voor nu het Verdrag hiërarchisch een hogere rechtsnorm is. De betwisting met betrekking tot de bevoegdheid dient opgelost te worden op grond van het EEX-Verdrag van 2-9-68 (BS 31-3-71) betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken. Artikel 17 van dit verdrag bepaalt: "ten aanzien van geschillen inzake individuele arbeidsovereenkomsten de overeenkomst tot aanwijzing van de bevoegde rechter alleen gevolg heeft indien deze laatste overeenkomst is gesloten na het ontstaan van het geschil of indien de werknemer zich daarop beroept om andere gerechten aan te zoeken dan dat van de woonplaats van de verweerder of het in artikel 5, punt 1 bedoeld gerecht.". Enkel de werknemer kan zich derhalve op grond van artikel 17,laatste lid EEX-verdrag beroepen op een forumbeding dat gesloten werd voor het ontstaan van het geschil tussen partijen. Het Hof kan het standpunt van de vennootschappen niet bijtreden dat deze bepaling geen toepassing vindt daar zij werd toegevoegd bij artikel 7 tweede lid van het (San Sebastian) Verdrag van 26-5-89 goedgekeurd bij wet van 10-1-97 (BS 8-1-98) en pas in werking getreden in België op 1-10-97, terwijl de initiële arbeidsovereenkomst reeds werd afgesloten op15-10-
- Om te achterhalen welke versie van het EEX-Verdrag van toepassing is, is enkel de datum van belang waarop de rechtsvordering werd ingesteld en niet de datum van de oorspronkelijke overeenkomst noch deze waarop het forum- beding er werd ingelast. De rechtsvordering werd ingeleid na de inwerking- treding van het San Sebastianverdrag zodat wel degelijk de met dit verdrag gewijzigde versie van het EEX-Verdrag van toepassing is (O.Wouters, De rechterlijke bevoegdheid inzake arbeidsovereenkomsten onder het EEX- en het EVEX-verdrag, de EEX-verordening en het Wetboek IPR, JTT, 2004 p 11 en aldaar onder voetnoot 106 vermelde verwijzingen) . Aangezien de forumkeuze dateert van voor het ontstaan van het geschil kan er derhalve geen rekening mee gehouden worden. De vennootschappen menen de exceptie van onbevoegdheid van de Belgische arbeidsgerechten ook te kunnen gronden op artikel 5,1° van het EEX-verdrag volgens welke bepaling de rechter bevoegd is van de plaats waar zich de vestiging van de onderneming bevindt indien de werknemer niet in eenzelfde land gewoonlijk zijn arbeid verricht, zodat hoe dan ook enkel de Engelse rechtbanken bevoegd zijn om kennis te nemen van het geschil vermits de Heer C. werd aangeworven door Origin UK en onder het exclusieve werkgeversgezag van die vennootschap werkte. Artikel 5 bepaalt dat de verweerder die woonplaats heeft op het grondgebied van een verdragsluitende Staat in een andere verdragsluitende Staat kan worden opgeroepen:
- Ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst: voor het gerecht van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt is uitgevoerd of moet uitgevoerd worden; ten aanzien van de individuele verbintenissen uit arbeidsovereenkomst is dit de plaats waar de werknemer gewoonlijk zijn arbeid verricht en, wanneer de werknemer niet in een zelfde land gewoonlijk zijn arbeid verricht, de plaats waar zich de vestiging bevindt die de werknemer in dienst heeft genomen. Het Verdrag verduidelijkt niet wat precies dient te worden verstaan onder "gewoonlijk" zijn arbeid verrichten. Dit is evenmin het geval in het EVEX-Verdrag (gesloten te Lugano op 16-9-88, BS 8-1-98,340) waarop het EEX-Verdrag is geïnspireerd. Het EVEX-Verdrag heeft de bevoegdheidsregeling afgestemd op de regeling met betrekking tot het toepasselijk recht vervat in artikel 6 van het EVO-verdrag, ( Verdrag van Rome van 19-6-80 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst, goedgekeurd bij wet van 14-7-87 ) dat eveneens de plaats van de "gewoonlijke arbeidsprestaties" centraal stelde. Daarin wordt bepaald: "bij gebreke aan rechtskeuze wordt de arbeidsovereenkomst beheerst door het recht van het land waar de werknemer ter uitvoering van de overeenkomst gewoonlijk zijn arbeid verricht,zelfs wanneer hij tijdelijk in een ander land is tewerkgesteld; het recht van het land waar zich de vestiging bevindt die de werknemer in dienst heeft genomen wanneer deze niet in eenzelfde land gewoonlijk zijn arbeid verricht, tenzij uit het geheel der omstandigheden blijkt dat de arbeidsovereenkomst nauwer verbonden is met een ander land, in welk geval het recht van dat ander land van toepassing is ". Het Hof van Justitie wees op die parallel in de arresten Ivenel (H.v.J. 26-5-82, Jur. H.v.J '82, 1891) en Shenavai waardoor het EVEX-verdrag zich liet inspireren (Y. Donzalaz La Convention de Lugano, Staempfli Ed. SA. Bern,
