← België

ECLI:BE:CTBRL:2005:ARR.20050428.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 28 april 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2005:ARR.20050428.3 Rolnummer: 42628 Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2005-10-04 Raadplegingen: 290 - laatst gezien 2026-07-04 13:59 Fiche De verblijfsvoorwaarde ingeschreven in artikel 66 van het werkloosheidsbesluit is in zoverre het een bruggepensioneerde betreft strijdig met het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel en kan geen toepassing vinden. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Brugpensioen Vrije woorden: ARBEIDSVOORZIENING - WERKLOOSHEID - Brugpensioen - Onwettigheid van de verblijfsvoorwaarde. Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 25-11-1991 - 66 - 50 ELI link Pub nr 1991013192 Nota: Dit arrest werd vernietigd door Hof van Cassatie 25 juni 2007, 3de Kamer, nr S.05.0094.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070625.

  1. Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN ACHTENTWINTIG APRIL TWEEDUIZEND EN VIJF ZEVENDE KAMER Not. 580, 2° G.W. Werkloosheid Tegensprekelijk Bijzondere rol In de zaak: RIJKSDIENST VOOR ARBEIDSVOORZIENING, openbare instelling, waarvan de burelen gevestigd zijn te 1000 Brussel, Keizerslaan 7, Appellant, vertegenwoordigd door Mr. A. Croonenberghs loco Mr. E. De Bock, advocaat te 1800 Vilvoorde; Tegen: D. B. J., geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. V. Simeons, advocaat te 1060 Brussel; Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit: Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid: - het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, op tegenspraak gewezen door de Arbeidsrechtbank te Brussel op 20 december 2001; - het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 8 februari 2002; - de besluiten in hoger beroep door geïntimeerde neergelegd; Gehoord partijen in hun middelen en beweringen ter openbare terechtzitting van 17 februari 2005, waarna de debatten gesloten werden. Het hoger beroep werd tijdig en op geldige wijze ingesteld, wat overigens niet betwist wordt, en is derhalve ontvankelijk. Voorgaanden Bij beslissing dd. 24 september 1996 van de directeur van het werkloosheidsbureau te V.wordt geïntimeerde van het recht op werkloosheidsuitkeringen vanaf 1 juni 1993 uitgesloten, wordt hij volledig van het recht op werkloosheidsuitkeringen uitgesloten vanaf 30 september 1996 en worden de werkloosheidsuitkeringen die geïntimeerde onrechtmatig ontving sinds 1 juni 1993 teruggevorderd. De directeur motiveerde als volgt : " U maakt vanaf 1 juni 1993 aanspraak op werkloosheidsuitkeringen (brugpensioen). Uit een ingesteld onderzoek is gebleken dat u sinds 17 maart 1996 effectief woont en verblijft op bovenvermeld adres in Frankrijk en dat u vanaf die datum door de dienst "Bevolking" van de gemeente Roosdaal werd uitgeschreven. Om uitkeringen te genieten moet de werkloze zijn gewone verblijfplaats in België hebben; hij moet bovendien in België verblijven. Enkel de Minister bepaalt na advies van het beheerscomité de gevallen waarin en de voorwaarden waaronder uitkeringen toegekend kunnen worden aan de werkloze die niet effectief in België verblijft (artikel 66 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering). Bijgevolg dient u vanaf 1 juni 1993 van het recht op uitkeringen te worden uitgesloten. De werknemer die opnieuw uitkeringen aanvraagt, is vrijgesteld van wachttijd en kan opnieuw toegelaten worden tot het stelsel volgens hetwelk hij laatst werd vergoed, indien hij in de loop van de 3 jaar die de uitkeringsaanvraag voorafgaan ten minste één dag uitkeringen heeft genoten (,§ 1, eerste alinea, 1° van artikel 42 van bovenvermeld koninklijk besluit). Een bruggepensioneerde werknemer kan zijn brugpensioen schorsen om in het buitenland te verblijven. U hebt dit niet gedaan". Bij tussenvonnis dd. 3 november 1999 van de Arbeidsrechtbank te Brussel werd de vordering van geïntimeerde ontvankelijk verklaard en werden de debatten heropend teneinde geïntimeerde toe te laten op rechtsgeldige wijze een tussenvordering in te leiden en hem toe te laten uitleg te verschaffen m.b.t. zijn landbouwactiviteiten tijdens de periode van diens verblijf in Frankrijk vanaf 1 juni
