← België

ECLI:BE:CTBRL:2005:ARR.20050408.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 08 april 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2005:ARR.20050408.3 Rolnummer: 42682 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-10-25 Raadplegingen: 116 - laatst gezien 2026-07-02 03:32 Fiche Een werknemer mag na het einde van de arbeidsovereenkomst een concurrerende activiteit uitoefenen en o.a. hetzelde cliënteel prospecteren en bezoeken, voor zover hij geen oneerlijke concurrentie pleegt. Vrije woorden: ARBEIDSOVEREENKOMSTEN - ALGEMENE REGELING - Einde van de arbeidsovereenkomst - Concurrentie Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 17,3° - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN ACHT APRIL TWEEDUIZEND EN VIJF. DERDE KAMER Bediendecontract Tegensprekelijk Definitief In de zaak: V. V. M. , Appellante, vertegenwoordigd door Mr. S. Heerinckx, advocaat te Halle; Tegen: M. R. , Geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. R. De Vos, advocaat te Pepingen; ó ó ó Na beraadslaging, velt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest: Gelet op: - de stukken der rechtspleging en ondermeer het eensluidend verklaard afschrift van het vonnis uitgesproken op tegenspraak door de 12e kamer van de Arbeidsrechtbank te Brussel op 9 november 2001 (AR nr. 47200/89), alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep ontvangen op de griffie van het Arbeidshof op 26 februari 2002; - de besluiten en synthesebesluiten van geïntimeerde, ontvangen ter griffie op respectievelijk 20 november 2002 en 11 juni 2003; - de besluiten en synthesebesluiten van appellante, ontvangen ter griffie op respectievelijk 29 april 2003 en 22 september 2004; Gehoord de partijen in hun middelen en verdediging ter openbare terechtzitting van 25 februari

  1. Partijen legden hun bundel neer waarna de debatten gesloten werden. Gehoord het mondeling advies van het Openbaar Ministerie gegeven door de heer J.J. André, substituut-generaal. Appellante partij wenst niet te repliceren. Geïntimeerde partij repliceert mondeling op het advies waarna de zaak in beraad werd genomen. p p p I. DE FEITEN. Het Hof verwijst naar de uiteenzetting van de feiten in het vonnis a quo en acht dit voor herhaald (2e blz). Het geschil betreft enerzijds loon voor overuren voor 2 zaterdagen op 3 gedurende 5u30 per zaterdag en anderzijds een schadevergoeding voor beweerde oneerlijke concurrentie. II. DE OORSPRONKELIJKE VORDERINGEN EN HET VONNIS A QUO. Met dagvaarding dd. 28 juni 1998 vordert de heer M. veroordeling van appellante tot betaling van: - 201.860 BEF t.t.v. overwerkloon voor de periode van 1 januari 1985 tot 30 juli 1988, - 28.523 BEF t.t.v. vakantiegeld op overurenloon, - 105.069 BEF t.t.v. eindejaarspremie voor de periode 1983-1985, - 15.715 BEF t.t.v. loon voor niet opgenomen vakantiedagen, meer de wettelijke en gerechtelijke intresten, meer de afgifte van de vereiste sociale documenten, de kosten van het geding evenals dit alles bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad. Bij besluiten dd. 19 december 1989 stelt de werkgever een tegeneis in en vordert betaling vanwege de heer M. van een verbrekingsvergoeding alsook een schadevergoeding van EUR 19.831,48 wegens oneerlijke concurrentie en overtreding van het niet concurrentiebeding. Het vonnis a quo verklaart de hoofdvordering ontvankelijk en gegrond als volgt: Veroordeelt appellante tot betaling aan de heer M. van de volgende bedragen: - 201.860 BEF t.t.v. achterstallig overwerkloon, - 28.523 BEF t.t.v. vakantiegeld op achterstallig loon, - 15.715 BEF t.t.v. loon voor niet genomen vakantiedagen - 105.069 BEF t.t.v. eindejaarspremie 1983, 1984 en 1985, meer de wettelijke en gerechtelijke