- 4963). De twee regelingen sluiten op die manier de invloed uit van tijdelijke detacheringen naar het buitenland zodat een korte tewerkstelling in het buitenland de internationale bevoegdheid niet beïnvloedt wanneer de werknemer terug komt werken in het land waar hij gewoonlijk werkt (J.Erauw, niet-uitsluitende bevoegdheidsgronden in Europese IPR-Verdragen, H.van Houtte en Marta Pertegàs Sender, Acco, 97, p 94, 3.53). Het EVO-verdrag verduidelijkt evenmin wat onder "gewoonlijke arbeidsprestaties" geplaatst tegenover "tijdelijke tewerkstelling" dient te worden verstaan. en geeft geen antwoord op de vraag wanneer de detachering haar tijdelijk karakter verliest en men te doen heeft met een gewoonlijke tewerkstelling (C.Engels , Internationale arbeidsovereenkomsten in Europese IPR Verdragen, o..c.p 243). Wanneer de werknemer zoals in casu gelijktijdig in verschillende landen presteert, rijst de vraag of er van één plaats van gewoonlijke tewerkstelling sprake kan zijn. Aan de term gewoonlijk wordt door sommigen vooral een temporele interpretatie gegeven -de plaats waar de werknemer de meeste tijd doorbrengt (Y.Donzallaz o.c. 4942). Het Hof van Justitie legde het accent op het operationeeel centrum van de werknemer, de plaats waar hij zijn bureau had, instructies ontving en waar hij naar iedere professionele verplaatsing terugkeerde (arrest Rutten t. Cross Medical Ltd van 9-1-97 nr C 383/95 H.v.J. 97, I, 57; H.v.J. 13-7-93, Mulox IBC Ltd. t. Geels, nr C 125/92, Jur. H.v.J. 93, I,4075) . Ofschoon het Hof in het arrest Rutten ook rekening hield met de omstandigheid dat de werknemer er het grootste gedeelte van zijn tijd doorbracht, definieerde het de plaats van de gewoonlijke tewerkstelling toch als "de plaats waar de werknemer het werkelijke centrum van zijn beroepswerkzaamheden heeft gevestigd". Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie blijkt dat het aan de eerste hypothese van artikel 5.1 EEX-Verdrag een zo ruim mogelijke invulling geeft waarbij het uitgaat van volgende krachtlijnen: -De plaats van de uivoering van de verbintenis moet worden bepaald aan de hand van éénvormige criteria op basis van het opzet en de doelstellingen van het EEX-verdrag, -Er moet een bijzonder nauwe band bestaan tussen het geschil en de rechter die daarvan met het oog op een goede rechtsbedeling en een vlotte rechtsgang kennis moet nemen. Het gerecht van de plaats waar de verbintenis van de werknemer moet worden uitgevoerd is hiertoe het meest geschikt, -Er moet gestreefd worden naar een passende bescherming van de werknemer als de sociaal zwakste contractpartij,hetgeen het best wordt verzekerd wanneer de rechter bevoegd is van de plaats waar de arbeid wordt verricht. De werknemer kan zich op die plaats het gemakkelijkst tot de rechter wenden en zich verdedigen. Vanuit die principes besloot het Hof van Justitie dat gezocht moest worden naar de plaats van waaruit de werknemer hoofdzakelijk zijn prestaties verrichtte om te vermijden dat er een veelheid van bevoegde rechters zou ontstaan. Het komt de aangesproken rechter toe deze term in te vullen op grond van de concrete situatie en zich bij zijn beoordeling te laten leiden door de uitspraken van het Hof van Justitie die verbindend zijn ten aanzien van de rechtscolleges die met eenzelfde interpretatievraag worden geconfronteerd. (in die zin/ K. Lenaerts en D. Arts Europees procesrecht, Maklu 2003,173). De Belgische rechtspraak weerhoudt als criteria o.m een zekere substantie en standvastigheid bij de tewerkstelling, en vult de term gewoonlijk in als "niet occasioneel "en ononderbroken. Het effectief wonen en verblijven in België wordt ook als een belangrijk criterium aangezien (zie C.Deneve, Grensoverschrijdende conflicten in het Arbeidsrecht , Intersentia 2001, p 55-56). Aangezien het EEX- verdrag net als het EVEX-Verdrag de regels vaststelt die gelden wanneer er een geschil is ontstaan of dreigt te ontstaan,dient bij de interpretatie ervan rekening gehouden te worden met de situatie op het ogenblik dat het geschil zich voordoet (H.v.J. 27-2-2002, Weber t Universel Og Services Ltd. nr 37/100 jur. Hv.J. 2002,I,20 (voetnoot 62; Y.Donzallaz, 4931-4935;C.Engels o.c. p 242; J. Erauw o.c. p 94, 3.54). In het voorliggend geschil blijkt dat de Heer C., van bij het begin van de tewerkstelling in Zaventem aan het werk was, ook al vroeg Origin UK pas vanaf 1999 de detachering aan. Ofschoon zijn internationale opdracht met zich meebracht dat hij zich ook regelmatig naar het buitenland diende te verplaatsen, bracht hij het grootste deel van zijn tijd door in Zaventem. Hij had er een kantoor, rapporteerde er aan de Heer Le Rossignol, later Goffin en verbleef er ook, zoals blijkt uit zijn inschrijving in de bevolkingsregisters. In het begin van zijn tewerkstelling reisde hij tijdens de weekends nog naar Engeland waar zijn echtgenote verbleef, doch nadien vestigde hij zich met zijn echtgenote in België. Zijn bewering dat hij vanaf het begin van zijn tewerkstelling naar België werd uitgezonden en zich enkel af en toe voor één of andere vergadering naar Engeland begaf wordt door de vennootschappen niet afdoende weerlegd. Het Hof dient te besluiten dat de Heer C. niet enkel het grootste deel van zijn professionele