  2. Bij vonnis dd. 20 december 2001 van de Arbeidsrechtbank te Brussel wordt de Algemene Centrale der Liberale Vakbonden van België buiten zake gesteld en wordt de vordering als volgt gegrond verklaard : de bestreden administratieve beslissing dd. 24 september 1996 wordt vernietigd en voor recht wordt gezegd dat de Rechtbank zich niet kan uitspreken omtrent het feit of geïntimeerde al dan niet aanspraak kan maken op werkloosheidsuitkeringen in het kader van het brugpensioen. De zaak wordt naar de bijzondere rol verwezen in afwachting van een nieuwe beslissing en de kosten worden aangehouden. De eerste rechter was van oordeel dat hij bevoegd was om uitspraak te doen over de schending van het gelijkheidsbeginsel en het discriminatieverbod vervat in de artikelen 6 en 6 bis van de Grondwet door artikel 66 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering, verwees naar het arrest 63/93 van 15 juli 1993 van het Arbitragehof naar aanleiding van een prejudiciële vraag gesteld door de zesde kamer van de Arbeidsrechtbank bij vonnis dd. 8 oktober 1992, om te oordelen dat de verblijfsvoorwaarde omschreven in voormeld artikel 66 voor een bruggepensioneerde in strijd is met het gelijkheidsbeginsel en vernietigde daarom de bestreden beslissing dd. 24 september
  3. Appellant tekent hoger beroep aan en verzoekt het Hof het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, het vonnis a quo te vernietigen en de administratieve beslissing te herstellen. Appellant stelt dat het Arbitragehof onbevoegd is, dat er geen sprake kan zijn van een discriminatie tussen bruggepensioneerden en gepensioneerden in de mate dat de bruggepensioneerden zouden moeten gelijkgesteld worden wat de verblijfsvoorwaarde betreft met de gepensioneerden en dat het onderscheid tussen beide categorieën redelijk verantwoord is en op objectieve gronden steunt. Tenslotte stelt appellant dat buiten de mogelijkheid voorzien door artikel 69 van de verordening 1408/71, geen aanspraak kan worden gemaakt op werkloosheidsuitkeringen, wanneer men zich op het territorium van een andere lidstaat bevindt. Geïntimeerde verzoekt het Hof het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren, derhalve appellant ervan af te wijzen en hem te veroordelen tot de kosten. Geïntimeerde stelt dat het Arbitragehof het gelijkheidsbeginsel heeft onderzocht in het kader van de bewegingsvrijheid ten aanzien van andere belanghebbenden tussen 60 en 65 jaar en dit onder andere met betrekking tot de toepassing van artikel 2 paragraaf 2,1° van de wet van 20 juli 1990 tot instelling van een flexibele pensioenleeftijd voor werknemers en tot aanpassing van de werknemerspensioenen, dat het arrest van het Arbitragehof nr. 63/93 dd. 15 juli 1993 tegenstelbaar is aan allen en dat het statuut van de bruggepensioneerden eerder gelijk is aan dat van de gepensioneerden dan aan dat van de werklozen, vanwaar de discriminatie inzake de verblijfsplicht opgelegd door de werklozenreglementering. Ter openbare terechtzitting van 17 februari 2005 verklaart de advocate van appellant dat geen standpunt i.v.m. de cumuleerbaarheid werd genomen en vorderen beide raadslieden dat het Hof principieel uitspraak zou doen i.v.m. de verblijfsvoorwaarde zoals gesteld in artikel 66 van het koninklijk besluit van 25 november
  4. Beoordeling door het Hof Artikel 66 lid 1 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering bepaalt dat om uitkeringen te genieten de werkloze zijn gewone verblijfplaats in België moet hebben en hij bovendien effectief in België moet verblijven. In haar arrest nr. 63/93 van 15 juli 1993 heeft het Arbitragehof als volgt voor recht gezegd : " Artikel 2, ,§ 2, 1°, van de wet van 20 juli 1990 tot instelling van een flexibele pensioenleeftijd voor werknemers en tot aanpassing van de werknemerspensioenen aan de evolutie van het algemeen welzijn schendt de artikelen 6 en 6 bis van de Grondwet niet in zoverre het bepaalt dat het rustpensioen van een mannelijke gerechtigde op een conventioneel brugpensioen ten vroegste ingaat op de eerste dag van de maand volgend op die waarin hij de leeftijd van 65 jaar bereikt, terwijl voor alle andere belanghebbenden het rustpensioen kan ingaan op de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin zij de leeftijd van 60 jaar bereiken, behalve in zoverre aan de gerechtigde op een conventioneel brugpensioen de verplichting wordt opgelegd zijn gewone verblijfplaats in België te hebben en er bovendien effectief te verblijven". Het is duidelijk dat het Arbitragehof de bestaanbaarheid van de artikelen 6 en 6 bis van de Grondwet met artikel 