id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 15 april 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2005:ARR.20050415.4 Rolnummer: 44098 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2005-07-14 Raadplegingen: 112 - laatst gezien 2026-07-02 03:34 Fiche Artikel 90, eerste lid, van de arbeidsovereenkomstenwet belet geenszins het toekennen aan de handelsvertegenwoordiger van een vaste wedde vermeerderd met een commissieloon waarvan het bedrag in verhouding staat met een omzet die een vooraf overeengekomen bedrag overstijgt, vermits hierdoor geen overeengekomen commissieloon op een aanvaard order wordt uitgesloten. Vrije woorden: ARBEIDSOVEREENKOMSTEN - HANDELSVERTEGENWOORDIGERS - Franchiseclausule - Artt. 89 en 90 A.O.W. - Vaste wedde plus commissieloon op zakencijfer boven een bepaald bedrag - Geldigheid. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 90 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN VIJFTIEN APRIL TWEEDUIZEND EN VIJF. DERDE KAMER Bediendecontract Tegensprekelijk Definitief In de zaak: C.V.B.A. METALUNION, met zetel te 8000 BRUGGE, Pathoekestraat nr. 158; Appellante, vertegenwoordigd door Mr. N. Van Ginderachter, advocaat te Gent; Tegen: S. P., Geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. G. Van Aken, advocaat te Aalst; ó ó ó Na beraadslaging, velt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest: Gelet op: - de stukken der rechtspleging en ondermeer het eensluidend verklaard afschrift van het vonnis a quo uitgesproken op tegenspraak door de 1e kamer van de Arbeidsrechtbank te Aalst, afdeling Dendermonde, op 19 januari 1998 (AR nr. 40.198), - het voor eensluidend verklaard afschrift van het arrest van het Arbeidshof te Gent op tegenspraak gewezen op 8 november 2000 (AR nr. 83/98); - het voor eensluidend verklaard afschrift van het arrest van de derde kamer van het Hof van Cassatie van 2 december 2002 (AR nr. S.01.0116.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021202.4), houdende verwijzing van de zaak naar ons Hof; - het verzoekschrift tot hoger beroep ontvangen op de griffie van het Arbeidshof te Brussel op 9 april 2003; - de besluiten van geïntimeerde, ontvangen ter griffie op 13 februari 2004; - de besluiten van appellant, ontvangen ter griffie op 26 februari 2004; Gehoord de partijen in hun middelen en verdediging ter openbare terechtzitting van 11 maart
- Partijen legden hun bundel neer waarna de debatten gesloten werden en de zaak in beraad werd genomen. p p p I. DE FEITEN EN PROCEDUREVOORGAANDEN. Geïntimeerde was in dienst van Metalunion als handelsvertegenwoordiger voor de regio Oost- en West-Vlaanderen van 6 juli 1992 tot 14 juli 1995 krachtens een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur waaraan hijzelf een einde stelde door ontslag op 28 mei
- In de arbeidsovereenkomst werd een vast maandloon bepaald (55.000 BEF) en een commissieloonregeling met een zogenaamde franchiseclausule, voorwerp van de betwisting tussen partijen. Op 6 maart 1996 dagvaardt de heer S. Metalunion voor de eerste rechter in betaling van de som van 268.278 BEF t.t.v. achterstallig commissieloon en 42.369 BEF t.t.v. bijhorend vakantiegeld. De gevorderde achterstallen betreffen de jaren 92, 93, 94 en 95 en hebben betrekking op het gedeelte van het zakencijfer waarvoor volgens de franchiseclausule in de arbeidsovereenkomst geen commissieloon verschuldigd is m.n. het zakencijfer beneden de som van 20.000.000 BEF: - 1992: 14.302.844 - 1993: 20.000.000 - 1994: 18.616.316 - 1995: 10.692.528 De heer S. stelt dat het franchisebeding vervat in artikel 2.3 van de arbeidsovereenkomst