activiteiten in België vervulde doch er ook het centrum van zijn professionele activiteit had. De oorspronkelijke vordering was overigens gesteund op een arbeidsovereenkomst met de Belgische vennootschap. Het Hof meent derhalve dat de Belgische rechtbanken wel degelijk bevoegd zijn op grond van artikel 5.1 van het EEX-verdrag. De Belgische rechtbanken zijn bovendien bevoegd op basis van de artikels 2 en 6 van het EEX-Verdrag. Artikel 2 wijst als algemene regel de woonplaats van de verweerder aan om de bevoegde rechtsmacht te bepalen. Voor de vennootschappen is dit hun plaats van vestiging. Aangezien de Belgische vennootschap die als eerste werd gedaagd in België gevestigd is, waren de Belgische rechtbanken bijgevolg bevoegd. Dat er een betwisting bestaat omtrent het bestaan van een arbeidsovereenkomst met de Belgische vennootschap is zonder belang. De bevoegdheid dient immers onderzocht te worden in functie van het onderwerp van de vordering die in casu op het bestaan van een arbeidsovereenkomst is gesteund. Mocht blijken dat de onderliggende rechtsverhouding geen arbeidsovereenkomst was, dan zou dit leiden tot de ongegrondheid van de vordering en niet tot de onbevoegdheid van de rechtbank (AHBr 28-2-2003,AR42.512 onuitg). Artikel 6.1 voorziet in een regeling bij pluraliteit van verweerders die in verschillende EEX-staten hun woonplaats hebben. Zij kunnen worden opgeroepen voor de gerechten waar één van hen zijn woonplaats heeft, voor zover er een band is tussen de tegen elk van hen ingestelde vorderingen. Dit is in casu het geval. Derhalve zijn de Belgische arbeidsgerechten bevoegd en meer bepaald de Arbeidsrechtbank te Brussel nu de Heer C. zijn prestaties hoofdzakelijk leverde te Zaventem. ONTVANKELIJKHEID VAN DE OORSPRONKELIJKE VORDERINGEN De vordering ingesteld tegen ORIGIN ICA De vordering ingesteld tegen de Belgische vennootschap is gesteund op het bestaan van een arbeidsovereenkomst tussen partijen. Zoals gezegd zijn de Belgische Arbeidsgerechten in ieder geval bevoegd om het geschil te beoordelen. Of er in werkelijkheid een arbeidsovereenkomst met die vennootschap tot stand kwam is zonder invloed op de ontvankelijkheid van de vordering. Mocht dit niet het geval zijn dan zou dit enkel leiden tot de afwijzing van de vordering als zijnde ongegrond. De vordering ingesteld tegen ORIGIN UK Wat de vordering ten aanzien van de vennootschap naar Engels recht betreft rijst de vraag of die vennootschap geldig werd gedaagd voor de Arbeidsrechtbank te Brussel. Een tweede vraag is of die vordering binnen de verjaringstermijn van artikel 15 WAO werd ingesteld. Mocht de vordering verjaard zijn dan heeft dit enkel gevolgen voor de gegrondheid van de vordering doch niet voor de ontvankelijkheid ervan. Volgens de Heer C. gebeurde de betekening van de dagvaarding aan de Engelse vennootschap overeenkomstig de Verordening van de Raad van Europa nr 1348/2000 van 29-5-2000 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke en of handelszaken die op 31-5-2001 in werking is getreden (P.B.L 160 30-6-2000). Daartoe werd de dagvaarding op 30-11-2001 hetzij op de laatste dag van de éénjarige verjaringstermijn van artikel 15 WAO , neergelegd op het postkantoor te 1210 St.-Joost -ten-Noode voor aangetekende verzending aan de bevoegde ontvangende instantie in het Verenigd Koninkrijk. De Engelse vennootschap beweert de dagvaarding in gedwongen tussenkomst niet te hebben ontvangen zodat de betekening zijn doel niet heeft bereikt en er geen sprake kan zijn van betekening in de zin van de aangehaalde Verordening. Zij stelt dat de betekening niet enkel de verzending naar de autoriteit belast met de betekening of kennisgeving vereist ??? maar ook de daadwerkelijke afgifte aan de bestemmeling of ten minste het aanbieden aan diens woon- of verblijfplaats, in casu aan de zetel van de vennootschap. Op de datum van inleiding bij de Arbeidsrechtbank is de raadsman van de vennootschap wel verschenen. Verder blijkt dat de vennootschappen in gezamenlijke conclusies hun verdediging hebben voorgebracht. Met het oog op het versnellen van de verzending van stukken binnen de lidstaten met vrijwaring van de rechten van verdediging werden de lidstaten verzocht om gedecentraliseerde instanties aan te wijzen die zouden instaan voor verzending en ontvangst van de betekeningsaanvragen en voor de verdere betekening. De betekening vereist niet alleen dat het te betekenen stuk wordt verzonden naar de autoriteit belast met het verder uitvoeren ervan maar ook dat het stuk daadwerkelijk wordt afgegeven aan de bestemmeling ervan of tenminste wordt aangeboden op zijn woonplaats of verblijfplaats. Zulks blijkt duidelijk uit artikel 7 van de verordening waarvan de tekst luidt: "
