id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 12 mei 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2005:ARR.20050512.23 Rolnummer: 41866 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2007-03-08 Raadplegingen: 95 - laatst gezien 2026-07-02 03:35 Fiche Wanneer een werkgever een werknemer tewerkstelt wiens arbeidsregeling georganiseerd wordt volgens een cyclus , waarvan de werkroosters werden opgenomen in het arbeidsreglement en die over meer dan een week is gespreid, dient op elk ogenblik te kunnen worden vastgesteld wanneer de cyclus begint. Wanneer naar aanleiding van een controle vastgesteld wordt dat het onmogelijk is uit te maken in welke werkweek de werknemer die aan het werk wordt aangetroffen volgens dergelijke arbeidsregeling zich bevindt en de werkgever evenmin de voorschriften van bekendmaking bepaald in artikel 159 van de programmawet van 22 december 1989 naleefde, wordt de werknemer vermoed zijn arbeidsprestaties voltijds te hebben verricht, met de mogelijkheid het tegenbewijs hiervan te leveren (art. 22 ter R.S.Z. wet). Aangezien de werkgever de berichten waarvan sprake in artikel 159 van de programmawet van 22 december 1989 slechts gedurende een jaar moet bewaren kan evenwel niet worden uitgemaakt of door de werkgever inbreuk werd gemaakt op de verplichting van kennisgeving en bekendmaking voorzien in artikel 159 van de programmawet tijdens de periode die aan deze eenjarige periode voorafgaat. Bijgevolg kan de R.S.Z. zich voor deze periode niet beroepen op het vermoeden van artikel 22 ter van de R.S.Z. wet. Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID VOOR WERKNEMERS . ALGEMENE REGELING - Programmawet van 22 december 1989 Vermoeden van voltijdse arbeidsprestaties Beperking in de tijd naar het verleden toe van de mogelijkheid zich op het vermoeden te beroepen. Wettelijke bepalingen: Wet - 27-06-1969 - 22TER - 04 ELI link Pub nr 1969062710 Annotaties Publicaties: SOCIAALRECHTELIJKE KRONIEKEN - - 2006(P.296-298) Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN TWAALF MEI TWEEDUIZEND EN VIJF ZEVENDE KAMER Sociale Zekerheid Bijdragen Tegensprekelijk Heropening der debatten In de zaak: RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, openbare instelling, met zetel te 1060 Brussel, Victor Hortaplein 11, Appellant, vertegenwoordigd door Mr. S. Geuvens loco Mr. K. Timmerman, advocaat te 3010 Leuven (Kessel-Lo); Tegen: E. L. , geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. H. Stassen loco Mr. P. Grouwels, advocaat te 3800 Sint-Truiden; Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit: Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid: - het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis gewezen op tegenspraak door de tweede kamer van de Arbeidsrechtbank te Leuven op 11 september 2000; - het verzoekschrift in hoger beroep ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 25 juli 2001; - de besluiten in hoger beroep door partijen neergelegd; Gehoord de partijen in hun middelen en verdediging ter openbare terechtzitting van 10 maart 2005 waarna de debatten gesloten werden voor schriftelijk advies neer te leggen ter griffie uiterlijk op 24 maart 2005; Gelet op het schriftelijk advies van de heer André, Substituut-generaal, neergelegd ter griffie op 18 maart 2005; Gelet op de termijn verleend aan partijen om eventueel te repliceren m.b.t. dit advies tot 1 april 2005 waarna de zaak in beraad wordt genomen; Gelet op de repliekbesluiten van appellant neergelegd ter griffie op 1 april 2005; Feiten en procedure voorgaanden De heer E. baat een landbouwbedrijf uit in eigen naam. Op donderdag 12 juni 1997 werd door de sociale inspectie vastgesteld dat mevrouw P. werkzaam was met het kuisen en schillen van aardappelen. Mevrouw