id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 19 april 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2005:ARR.20050419.5 Rolnummer: 44891 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2005-10-17 Raadplegingen: 107 - laatst gezien 2026-07-02 03:34 Fiche De nietigheid van een concurrentieverbod omwille van de niet bereikte loongrens kan enkel door de werknemer worden ingeroepen. Vrije woorden: ARBEIDSOVEREENKOMSTEN - WERKLIEDEN - Concurrentieverbod - Art. 65 ,§ 2 A.O.W. - Loongrens - Relatieve nietigheid enkel ten voordelen van de werknemer ingesteld Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 65,§2 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN 19 APRIL TWEEDUIZEND EN VIJF. DERDE KAMER Bediendecontract Tegensprekelijk Definitief In de zaak: De Heer E. L. , Appellant, geïntimeerde op incidenteel hoger beroep vertegenwoordigd door Mter Geuvens loco Mter K. Timmerman, advocaat te 3010 Kessel-Lo; Tegen : De N.V. BIC DECATRON, met maatschappelijke zetel gevestigd te 1020 Brussel, Kampioenschapslaan, 1, Geïntimeerde, appellante op incidenteel beroep, vertegenwoordigd door Mter Caveye loco Mter L. Vanaverbeke, advocaat te 2000 Antwerpen; Na beraadslaging, velt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest : Gelet op het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis gewezen op tegenspraak door de Arbeidsrechtbank van Leuven op 24 april 2003; Gelet op het verzoekschrift in hoger beroep ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 12 december 2003; Gelet op de besluiten van partijen; Gelet op de voorgelegde stukken; Gehoord partijen in hun middelen en beweringen op de openbare terechtzitting van 15 maart 2005, waarna de debatten gesloten werden en de zaak in beraad werd genomen. x x x RELEVANTE FEITEN EN RECHTSPLEGING De Heer E. werd op 20-10-1998 door de NV BIC DECATRON aangeworven als assistent voor de studiedienst. Op 30-8-2000 gaf de Heer E. te kennen dat hij de arbeidsovereenkomst wenste te beëindigen en de vennootschap stemde ermee in dat hij een opzeggingstermijn van 6 weken zou presteren zodat de arbeidsovereenkomst op 12-10-2000 een einde zou nemen. Met een brief van 3-1-2001 verzocht de Heer E. via zijn vakvereniging om betaling van een bedrag van 19.934 Euro omdat deze geen afstand had gedaan van het concurrentiebeding. Volgens de vennootschap kon het beding geen uitwerking krijgen aangezien het basisloon van de Heer E. lager lag dan 47.397,24 Euro, zodat zij er geen afstand van diende te doen. Partijen raakten het niet eens en met dagvaarding van 12-10-2001 spande de Heer E. een geding aan voor de Arbeidsrechtbank waar hij de veroordeling vorderde van de vennootschap tot betaling van een bedrag van 23.930,63 Euro als concurrentievergoeding. Bij tegenvordering vorderde de vennootschap de veroordeling van de Heer E. tot betaling van een bedrag van 47.861,24 Euro wegens schending van het beding van concurrentieverbod. Met het beroepen vonnis verklaarde de Arbeidsrechtbank zowel de hoofd- als de tegenvordering ontvankelijk doch ongegrond. VOORWERP VAN DE HOGERE BEROEPEN De Heer E. verzoekt het Hof het beroepen vonnis te hervormen, zijn initiële eis integraal te willen inwilligen en het incidenteel hoger beroep als ongegrond af te wijzen. De vennootschap vordert bij incidenteel hoger beroep dat het Hof haar oorspronkelijke tegeneis zou inwilligen en de Heer E. zou veroordelen tot betaling van een bedrag van 747.861,24 Euro en zijn hoger beroep zou afwijzen. BEOORDELING 1.Ontvankelijkheid Er wordt geen betekening van het bestreden vonnis overgelegd. Het hoger beroep is regelmatig naar vorm en ingeleid binnen de daartoe voorziene wettelijke termijn. Het is dan ook ontvankelijk. Hetzelfde geldt voor het incidenteel hoger beroep. 2. Ten gronde Krachtens artikel 86 ,§1 van de Wet op de arbeidsovereenkomsten van 3-7-78( WAO) is artikel 65 ,§2 van die wet dat betrekking heeft op het beding van concurrentieverbod toepasselijk op de arbeidsovereenkomst voor bedienden. Die bepaling stelt de voorwaarden vast waaraan het concurrentiebeding moet voldoen om geldig te zijn. Krachtens artikel 65 ,§2 lid 1 tot 4 : -wordt het concurrentiebeding als niet bestaande beschouwd voor werknemers waarvan het jaarloon lager is dan 23.698,62 Euro, -bedraagt het jaarloon tussen de 23.698,62 Euro en 47.397,24 Euro, dan mag het beding enkel worden toegepast op categorieën van functies en functies bepaald bij een CAO