← België

ECLI:BE:CTBRL:2005:ARR.20050412.11

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 12 april 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2005:ARR.20050412.11 Rolnummer: 44235 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2005-07-15 Raadplegingen: 94 - laatst gezien 2026-07-02 03:32 Fiches 1 - 2 Dat de vordering die bij dagvaarding van 20-11-2000 werd ingeleid niet binnen de verjaringstermijn van artikel 15 WAO werd ingesteld zoals de vennootschap had ingeroepen, daarover kan geen twijfel bestaan. De betwisting betreft de vraag op de dagvaarding van 17-1-2000 die wel aan de vennootschap werd betekend doch niet op de algemene rol werd ingeschreven tegen de datum van de zitting die in de dagvaarding werd vem1eld de verjaring heeft gestuit. De Arbeidsrechtbank meende van wel en volgde aldus het standpunt van de Heer Hens. De vennootschap laat gelden dat uit artikel 717 Gerechtelijk Wetboek volgt dat die dagvaarding de verjaring niet kan hebben gestuit. De Heer Hens meent dat uit artikel 2244 Burgerlijk Wetboek volgt dat er wel sprake is van stuiting nu die bepaling niet vereist dat de dagvaarding werd betekend en op de algemene rol ingeschreven doch enkel dat ze werd betekend. Hij meent dat artikel 717 Gerechtelijk Wetboek niet kan slaan op de burgerlijke gevolgen van de dagvaarding en meent voor die stelling steun te vinden in rechtsleer en rechtspraak daterend van de periode voor het invoeren van het Gerechtelijk Wetboek. Het Hof deelt de stelling van de Heer Hens niet. Wat betreft de stuiting van de verjaring zijn de gemeenrechtelijke regels toepasselijk. Artikel 2244 Burgerlijk Wetboek somt de oorzaken van de stuiting van de verjaring op. Een dagvaarding voor het gerecht, een bevel tot betaling of een beslag betekend aan hem die men wil beletten de verjming te verkrijgen, stuiten geldig de verjaring. Artikel 2246 Burgerlijk Wetboek bepaalt dat ook de dagvaarding voor een onbevoegde rechter de verjaring stuit en artikel 2247 bepaalt dat indien de dagvaarding nietig is uit hoofde van een gebrek in de vonn, indien de eiser afstand doet van zijn eis of indien zijn eis wordt afgewezen, de stuiting voor niet bestaande wordt gehouden. Zoals hierboven reeds werd onderstreept is de dagvaarding die niet op de algemene rol is ingeschreven daags voor de zitting in de dagvaarding venneld van generlei waarde krachtens artikel 717 Gerechtelijk Wetboek. De stuitende werking ten opzichte van de verjaring van een dagvaarding voor het gerecht is slechts het gevolg van de daarin vervatte wil van de eiser om van zijn recht, dat door verjaring kan vervallen gebruik te maken. Er kan pas sprake zijn van een dagvaarding voor het gerecht wanneer de dagvaarding overeenkomstig art 716 van het Gerechtelijk Wetboek op de algemene rol wordt ingeschreven. Pas dan is de zaak aanhangig voor de rechtbank en is deze gevat om er uitspraak over te doen. Pas dan kan men er de wil uit afleiden om het betwist recht te laten beslechten. Naar analogie kan verwezen worden naar het proces-verbaal van vrijwillige verschijning dat slechts stuitende werking verkrijgt wanneer het door de partijen, de rechter en de griffier is onde11ekend, zoals bepaald in art 706 