P. was reeds sinds 14 juni 1993 deeltijds in dienst De heer E. legde met betrekking tot voornoemde werkneemster een arbeidsovereenkomst voor aan de inspectiediensten waarin twee verschillende uurroosters waren vermeld onder de benaming" eerste week" en" tweede week". Op basis van deze gegevens konden de inspectiediensten echter niet vaststellen of op de controledatum de tewerkstelling verliep volgens het schema van de eerste week, dan wel volgens het schema van de tweede week. De werkgever kreeg hiervoor slechts een waarschuwing en er werd hem gevraagd om op dat punt de arbeidsovereenkomst duidelijker op te stellen. Op maandag 15 december 1997 vond een tweede controle plaats door de sociale inspectie bij de heer E. en opnieuw werd mevrouw P. werkend aangetroffen , daar waar de nieuwe arbeidsovereenkomst slechts een uurrooster vermelde, dat echter niet voorzag in een tewerkstelling op maandag. Voor deze afwijking op het normale uurrooster kon de heer E. geen afwijkingsdocument voorleggen, zodat Pro Justitia werd opgesteld wegens verhindering van toezicht en wegens inbreuk op artikel 160 van de Programmawet van 22 december
- Voor deze inbreuken werd de heer E. veroordeeld door de correctionele rechtbank te Leuven bij vonnis van 2 maart 1999 De R.S.Z. besliste na onderzoek om met betrekking tot de tewerkstelling van mevrouw P. over te gaan tot de ambtshalve omzetting van deeltijdse prestaties naar voltijdse prestaties voor de periode van 1 april 1994 tot 12 juni 1997 en voor de dag van 15 december 1997, dit op grond van het vermoeden van voltijdse prestaties voorzien in artikel 22 ter van de RSZ-wet. De beslissing werd bij brief van 23.04.1999 ter kennis van de heer E. gebracht. De R.S.Z. verstuurde nadien de berichten van wijziging der bijdragen en het rekeninguittreksel werd afgesloten op 11 juni 1999 en op 21 juni 1999 aan de heer E. medegedeeld. Bij dagvaarding betekend op 7 juli 1999 vordert de R.S.Z. de veroordeling van de heer E. tot betaling van de som van 1.
- 488 franc( lees 41.112,84) EURO ten titel van achterstallige bijdragen, bijdrageopslagen en intresten, met betrekking tot de periode vanaf het tweede kwartaal van 1994 tot en met het eerste kwartaal van 1998, meer de wettelijke intresten op 1.
- 640 frank( lees 30.829,03 EURO) vanaf 12 juni 1999, datum volgend op de afsluiting van het rekeninguittreksel. Met het bestreden vonnis verklaarde de Arbeidsrechtbank de vordering voor de periode van 1 april 1997 ( lees 1994) tot 12 juni 1997 ongegrond aangezien de RSZ niet wettig kon afleiden uit de feiten dat voldaan was aan de voorwaarden van "ontstentenis van openbaarmaking van de werkroosters"; zodat ten onrechte werd overgegaan tot ambtshalve omzetting van deeltijdse prestaties naar voltijdse prestaties in hoofde van mevrouw P.. Wat betreft de dag van 15 december 1997 werd de heer E. veroordeeld bij vonnis van de Correctionele rechtbank van Leuven wegens inbreuk op artikel 160 van de Programmawet van 22 december 1989 en om geen controledocument te hebben bijgehouden voor prestaties buiten de normale werkroosters van deeltijds tewerkgesteld personeel. De RSZ vordert dan ook terecht de sociale zekerheidsbijdragen voor de dag van 15 december 1997 meer de bijdrage opslag en intresten. Beroepsgrieven Appellant verwijt de eerste rechter vooral dat deze geen inbreuk op de openbaarmaking van de werkroosters heeft weerhouden en evenmin heeft nagegaan of die werkroosters al dan niet openbaar werden gemaakt zoals voorzien in de artikelen 157 tot 159 van de Programmawet van 22 december