- De ontvangende instantie zorgt voor de betekening of kennisgeving van het stuk, hetzij overeenkomstig het recht van de aangezochte lidstaat, hetzij in de specifieke door de verzendende instantie gewenste vorm, mits deze met het recht van die aangezochte lidstaat verenigbaar is. Alle handelingen ter betekening of kennisgeving van het stuk worden zo spoedig mogelijk verricht. In ieder geval deelt de ontvangende instantie,indien de betekening of kennisgeving niet binnen een maand na datum van ontvangst heeft kunnen plaatsvinden dit aan de verzendende instantie mee...." Volgens artikel 9 lid 1 van de Verordening geldt als algemene regel dat de datum van betekening of kennisgeving deze is waarop volgens het recht van de aangezochte lidstaat de betekening of kennisgeving heeft plaats gevonden. Wanneer de betekening van een akte binnen een bepaalde termijn dient te Gebeuren, wordt verwezen naar het recht van de aangezochte staat wanneer de rechten van de bestemmeling dienen te worden bepaald en naar het recht van de staat van herkomst van de akte wanneer de rechten van de aanvrager dienen te worden bepaald(artikel 9 lid 2). De datum van betekening kan derhalve verschillen voor verweerder en eiser, voor de eiser om te bepalen of de betekening de verjaringstermijn heeft kunnen stuiten, voor de verweerder om te bepalen of hij over voldoende tijd beschikte om zijn verdediging voor te bereiden( (Pertegas-Sender, M;"Recente ontwikkelingen van Internationaal Privaatrecht, VRG Alumnidag, Leuven, KUL2002, 289; K. Vandekerckhove - Europese regels inz. Bewijs en betekening ... Themis I.P.R. 2004-2005, 28, ed. A. Van Houtte, Die Keure, p. 82). Van de mogelijkheid geboden door artikel 9,3 om van die regels af te wijken hebben een aantal lidstaten gebruik gemaakt, waaronder het Verenigd Koninkrijk. Ook België heeft verklaard hiervan af te wijken in die zin dat als datum voor de betekening en de kennisgeving de datum die t.a.v. de aanvrager in acht dient te worden genomen deze is van het recht van de staat van herkomst van de akte. Volgens de tekst van artikel 9 zijn de regels met betrekking tot de voornaamste betekeningswijze bedoeld in artikel 7 -het systeem via de verzendende en ontvangende autoriteit (o.m. deze met betrekking tot de datum van betekening) niet van toepassing bij betekening via de post. De verordening laat verschillende manieren van verzending en betekening toe, doch regelde enkel de betekening door tussenkomst van de door de ontvangende staat aangeduide instantie. Daarnaast blijft derhalve de betekening via diplomatieke of consulaire weg mogelijk of de betekening via de post. Een betekening via de post overeenkomstig artikel 40 Gerechtelijk Wetboek blijft derhalve mogelijk. De verordening brengt geen wijzigingen aan aan de bestaande nationale regels inzake betekening en kennisgeving. In voorliggend geschil werd de dagvaarding ter betekening overgemaakt aan de bevoegde instantie in het Verenigd Koninkrijk. Het betreft derhalve geen betekening overeenkomstig artikel 40 Gerechtelijk Wetboek aangezien niet rechtstreeks per ter post aangetekende brief een afschrift van de akte werd verstuurd aan de woonplaats of verblijfplaats van de bestemmeling. De dagvaarding vermeldde het adres van de vroegere zetel van de vennootschap waarop deze niet meer was ingeschreven. De aangezochte instantie heeft laten weten dat zij op het aangeduide adres niet tot betekening kon overgaan daar dit adres niet juist bleek. Wanneer in de aanvraag tot betekening of kennisgeving het adres van de bestemmeling niet correct of onvolledig is dan voorziet de verordening niet dat de aangezochte instantie opzoekingen dient te verrichten om het adres van de bestemmeling te achterhalen. Er werd zelfs niet voorzien dat in zulk geval de afzender wordt verwittigd of dat de te betekenen stukken worden teruggestuurd. In casu werd niet aangetoond dat de tweede stap in de betekening nl. de kennisgeving aan de vennootschap via de voorgeschreven weg is gebeurd op het adres van haar maatschappelijke zetel. Hieruit besluit de vennootschap terecht dat geen betekening heeft plaats gevonden overeenkomstig de artikels 7 en 9 van de Verordening. De uitspraak van het Arbitragehof van 17-12-2003 met betrekking tot het ogenblik waarop de kennisgeving bij gerechtsbrief geacht moet worden te zijn verricht op de dag dat de geadresseerde er kennis van heeft kunnen nemen om de datum te kunnen bepalen van de aanvang van de termijnen voor het instellen van rechtsmiddelen, is terzake niet dienend nu de betwisting niet handelt over de termijn tot het instellen van rechtsmiddelen. De arbeidsrechtbank heeft terecht geoordeeld dat naam en adres van een fysieke of rechtspersoon fundamentele identificatie-elementen zijn en dat het tot de meest elementaire voorzichtigheidsverplichtingen van gedingpartijen behoort zich de moeite te getroosten de juistheid ervan te controleren. De vraag rijst welke consequenties niet correcte vermeldingen met zich meebrengen. De Heer C. betoogt dat eventuele gebreken in de betekening van de dagvaarding niet kunnen leiden tot nietigheid daar de dagvaarding