← België

ECLI:BE:CTBRL:2005:ARR.20050429.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 29 april 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2005:ARR.20050429.1 Rolnummer: 44395 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2005-07-14 Raadplegingen: 112 - laatst gezien 2026-07-02 03:34 Fiche Vermoeden blijft bestaan ook als de arbeidsovereenkomst wordt beëindigd in omstandigheden waarin het beding geen uitwerking heeft. Afwezigheid van nadeel in hoofde van de handelsvertegenwoordiger. Bewijsvoorwaarden. Om te genieten van artikel 101 A.O.W. moet de werkgever bewijzen dat de handelsvertegenwoordiger - in dezelfde geografische sektor, - een gelijkaardig produkt verkoopt, - erin geslaagd is aan zijn niewe werkgever het cliënteel te verschaffen die hij aan zijn oude werkgever had aangebracht. Vrije woorden: ARBEIDSOVEREENKOMSTEN - HANDELSVERTEGENWOORDIGERS - Uitwinningsvergoeding - Vermoeden van aanbreng van cliënteel als gevolg van een concurrentiebeding. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 101 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST BUITENGEWONE OPENBARE TERECHTZITTING VAN NEGENTWINTIG APRIL TWEEDUIZEND EN VIJF. DERDE KAMER Bediendecontract Tegensprekelijk Definitief In de zaak: NV BATENBORCH INTERNATIONAL, met zetel te 1800 VILVOORDE, Vijfhoekstraat nr. 40 en ingeschreven in het handelsregister te Brussel onder nummer 522.201; Appellante, geïntimeerde op incidenteel hoger beroep, vertegenwoordigd door Mr. H. Defrenne loco J. Vercraeye, advocaat te Antwerpen; Tegen: J. B. , Geïntimeerde, appellant op incidenteel hoger beroep, vertegenwoordigd door Mr. S. Biesemans loco Mr. M. Pirson, advocaat te Brussel; ó ó ó Na beraadslaging, velt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest: Gelet op: - de stukken der rechtspleging en ondermeer het eensluidend verklaard afschrift van het vonnis uitgesproken op tegenspraak door de 12e kamer van de Arbeidsrechtbank te Brussel op 4 april 2003 (AR nr. 33744/02), alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep ontvangen op de griffie van het Arbeidshof op 2 juli 2003; - de besluiten, synthesebesluiten en tweede aanvullende en synthesebesluiten van geïntimeerde, ontvangen ter griffie op respectievelijk 13 april 2004, 6 december 2004 en 9 februari 2005; - de besluiten en samenvattende besluiten van appellante, ontvangen ter griffie op respectievelijk 7 oktober 2004 en 10 januari 2005; Gehoord de partijen in hun middelen en verdediging ter openbare terechtzitting van 25 maart

  1. Partijen legden hun bundel neer waarna de debatten gesloten werden en de zaak in beraad werd genomen. p p p I. DE FEITEN. De heer J. was in dienst voor onbepaalde duur van de NV Batenborch International, een headhunteronderneming, met ingang van 28 april 2000 als recruteringsconsultant belast met het bezoeken en prospecteren van cliënteel met het oog op het onderhandelen en sluiten van zaken m.n. het plaatsen van kandidaten bij ondernemingen. Hij had in deze functie de hoedanigheid van handelsvertegenwoordiger, wat niet wordt betwist. Op 26 december 2001 heeft de vennootschap aan de heer J. een brief in zijn handen overhandigd die hem de verbreking van zijn arbeidscontract ter kennis brengt, middels een opzegtermijn van 3 maanden vanaf 1 januari 2002 (stuk 2). De heer J. is verder arbeidsprestaties blijven leveren tot eind maart
  2. De arbeidsbetrekkingen werden definitief beëindigd op 29 maart