2, ,§ 2, 1° van de wet van 20 juli 1990 voormeld heeft onderzocht. In haar overwegingen stelt het Arbitragehof dat de grondwettelijke regels van de gelijkheid en van de niet-discriminatie niet uitsluiten dat een verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen zou worden ingesteld, voor zover voor het criterium van onderscheid een objectieve en redelijke verantwoording bestaat, dat de bepaling die het onderwerp van de prejudiciële vraag is een wettig doel nastreeft en dient te worden onderzocht of die bepaling geen overdreven gevolgen met zich meebrengt voor de gerechtigden op een conventioneel brugpensioen. Het Arbitragehof overweegt verder als volgt : " De verplichting voor conventioneel bruggepensioneerden tussen 60 en 65 jaar in dat stelsel te blijven, met inbegrip van de verplichting in België te verblijven, is het rechtstreeks gevolg van de litigieuze wettelijke bepaling. De conventioneel bruggepensioneerden dienen evenwel niet te voldoen aan alle voorwaarden die gelden voor werklozen om in aanraking te komen voor werkloosheidsuitkeringen, vermits zij niet meer als werkzoekenden worden beschouwd. Opeenvolgende koninklijke besluiten het eerste van 19 februari 1975 en het meest recente van 7 december 1992 hebben de gerechtigden op een conventioneel brugpensioen op allerlei punten vrijgesteld van de principiële toekenningsvoorwaarden voor werkloosheidsuitkering. De betrokkenen zijn gaandeweg inzonderheid vrijgesteld van de vereiste beschikbaar te zijn voor de arbeidsmarkt en elke passende dienstbetrekking te aanvaarden, de verplichte inschrijving als werkzoekende, de voorwaarde arbeidsgeschikt te zijn en de onderwerping aan de werklozencontrole in de gemeente van hun gewone verblijfplaats. Daarentegen is voor de conventioneel bruggepensioneerden evenwel geen vrijstelling verleend van de verblijfsvoorwaarde. Nu de conventioneel bruggepensioneerden wel zijn vrijgesteld van alle vereisten die hun principiële aanwezigheid in België zouden kunnen rechtvaardigen, blijkt niet waarom niettemin voor hen in tegenstelling tot hen die hun rustpensioen genieten- de voorwaarde blijft dat zij hun gewone verblijfplaats in België moeten hebben en er bovendien effectief moeten verblijven. Zodoende wordt hun bewegingsvrijheid op belangrijke wijze beperkt in vergelijking tot de andere belanghebbenden tussen 60 en 65 jaar terwijl niet blijkt dat dit nodig zou zijn voor het naast elkaar in stand houden van de stelsels van het conventioneel brugpensioen en van het rustpensioen dat de wetgever heeft willen vrijwaren". Krachtens artikel 159 van de Grondwet moeten de Hoven en rechtbanken onwettige besluiten buiten beschouwing laten en de exceptie van ongrondwettigheid opgeworpen door geïntimeerde en weerhouden door de eerste rechter is terecht. Terecht stelt het Auditoraat-generaal dat de beschouwingen die de eerste rechter wijdt aan de cumuleerbaarheid van de door geïntimeerde genoten inkomsten met de werkloosheidsuitkeringen door partijen niet werden ontmoet en dat appellant hieromtrent standpunt dient in te nemen. Het vonnis a quo dient te worden bevestigd. OM DEZE REDENEN : De zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel; Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24; Recht doende op tegenspraak, Gehoord de heer André, Substituut-generaal, in zijn schriftelijk eensluidend advies voorgelezen en neergelegd op de openbare terechtzitting van 24 februari 2005; Gelet op de termijn verleend aan partijen om eventueel te repliceren m.b.t. dit advies tot 22 maart 2005; Partijen hebben geen replieken neergelegd en de zaak werd op 24 maart 2005 in beraad genomen; Ontvangt het hoger beroep, wijst dit evenwel af als zijnde ongegrond; Bevestigt het bestreden vonnis in al zijn beschikkingen; Verzendt de zaak naar de bijzondere rol; Houdt de kosten aan. Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van de zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel op achtentwintig april tweeduizend en vijf. Waar aanwezig waren : mevrouw B. VAN DE VELDE, Voorzitter de heer E. VAN LAER, Raadsheer in Sociale Zaken als werkgever de heer F. DE VLIEGHER, Raadsheer in Sociale Zaken als werknemer bediende mevrouw G. DE SAEDELEER, Griffier G. DE SAEDELEER B. VAN DE VELDE F. DE VLIEGHER E. VAN LAER PDF document ECLI:BE:CTBRL:2005:ARR.20050428.3 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070625.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.