nietig is. De eerste rechter verklaart zijn vordering gegrond en veroordeelt appellant tot betaling van de gevorderde achterstallige commissielonen en vakantiegeld meer intresten. De eerste rechter stelt: "De werkgever mag contractueel niet bepalen dat een commissieloon slechts verschuldigd zal zijn vanaf het ogenblik dat de handelsvertegenwoordiger een bepaald zakencijfer overschrijdt (de zgn. franchise); Dat dit volgt uit de aard van de arbeidsovereenkomst zelf, welke niet als een resultaatsverbintenis kan worden aanzien (AH. Gent 14.10.1991, Soc. Kron. 1992, 416) ; Dat de arbeidsovereenkomst een middelenverbintenis is en elk beding dat er een resultaatsverbintenis van maakt als niet geschreven dient geacht ; Dat het recht op commissieloon afhankelijk maken van het behalen va n een bepaald minimum omzetcijfer inhoudt dat van de arbeidsovereenkomst een resultaatsverbintenis wordt gemaakt; Dat een dergelijk beding bovendien strijdig is met het artikel 6 arbeidsovereenkomstenwet;" Op 5 februari 1998 tekent appellante hoger beroep aan tegen het vonnis a quo bij het Arbeidshof te Gent dat het vonnis bevestigt met arrest van 8 november
- Ingevolge een voorziening in Cassatie ingesteld door appellante vernietigt het Hof van Cassatie het arrest van het Arbeidshof te Gent dd. 8 november 2000 met arrest van 2 december 2002 (S.01.0116.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021202.4) en verwijst de zaak naar ons Hof. II. DE BEROEPSGRIEVEN. Appellante verzoekt ons Hof het vonnis a quo te vernietigen en opnieuw rechtdoende de oorspronkelijke vordering van geïntimeerde af te wijzen als zijnde ongegrond. Appellante stelt dat de heer S. geen recht heeft op het door hem gevorderde commissieloon op het zakencijfer dat het minimum zakencijfer niet bereikt zoals voorzien in artikel 2.3 van de arbeidsovereenkomst, nl. 20.000.000 BEF per jaar. Voor een omzet van 20.000.000 BEF per jaar geniet hij een vaste wedde van 55.000 BEF per maand. Zij stelt dat dit beding niet strijdig is met de artikelen 90 en 6 van de Arbeidsovereenkomstenwet (AOW). Appellante stelt dat de toekenning van commissies een loonsysteem is dat niet verplicht kan worden opgelegd aan de werkgever. Bij toepassing van artikel 89 van de Arbeidsovereenkomstenwet (AOW) kan het loon van de handelsvertegenwoordiger bestaan uit ofwel vaste wedde ofwel commissieloon ofwel deels een vaste wedde en deels commissielonen. Dit betekent volgens appellant dus dat: - indien partijen overeengekomen zijn dat het loon enkel en alleen bestaat uit een vaste wedde, dan is artikel 90 niet van toepassing vermits er conventioneel geen commissies worden toegekend; - indien partijen overeenkomen dat het loon enkel en alleen bestaat uit commissielonen, dan is artikel 90 ten volle van toepassing en dit uiteraard voor alle aanvaarde orders vermits het loon enkel en alleen uit commissielonen bestaat; - indien partijen overeenkomen dat het loon deels uit een vaste wedde bestaat en deels uit commissielonen, dan is artikel 90van toepassing op het gedeelte van het loon dat met commissies betaald wordt. Appellante verwijst naar rechtspraak m.n. Arbrb. Nijvel 28.4.1995, JTT 96, 19; AH Antwerpen 18.9.1992, AR 26/90, en het cassatiearrest gewezen in deze zaak op 2 december 2002 ter staving van haar stelling dat artikel 90 eerste lid AOW niet belet dat een vaste wedde wordt toegekend met daarboven commissieloon waarvan het bedrag in verhouding staat tot een omzet die een vooraf overeengekomen omvang overschrijdt. Dat hierdoor geen overeengekomen commissieloon op een aanvaard order wordt uitgesloten. Appellante stelt dat partijen