  3. Op 14 juni 2002 dagvaardt de heer J. NV Batenborch International voor de eerste rechter en vordert betaling van een opzegvergoeding gelijk aan 4 maanden loon t.b.v. in totaal 19.545,46 euro en een uitwinningsvergoeding t.b.v. 14.659,09 euro, dit te vermeerderen met de wettelijke intresten vanaf 27 maart 2002, de gerechtelijke intresten en de kosten. Bij conclusie neergelegd op 25 november 2002 vordert de heer J. een bijkomende vergoeding, nl. een schadevergoeding wegens rechtsmisbruik bij ontslag t.b.v. 5000 euro. Bij conclusie neergelegd door de vennootschap Batenborch International op 24 oktober 2002, wordt door deze tegenvordering ingesteld tot betaling van een schadevergoeding provisioneel begroot op 1 euro wegens inkomstenderving geleden door de vennootschap ten gevolge van het cliëntenverlies veroorzaakt door de heer J. . Het vonnis a quo verklaart de hoofdvordering van de heer J. ontvankelijk en in navolgende mate gegrond: Veroordeelt de NV Batenborch International tot het betalen aan de heer J. van een opzegvergoeding gelijk aan 4.661,44 euro en een uitwinningsvergoeding gelijk aan 13.984,32 euro, beide bedragen te vermeerderen met de wettelijke intresten sedert 26 december 2001, berekend op de aan voormelde bruto bedragen beantwoordende netto sommen en met de gerechtelijke intresten. Verklaart de tegenvordering ontvankelijk doch ongegrond. Wijst partijen af van het meer gevorderde. Veroordeelt NV Batenborch International tot het betalen van de gerechtskosten. III. DE BEROEPSGRIEVEN. Het hoger beroep is beperkt tot de beslissing van het vonnis a quo inzake de oorspronkelijke vordering van geïntimeerde m.b.t. de uitwinningsvergoeding. Appellante stelt uitdrukkelijk dat de door de eerste rechter toegekende opzegvergoeding ad 4.661,44 euro bruto heden niet meer ter discussie staat. Appellante berust m.a.w. in het vonnis a quo op dit punt. Appellante verzoekt ons Hof het bestreden vonnis gedeeltelijk te vernietigen m.b.t. de uitwinningsvergoeding en, opnieuw rechtdoende, de oorspronkelijke vordering van de heer J. tot betaling van een uitwinningsvergoeding van drie maanden loon af te wijzen als ongegrond en hem te veroordelen tot de gerechtskosten. Appellante heeft tegen het vonnis a quo navolgende grieven: Beëindiging door gemeenschappelijk akkoord. De arbeidsrechtbank komt volgens appellante onterecht tot het besluit dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen onregelmatig werd beëindigd. Aangezien geen samenwerking meer mogelijk was, kwamen partijen eind december 2001 immers onderling overeen dat het arbeidscontract dd. 28 april 2000 definitief zou eindigen eind maart 2002 en dat appellante een opzeggingsvergoeding zou uitbetalen van drie maanden. Dit gemeenschappelijk akkoord vormt een overeenkomst die bindend is tussen partijen en waar niet op kan worden teruggekomen. Een uitwinningsvergoeding is niet verschuldigd wanneer de arbeidsbetrekkingen tussen partijen in onderling overleg werden stopgezet. De vordering van de heer J. tot betaling van een uitwinningsvergoeding is volgens appellante dus ongegrond. Ondergeschikt: geen aanbreng van cliënteel: Indien er al een eenzijdige beëindiging van de arbeidsrelatie zou hebben plaatsgevonden en geen onderling akkoord tussen partijen, quod non, dan nog komt de arbeidsrechtbank volgens appellante ten onrechte tot het besluit dat een uitwinningsvergoeding van drie maanden loon diende uitbetaald te worden aan de heer J. . Immers, om recht te hebben op een uitwinningsvergoeding, zelfs indien een niet-concurrentiebeding werd opgenomen in de arbeidsovereenkomst, moet men cliënteel hebben aangebracht. Appellante stelt dat zij voldoende bewijst dat geen cliënteel werd aangebracht door de heer J. en dat, integendeel zelfs, trouw cliënteel werd verloren door zijn toedoen. Appellante verwijst hiervoor naar haar stukken 4,5 en
