← België

ECLI:BE:CTBRL:2005:ARR.20050404.19

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 04 april 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2005:ARR.20050404.19 Rolnummer: 45802 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2005-10-17 Raadplegingen: 112 - laatst gezien 2026-07-02 03:32 Fiche Tekort aan arbeidskrachten op de arbeidsmarkt is zonder invloed op de beoordeling van de economische arbeidsongeschiktheid - Rendementsverlies door pijn of functiebeperking mag wel in rekening gebracht worden. Vrije woorden: BEROEPSRISICO'S - ARBEIDSONGEVALLEN IN DE PRIVE SEKTOR - Blijvende arbeidsongeschiktheid - Mogelijkheden voor het slachtoffer om een beroep uit te oefenen - Wettelijke bepalingen: Wet - 10-04-1971 - 24 - 01 ELI link Pub nr 1971041001 Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN 4 APRIL

  1. 5DE KAMER Arbeidsongeval Op tegenspraak Aanstelling deskundige In de zaak: N.V. ING INSURANCE, met maatschappelijke zetel gevestigd te 1140 BRUSSEL, Henri Matisselaan
  2. Appellante, vertegenwoordigd door Mr K. GEERTS, advocaat te Leuven . Tegen: S. L., Geïntimeerde, verschijnend in persoon en bijgestaan door Mr J. DURNEZ, advocaat te Oud-Heverlee. ó ó ó Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit : Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid : - het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis gewezen op tegenspraak door de Eerste Kamer van de Arbeidsrechtbank van Leuven op 23 maart 2004; - het verzoekschrift in hoger beroep ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 20 augustus 2004; - de besluiten van de partijen; Gehoord de partijen in hun middelen en beweringen ter openbare terechtzitting van 28 februari 2005 waarna de debatten gesloten werden. Gelet op de neergelegde stukken. ó ó ó Feiten en procedurevoorgaanden Mevrouw S. was bediende. 's Avonds en in het weekend werkte zij als arbeidster in bijberoep in een restaurant te Bierbeek, NV Susa, verzekerde van appellante, met name opdienen, afwassen, toogwerk, serveren en aanvullen. Op 28 september 1997 werd zij in deze hoedanigheid van arbeidster in het restaurant slachtoffer van een arbeidsongeval : zij schoof uit, kwam met haar elle-boog in de glazen terecht waardoor zij zwaar gekwetst werd door glas. Zij werd gehospitaliseerd en volgde verschillende medische onderzoeken. Er werd een uitgebreide sectie vastgesteld van de m. flexor digitorum superficialis en van de m. flexor digitorum profundus van de 2de,3de en 4de vinger evenals een sectie van de nervus ulnaris. Deze werd micochirurgisch gehecht. Nadien bleef een pijnpatroon bestaan. De raadgevend geneesheer van N.V. ING Insurance stelde een consolidatieverslag op, op 27 oktober
  3. Na consultatie van een ergologisch verslag van Prof Dr D., mevrouw C. en I. d.d. 5 oktober 1999 stelde N.V. ING Insurance een blijvende arbeidsongeschiktheid voor van 22 %. Na dagvaarding wordt bij vonnis van 25 mei 2000 van de Arbeidsrechtbank te Leuven de vordering ontvanke-lijk verklaard en vooraleer verder recht te doen wordt Dr.A. aangesteld met de gebruikelijke opdracht en daarenboven informatie te verstrekken over de medicatie en de behandelingen die na consolidatie nodig zijn om de stabilisatie van de toestand te handhaven, haar advies te geven over de geleden pijn en, eventueel de blijvende littekens te beschrijven en te zeggen of deze door middel van plastische chirurgie voor verbetering vatbaar zijn en welke de mogelijke kostprijs, pijn en risico's van een dergelijk operatie zijn evenals de duur van de invaliditeit bij deze operatie te bepalen. De deskundige legt haar verslag neer ter griffie van de Arbeidsrechtbank te Leuven op 10 december