intresten. Veroordeelt appellante tot afgifte van de ingevolge onderhavig vonnis veroorzaakte sociale en fiscale documenten. Verklaart de tegenvordering van appellante tot betaling van een verbrekingsvergoeding ontoelaatbaar wegens verjaring. Verklaart de tegenvordering voor het overige ontvankelijk doch niet gegrond en wijst appellante ervan af. Veroordeelt appellante tot de kosten. III. DE BEROEPSGRIEVEN. Appellante verzoekt het Hof het vonnis a quo teniet te doen en opnieuw rechtdoende, Over de oorspronkelijke vordering: - deze ontvankelijk, doch ongegrond te verklaren, - derhalve huidige geïntimeerde er volledig van af te wijzen, - huidige geïntimeerde te veroordelen tot betaling van de kosten van beide aanleggen, rechtsplegingsvergoeding inbegrepen. Over de oorspronkelijke tegenvordering: - de oorspronkelijke tegenvordering van appellante toelaatbaar, ontvankelijk en gegrond te verklaren; derhalve; - huidig geïntimeerde te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding t.t.v. vergoeding voor de schade die hij aan het bedrijf van appellante heeft toegebracht ex aequo et bono geraamd op 19.831,48 euro, - ondergeschikt, mocht het Arbeidshof van oordeel zijn dat de feiten door appellante aangehaald niet voldoende bewezen zijn quod non - appellante toe te staan om de bewijzen met alle middelen van recht, getuigenissen inbegrepen, dat geïntimeerde in Halle, Buizingen, Sint-Pieters-Leeuw, Pepingen, Pamel, Overijse, Grimbergen en Rekelgem het bestaande en vast cliënteel van appellante ging bezoeken voor rekening van zijn nieuwe werkgever en aan dit cliënteel producten van zijn nieuwe werkgever aanprees boven die van appellante, zeggende dat de producten van zijn nieuwe werkgever beter en goedkoper waren. Appellante stelt dat de heer M. in het hoogseizoen af en toe eens maximaal 3 uren werkte op een zaterdag doch dat uit haat stuk 7 blijkt dat hij deze uren op voorhand recupereerde en dat voor deze uren loon werd betaald. De eerste rechter heeft volgens appellant ten onrechte geen rekening gehouden met dit stuk 7 en geoordeeld dat dit een vals stuk was dat niet door de heer M. is ondertekend. Wat betreft het vakantiegeld voor 1988, verwijst appellante naar haar stuk 11 en stelt dat dit bewijst dat zij het vakantiegeld betaalde. M.b.t. de eindejaarspremie verwijst appellante naar loonbriefjes en stelt dat hieruit blijkt dat zij maandelijks benevens het gewone loon tevens een fractie van de eindejaarspremie betaalde. Wat betreft de schadevergoeding wegens oneerlijke concurrentie verwijst appellante naar getuigenver-klaringen en naar het PV van vaststelling door gerechtsdeurwaarder Andries (stuk 16). Zij stelt dat de eerste rechter haar ten onrechte weigerde de feiten te bewijzen met getuigen en is de mening toegedaan dat zij niet het slachtoffer mag worden van het feit dat het strafonderzoek en de berechting door de strafgerechten, die hebben plaatsgevonden n.a.v. de klachten van 2 ex-werknemers, waaronder huidige geïntimeerde, jaren in beslag hebben genomen (klacht van de andere ex-werknemer: 13 oktober 1990 klacht met burgelijke partijstelling van geïntimeerde; 23 augustus 1991 arrest van de 13e kamer van het Hof van Beroep te Brussel (vrijspraak appellante): 5 mei 1999). IV. STANDPUNT VAN GEÏNTIMEERDE. De heer M. verzoekt het Hof het vonnis a quo te bevestigen in al zijn beschikkingen. Hij stelt met besluiten dd. 11 juni 2003 "zonodig" de in artikel 893 e.v. Ger.Wb. voorziene valsheidvorderingen m.b.t. appellants stuk
  2. Hij stelt dat dit stuk niet zijn handtekening draagt zodat er geen bewijswaarde kan worden aan gehecht. ó ó ó V. BEOORDELING DOOR HET HOF. Overwegende dat het hoger beroep naar vorm en tijd ontvankelijk voorkomt. Gezien de door partijen neergelegde stukken.