Gerechtelijk Wetboek. Aangezien een dagvaarding die aan de tegenpartij werd betekend doch niet op de algemene rol werd ingeschreven van generlei waarde is, kan de vordering die erin is vervat door de rechtbank niet worden beslecht en kan men er niet de wil uit afleiden dat de schuldeiser het betwist recht niet wil vérliezen. Daarom precies kan er geen stuitende werking van uitgaan. Het Hof van Cassatie heeft meermaals in die zin uitspraak gedaan. ( Cass., 31-10-94, AIT.Cass. '94, 900; Cass., 9-12- '96, Ari.Cass. 96,1181). In het verslag van Koninklijk Commissaris Van Reepinghen bij de gerechtelijke hervonning, werd in een noot gesteld dat bij gebrek aan rol stelling de dagvaarding geen enkel gevolg heeft noch op het vlak van de rechtspleging noch op burgerlijk gebied (Burgerlijk Wetboek artikel 2247) (Pasinomie '67 p 421). Anders is het gesteld met de dagvaarding voor een onbevoegde rechtbank waarvoor het Burgerlijk Wetboek een uitzondering maakt omdat zulke dagvaarding toch de zaak voor het gerecht aanhangig maakt zodat ze kan worden beslecht, mits een eventuele verwijzing naar de bevoegde rechtbank. De Franse tekst "citation en justice" en de bespreking daarvan door De Page die ze beschrijft als een deurwaardersexploot waarbij een pm1ij wordt uitgenodigd om voor een rechtbank te verschijnen waarnaar de Heer Hens verwijst, leidt tot dezelfde conclusie.Het gebrek aan rolstelling doet die uitnodiging om voor het gerecht te verschijnen teniet omdat de zaak er niet aanhangig is gemaakt en er niet kan behandeld worden. Het Hofbesluit derhalve dat de dagvaarding die op 17-1-2000 aan de vennootschap werd betekend doch niet op de algemene rol van de Arbeidsrechtbank werd ingeschreven tegen de inleidingszitting van 1-2-2000 overeenkomstig artikel 716 Gerechtelijk Wetboek de verjaring niet heeft gestuit. Op het ogenblik dat de dagvaarding van 20-11-2000 werd betekend, was de daarin vervatte vordering, gesteund op de arbeidsovereenkomst Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP - RECHT - WETGEVING - BURGERLIJK RECHT - Dagvaarding die niet op de algemene rol is ingeschreven daags vóór de zitting - Toepassing van art. 2247 B.W. - Geen stuiting van de verjaring. Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 717 - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP - RECHT - WETGEVING - GERECHTELIJK RECHT - Dagvaarding die niet op de algemene rol is ingeschreven daags vóór de zitting - Toepassing van art. 2247 B.W. - Geen stuiting van de verjaring. Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - 2247 - 35 ELI link Pub nr 1804032155 Tekst van de beslissing Rep.Nr_________ ARBEIDSHOF TE BRUSSEL &§9472;&§9472;&§9472;&§9472;&§9472;&§9472;&§9472;&§9472;&§9472; ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN 12 APRIL