  4. Ondergeschikt: verzaking aan het niet-concurrentiebeding. Appellante meent dat de niet-aanbreng van cliënteel ook blijkt uit het feit dat appellante afzag van het niet-concurrentiebeding bij aangetekend schrijven dd. 8 april
  5. Er was geen enkele reden dit beding te handhaven, aangezien de heer J. toch geen concurrentie kon vormen voor appellante. Doordat appellante verzaakt aan het niet-concurrentiebeding, dient geen uitwinningsvergoeding betaald. Ondergeschikt: geen nadeel geleden. Appellante stelt dat zij weet dat de heer J. onmiddellijk bij een ander headhunterkantoor is beginnen werken, nl. D. H.. Uit de beëindiging van de arbeidsbetrekking volgde dus geen enkel nadeel voor de heer J. . III. DE TEGENEIS. De heer J. stelt bij beroepsbesluiten een tegeneis in en vordert veroordeling van appellante tot betaling van de som van 25000 euro t.t.v. schadevergoeding wegens tergend en roekeloos hoger beroep. Hij stelt dat: 1) De eerste rechter de wetteksten betreffende het recht op een uitwinningsvergoeding juist heeft toegepast: het aanbrengen van cliënteel wordt vermoed indien de arbeidsovereenkomst een bepaling van niet-concurrentiebeding inhoudt. De werkgever kan het tegendeel bewijzen. De rechtbank heeft vastgesteld dat de werkgever geen enkel document heeft voorgebracht waaruit blijkt dat de heer J. geen cliënteel zou hebben aangebracht en heeft bijgevolg de vennootschap veroordeeld tot de betaling van een uitwinningsvergoeding. 2) In het kader van het beroep dat door de vennootschap werd aangetekend, werd geen enkel nieuw argument noch nieuw stuk aangevoerd. De houding van de vennootschap is manifest dilatoir en brengt belangrijke supplementaire kosten voort in hoofde van de heer J. . De heer J. raamt de schade die hij hierdoor ondervindt op een bedrag van 2500 euro. 3) Tenslotte beweert de vennootschap in graad van beroep dat de heer J. "een koning (...) in het verkrijgen van schadevergoedingen zou zijn" (p. 3 van zijn synthesebesluiten en dat hij "een spelletje zou spelen gelijkaardig als bij zijn vroegere werkgevers Ericcson en Global One". Deze beschuldigingen zijn vals (J. heeft ontslag genomen bij zijn twee vorige werkgevers, zonder dat deze verbrekingen aanleiding hebben gegeven tot een geschil) en tasten de rechtschapenheid en de eerlijkheid van de heer J. aan. ó ó ó IV. BEOORDELING VAN HET HOF. Overwegende dat het hoger beroep naar vorm en tijd ontvankelijk voorkomt, wat overigens niet wordt betwist. Gezien de door partijen neergelegde stukken. Het Hof stelt met de eerste rechter aan de hand van de neergelegde stukken vast dat de arbeidsovereenkomst eenzijdig werd beëindigd door de werkgever met een nietige opzegging doch geldig ontslag door hem gegeven op 26 december 2001 met een opzeggingsbrief die door de werknemer enkel voor ontvangst werd ondertekend en niet voor akkoord. Van een beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds akkoord levert appellante niet het minste bewijs. Om recht te hebben op een