haar normdoel heeft bereikt hetgeen volgens hem hieruit blijkt dat de raadsman van de vennootschap op de inleidingszitting is verschenen om conclusietermijnen af te spreken zodat daaruit blijkt dat de vennootschap hem mandaat had gegeven en derhalve geen belangenschade heeft geleden. De Verordening bevat geen nietigheidsregeling van het te betekenen stuk, derhalve dient hier toepassing te worden gemaakt van het recht van de rechter voor wie de nietigheid wordt ingeroepen (Pertegàs Sender M. o.c., p 291). De vermelding van de woonplaats of van de verblijfplaats van de gedaagde (voor een vennootschap de maatschappelijke zetel (art 703 Ger.Wb) of exploitatiezetel) in de dagvaarding is bij artikel 702 Ger.Wb.voorgeschreven op straffe van nietigheid. Het betreft geen absolute nietigheid zoals voor onregelmatigheden vermeld in artikel 862 Ger.WB. maar een relatieve nietigheid die wordt gedekt wanneer de akte haar normdoel heeft bereikt en de verweerder geen belangenschade heeft geleden. Krachtens artikel 861 Ger.WB. kan de rechter een proceshandeling immers enkel dan nietig verklaren indien het aangeklaagde verzuim of de aangeklaagde onregelmatigheid de belangen schaadt van de partij die de exceptie opwerpt. Van belangenschade kan er sprake zijn wanneer een partij geschaad is in haar recht van verdediging of wanneer hierdoor vertraging optreedt die een onherstelbare schade veroorzaakt. In casu werd de vennootschap kennelijk of via de Belgische vennootschap of via haar raadsman die voor beide vennootschappen optreedt, verwittigd van het op handen zijnde geschil zodat haar raadsman tijdig kon verschijnen. Bovendien heeft de Engelse vennootschap samen met de Belgische vennootschap in gezamenlijke conclusies haar belangen verdedigd en blijkt daaruit dat zij een volledige kennis had van de vorderingen van de Heer C.,van diens middelen en kennis had genomen van diens stukken. Daaruit blijkt dat zelfs indien de betekening niet regelmatig geschiedde die in ieder geval haar normdoel heef bereikt, zodat haar recht van verdediging geenszins werd geschaad (zie Cass.7-6-2001 JLMB2001, 1728 en Cass. , 19-4-2002 nr. C01.0218 F (onuitg.); Luik 13-3-74, RW74-75, 430). Het Hof meent dat de dagvaarding haar normdoel heeft bereikt en de vennootschap geen belangenschade aantoont, zodat de vordering t.a.v. de Engelse vennootschap ontvankelijk is. Met betrekking tot de verjaring dient volgens artikel 9,2 verordening te worden uitgegaan van het recht van de staat van herkomst. Het Belgisch recht bevat geen bepaling met betrekking tot de datum van betekening wanneer deze geschiedt via de gedecentraliseerde instanties. De gemeenrechtelijke regeling van artikel 40 Ger Wb. bepaalt enkel welke datum als betekeningsdatum dient in in acht genomen te worden bij verzending via de post, nl. de datum van de afgifte van de akte aan de postdienst tegen ontvangstbewijs. Deze regeling is in het voordeel van de betekenende partij die aldus het betekeningsproces controleert en de doordoor gestarte termijnen. Volgens het rapport Van Reepinghen was dit de bedoeling van de wetgever en achtte men de bestemmeling voldoende beschermd door de verlenging van de termijnen overeenkomstig artikel 55 Gerechtelijk Wetboek. Het Hof meent dat deze datum van afgifte van de akte ter post naar analogie kan worden weerhouden voor wat de stuiting van de verjaring betreft gelet op de bepaling van artikel 9.2 van de Verordening nu de verzending van de stukken per ter post aangetekend schrijven gebeurde. Deze datum situeert zich op de laatste dag van de verjaringstermijn. Daaruit volgt dat de vordering niet verjaard is. RECHTSKEUZEBEDING In de oorspronkelijke arbeidsovereenkomst werd geen expliciete keuze gedaan voor één of ander rechtsstelsel. In de uitzendingsbrief, een overeenkomst waarbij de oorspronkelijke arbeidsovereenkomst werd gewijzigd, werd rechtskeuze gedaan voor het Engels recht. Volgens artikel 3 van het EVO-verdrag( Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst, van het protocol en van twee gemeenschappelijke verklaringen opgemaakt te Rome op 19-6-1980, goedgekeurd bij wet van 14-7-87, verschenen in het BS. Van 9-10-87)) wordt de overeenkomst in de eerste plaats beheerst door het recht dat partijen hebben gekozen. Artikel 6 van het verdrag stelt echter aan dit recht volgende beperkingen. -lid 1 bepaalt dat ten aanzien van individuele arbeidsovereenkomsten, de rechtskeuze van partijen er niet toe kan leiden dat de werknemer de bescherming verliest van het recht dat bij gebreke van een rechtskeuze op de overeenkomst van toepassing zou zijn. Bij gebreke aan rechtskeuze wordt de arbeidsovereenkomst overeenkomstig lid 2 beheerst door -het recht van het land waar de werknemer gewoonlijk zijn arbeid verricht, zelfs wanneer hij tijdelijk in een ander land wordt tewerkgesteld, -het recht van het land van de vestiging die de werknemer in dienst heeft genomen wanneer deze