  1. 3e KAMER Bediendecontract Op tegenspraak Definitief In de zaak : De Heer H. C. , Geïntimeerde, appellant op incicenteel hoger beroep, vertegenwoordigd door Mters Depuydt en Ghekiere, advocaten te 8500 Kortrijk; Tegen : N.V. 3M BELGIUM, met maatschappelijke zetel gevestigd te 1831 Diegem, ingeschreven in het het handelsregister te Brussel onder het nummer 232.647, Geïntimeerde, appellante op incidenteel hoger beroep, vertegenwoordigd door Mter Verheyden loco Mter E. Vandenbroucke, advocaat te 1180 Brussel; Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel volgend arrest uit : Gelet op de stukken van de rechtspleging en meer bepaald op : - het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis op tegenspraak gewezen door de Arbeidsrechtbank te Brussel op 17 februari 2003,2de Kamer; - het verzoekschrift tot hoger beroep ontvangen ter griffie van dit Hof op 14 mei 2003; - de besluiten, vervangende besluiten en synthesebesluiten van geïntimeerde ontvangen ter griffie van dit Hof respectievelijk op 25 november 2003, 2 november 2004 en 21 januari 2005; - de besluiten en vervangende synthesebesluiten voor appellant ontvangen ter griffie van dit Hof respectievelijk op 15 juni 2004 en 14 december 2004; - gelet op de voorgelegde stukken; Gehoord partijen in hun middelen en beweringen op de openbare terechtzitting van 1 maart 2005; x x x RELEVANTE FEITEN EN RECHTSPLREGING. De Heer H. trad op 5-7-'72 als medisch afgevaardigde in dienst van de NV 3M Belgium met een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur. Vanaf 1-11-'76 trad hij in dienst van de NV RIKER BENELUX met behoud van anciënniteit. Hij oefende er achtereenvolgens de functie uit van "area supervisor" vanaf 1-8-'78, van" product sales manager" vanaf 1-11-"84, van "sales manager vanaf 1-6-"86, van sales & marketing manager "vanaf 2-6-"88 en van "key account manager "vanaf 1-5-'
  2. Op 24-10-'91 werd een wijziging aan de overeenkomst doorgevoerd voor wat de samenstelling van het loon betrof. Het loon dat voordien enkel uit vast loon bestond werd opgesplitst in een vast gedeelte en een variabel gedeelte in de verhouding 90% -10%. Het vast gedeelte stemde overeen met het maandsalaris van oktober '
  3. Vanaf 1-1-'97 werd het loon opnieuw tot een vast loon teruggebracht volgens een overeenkomst van 14-3-'
  4. Eind '97 werd aan de Heer H. meegedeeld dat zijn job bij de vennootschap waarvan de naam intussen werd gewijzigd tot 3M PHARMA werd afgeschaft. Er werd op 27-4-'98 een nieuwe arbeidsovereenkomst ondertekend met de NV 3M BELGIUM waarbij hij vanaf 1-1-'98 in dienst trad met behoud van zijn anciënniteit en jobgroep verworven bij de NV 3M PHARMA. Hij werd vanaf dan tewerkgesteld in de sector van de verlichting. Zijn functie had als benaming "market development manager". Met een aangetekende brief van 18-1-'99 deelde de vennootschap aan de Heer H. mee dat zij per 1-2-'99 een einde aan de arbeidsovereenkomst stelde en bepaalde de opzeggingstermijn op 30 maanden die hij evenwel niet hoefde te presteren. Op 18-1-'99 werd de Heer H. arbeidsongeschikt en deze arbeidsongeschiktheid duurde tot juli '
  5. Op 19-7-'99 zegde de vennootschap de arbeidsovereenkomst op op grond van artikel 78 van de arbeidsovereenkomstenwet van 3-7-'78 (AOW) en betaalde zij de verbrekingsvergoeding gelijk aan 30 maanden loon. Er ontstond een betwisting over de berekeningsbasis van de opzeggingsvergoeding. Partijen kwamen niet tot een vergelijk. Op 17-1-2000 liet de Heer H. dagvaarding betekenen aan de vennootschap om te verschijnen op de zitting van de Arbeidsrechtbank van 1-2-