- Wanneer de loutere openbaarmaking van de werkroosters zou volstaan om het vermoeden van voltijdse tewerkstelling buiten werking te stellen, wordt elke controle op de werkelijke duur van de arbeidsprestaties onmogelijk, het geen men precies wenste tegen te gaan door het bestaan van de betwiste artikelen uit Programmawet. Door de wijziging van artikel 171 ( en dus naar analogie ook het artikel 22 ter van de RSZ-wet) van de Programmawet van 22 december 1989 en bij wet van 20 juli 1991 werd duidelijk het principe ingevoerd dat het vermoeden onweerlegbaar is. Voor zover het Arbeidshof aanvaardt dat het vermoeden conform artikel 22 ter RSZ-wet weerlegbaar is toont de heer E. op geen enkele wijze aan dat het materieel onmogelijk was dat de betrokken werkneemster voltijdse prestaties leverde en is een getuigen- bewijs niet toelaatbaar. Beoordeling Ontvankelijkheid van het Hoger beroep Er wordt geen betekening van het bestreden vonnis overgelegd . Het verzoekschrift is regelmatig naar vorm en werd ingesteld binnen de daartoe wettelijk bepaalde termijn, wat overigens niet wordt betwist. Het is derhalve ontvankelijk. Ten gronde Op grond van het Cassatiearrest van 18 februari 2002, en het arrest van het Arbitragehof nummer 40/98 van 1 april 1998, Belgisch Staatsblad dd. 20 mei 1998, 16220 , kan worden afgeleid dat de bijdrageplicht in hoofde van de RSZ geregeld wordt bij art. 22 ter van de wet van 27 juni 1969, en niet op grond van artikel 171 tweede lid Programmawet 1989, zodat het appellant toegelaten is het tegenbewijs te leveren. Artikel 22 ter RSZ wet bepaalt: " behoudens bewijs van het tegendeel dat door de werkgever wordt aangebracht, worden de deeltijdse werknemers vermoed, bij ontstentenis van inschrijving in de documenten bedoeld bij de artikelen 160, 162,163 , en 165 van de programmawet van 22 december 1989 of bij gebrek aan gebruik van de apparaten bedoeld bij art. 164 van dezelfde wet, hun prestaties te hebben uitgevoerd volgens de werkroosters die werden openbaar gemaakt zoals bepaald in de artikelen 157 tot 159 van dezelfde wet. Bij ontstentenis van openbaarmaking van de werkroosters worden de deeltijdse werknemers vermoed arbeid te hebben verricht in het kader van een arbeidsovereenkomst voor voltijdse arbeid." De artikelen 157 tot 169 van de Programmawet van 22 december 1989 leggen de werkgevers verplichtingen op met betrekking tot de bekendmaking van de werkroosters van de deeltijdse werknemers en met betrekking tot de vaststelling van de afwijkingen op de normale werkroosters met het doel een efficiënte controle mogelijk te maken ter voorkoming en bestrijding van zwartwerk . Op grond van artikel 158 van de programmawet moet de arbeidsregeling van de deeltijdse werknemer dewelke georganiseerd is volgens een cyclus die over meer dan een week is gespreid op elk ogenblik kunnen vastgesteld worden wanneer de cyclus begint. Onder cyclus moet worden verstaan de opeenvolging van dagelijkse werkroosters in een vaste orde die bepaald wordt door het arbeidsreglement. In casu blijkt dat de arbeidsovereenkomst van mevrouw P. een deeltijdse arbeidsovereenkomst betrof van 13.00u per week volgens een cyclus, zijnde 2 roosters "een eerste week met een uurrooster van dinsdag tot donderdag van 9.00u tot 12.00u en op vrijdag van 8.00u tot 12.00u; en"een tweede week" een tweede uurrooster van dinsdag tot donderdag van 14.00u tot 16.00u en vrijdag van 14.00u tot 17.00u. Naar aanleiding van de controle uitgevoerd op 12 juni 1997 bleek echter dat het onmogelijk was vast te stellen in welke werkweek mevrouw P. aan het werk was. Artikel 158 van de Programmawet van 1989 voorziet eveneens dat, zoals in casu, bij ontstentenis van arbeidsovereenkomst met een op ieder tijdstip vast te stellen cyclus, de werkgever de bij de artikel 159 geregelde verplichtingen dient na te leven met name het toepasselijk werkrooster voorafgaandelijk aan te plakken in de lokalen van de onderneming, hetgeen hij niet