zijn arbeid gewoonlijk niet in hetzelfde land verricht, tenzij uit het geheel van de omstandigheden blijkt dat de arbeidsovereenkomst nauwer is verbonden met een ander land, in dat laatste geval is het recht van dat land toepasselijk. Artikel 7,2° van het verdrag bepaalt anderzijds dat het verdrag de toepassing onverlet laat van de bepalingen van het land van de rechter (lex fori) die ongeacht het op de overeenkomst toepasselijke recht, het geval dwingend beheersen. Er wordt aangenomen dat de notie dwingend recht bedoeld in artikel 6.1 EVO-verdrag gelijk gesteld dient te worden met de notie wet van politie en veiligheid (H. Van Hoogenbemt, Internationale detachering en ter beschikking stelling van werknemers in Internationale Detachering, Die Keure, 93 p 230 en aldaar opgenomen verwijzingen). Het betreft niet noodzakelijk regels die de openbare orde raken, het is voldoende dat zij dwingend werden opgelegd ter bescherming van bepaalde groepen of belangen (C.Deneve, o.c. p 50). Het Hof van Cassatie overwoog dienaangaande: "dat inzake arbeidsovereenkomsten, de wettelijke bepalingen die de bescherming van de werknemers regelen en die gebiedend zijn in de zin van artikel 3 lid 1 BW, wetten van politie en veiligheid zijn" (Cass. 25-6-75, RW 75-76, 2063). Volgens de rechtspraak van het Hof van Cassatie zijn nagenoeg alle bepalingen m.b.t. de ontslagbescherming voorzien in de wet van 3-7-78 op de arbeidsovereenkomsten van dwingend recht. Dit geldt ook voor de bepalingen i.v.m. de arbeidsduur, de gronden van schorsing van de arbeidsovereenkomst, het vakantiegeld, de bescherming van het loon, de gezondheid en veiligheid van de werknemers, de wetgeving op de uitzendarbeid en voor de bepalingen van algemeen verbindend verklaarde CAO's (zie C. Deneve o.c. p 59 en aldaar geciteerde rechtspraak). Zij zijn van toepassing wanneer de arbeid regelmatig voor een belangrijk gedeelte in België wordt uitgeoefend (AH Gent 21-12-88, TSR 89, 239; Cass. 4-12-89 RW 89-90, 988). Dit leidt tot de conclusie: -dat de rechtskeuze voor het Engels recht geldig is, -dat de overeenkomst zonder rechtskeuze zou beheerst worden door het Belgisch recht aangezien zoals hierboven uiteengezet, uit het geheel van de omstandigheden blijkt dat de arbeidsovereenkomst nauwer is verbonden met het Belgisch recht, -dat in ieder geval de dwingende bepalingen van het Belgisch recht ter bescherming van de werknemer van toepassing zijn krachtens de artikels 6,1 en 7 van het verdrag. DE VORDERINGEN TEN GRONDE
- Opzeggingsvergoeding. De stelling van de Heer C. dat hij gebonden was door een arbeidsovereenkomst voor bepaalde duur van 3 jaar kan niet gevolgd worden. De uitzendbrief van 13-12-99 stelt enkel dat de detachering maximum drie jaar zou bedragen en vermeldt uitdrukkelijk dat de voorwaarden van de oorspronkelijke arbeidsovereenkomst bewaard bleven. Dat was een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur. Bovendien werd de uitzendovereenkomst van 13-12-99 niet afgesloten ten vroegste op het ogenblik van de indiensttreding zoals vereist voor een overeenkomst van bepaalde duur. Partijen waren derhalve verbonden door een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur. Artikel 82 met betrekking tot de vaststelling van de opzeggingsvergoeding van de bediende is van dwingend recht en vindt terzake toepassing. Krachtens een vaste rechtspraak wordt de door de werkgever na te leven opzeggingstermijn of de daarmee overeenstemmende vergoeding bepaald rekening houdend met de voor de bediende op het ogenblik van de opzegging bestaande kans om een gelijkwaardige en passende dienstbetrekking te vinden, rekening houdend met zijn leeftijd,zijn anciënniteit, zijn functie en het bedrag van zijn loon en volgens de gegevens eigen aan de zaak. Er bestaat geen betwisting meer over dat de werkgever de arbeidsovereenkomst heeft beëindigd en derhalve een opzeggingsvergoeding verschuldigd is krachtens de artikels 39 en 82 WAO. De Heer C. was op het ogenblik van zijn ontslag 49 jaar en 10 maanden oud en had een anciënniteit van 4jaar en 1maand. Hij genoot een aanzienlijk loon, dat hierna nader wordt bepaald. Rekening houdend met de omstandigheid dat de Heer C. heel wat mogelijkheden tot tewerkstelling had voor een gelijkaardige functie op de internationale arbeidsmarkt, dat hij reeds had gevraagd opgenomen te worden in de A-lijst (lijst van het te ontslaan personeel) en dat hij reeds in een concurrerende vennootschap actief was op het ogenblik van zijn ontslag nu blijkt dat hij sinds 14-11-2000 als bestuurder werd aangesteld van Hour Glass Enerprise Consulting Ltd., waar hij trouwens nadien werkzaam is gebleven, acht het Hof een opzeggingsvergoeding gelijk aan 6 maanden loon toereikend, hetzij 281.954,97 euro (basisloon) x 6/12= 140.977,48 euro provisioneel Samenstelling van het basisloon vast loon Volgens de vennootschap bedroeg dit 131.500 Engelse Ponden, volgens de Heer C. 