  6. Deze dagvaarding werd echter niet op de algemene rol ingeschreven en er werd geen origineel van de dagvaarding overgemaakt aan de griffie aldus werd vermeld op het procesverbaal van de zitting van de Arbeidsrechtbank van 22-5-
  7. Op die datum werd de zaak uiteindelijk toch op de algemene rol ingeschreven. Op 20-11-2000 ging de Heer H. over tot herdaging met voor zover als nodig de betekening van een nieuwe dagvaarding. De vordering van de Heer H. beoogde: - de samenvoeging van de zaken gekend onder A.R. nr. 21.749/00 en A.R. nr. 31.679/00; - veroordeling van de N.V. 3M BELGIUM tot het betalen aan de Heer H. van : 30.934,16 EUR (1.247.881 BEF) ten titel van achterstallig loon, meer de vergoedende intresten vanaf 19 juli 1999, 22.536,17 EUR (909.107 BEF) ten titel van saldo verbrekingsvergoeding, meer de wettelijke intresten vanaf 19 juli 1999, 63.356,83 EUR (2.555.808 BEF) ten titel van uitwinningsvergoeding, meer de wettelijke intresten vanaf 19 juli 1999, 1 BEF provisioneel ten titel van extra legaal pensioen, meer de wettelijke intresten vanaf 19 juli
  8. Met het beroepen vonnis werden beide zaken samengevoegd en werd de eerste vordering ingeleid bij dagvaarding van 17-1-2000 ontvankelijk verklaard en gedeeltelijk gegrond. De NV 3M BELGIUM werd veroordeeld om aan de Heer H. de som te betalen van 5.339,63 Euro als saldo opzeggingsvergoeding, de vergoedende intresten op het overeenstemmend nettobedrag vanaf de opeisbaarheid en de gerechtelijke intresten, met veroordeling van de vennootschap tot de kosten. De vordering met betrekking tot het extra legaal pensioen werd zonder voorwerp verklaard VOORWERP VAN DE HOGERE BEROEPEN De Heer H. verzoekt het Hof het beroepen vonnis te hervormen en bijgevolg zijn oorspronkelijke vordering volledig ontvankelijk en gegrond te verklaren. Dienvolgens, geïntimeerde te horen veroordelen tot het betalen aan hem van volgende bedragen : - 30.934,16 EUR (1.247.881 BEF), ingevolge achterstallig loon, meer de vergoedende intresten vanaf 19 juli 1999, - 22.536,17 EUR (909.107 BEF) ingevolge (saldo van) verbrekingsvergoeding, meer de wettelijke intresten vanaf 19 juli 1999, - 63.356,83 EUR (2.555.808 BEF) ingevolge uitwinningsvergoeding, meer de wettelijke intresten vanaf 19 juli 1999, - 1 BEF. provisioneel ingevolge extra legaal pensioen, meer de wettelijke intresten vanaf 19 juli
  9. Geïntimeerde te horen veroordelen tot alle kosten van het geding. De vennootschap stelde bij conclusie incidenteel hoger beroep in en vordert dat het Hof het principaal hoger beroep zou afwijzen als ongegrond , het beroepen vonnis zou hervormen en vast zou stellen dat de vordering ingesteld bij dagvaarding van 20-11-2000 verjaard is en de dagvaarding uitgebracht op 17-1-2000 van generlei waarde is en de verjaring derhalve niet heeft gestuit. In ondergeschikte orde beoogt haar incidenteel hoger beroep de hervorming van het vonnis in de mate dat daarin een saldo opzeggingsvergoeding werd toegekend. BEOORDELING 1.Ontvankelijkheid Nu geen betekeningsakte van het beroepen vonnis wordt voorgelegd, kan worden aangenomen dat het hoger beroep, dat naar vorm regelmatig is, binnen de wettelijke termijn werd ingesteld. Het is derhalve ontvankelijk. Hetzelfde geldt eveneens voor het incidenteel hoger beroep.