  4. Zij komt tot het hiernavolgend besluit : - tijdelijke arbeidsongeschiktheden voor de job als arbeidster in de horeca : 100 % van 28 september 1997 tot 30 september 1999, voor de job als telefoniste/administratief bediende: 100 % van 28 september 1997 tot en met 24 november 1997; 70 % van 25 november 1997 tot 30 september 1999; - datum van consolidatie : 1 oktober 1999, - blijvende fysische invaliditeit : 25 % - blijvende economische ongeschiktheid : 30 % rekening houdend met het beroep van betrokkene - volgende aangewezen behandelingen om de stabili-satie van de toestand te handhaven : medicatie Yamalen en Stilnoct volgens noodzaak, wanneer betrokkene het wenst heeft zij de mogelijk-heid om zich te laten behandelen met een dorsale streng stimulator en dit tot vijf jaar na de consolidatiedatum : - de geleden pijnen : 4/7 voor de hospitalisatieperiode van 28 september 1997 tot 2 oktober 1997, 3/7 van 3 oktober 1997 en echter tot 31 december 1997, 2/7 van 1 januari 1998 tot 30 september 1998, 1/7 van 1 oktober 1998 tot 30 september 1999 daarna is deze vervat in de globale invaliditeit; beschrijving van het litteken; esthetische schade 4 op de schaal van
  5. Met het bestreden vonnis verklaart de Arbeidsrecht-bank de vordering in de volgende mate gegrond : de vergoedingen die aan mevrouw S. verschul-digd zijn naar aanleiding van het arbeidsongeval haar overkomen op 28 september 1997 dienen berekend te worden op basis van : - een tijdelijke arbeidsongeschiktheid voor haar job als arbeidster in de horeca : 100 % van 28 september 1997 tot 30 september 1999, voor de job als telefoniste/administratief bediende : 100% van 28 september 1997 tot en met 24 november 1997; 70 % van 25 november 1997 tot 30 september 1999; - datum van consolidatie : 1 oktober 1999 met een blijvende economische arbeidsongeschiktheid van 40%; zegt voor recht dat mevrouw S. het recht heeft om indien noodzakelijk zich te laten behandelen met Yamalen en Stilnoct, met een dorsale streng stimula-tor tot vijf jaar na de consolidatiedatum en met intermittente tijdelijke tien meerbehandelingen; de debatten worden heropend met betrekking tot de berekeningswijze van het basisloon; de beslissing nopens de kosten wordt aangehouden; De Arbeidsrechtbank gaat nauwlettend de fysische invaliditeit na en dit zowel door analyse van het klinisch onderzoek van de rechterschouder, de rechterelleboog en de rechterhand. Na een Penthotaltest worden de pijnreacties in de rechter arm en hand geobjectiveerd. Er zijn ook geobjecti-veerde functiebeperkingen. Zo besluit de deskundige ook dat de pijnklachten het letsel verergeren zodat de fysische invaliditeit hoger is dan we normaal gezien zouden verwachten worden beschreven letsels. Om deze reden weerhoudt de deskundige de fysische invaliditeit van 25 %. De Arbeidsrechtbank heeft echter kritische overwe-gingen bij het verslag van Prof Dr D. dewelke een economische minderwaarde voorstelt van 22 %. Ook de deskundige kan het hiermee niet eens zijn nu de pijnklachten een grotere weerslag op de functio-naliteit van de rechterhand hebben dan verwacht op basis van de geobjectiveerde letsels. De deskundige zelf stelde 30 % voor. De deskundige volgde evenmin het ergologisch verslag opgesteld door de heer D. dewelke de blijvende arbeidsongeschiktheid raamt op 55 à 60 %, aangezien deze in feite rekening houdt met een volledig functioneel verlies van de rechterhand en voorarm terwijl dit toch niet hele-maal het geval is. De rechterhand kan ook wel gebruikt worden bij bepaalde deelactiviteiten. Het mediale deel van de hand en de voorarm kunnen voor een ondersteunende functie zorgen en zo bepaalde bimanuele handelingen toch mogelijk maken. Daarenboven geeft ook de heer D. toe dat nog een aantal sectoren binnen het bereik liggen van mevrouw S., dit gelet op haar leeftijd, en gevarieerde beroepservaring. Na analyse van de 2 ergologische verslagen en het antwoord van de deskundige desbetreffend, meent de Arbeidsrechtbank dat de economische bestendige arbeidsongeschiktheid 40 % bedraagt. Er kunnen geen vergoedingen esthetische schade, economische waarde