afgesloten in het paritair comité of subcomité of bij ontstentenis van zulk akkoord op ondernemingsvlak in akkoord tussen werkgever en werknemersorganisaties. -indien het jaarloon ten slotte hoger is dan 47.397,24 Euro kan het concurrentieverbod volkomen rechtsgeldig in de arbeidsovereenkomst worden ingelast, tenzij een CAO dit verbiedt. Volgens de Heer E. bedroeg zijn jaarloon meer dan 47.397,24 Euro en is het beding van concurrentieverbod bijgevolg alleszins rechtsgeldig. De vennootschap meent dat het jaarloon onder dit grensbedrag ligt en dat bij gebreke aan een sectoriële of bedrijfsCAO tot vaststelling van de functies waarop het betrekking kan hebben, het concurrentiebeding niet geldig is. Aangenomen dat het jaarloon onder dit grensbedrag zou liggen dan kan de vennootschap zich volgens de Heer E. niet beroepen op de ongeldigheid ervan nu de voorwaarde die in artikel 65,§2 wordt bepaald een geldigheidsvoorwaarde is waarop enkel de werknemer zich kan beroepen. Hij acht zich gegriefd door het beroepen vonnis nu de Arbeidsrechtbank daarin oordeelde dat ook de vennootschap het recht had in te roepen dat het beding voor onbestaande moest worden gehouden. Het Hof treedt het standpunt van de Heer E. bij dat de in artikel 65,§ 2 gestelde voorwaarden geldigheidsvoorwaarden zijn die weliswaar de nietigheid van het concurrentiebeding met zich meebrengen indien daaraan niet is voldaan, doch dat het geen volstrekte nietigheid betreft. In een arrest van 30-6-2003 (AR nr RC036U3-1) werd in die zin geoordeeld door het Hof van Cassatie, op eensluidend advies van de eerste advocaat-generaal J.F.Leclercq. Het Hof onderlijnde dat uit de parlementaire voorbereiding van de WAO niet bleek dat de wetgever aan de bepalingen van art 65 en 86 van die wet het karakter van openbare orde wenste te verlenen (in dezelfde zin Cass., 2-5-'88, AC '87-'88, nr 530; Cass., 14-5-'90, AC '89-0, nr 539; Cass.,7-2-'94, AC '94, nr 69). Het Hof van Cassatie herinnerde er tevens aan dat het concurrentiebeding weliswaar strekte tot bescherming van belangen van de werkgever doch de geldigheidsvereisten enkel bestonden in het voordeel van de werknemer en dat de wetgever met de voorwaarden inzake loon als bepaald in de eerste vier alinea's van artikel 65 ,§2 van de WAO de mogelijkheid heeft uitgesloten dat de rechter de ongeldigheid zou kunnen vaststellen van een concurrentiebeding waarvan de nietigheid voor hem niet werd opgeworpen door de beschermde persoon. In zijn advies had de eerste advocaat-generaal verwezen naar de algemene bepaling van artikel 6 van de WAO waarin wordt bepaald dat alle met de bepalingen van de WAO strijdige bedingen slechts nietig zijn voor zover zij ertoe strekken de rechten van de werknemer in te korten of zijn verplichtingen te verzwaren, zodat enkel de werknemer zich op de nietigheid kan beroepen. In eerdere arresten had het Hof van Cassatie reeds geoordeeld dat de voorwaarden inzake loon geldigheidsvoorwaarden waren en geen bestaansvoorwaarden (Cass., 7-5-'84, AC 1983-'84, nr 513 m.b.t. het vroegere artikel 26 ,§ 1 van de gecoördineerde wetten betreffende de arbeidsovereenkomst voor bedienden) en Cass., 15-6-'98, AC '98 nr 312 m.b.t. de analoge bepaling van artikel 104 WAO m.b.t. de arbeidsovereenkomst voor handelsvertegenwoordigers. Het is niet betwist dat de vennootschap niet heeft verzaakt aan het beding van concurrentieverbod, zodat zij een vergoeding verschuldigd is gelijk aan de helft van het maandloon over de periode van een jaar. Om het bedrag van die vergoeding te kunnen vaststellen dient eerst de betwisting met betrekking tot de omvang van het basisloon te worden opgelost. Er wordt niet betwist dat het maandsalaris 134.028 F bedroeg, hetgeen met inbegrip van het dubbel vakantiegeld en de dertiende maand een jaarloon betekent van 46.182,30 Euro. Evenmin bestaat er betwisting over de aanrekening van maaltijdcheques ten bedrage van 180 F per gewerkte dag. De berekening door de vennootschap op 1.026,28 Euro overeenstemmend met 230 werkdagen komt correct voor. Verder genoot de Heer E. het voordeel van de patronale bijdragen in de hospitalisatieverzekering. Hij stel dat deze premiebijdrage 16,3 Euro per maand bedroeg doch toont dit niet aan, derhalve kan slechts het onbetwiste bedrag van 4,39 Euro per maand worden weerhouden. De voornaamste betwisting betreft de waarde van een Diamondkaart waarmee de Heer E. onbeperkt gratis toegang kreeg tot de bioscoop voor 2 