  10. Ten gronde. Samenvoeging van de zaken ingeleid bij dagvaarding van 17-1-2000 en van 20-11-2000 De vennootschap verwijt de rechter de samenvoeging van beide zaken te hebben bevolen nu de dagvaarding van 17-1-2000 niet voor de inleidingszitting op de algemene rol werd ingeschreven en derhalve als onbestaande diende te worden aangezien en aldus artikel 717 Gerechtelijk Wetboek te hebben miskend. Zij merkt terecht op dat overeenkomstig artikel 716 Gerechtelijk Wetboek de dagvaarding uiterlijk de dag voor de zitting waartegen dagvaarding is gedaan dient te worden ingeschreven op de algemene rol en dat de zaak niet op de algemene rol kan worden ingeschreven wanneer de termijn daarvoor verstreken is. Artikel 717 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat indien de zaak niet is ingeschreven op de algemene rol voor de zitting die aangegeven is op de dagvaarding, deze van generlei waarde is. Daaruit volgt dat de zaak niet voor de rechter aanhangig werd gemaakt(Cass., 20-12-'91, Arr.Cass. '91-'92, 373; Cass., 31-10-'94, Arr. Cass. '94, 900 ; Cass., 9-12-'96, Arr. Cass. '96, 493). De inschrijving op de algemene rol op de zitting van 22-5-2000 gebeurde met miskenning van die bepaling zodat deze voor onbestaande moet worden gehouden. Er was dan ook geen reden tot samenvoeging van twee zaken aangezien de eerste zaak als onbestaande diende te worden beschouwd. Verjaring van de vordering Dat de vordering die bij dagvaarding van 20-11-2000 werd ingeleid niet binnen de verjaringstermijn van artikel 15 WAO werd ingesteld zoals de vennootschap had ingeroepen, daarover kan geen twijfel bestaan. De betwisting betreft de vraag op de dagvaarding van 17-1-2000 die wel aan de vennootschap werd betekend doch niet op de algemene rol werd ingeschreven tegen de datum van de zitting die in de dagvaarding werd vermeld de verjaring heeft gestuit. De Arbeidsrechtbank meende van wel en volgde aldus het standpunt van de Heer H. . De vennootschap laat gelden dat uit artikel 717 Gerechtelijk Wetboek volgt dat die dagvaarding de verjaring niet kan hebben gestuit. De Heer H. meent dat uit artikel 2244 Burgerlijk Wetboek volgt dat er wel sprake is van stuiting nu die bepaling niet vereist dat de dagvaarding werd betekend en op de algemene rol ingeschreven doch enkel dat ze werd betekend. Hij meent dat artikel 717 Gerechtelijk Wetboek niet kan slaan op de burgerlijke gevolgen van de dagvaarding en meent voor die stelling steun te vinden in rechtsleer en rechtspraak daterend van de periode voor het invoeren van het Gerechtelijk Wetboek. Het Hof deelt de stelling van de Heer H. niet. Wat betreft de stuiting van de verjaring zijn de gemeenrechtelijke regels toepasselijk. Artikel 2244 Burgerlijk Wetboek somt de oorzaken van de stuiting van de verjaring op. Een dagvaarding voor het gerecht, een bevel tot betaling of een beslag betekend aan hem die men wil beletten de verjaring te verkrijgen, stuiten geldig de verjaring. Artikel 2246 Burgerlijk Wetboek bepaalt dat ook de dagvaarding voor een onbevoegde rechter de verjaring stuit en artikel 2247 bepaalt dat indien de dagvaarding nietig is uit hoofde van een gebrek in de vorm, indien de eiser afstand doet van zijn eis of indien zijn eis wordt afgewezen, de stuiting voor niet bestaande wordt gehouden. Zoals hierboven reeds werd onderstreept is de dagvaarding die niet op de algemene rol is ingeschreven daags voor de zitting in de dagvaarding vermeld van generlei waarde krachtens artikel 717Gerechtelijk Wetboek. De stuitende werking ten opzichte van de verjaring van een dagvaarding voor het gerecht is slechts het gevolg van de daarin vervatte wil van de eiser om van zijn recht, dat door verjaring kan vervallen gebruik te maken. Er kan pas sprake zijn van een dagvaarding voor het gerecht wanneer de dagvaarding overeenkomstig art 716 van het Gerechtelijk Wetboek op de algemene rol wordt ingeschreven. Pas dan is de zaak aanhangig voor de rechtbank en is