uitwinningsvergoeding moet de handelsvertegenwoordiger overeenkomstig artikel 101 AO-wet een cliënteel hebben aangebracht. In beginsel moet hij de aanbreng van cliënteel bewijzen. Overeenkomstig artikel 105 AO-wet schept het bestaan van een concurrentiebeding echter ten gunste van de handelsvertegenwoordiger een vermoeden dat hij cliënteel heeft aangebracht. De werkgever kan eventueel het tegenbewijs leveren. Het vermoeden van aanbreng blijft bestaan wanneer de arbeidsovereenkomst wordt beëindigd in omstandigheden waarin het concurrentiebeding geen uitwerking heeft (Cass. 26.3.1979, RW 79-80, 51) of wanneer het nietig is (AH Antwerpen 23.10.1978, JTT 79, 357; AH Luik 1.3.1999, JTT 2000, 62). Het feit dat appellante aan de toepassing van het concurrentiebeding heeft verzaakt, doet geen afbreuk aan het vermoeden van aanbreng van cliënteel in hoofde van geïntimeerde. Geïntimeerde wordt overeenkomstig artikel 105 AO-wet wettelijk vermoed cliënteel bij appellante te hebben aangebracht. Appellante kan het tegenbewijs leveren. Algemeen kan worden gesteld dat de loutere vermindering van het aantal klanten de afwezigheid van aanbreng van cliënteel niet bewijst (Arbeidsrechtbank Dinant 18.1.1983, Soc. Kron. 83, 447), de daling van het omzetcijfer evenmin (AH Brussel 4.4.1979, TSR 80, 67; AH Brussel 29.4.1992, TSR 92, 373). Appellante stelt dat geïntimeerde haar geen nieuwe klanten aanbracht en dat hij slechts enkele bestaande klanten bezocht die zij door hem verloor omdat deze klanten ontevreden waren over het werk van en de samenwerking met de heer J. . Van deze beweerde ontevredenheid van 8 klanten legt appellante één bewijsstuk voor (stuk 4), nl. een brief van de firma Alternativ opgesteld op 8 december 2002 of 9 maanden na het vertrek van geïntimeerde bij appellante. Dit stuk bewijst de ontevredenheid van deze éne klant over de diensten van de heer J. , doch volstaat niet als voldoende bewijs van het feit dat appellante 8 klanten zou verloren hebben omwille van de heer J. noch van het feit dat deze haar geen cliënteel zou hebben aangebracht. Dit bewijs levert appellante evenmin met de door haar eenzijdig opgestelde lijst (stuk 5) van de klanten verloren of ontevreden door slechte prestaties van geïntimeerde nl. voor de jaren 2001, 2001 en
  6. Al is deze lijst gebaseerd op BTW-listings van appellante (2001-2002-2003, stuk 6), deze lijst bewijst helemaal niet dat appellante deze 10 klanten verloor omwille van of door toedoen van de heer J. en evenmin dat de heer J. haar (benevens deze 10+3 klanten) geen ander cliënteel zou hebben aangebracht. Volgens haar eigen BTW-listings had appellante immers méér dan 13 klanten in 2001: 107 klanten, 2002: 96 en in 2003: 121 klanten. Geïntimeerde wordt overeenkomstig artikel 105 AO-wet vermoed cliënteel te hebben aangebracht aan appellante, behoudens tegenbewijs. Appellante levert dit tegenbewijs helemaal niet. Appellante levert evenmin het bewijs van haar bewering dat geïntimeerde geen nadeel zou hebben geleden ingevolge het ontslag. Zij beweert doch bewijst zelfs niet dat geïntimeerde onmiddellijk is beginnen werken voor een ander headhunterkantoor. Het volstaat overigens niet te bewijzen dat de handelsvertegenwoordiger zijn nieuwe werkgever bij hetzelfde cliënteel voor gelijke of gelijkaardige producten heeft kunnen vertegenwoordigen (AH Bergen 2.3.1989, JTT 89, 176; AH Luik 22.2.1995, JTT 95, 285) opdat het bewijs van afwezigheid van nadeel