huishoudelijke arbeid; morele schade en geleden pijn worden toegekend nu de wet op de arbeidsongevallen nergens voorziet in dergelijke schadevergoedingen. Beroepsgrieven Appellante verwijt de eerste rechter vooral dat deze een hoger percentage - met name 40 % - bestendige arbeidsongeschiktheid heeft toegekend, dan de 30 % voorgesteld door de deskundige. Appellante stelt dat het basisloon 16.552,79 EUR bedraagt voor de tijdelijke arbeidsongeschiktheid en eveneens voor de blijvende arbeidsongeschiktheid. De eerste rechter verhoogde het percentage besten-dige arbeidsongeschiktheid omdat het gebruik van de rechterhand bij bepaalde deelactiviteiten in hoge mate belemmerd wordt door geobjectiveerde pijn-reacties, doch de deskundige had bij het bepalen van 30 % bestendige arbeidsongeschiktheid hiermede reeds rekening gehouden. Het is hoogst ongebruikelijk dat een rechtbank in plaats van gespecialiseerde deskundigen, zelf tot de bepaling van de blijvende arbeidsongeschiktheid over gaat. Nergens kan appellante lezen hoe de eerste rechter aan het cijfer van 40 % gekomen is. In hoofdorde vraagt appellante de bekrachtiging van het deskundig verslag en ondergeschikt de aanstel-ling van een nieuwe deskundige, hetzij een college van deskundigen met de gebruikelijk opdracht in arbeidsongevallen. ó ó ó Beoordeling :
  6. Ontvankelijkheid van het hoger beroep Er wordt geen betekening van het bestreden vonnis overgelegd . Het verzoekschrift is regelmatig naar vorm en werd ingesteld binnen de daartoe wettelijk bepaalde termijn, wat overigens niet wordt betwist. Het is derhalve ontvankelijk. ó ó ó
  7. Ten gronde Het is nuttig de begrippen tijdelijke arbeids-ongeschiktheid, consolidatie van de letsels en blijvende arbeidsongeschiktheid verder te om-schrijven. Men spreekt van tijdelijke arbeidsongeschiktheid wanneer de letsels die het gevolg zijn van een arbeidsongeval, nog aan evolutie onderhevig zijn. De tijdelijke arbeidsongeschiktheid is volledig wanneer het slachtoffer, gedurende een beperkte periode, niet in staat is het beroep uit te oefenen dat op het ogenblik van het arbeidsongeval werd uitgeoefend. De tijdelijke arbeidsongeschiktheid is gedeeltelijk wanneer de getroffene, naar medische maatstaven, wordt geacht het beroep dat hij uitoefende op het ogenblik van het ongeval, te kunnen hernemen zonder dat hij zijn volledige arbeidsgeschiktheid in dat beroep heeft teruggevonden of wanneer de getroffene opnieuw kan worden tewerkgesteld in een aangepast beroep dat hem voorlopig kan worden opgedragen bij dezelfde werkgever. De tijdelijke arbeidsongeschiktheid wordt bijgevolg gemeten in functie van het door het slachtoffer uitgeoefende beroep op het ogenblik van het arbeids-ongeval. Dit is in tegenstelling tot het bepalen van de graad van blijvende arbeidsongeschiktheid waarbij het ver-lies aan economisch potentieel of het verlies aan concurrentievermogen op de algemene arbeidsmarkt wordt nagegaan, en dit in het licht van alle moge-lijke beroepen die voor de betrokkene nog openstaan, gelet op de leeftijd, de beroepsbekwaamheid, het aanpassingsvermogen, de omscholingsmogelijkheid en het concurrentievermogen van het slachtoffer op deze algemene arbeidsmarkt. Onder concurrentievermogen wordt verstaan de mogelijkheid om in vergelijking met andere werk-nemers een beroep in loondienst uit te oefenen. De fysische en psychische arbeidsongeschiktheid wordt bepaald in functie van de impact van de letsels op het menselijk lichaam . De sekwellen welke van deze letsels overblijven, laten hun invloed gelden op de globale economische arbeidscapaciteit van de betrokkene. Voor de bepa-ling van deze economische arbeidscapaciteit wordt rekening gehouden met de waarde van de lichamelijke ongeschiktheid (fysisch of psychisch), de leeftijd, de beroepsbekwaamheid, het aanpassingsvermogen, de omscholingsmogelijkheid en het concurrentievermogen van de getroffene