deze gevat om er uitspraak over te doen. Pas dan kan men er de wil uit afleiden om het betwist recht te laten beslechten. Naar analogie kan verwezen worden naar het proces-verbaal van vrijwillige verschijning dat slechts stuitende werking verkrijgt wanneer het door de partijen, de rechter en de griffier is ondertekend, zoals bepaald in art 706 Gerechtelijk Wetboek. Aangezien een dagvaarding die aan de tegenpartij werd betekend doch niet op de algemene rol werd ingeschreven van generlei waarde is, kan de vordering die erin is vervat door de rechtbank niet worden beslecht en kan men er niet de wil uit afleiden dat de schuldeiser het betwist recht niet wil verliezen. Daarom precies kan er geen stuitende werking van uitgaan. Het Hof van Cassatie heeft meermaals in die zin uitspraak gedaan. ( Cass., 31-10-94, Arr.Cass.'94, 900; Cass., 9-12-'96, Arr.Cass. 96,1181). In het verslag van Koninklijk Commissaris Van Reepinghen bij de gerechtelijke hervorming, werd in een noot gesteld dat bij gebrek aan rolstelling de dagvaarding geen enkel gevolg heeft noch op het vlak van de rechtspleging noch op burgerlijk gebied (Burgerlijk Wetboek artikel 2247) (Pasinomie '67 p 421). Anders is het gesteld met de dagvaarding voor een onbevoegde rechtbank waarvoor het Burgerlijk Wetboek een uitzondering maakt omdat zulke dagvaarding toch de zaak voor het gerecht aanhangig maakt zodat ze kan worden beslecht, mits een eventuele verwijzing naar de bevoegde rechtbank. De Franse tekst "citation en justice" en de bespreking daarvan door De Page die ze beschrijft als een deurwaardersexploot waarbij een partij wordt uitgenodigd om voor een rechtbank te verschijnen waarnaar de Heer H. verwijst, leidt tot dezelfde conclusie.Het gebrek aan rolstelling doet die uitnodiging om voor het gerecht te verschijnen teniet omdat de zaak er niet aanhangig is gemaakt en er niet kan behandeld worden. Het Hof besluit derhalve dat de dagvaarding die op 17-1-2000 aan de vennootschap werd betekend doch niet op de algemene rol van de Arbeidsrechtbank werd ingeschreven tegen de inleidingszitting van 1-2-2000 overeenkomstig artikel 716 Gerechtelijk Wetboek de verjaring niet heeft gestuit. Op het ogenblik dat de dagvaarding van 20-11-2000 werd betekend, was de daarin vervatte vordering, gesteund op de arbeidsovereenkomst derhalve verjaard, zoals de vennootschap liet opmerken. De Arbeidsrechtbank kon derhalve van die vordering geen kennis meer nemen. OM DEZE REDENEN, HET ARBEIDSHOF, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24, Rechtsprekend op tegenspraak, Verklaart het principaal en het incidenteel hoger beroep beide ontvankelijk, Verklaart het principaal hoger beroep ongegrond, het incidenteel hoger beroep gegrond, zoals het in hoofdorde werd ingesteld. Hervormt het beroepen vonnis, Zegt voor recht dat de dagvaarding die op 17-1-2000 aan de vennootschap werd betekend van generlei waarde is en de zaak voor de Arbeidsrechtbank niet aanhangig heeft gemaakt, dat de inschrijving van die zaak op de algemene rol op de zitting van 22-5-2000, met miskenning van artikel 716 Gerechtelijk Wetboek is gebeurd en de zaak niet aanhangig heeft gemaakt voor de Arbeidsrechtbank, Stelt vast dat de vordering ingeleid bij dagvaarding van 20-11-2000 is verjaard, Legt de kosten van het hoger beroep ten laste van de Heer H. . Deze kosten werden tot op heden begroot : In hoofde van appellant : rechtsplegingsvergoeding hoger beroep : 273,60 EUR In hoofde van geïntimeerde : niet begroot Aldus gewezen en uitgesproken op de openbare terechtzitting van de 3de Kamer van het Arbeidshof te Brussel op 12 april 2005, waar aanwezig waren : Mevrouw G. BALIS, Raadsheer, De Heer E. MAGNUS, Raadsheer in sociale zaken als werkgever, Mevrouw A.-M. VANATTENHOVEN, Raadsheer in sociale zaken als werknemer-bediende, Mevrouw L. HERREGODTS, Griffier. L. HERREGODTS, G. BALIS, E. MAGNUS. A.-M. VANATTENHOVEN. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.