personen. Het betreft ongetwijfeld een in geld waardeerbaar voordeel in natura dat de Heer E. verkreeg wegens de in het raam van de arbeidsovereenkomst gepresteerde arbeid en maakt derhalve deel uit van het loon. De Heer E. raamt dit voordeel op 9.198 F per jaar of 18.396Fr (456,02 Euro) voor twee personen, zich baserend op de kostprijs van een dergelijke kaart in Frankrijk. De vennootschap meent dat dit voordeel slechts kan berekend worden op grond van het gemiddeld bioscoopbezoek van de Belg tegen de gemiddelde prijs van een bioscoopticket. Zij vergeet daarbij rekening te houden met het feit dat de kaart door twee personen kon gebruikt worden. Bovendien is het waarschijnlijk dat een persoon die gratis met twee personen op filmbezoek kan allicht vaker van die mogelijkheid gebruik maakt dan de gemiddelde Belg. Het Hof meent dat de door de Heer E. voorgestelde berekeningswijze een meer objectieve grondslag vormt. Het jaarloon bedraagt aldus: -46.182,3 Euro + 1.026,28 Euro + 52,68 Euro + 456,02 Euro=47.717,28 Euro. De verschuldigde vergoeding bedraagt bijgevolg 23.858,64 Euro Het incidenteel hoger beroep: de vergoeding wegens schending van het verbod van concurrentie. De Heer E. werpt op dat de vordering die werd ingesteld bij conclusie die op 7-3-2002 ter griffie werd neergelegd verjaard is overeenkomstig artikel 15 WAO nu zij niet werd ingesteld binnen het jaar na het verstrijken van de arbeidsovereenkomst. Het Hof deelt deze zienswijze niet. Aangezien de vordering gesteund op de schending van een concurrentieverbod pas kan ontstaan na de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. De uitoefening van een recht kan niet worden beperkt door een bijzondere verjaringstermijn die een aanvang heeft genomen voor het recht kon ontstaan. In dit geval is derhalve de verjaringstermijn van artikel 15 WAO van toepassing doch deze kan pas een aanvang nemen nadat de periode waarop het concurrentiebeding betrekking had een einde had genomen (in die zin, Cassatie, 21 april 1993, J.T.T. 1993, 325, A.H. Luik, 24 mei 1995, J.T.T. 1995, p. 346). Het Hof acht niet bewezen dat de Heer E. een concurrerende activiteit heeft uitgeoefend nu hij bij de vennootschap DECATRON tewerkgesteld was die handel drijft in filminstallaties terwijl de onderneming waar hij nadien in dienst is getreden bij de NV PELIKAAN, een bouwbedrijf dat voornamelijk actief was op de markt van kantoorgebouwen, appartementen, sporthallen en zwembaden, naar hij beweert, hetgeen door de NV DECATRON niet wordt weerlegd. Intresten De Heer E. vordert intresten op het brutobedrag van zijn vordering. Volgens de vennootschap zijn slechts intresten verschuldigd op het overeenstemmende netto-bedrag. Het Hof deelt de zienswijze van de Heer E. . Aangezien uit de voorbereidende werken van de wet van 26 juni 2002 blijkt dat de aangebrachte wijziging aan artikel 10 loonbeschermingswet een interpretatie bevestigt die steun vindt in het doel zelf van de loonbeschermingswet van 12 april 1965, oordeelt het Hof dat de intresten verschuldigd zijn op de toegekende brutobedragen, ook al is de wet van 26 juni 2002 nog niet in werking getreden. OM DEZE REDENEN , HET ARBEIDSHOF, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd inzonderheid op artikel 24, Rechtsprekend op tegenspraak, Verklaart het principaal en het incidenteel hoger beroep beide ontvankelijk, het principaal hoger beroep grotendeels gegrond en het incidenteel hoger beroep ongegrond, Hervormt het beroepen vonnis, Veroordeelt de NV BIC DECATRON tot betaling aan de heer E. van een bedrag van 47.717,28 Euro en de wettelijke en gerechtelijke intresten daarop. Veroordeelt de NV BIC DECATRON tevens tot de kosten van beide aanleggen. Deze kosten werden tot op heden begroot : In hoofde van appellant : Dagvaarding : 109,94 EUR Rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg : 200,79 EUR Rechtsplegingsvergoeding hoger beroep : 279,60 EUR In hoofde van geïntimeerde : Rechtsplegingsvergoeding hoger beroep : 279,60 EUR Aldus gewezen en uitgesproken op de openbare terechtzitting van de 3de Kamer van het Arbeidshof te Brussel op 19 april 2005, waar aanwezig waren : Mevrouw G. BALIS, Raadsheer, De Heer E. MAGNUS, Raadsheer in sociale zaken als werkgever, Mevrouw A.-M. VANATTENHOVEN, Raadsheer in sociale zaken als werknemer-bediende, Mevrouw L. HERREGODTS, Griffier. PDF document ECLI:BE:CTBRL:2005:ARR.20050419.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.