in de overeenkomst een schriftelijk delcrederebeding overeenkwamen overeenkomstig artikel 107 AOW waarmee de aansprakelijkheid van de werknemer wordt beperkt tot de commissielonen die verband houden met de onverhaalbare vordering, zodat de woorden "verhaalbare vordering" in artikel 2 van de arbeidsovereenkomst niet betekenen dat zijn commissieloon beperkt wordt doch enkel dat hij aansprakelijk is overeenkomstig het delcrederebeding. III. STANDPUNT VAN GEÏNTIMEERDE. Geïntimeerde verzoekt het Hof het vonnis a quo in al zijn bestanddelen te bevestigen. Geïntimeerde stelt dat het beding vervat in artikel 2.3.2 van de arbeidsovereenkomst nietig is want strijdig met artikel 90 en artikel 6 AOW, daar het het commissieloon beperkt vermits geen commissieloon wordt toegekend voor de aanvaarde orders beneden de franchise. Dergelijk francische-systeem wordt volgens geïntimeerde door de rechtspraak als nietig beschouwd (AH Gent 14.10.1991, Soc. Kron. 92, 416; AH Antwerpen 19.2.2001, JTT 2002, 150; Cass. 27.11.1995, Arr. Cass. 95, 1038). In subsidiaire orde meent geïntimeerde dat de bepalingen van de overeenkomst zeer onduidelijk zijn zodat er niet ondubbelzinnig kan worden uit afgeleid dat het de bedoeling was van partijen om een vast loon toe te kennen tot de omzet van 20 miljoen BEF. Bovendien eerbiedigt de arbeidsovereenkomst zelfs niet het recht op commissieloon voor ieder aanvaard order boven de minimumomzet van 20 miljoen BEF daar artikel 2.3.1 van de arbeidsovereenkomst het recht op (provisie) commissie op het zakencijfer beperkt tot de verkopen van geïntimeerde die door appellant werden aanvaard, maar slechts onder voorwaarde dat ze een verhaalbare vordering vormen en met uitsluiting van de kredietnota's die betrekking hebben op deze verkopen (stuk 1 art. 2.3.1 in fine). Dergelijke beperking brengt volgens geïntimeerde met zich dat afbreuk wordt gedaan aan de dwingende bepalingen van artikel 90 van de AOW. Niet alle orders geven recht op commissieloon, want de werkgever stelt als (onaanvaardbare) voorwaarde dat de vordering verhaalbaar moet zijn. Hierdoor wordt het ondernemingsrisico afgewenteld op de handelsvertegenwoordiger, wat totaal onaanvaardbaar is. Zelfs indien de franchiseclausule geldig zou zijn, dan nog bevat de overeenkomst volgens geïntimeerde een beding ingevolge hetwelk de niet verhaalbare orders worden uitgesloten van het recht op commissieloon, wat strijdig is met artikel 90 van de Arbeidsovereenkomstenwet. ó ó ó IV. BEOORDELING VAN HET HOF. Overwegende dat het hoger beroep naar vorm en tijd ontvankelijk voorkomt, wat overigens niet betwist wordt. Gezien de door partijen neergelegde stukken, in het bijzonder de arbeidsovereenkomst, artikel 2: Brutoloon. Voor een goed begrip van de door de partijen overeengekomen clausules i.v.m. het vast en variabel loon, dienen deze clausules in hun context te worden gelezen: "Artikel 2 : Brutoloon 2.1 totale brutoloon Het totale brutoloon bestaat uit een vast, hier verder basismaandloon genoemd, en een veranderlijk gedeelte, hier verder provisie genoemd. Dit totale brutoloon is de vergoeding voor alle diensten die X zal leveren, inclusief overuren en speciale opdrachten. 2.2 brutobasismaandloon Het brutobasismaandloon bedraagt 55.000,- BEF per maand. 2.3 brutoprovisie 2.3.1 minimum zakencijfer Onder zakencijfer wordt verstaan alle verkopen excl. BTW die door X rechtstreeks of onrechtstreeks voor rekening van Y werden afgesloten, EN door Y werden aanvaard EN een verhaalbare vordering vormen, MIN alle kredietnota's excl; BTW die betrekking hebben op deze verkopen, MET UITZONDERING van de sub. 2.3.