op de algemene arbeidsmarkt (zie o.m. Cass 10.03.1980 RW 80-81 647). Er dient zo concreet mogelijk te worden nagegaan wat het slachtoffer nog kan verdienen zonder het even-tueel te mogen toetsen aan de praktijk . Mag niet in aanmerking komen, om de mogelijkheid van een beroepsuitoefening te beoordelen, of er op het ogenblik dat de blijvende arbeidsongeschiktheid wordt vastgesteld, een tekort of een overschot is aan arbeidskrachten op de arbeidsmarkt (zie Cass 28.11.1977,Arr.Cass.1978,356). Mag wel in aanmerking komen het rendementsverlies van het slachtoffer door pijn dan wel door functie-beperkingen door de letsels teweeggebracht. In casu is het treffend dat zowel de geconsulteerde geneesheren prof Dr D. (geconsulteerd door de raadsgeneesheer van appellante) als de deskundige Dr A. tot een onderscheiden % bestendige economische arbeidsongschiktheid komen, en dat het ergologisch verslag van Prof Dr D.tot 22 % besluit daar waar de ergoloog-psycholoog de heer D. deze 55 tot 60 % raamt. Geen der geraadpleegde specialisten hebben gemoti-veerd waarom en hoe zij tot het door hun voorge-stelde percentage definitieve economische arbeids-ongeschiktheid zijn gekomen. Appellante verwijt dan ook de eerste rechter ten onrechte dat deze het door haar bepaalde % van 40 % BAO niet motiveert. De arbeids-rechtbank heeft nauwlettend de verslagen van zowel prof Dr D. als Dr A. als de heer D. geanalyseerd om vertrekkend van de fysische arbeidsongeschiktheid door de deskundige vastgesteld op 25 %, de verslagen van D. en D. te toetsen teneinde een percentage van 40 % verminde-ring van economisch potentieel vast te stellen. Het is overigens onmogelijk om met zekerheid vast-stellingen van percentages te verrichten in de medische wereld. Hoewel het gebruik van de OBSI bij de raming van de arbeidsongeschiktheid onder de artsen een alom ver-spreide praktijk is, moet een dergelijke forfaitaire schadebegroting volgens Ria Janvier worden afgewezen aangezien deze schalen geen wetenschappelijke waarde hebben, hier door de wetgever niet gewild zijn, en daarentegen geen billijke en gelijke rechtsbedeling verzekeren. De OBSI reduceert de mens tot een louter fysiek wezen waarbij het verlies van bepaalde li-chaamsdelen, functies of organen, zal overeenstemmen met een zekere graad van arbeidsongeschiktheid. De arbeidsongeschiktheid kan immers niet gewoon gelijkgesteld worden met de medisch bepaalde fysieke minderwaarde die ten hoogste een mogelijk aankno-pingspunt vormt voor de berekening van de vergoeding maar op zich geen aanleiding geeft tot vergoeding ( zie R. Janvier arbeidsongeschiktheid in arbeids-ongevallen en gemeen recht Medius 2000,15). De deskundige heeft echter naast de OBSI ook de AMA schaal gebruikt (blz 34 van haar verslag) doch zonder deze in concreto in onderhavige casus verder te bespreken. Verschillende onzekerheden blijven bestaan met name of de deskundige de heer D. in voldoende mate heeft gewezen op de juiste fysische restletsels en de juiste functiebeperkingen van de rechterhand en de voorarm, (welke bimanuele handelingen kunnen juist worden verricht) evenals op de implicaties van de verrichte onderzoeken door de Pentothaltest en de bevindingen van het multi-point /worksimulator ( kadert dit in een gebrekkige coöperatie of in pijninhibitie?). Zo heeft Prof Dr D. ook gemeld dat de heer D. , niet alleen is uitgegaan van onvolledige medische informatie doch dat hij verkeerdelijk rekening hield met het feit dat betrokkene als zwak- begaafde wordt gekwoteerd daar waar betrokkene door testen op zijn dienst als normaal begaafd wordt gekwoteerd. In casu gaat het om een zwaar arbeidsongeval en is grote voorzichtigheid geboden bij het maken van definitieve besluiten vooral in aanwezigheid van sterk uiteenlopende adviezen temeer daar de arbeidsmarkt zowel de beroepen als arbeidster als voor uitvoerend en administratief bedienden mogelijk