144.817,59 Engelse Ponden. Het door de Heer C. voorgestelde bedrag stemt overeen met de werkelijk uitbetaalde bedragen zoals ze uit de loonfiches blijken en dient als correct te worden weerhouden. vakantiegeld Er bestaat een betwisting over het al dan niet aanrekenen van vakantiegeld volgens Belgisch recht. De Heer C. werd tijdens zijn "detachering" onderworpen aan de Engelse sociale zekerheid. Het komt het Arbeidshof niet toe na te gaan of er sprake is van een geldige detachering volgens de richtlijn 1408/71 voor wat de toepassing van de sociale zekerheid betreft. De coördinatie van de sociale zekerheidsregimes in het kader van die richtlijn heeft evenwel geen betrekking op de jaarlijkse vakantie. Deze sector behoort tot de sfeer van het arbeidsrecht ook al wordt hij in België tot de sociale zekerheid gerekend ( M.Goldfays, Travailleurs détachés en Belgique et double pécule de vacances. Or. 2004 p 1-8 (p6). In België gebeurt de betaling van het vakantiegeld voor bedienden overigens rechtstreeks door de werkgever en niet via heffing van sociale zekerheidsbijdragen. Anderzijds dienen bij toepassing van de artikels 6 en 7 van het EVO-verdrag van Rome van 19-6-80 de dwingende wettelijke bepalingen ter bescherming van de werknemer te worden toegepast. De Jaarlijkse Vakantiewet wordt daarbij als een wet van politie en veiligheid aangezien (M.Goldfays o.c. ) Het staat bovendien vast dat de Heer C. aan een Belgische exploitatiezetel was verbonden en er zijn instructies kreeg. De Heer C. kan derhalve aanspraak maken op het dubbel vakantiegeld op zijn loon, tenzij de vennootschap hem reeds een gelijkaardig voordeel zou hebben uitbetaald. privégebruik firmawagen. De Heer C. beschikte over een voertuig Audi A4 dat hij ook privé mocht gebruiken. De begroting van dit voordeel door de Heer C. op 4.462,08 Euro per jaar komt redelijk voor. betaling huurwoning. De betaling van de huurkost betekent een besparing voor de werknemer die dergelijke uitgaven normaal zelf met zijn eigen loon dient te bekostigen. Er wordt niet aangetoond dat het een bijkomende kost betrof ingevolge de detachering en dat hij daarnaast nog woonkosten had in het Verenigd Koninkrijk. Het Hof deelt derhalve het standpunt van de Heer C. dat het een voordeel betreft verworven krachtens de arbeidsovereenkomst dat opgenomen dient te worden in de berekeningsbasis voor de opzeggingsvergoeding. variabel loon Het recht op variabel loon van de Heer C. onder vorm van een bonus werd contractueel vastgelegd. Voor de samenstelling van het basisjaarloon ter berekening van de opzeggingsvergoeding kan enkel rekening worden gehouden met het lopend loon. Het variabel loon kan slechts in aanmerking worden genomen voor zover het betrekking heeft op de periode van 12 maanden die het ontslag voorafgaan. De bonus betalingen die de Heer C. aanrekent, hebben betrekking op een eerdere periode. Enkel de bonus betaald in juli 2000 t.b.v.13.400 £ die betrekking heeft op het jaar 99, zoals de Heer C. zelf toegeeft, kan slechts worden aangerekend ten belope van 1/12de. Gelet op de bestaande betwisting met betrekking tot het variabel loon, wordt dit bedrag provisioneel bepaald. Het in aanmerking te nemen basisloon bedraagt bijgevolg: vast loon 236.935,66 Euro Bruto dubbel vakantiegeld op vast loon 17.770,17 Euro Bruto variabel loon, 13.400£ 1.826,98 Euro (provisioneel) vakantiegeld op variabel loon 137,02 Euro(provisioneel) privégebruik wagen 4.462,08 Euro huur woning 20.823,06 Euro totaal (provisioneel) 281.954,97 Euro BONUS 99 EN BONUS 2000 Voor 2000 werd geen bonus uitbetaald, voor 99 acht de Heer C. het bedrag van de bonus niet correct berekend. Hij verzoekt om aanstelling van een deskundige. Volgens de vennootschap is de berekening van de bonus voor 99 wel correct en bewijst de heer C. niet dat hij voor 2000 aanspraak kon maken op een bonus. Volgens de uitzendbrief had de Heer C. recht op een bonus volgens de in het gastland bestaande regeling. Voor 2000 werd hem in ieder geval op 15-11-2000 een bonuskaart voorgelegd met een berekeningswijze van de bonus. Vooraleer het verzoek van de Heer C. tot aanstelling van een deskundige in overweging te nemen, acht het Hof noodzakelijk dat de bij ORIGIN ICA NV bestaande bonusregeling voor 99 en 2000 wordt voorgelegd en dat de bonusberekening wordt toegelicht en in voorkomend geval wordt aangepast. Daartoe is een heropening der debatten noodzakelijk. VAKANTIEGELD VOOR 99 EN 2000 Zoals hierboven uiteen gezet was de Belgische regeling m.b.t. het vakantiegeld van toepassing op de Heer C.. Derhalve is als vakantiegeld nog verschuldigd: -een bedrag van 11.589,02 Euro verschuldigd als vakantiegeld op het vast loon van 1999 en van 1 Euro provisioneel op het variabel loon voor dat jaar -een bedrag van 18.437,38 Euro op het vastloon voor 2000 voorbehoud wordt gemaakt voor het vakantiegeld op het variabel loon voor