zou zijn geleverd, bedoeld in artikel 101 AO-wet. De werkgever moet daartoe bewijzen dat de handelsvertegenwoordiger: - in dezelfde geografische sector - een gelijkaardig product verkoopt (Cass. 22.9.1971, arr. Cass. 72, 83) en - erin geslaagd is aan zijn nieuwe werkgever het cliënteel te verschaffen die hij aan zijn oude werkgever had aangebracht (Cass. 31.10.1973, JTT 74, 117). De tegeneis wegens tergend en roekeloos hoger beroep. Overwegende dat iedere rechtsonderhorige het recht heeft om zich ter beslechting van een geschil i.v.m. zijn subjectieve rechten tot een rechter te wenden. Er bestaat een fundamenteel recht van de mens op een eerlijk proces. Zo ook heeft eenieder het recht om tegen een rechterlijke beslissing de wettelijke rechtsmiddelen aan te wenden, waaronder het hoger beroep. Van dit recht mag zoals van alle rechten geen misbruik worden gemaakt. De heer J. stelt dat appellantes hoger beroep roekeloos en tergend is. Hij noemt haar houding dilatoir. Appellante voert in hoger beroep dezelfde middelen aan als voor de eerste rechter, doch diept deze nader uit en voegt ook nieuwe overtuigingsstukken toe. Het Hof is het met appellante eens dat een hoger beroep op grond van dezelfde middelen, die in eerste aanleg werden verworpen, in se geen rechtsmisbruik is. Recht is geen objectieve rekenkundige wetenschap doch een menselijke wetenschap voor en door de mens bedacht en toegepast. Een appelrechter kan dan ook anders oordelen over dezelfde rechtsmiddelen, zeker wanneer ze worden uitgediept zoals appellante in deze zaak doet. Roekeloos betekent: zeer onbezonnen, onberaden, vermetel. tergen betekent: kwellen, pijnigen, kwetsen en tergend betekent: uitdagen, sarrend, provocerend (Van Dale: groot Woordenboek der Nederlandse Taal). De heer J. bewijst niet dat appellante (beperkt) hoger beroep aantekende tegen het vonnis a quo (nl. beperkt tot de uitwinningsvergoeding) met de loutere bedoeling hem te kwetsen en hem onnodige kosten te berokkenen. De heer J. bewijst evenmin dat appellante bijzonder lichtzinnig hoger beroep instelde. Appellante heeft haar recht op hoger beroep gebruikt. Van misbruik van dit recht levert de heer J. geen bewijs. Zijn vordering tot schadevergoeding wegens tergend en roekeloos hoger beroep is ongegrond. ó ó ó OM DEZE REDENEN, Het Arbeidshof, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24, Rechtsprekend op tegenspraak, Alle andere middelen en conclusies verwerpende, Verklaart het beperkt hoger beroep ontvankelijk en ongegrond. Bevestigt het vonnis a quo is al zijn betwiste bestanddelen. Verklaart de tegeneis van de heer B. J. tot schadevergoeding wegens roekeloos en tergend hoger beroep ontvankelijk en ongegrond. Veroordeelt appellante tot de kosten van het hoger beroep, tot op heden als volgt begroot: - voor appellante: - rechtsplegingsvergoeding hoger beroep EUR 279,60 - voor geïntimeerde: - rechtsplegingsvergoeding hoger beroep EUR 273,67 Aldus gewezen en uitgesproken op de openbare terechtzitting van de derde kamer van het Arbeidshof te Brussel op negenentwintig april tweeduizend en vijf. Waren aanwezig: M. VERMAELEN: Raadsheer. M. VAN AKEN: Raadsheer in Sociale Zaken als werkgever. A. LEURS: Raadsheer in Sociale Zaken als werknemer-bediende. L. COEN: Eerstaanwezend adjunct-griffier. L. COEN. M. VERMAELEN. A. LEURS. M. VAN AKEN. PDF document ECLI:BE:CTBRL:2005:ARR.20050429.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.