- vermelde verkopen. Vertrokken wordt van een minimum zakencijfer van 20.000.000 BEF per jaar, waarbij dit bedrag jaarlijks met 10% wordt verhoogd volgens volgende formule: min. zc. jaar = min. zc. jaar 1x10n-1 2.3.2 provisie Enkel op het zakencijfer dat BOVEN dit minimum zakencijfer wordt gerealiseerd, zal een bruto provisie toegekend worden van: - 0,50% voor het gedeelte (min.zc. x 1.50) min.zc. - 0,75% voor het gedeelte (min.zc. x 2.00) (min.zc. x 1.50) - 1.00% voor het gedeelte dat boven het min. zc. x 2.00 wordt gerealiseerd. 2.3.3 uitbetaling Per maand zal een voorlopige berekening gemaakt worden van de brutoprovisie. De uitbetaling volgt op het einde van de maand na de fakturatiemaand. Jaarlijks wordt een definitieve afrekening gemaakt, en het positief (of negatief) saldo bij ( of van) het maandloon opgeteld (of afgetrokken). 2.3.4 uitzondering Verkopen waarvan de brutowinstmarge (d.i. het verschil tussen verkoopprijs en de aankoopprijs excl. BTW) kleiner is dan 10% doch groter dan 5%, komen niet in aanmerking voor de berekening van het zakencijfer, recht gevend aan de hierboven vermelde provisie. Op deze verkopen wordt een AFZONDERLIJKE provisie van 0,25% uitbetaald. Verkopen waarvan de brutowinstmarge kleiner is of gelijk aan 5% komen recht geeft op provisie, noch voor eender welke provisie zelf. 2.3.5 termijn Partijen komen uitzonderlijk overeen dat punt 2.3 van dit contract na verloop van 5 jaar door Y in gemeenschappelijk overleg van X zal mogen aangepast worden aan de dan geldende realiteiten. 2.3.6 Delcredere beding Partijen komen uitdrukkelijk overeen dat m.b.t. de provisie een verkoop pas als definitief afgesloten wordt beschouwd op het ogenblik dat de klant heeft betaald en in geval van niet-betaling door de klant (bv onvermogen van de klant/faling) X hiervoor aansprakelijk is ten belope van zijn provisie op deze onverhaalbare vordering. Dit betekent dat deze verkoop niet in aanmerking komt voor de berekening van zakencijfer en provisie, en de eventueel reeds betaalde provisie op deze onverhaalbare vordering door X aan Y moet terugbetaald worden. 2.4 uitbetaling X verklaart zich akkoord dat zijn loon door Y per bankoverschrijving wordt uitbetaald." Artikel 2.2 bepaalt een vast maandloon ad 55.000 BEF. Artikel 2.3 bepaalt een commissieregeling (provisie genoemd door de partijen). Artikel 2.3.1 en 2 bepalen betaling van commissie nl. een bepaald percentage (bepaald 2.3.2) van het zakencijfer. Wat bedoelen partijen met "zakencijfer"? 2.3.1 Het zakencijfer dat het minimum van 20.000.000 BEF per jaar overstijgt. Dit is een franchisebeding. Op de omzet 2.3.2 Het zakencijfer = alle aanvaarde afgesloten verkopen, voor zover deze verhaalbaar zijn. Op onverhaalbare orders is derhalve overeenkomstig dit artikel geen commissie verschuldigd. De handelsvertegenwoordiger is hiervoor aansprakelijk ten belope van zijn commissieloon (artikel 2.3.6) dit is een delcrederebeding zoals bedoeld in artikel 107 AOW). M.b.t. het commissieloon bepalen partijen verder uitdrukkelijk dat een verkoop slechts als afgesloten beschouwd wordt wanneer de klant betaald heeft (art. 2.3.6 van de overeenkomst). Dit betekent met zoveel woorden dat aanvaarde orders slechts recht geven op commissieloon als de klant heeft betaald d.w.z. indien op het order uitvoering volgt Het Hof stelt vast dat de arbeidsovereenkomst met de zin "Partijen komen uitdrukkelijk overeen dat m.b.t. de provisie een verkoop als definitief afgesloten wordt beschouwd op het ogenblik dat de klant heeft betaald" in artikel 2.3.6 het recht op commissieloon uitsluit voor aanvaarde orders waarop geen uitvoering volgt, wat strijdig is met artikel 90 AOW dat stelt dat commissieloon verschuldigd is voor ieder aanvaard order, zelfs indien op dat order geen uitvoering volgt. Het Hof beschouwt deze zin als nietig en onbestaand. Het Hof stelt eveneens vast dat van recht op commissie eveneens worden uitgesloten de aanvaarde orders die niet verhaalbaar zijn nl. door de woorden "en een verhaalbare vordering vormen" in artikel 2.3.