- VERTREKVAKANTIEGELD De Heer C. kan eveneens aanspraak maken op het vertrekvakantiegeld, dat hij berekent op 15,18% van het jaarloon van 9.974.828 F hetzij 37.535,52 Euro. Van de bedragen verschuldigd als dubbel vakantiegeld en vertrekvakantiegeld kunnen in voorkomend geval de bedragen worden afgetrokken die uit dien hoofde werden uitbetaald volgens een andere regeling. SCHADEVERGOEDING WEGENS NIET OPGENOMEN VAKANTIEDAGEN De Heer C. toont niet aan dat hij nog recht zou hebben op 11 niet opgenomen vakantiedagen. SCHADEVERGOEDING WEGENS BEEINDIGING VAN DE HUUROVEREENKOMST, VERHUISKOSTEN EN KOSTEN VAN DEPOT De werkgever heeft er zich in de uitzendbrief toe verbonden de verhuiskosten ten laste te nemen voor een maximum bedrag van 17.228,06 Euro. Nu niet kan betwist worden dat de werkgever een einde stelde aan de arbeidsovereenkomst kan de Heer C. aanspraak maken op betaling van dit bedrag waartoe zijn vordering dient herleid te worden. RECHT TOT AANKOOP AANDELENCERTIFICATEN Het is niet betwist dat aan de Heer C. op 28-7-99 en 29-5-2000 het recht werd toegezegd tot aankoop van 7000 aandelencertificaten. Hij merkt terecht op dat dit recht niet kan worden beperkt via de bepalingen in het "Stock Option Plan" die niet voldoen aan de voorschriften van het Nederlands taaldecreet van 19-7-1973 dat van toepassing is op natuurlijke en rechtspersonen die een exploitatiezetel hebben in het Nederlands taalgebied. Dit decreet schrijft voor dat het Nederlands dient te worden gebruikt voor de betrekkingen tussen de werkgever en de werknemers en zijn de stukken die in strijd met dit decreet werden opgesteld nietig zonder dat de nietigverklaring aan de werknemer nadeel mag berokkenen. HET INCIDENTEEL HOGER BEROEP Het incidenteel hoger beroep betreft de oorspronkelijke tegenvorderingen die bij conclusie neergelegd op 6-11-2001 door de vennootschappen werd ingesteld en beoogt de veroordeling van de Heer C. tot betaling van een schadevergoeding wegens zijn activiteit binnen de concurrerende groep "Hour Glass". De vordering werd ingesteld binnen de verjaringstermijn van artikel 15 WAO. Het blijkt inderdaad dat de Heer C. reeds voor zijn ontslag, nl sinds 14-11-2000 als bestuurder werd aangesteld binnen Hour Glass Enterprise Consulting Ltd. Op dat ogenblik had de vennootschap zich -klaarblijkelijk evenwel ten onrechte- reeds akkoord verklaard met de beweerde ontslagname door de Heer C.. De vennootschap brengt geen enkel element bij waaruit haar schade zou blijken. De vordering komt derhalve ongegrond voor. OM DEZE REDENEN, HET ARBEIDSHOF, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24, Rechtsprekend op tegenspraak, Verklaart het principaal en het incidenteel hoger beroep beide ontvankelijk en in volgende mate gegrond, Hervormt het beroepen vonnis, Verklaart zowel de oorspronkelijke hoofdvordering, als de vordering tot tussenkomst, als de oorspronkelijke tegenvordering ontvankelijk Verklaart de oorspronkelijke tegenvordering ongegrond, de oorspronkelijke hoofdvordering in volgende mate gegrond, Veroordeelt geïntimeerde vennootschappen de N.V. ATOS ORIGIN INTERNATIONAL COMPETENCES AND ALLIANCES en ATOS ORIGIN UK SERVICES Ltd. Solidair tot betaling aan de Heer C. van volgende bedragen: 140.977,48 Euro provisioneel als opzeggingsvergoeding gelijk aan 6 maanden loon 11.589,02 Euro als vakantiegeld op vast loon voor 99 1 Euro provisioneel als vakantiegeld op variabel loon voor 99 18.437,38Euro als vakantiegeld op vast loon voor 2000 37.535,52 Euro als vertrekvakantiegeld Onder aftrek van de bedragen die in voorkomend geval reeds uit hoofde van vakantiegelden werden betaald - 17.228,06 Euro wegens verhuiskosten al deze bedragen te vermeerderen met de wettelijke en gerechtelijke intresten, Zegt voor recht dat de Heer C. het recht kan uitoefenen tot het aankopen van 7000-aandelencertificaten. Vooraleer uitspraak te doen over de vordering met betrekking tot de bonus voor 99 en voor 2000 en het vakantiegeld daarop Beveelt de heropening der debatten, Beveelt de vennootschappen de stukken bij te brengen met betrekking tot de in 99 en 2000 in de NV ORIGIN ICA gangbare bonusregeling en de berekening van de bonus voor de jaren 99 en 2000 toe te lichten en in voorkomend geval aan te passen. Stelt deze heropening der debatten vast op de openbare terechtzitting van de 3de Kamer van het Arbeidshof te Brussel op 20 september 2005 om 14 uur, Verklaart de vorderingen voor het overige ongegrond, Houdt de beslissing over de kosten aan; Aldus gewezen en uitgesproken op de openbare terechtzitting van de 3de Kamer van het Arbeidshof te Brussel op 25 maart 2005, waar aanwezig waren Mevrouw G. BALIS, Raadsheer, De Heer E. MAGNUS, Raadsheer in sociale zaken als werkgever, De Heer J. DE DECKER, Raadsheer in sociale zaken als werknemer-bediende, Mevrouw L. HERREGODTS, Griffier. L. HERREGODTS , G. BALIS, E. MAGNUS. J. DE DECKER. PDF document ECLI:BE:CTBRL:2005:ARR.20050325.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.