  3. Over de valsheidvordering. Overwegende dat appellante volhardt dat zij stuk 7 wil aanwenden in onderhavige procedure. De heer M. stelt dat dit stuk niet door hem is ondertekend, verder dat hij, "zonodig", de valsheidvordering stelt. Overwegende dat stuk 7 overeenkomstig artikel 42 AOW als kwijting afgegeven door de werknemer op het einde van de overeenkomst slechts slaat op de in dit document uitdrukkelijk vermelde posten. Door een dergelijk document verzaakt een werknemer niet aan de aanspraken of rechten waarvan in een kwijting geen uitdrukkelijke opgave is gedaan. Stuk 7 betreft de verlofdagen die de heer M. heeft genoten in
  4. De N.B. op stuk 7 betreffende het recuperatieverlof buiten de wettelijke verlofdagen voor eventueel overwerk bewijst niet dat de heer M. recuperatieverlofdagen heeft genoten noch hoeveel noch wanneer. Het stuk 7 bevat in ieder geval geen enkel bewijselement i.v.m. betaling door appellante van overloon, of loon voor gepresteerde overuren. Het stuk 7 is voor de oplossing van het geschil nl. de vraag of appellante loon heeft betaald voor door geïntimeerde verricht overwerk op zaterdag niet dienend. Het Hof beschouwt het stuk 7 derhalve als zijnde niet dienend en doet uitspraak zonder rekening te houden met het stuk
  5. De heer M. stelt zijn tussenvordering wegens valsheid slechts "voorwaardelijk: zo nodig". Vermits het Hof uitspraak doet over het geschil zonder rekening te houden met stuk 7 is de voorwaardelijke valsheidvordering zonder voorwerp.
  6. Over de gepresteerde overuren op zaterdag. Overwegende dat het Hof met de eerste rechter vaststelt dat de heer M. voldoende bewijst dat hij 2 zaterdagen op 3 overuren presteerde ten belope van 5u30 per zaterdag door: - de veelvuldige verklaringen van klanten: hij werd reeds rijdend opgemerkt rond 9 uur op de steenweg op Bergen en de verkoop op zaterdag wordt bevestigd zowel op zaterdagvoormiddag als namiddag (stuk 14); - de verklaringen van drie andere werknemers (van é8u30 tot é14u30) (stuk 14); - het feit dat de te bezoeken regio op zaterdag toch omvangrijk blijkt te zijn nl. Halle, Buizingen, St.Pieters Leeuw, Roosdael, Eizeringen, Anderlecht; - de afwezigheid van de tachograafschijven. De heer M. maakt terecht aanspraak op achterstallig overwerkloon, waarvan de cijfermatige berekeningen door appellante niet wordt betwist t.b.v.: - 1985: 54.154 BEF - 1986: 57.416 BEF - 1987: 57.583 BEF - 1988: 32.707 BEF alsmede het verschuldigde vakantiegeld hierop t.b.v. respectievelijk 7.582 BEF, 8.038 BEF, 8.062 BEF en 4.841 BEF.
  7. Het enkel vakantiegeld voor tien niet-opgenomen dagen. Overwegende dat appellante niet bewijst aan de hand van haar stuk 11 dat zij enkelvoudig vakantiegeld voor tien openstaande verlofdagen in 1988 heeft betaald begin juli 1989 (op rekening LBC). Uit haar brief aan LBC dd. 11 juli 1989 blijkt niet dat zij dit verlofgeld heeft betaald, welintegendeel, zij schrijft dit niet verschuldigd te zijn aan de heer M. omdat zij "gedurende bepaalde periodes gesloten is wegens jaarlijks verlof" o.a. in november. De arbeidsovereenkomst werd echter beëindigd op 1 augustus 1988 zodat de heer M. geen verlof kan hebben genomen in augustus of in november
  8. De eerste rechter veroordeelde appellante terecht tot de betaling van 15.715 BEF achterstallig enkel verlofgeld voor tien openstaande wettelijke vakantiedagen voor het vakantiejaar
  9. De eindejaarspremies voor 1983, 1984 en
  10. Uit de door appellante neergelegde loondocumenten blijkt enkel en alleen de betaling van het overeengekomen vast loon en de bedongen commissie. Van een gefractioneerde betaling van een eindejaarspremie levert appellante geen enkel bewijs. De loondocumenten bewijzen enkel betaling van overeengekomen loon voor gepresteerde arbeid. Van betaling van gefractioneerde eindejaarpremies is op deze loondocumenten noch expliciet noch impliciet een spoor.