zijn). Voor het Arbeidshof is het voornamelijk van belang de juiste objectieve letselschade, en hun omvang te kennen, evenals hun functiebeperkingen, en omvang van rendementsverlies zodat deze, samen met de leeftijd, de beroepsbekwaamheid, het aanpassings-vermogen, de omscholingsmogelijkheid en het concurrentievermogen van de getroffene kan getoetst worden op de algemene arbeidsmarkt. Een geneesheer-deskundige lijkt hiervoor het meest aangewezen al dan niet opnieuw bijgestaan door een ergoloog, tenzij de deskundige op gemotiveerde wijze de economische arbeidsongeschiktheid in voldoende mate zelf kan bepalen en rechtvaardigen. ó ó ó OM DEZE REDENEN : En alle andere hierin impliciet vervat, Het Arbeidshof, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24; Recht sprekend op tegenspraak; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk ; Vooraleer verder recht te doen stelt aan als deskundige Dr. H. P., A.Z. V.U.B., Laarbeeklaan 101 te 1090 Brussel met als opdracht : Met inachtneming van de artikelen 962 en de volgende van het Gerechtelijk Wetboek; alle nodige navorsingen door te voeren, onder meer het onderzoek van de medische stukken die de partijen neerlegden met name de verslagen van prof Dr D., het deskundigenverslag van Dr. A. inclusief het ergologisch verslag van de heer D. ; het inwinnen van alle nuttige inlichtingen welke de geneesheren - aan te duiden door partijen ter verdediging van hun belangen - kunnen verstrekken; mevrouw S., die zich kan laten bijstaan door een geneesheer van haar keuze, eventueel aan een medisch onderzoek te onderwerpen uitsluitend indien hij dit noodzakelijk acht, teneinde : m.b.t. de gevolgen van het arbeidsongeval d.d. 28.09.1997 in een gemotiveerd verslag advies uit te brengen over de graad van de blijvende arbeids-ongeschiktheid, zoals hierboven uiteengezet, in acht genomen de definitieve economische arbeidsonge-schiktheid, rekening houdend met de leeftijd de beroepsbekwaamheid, het aanpassingsvermogen en de omscholingsmogelijkheid en het concurrentievermogen van het slachtoffer op de algemene arbeidsmarkt; Zich te laten bijstaan door een specialist van zijn keuze wanneer hij dit noodzakelijk zou achten; Zegt dat de deskundige binnen de 8 dagen na de toezending door de griffier, op verzoek van de meest gerede partij van het eensluidend afschrift van dit arrest, het Hof en de partijen per brief kennis zal geven van de plaats, de dag en het uur waarop hij zijn werkzaamheden zal aanvatten, Gelast de deskundige zijn opdracht uit te voeren overeenkomstig de bepalingen van artikel 962 tot 991 van het Gerechtelijk Wetboek, Zegt dat de deskundige zijn opmerkingen en besluiten zal optekenen in een met redenen omkleed verslag dat hij zal ondertekenen na schriftelijk de bij de wet gestelde eed te hebben afgelegd en dat hij het origineel op de griffie van deze zetel zal inleveren ten laatste binnen de 3 maanden te rekenen vanaf de datum waarop hij in kennis werd gesteld van haar opdracht zoals voorzien bij artikel 965 van het Gerechtelijk Wetboek terwijl hij terzelfdertijd een afschrift zal zenden aan ieder der partijen; Houdt de beslissing nopens de gerechtskosten aan; Aldus gewezen en uitgesproken op de openbare terechtzitting van de 5de kamer van het Arbeidshof te Brussel op 4 april 2005, waar aanwezig waren : Mevr. B. CEULEMANS: Raadsheer. De Heren : A. DE VADDER: Raadsheer in Sociale Zaken als werkgever. H. SILON : Raadsheer in Sociale Zaken als werknemer-arbeider, aan-geduid bij bevelschrift van heden ter vervanging van de heer D. VRIJSEN, Raadsheer in Sociale Zaken als werknemer-arbeider, die de debatten heeft bijgewoond en heeft deelgenomen aan het beraad van onderhavig arrest, maar wettig verhinderd is om de uitspraak ervan bij te wonen (art. 779 Ger. Wb.). D. DE RAEDT: Griffier. PDF document ECLI:BE:CTBRL:2005:ARR.20050404.19 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.