- Ook deze zin is strijdig met zopas geciteerd artikel 90 dat stelt dat commissieloon is verschuldigd voor ieder aanvaard order, zelfs indien op dat order geen uitvoering volgt. Ook deze zin is nietig en wordt beschouwd als onbestaand. Wat de franchise-clausule betreft (art. 2.3.1 en 2.3.2) het Hof beaamt de principiële stelling, zoals verwoord in het arrest van het Hof van Cassatie dd. 2 december
- "Overwegende dat artikel 89 van de arbeidsovereenkomstenwet bepaalt dat het loon van de handelsvertegenwoordiger hetzij uit een vaste wedde, hetzij uit commissielonen, hetzij gedeeltelijk uit een vaste wedde en gedeeltelijk uit commissielonen bestaat; Dat artikel 90, eerste lid, van de wet bepaalt dat het commissieloon verschuldigd is voor ieder order die door de werkgever wordt aanvaard, zelfs indien op die order geen uitvoering volgt, behalve ingeval van niet-uitvoering door de schuld van de handelsvertegenwoordiger; Dat laatstgenoemde wetsbepaling enkel betrekking heeft op het in de overeenkomst overeengekomen commissieloon en inhoudt dat het commissieloon, van zodra dit in beginsel voor elk aanvaarde order is overeengekomen, niet mag worden beperkt; Dat de arbeidsovereenkomstenwet de vaststelling van het verschuldigde commissieloon of de wijze van berekening ervan niet regelt; Dat artikel 90, eerste lid van die wet niet belet dat een vaste wedde wordt toegekend met daarbovenop commissieloon waarvan het bedrag in verhouding staat tot een omzet die een vooraf overeengekomen omvang overstijgt; Dat hierdoor geen overeengekomen commissieloon op een aanvaard order wordt uitgesloten;" Het Hof stelt vast dat partijen een vaste wedde bedongen van 55.000 BEF bruto per jaar en daarbovenop een commissieloon waarvan het bedrag in verhouding staat tot een zakencijfer dat een vooraf overeengekomen omvang overstijgt. Hierdoor wordt geen commissieloon op aanvaarde orders uitgesloten met dien verstande dat zoals hoger is uiteengezet, de woorden "Partijen komen uitdrukkelijk overeen dat m.b.t. de provisie een verkoop pas als definitief afgesloten wordt beschouwd op het ogenblik dat de klant heeft betaald" in artikel 2.3.6 van de arbeidsovereenkomst als nietig en onbestaande worden beschouwd. De heer S. betwist de door appellant vastgestelde zakencijfers niet, waarop hij trouwens zijn oorspronkelijke vordering van achterstallige commissielonen baseert. Zijn vordering betreft uitsluitend commissielonen op de zakencijfers voor de jaren 92 t.e.m. 95 die zich beneden de door partijen bedongen minimale omzet bevinden waaronder partijen geen commissieloon bedongen. Zijn oorspronkelijke vordering is derhalve ongegrond. ó ó ó OM DEZE REDENEN, Het Arbeidshof, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24, Rechtsprekend op tegenspraak, Alle andere middelen en conclusies verwerpende, Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond. Hervormt het vonnis a quo. Opnieuw rechtdoende, Verklaart de oorspronkelijke vordering van de heer S. ongegrond. Veroordeelt geïntimeerde tot de kosten van het geding, tot op heden als volgt begroot: - voor appellante: - rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg EUR 182,95 - rechtsplegingsvergoeding AH Gent EUR 255,83 - rechtsplegingsvergoeding AH Brussel EUR 273,67 - voor geïntimeerde: - dagvaarding EUR 91,05 - rechtsplegingsvergoeding hoger beroep EUR 267,73 Aldus gewezen en uitgesproken op de openbare terechtzitting van de derde kamer van het Arbeidshof te Brussel op vijftien april tweeduizend en vijf. Waren aanwezig: M. VERMAELEN: Raadsheer. P. GROENINCKX: Raadsheer in Sociale Zaken als werkgever. A. LEURS: Raadsheer in Sociale Zaken als werknemer-bediende. L. COEN: Eerstaanwezend adjunct-griffier. L. COEN. M. VERMAELEN. A. LEURS. P. GROENINCKX. PDF document ECLI:BE:CTBRL:2005:ARR.20050415.4 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021202.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div