  11. De tegeneis tot schadevergoeding wegens oneerlijke concurrentie. Overwegende dat de eerste rechter reeds terecht stelde dat het niet-concurrentiebeding, vervat in artikel 10 van de arbeidsovereenkomst, zoals gewijzigd op 1 januari 1988, nietig is en als niet bestaande wordt beschouwd overeenkomstig artikel 65 van de Arbeidsovereenkomstenwet (AOW), wat appellante overigens heden niet betwist. Overwegende dat de werknemer bij ontstentenis van een geldig concurrentiebeding zoals in casu na het einde van de arbeidsovereenkomst het recht heeft om een concurrerende activiteit uit te oefenen op voorwaarde dat zijn activiteiten niet deloyaal zijn (AH Luik 16.12.1997, RRD 1998, 106). Slechts daden van oneerlijke concurrentie of het bekendmaken van fabrieks- en/of zakengeheimen zijn ook na het beëindigen van de arbeidsovereenkomst overeenkomstig artikel 17, 3° AOW verboden. Overwegende dat appellantes stuk 5 feiten betreft (verkoop van duiven, niet-levering van een taart, bedriegen van A. M. ) die dateren van tijdens de uitvoering van de arbeidsovereenkomst. Het betreft eenzijdige verklaringen van klanten i.v.m. beweerde oneerlijkheden van de heer M. waarvan appellante reeds vóór het ontslag op de hoogte was (mei 1987, juni 1988, augustus 1987). Deze stukken betreffen aldus geen oneerlijke concurrentie voor rekening van zijn nieuwe werkgever. De heer M. bewijst dat hij vanaf 16 november 1988 in dienst trad bij een concurrerende firma "Het IJskarretje" (stuk 20). Uit het PV van vaststelling, opgesteld door gerechtsdeurwaarder Andries, kan enkel afgeleid worden dat voornoemde deurwaarder de heer M. in opdracht van appellante gevolgd is, dat zij hem gezien heeft in een camionette met de naam IJskarretje op 18 november 1988 en dat hij twee klanten heeft bezocht. Zoals hoger reeds werd benadrukt mag een werknemer na het einde van de arbeidsovereenkomst een concurrerende activiteit uitoefenen en o.a. hetzelfde cliënteel prospecteren en bezoeken, voor zover hij geen oneerlijke concurrentie pleegt (art. 17, 3° AOW). Appellante bewijst niet dat de heer M. fabrieks- of zakengeheimen zou hebben bekend gemaakt aan derden. Appellante beweert dit zelfs niet. Appellante beweert en bewijst evenmin feiten die beantwoorden aan oneerlijke concurrentie. Appellante voert geen feiten aan die overeenkomstig de wetgeving op de handelspraktijken laakbaar en als oneerlijk worden beschouwd. Het bezoeken van het bestaand cliënteel van appellante voor rekening van zijn concurrerende werkgever en het aanprijzen van diens artikelen, zelfs als zijnde goedkoper of beter, is concurrentie doch niet meteen oneerlijke concurrentie. Daar appellante geen feiten aanvoert die beantwoorden aan oneerlijke concurrentie, kan haar verzoek tot bewijs met getuigen van het beweerd feit (zie hoger onder beroepsgrieven) niet worden ingewilligd daar het terzake niet dienend is. ó ó ó OM DEZE REDENEN, Het Arbeidshof, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24, Rechtsprekend op tegenspraak, Alle andere middelen en conclusies verwerpende, Gehoord de heer J.J. André, substituut-generaal, in zijn mondeling advies omtrent het incident van de valsheidvordering gegeven ter openbare terechtzitting van 25 februari
  12. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en ongegrond. Bevestigt het vonnis a quo in al zijn bestanddelen. Veroordeelt appellante tot de kosten van het hoger beroep, tot op heden als volgt begroot: - voor appellante: - rechtsplegingsvergoeding hoger beroep EUR 279,60 - voor geïntimeerde: - rechtsplegingsvergoeding hoger beroep EUR 267,73 Aldus gewezen en uitgesproken op de openbare terechtzitting van de derde kamer van het Arbeidshof te Brussel op acht april tweeduizend en vijf. Waren aanwezig: M. VERMAELEN: Raadsheer. F. VANDEWIJNGAERDEN: Raadsheer in Sociale Zaken als werkgever. P. BUYENS: Raadsheer in Sociale Zaken als werknemer- bediende. L. COEN: Eerstaanwezend adjunct-griffier. PDF document ECLI:BE:CTBRL:2005:ARR.20050408.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.