deed. Bijgevolg beging de werkgever een inbreuk op artikel 159 van de Programmawet van 22 december 1989 dewelke voorschrijft dat de dagelijkse werkroosters van de deeltijds tewerkgestelde werknemers met variabel uurrooster tenminste vijf dagen op voorhand moeten worden aangeplakt in de bedrijfslokalen, en ter kennis van de betrokken werknemers moet worden gebracht. Het bericht moet voor iedere deeltijdse werknemer afzonderlijk het werkrooster bepalen. Bijgevolg heeft de heer E. wel degelijk de werkroosters niet openbaar gemaakt en wordt hij op grond van artikel 22 ter van de RSZ-wet vermoed arbeid te hebben verricht in het kader van een arbeidsovereenkomst voor voltijdse arbeid, met de mogelijkheid het tegenbewijs hiervan te leveren. Het Arbeidshof volgt echter het advies van de heer substituut-generaal waarin deze opmerkt dat in artikel 159 van de Programmawet worden bepaald dat het bericht dat de werkgever moet uithangen slechts gedurende een jaar moet worden bewaard, te rekenen vanaf de dag waarop het werkrooster ophoudt van kracht te zijn. Onmiddellijk na de eerste controle heeft de werkgever de arbeidsovereenkomsten gewijzigd en één vast uurrooster ingelast. Bijgevolg diende de werkgever slechts de aanplakkingen van de werkroosters te bewaren voor de periode van één jaar voorafgaand aan de controle van 12 juni 1997, dit is van 13 juni 1996 tot 12 juni
- Bijgevolg kan er niet worden uitgemaakt of geïntimeerde een inbreuk heeft gepleegd op de verplichting van openbaarmaking ingeschreven in de Programmawet in de periode voorafgaand aan 12 juni 1996, aangezien de werkgever niet verplicht wordt deze aanplakkingen langer dan een jaar te bewaren en is artikel 22 ter voor vermelde periode niet van toepassing. Ook tijdens de tweede controle van maandag 15 december 1997, begaat de heer E. een inbreuk op dezelfde reglementering, waarvoor hij overigens strafrechterlijk werd veroordeeld door de Correctionele rechtbank. Op dat ogenblik legt de heer E. een arbeidsovereenkomst van mevrouw P. voor aan de sociale inspectie met daarin één vast uurrooster, doch dit uurrooster vermeldt geen arbeidsprestaties op maandag daar waar op maandag 15 december 1997 mevrouw P. wel aan het werk werd aangetroffen; de werkgever kon geen afwijkingsdocument voorleggen , alhoewel dit formeel opgelegd wordt aan de werkgever op grond van artikel 160 van de Programmawet. Artikel 160 van de programmawet ( onder het hoofdstuk toezicht op de afwijkingen op het normale werkrooster van de deeltijdse werknemers )schrijft voor dat de werkgever die deeltijdse werknemers tewerk stelt, over een document moet beschikken waarin alle afwijkingen op de werkroosters,(dus ook het vast uurrooster )moeten worden opgetekend . Op grond van artikel 22 ter van de RSZ-wet worden zij vermoed hun prestaties te hebben uitgevoerd volgens de werkroosters die werden openbaar gemaakt zoals bepaald in de artikelen 157 tot 159 van dezelfde wet. Nu de heer E. geen werkroosters openbaar heeft gemaakt ,worden de deeltijdse werknemers vermoed arbeid te hebben verricht in het kader van een arbeidsovereenkomst voor voltijdse arbeid, zoals bepaald in het laatste lid van artikel 22 ter RSZ-wet. Dit betekent dat wanneer er een afwijking is van een deeltijdse werkrooster, die echter niet werd opgetekend in het voorgeschreven document of geregistreerd werd door middel van vervangende apparatuur, de werknemer( op weerlegbaar wijze) vermoed wordt een prestatie te hebben verricht overeenkomstig de openbaar gemaakte werkroosters; en indien geen werkroosters werden openbaar gemaakt op de voorgeschreven wijze, dat de werknemers( eveneens op weerlegbaar wijze ) moet worden vermoed prestatie te hebben verricht in het kader van een voltijdse arbeidsovereenkomst .(zie Van Eeckhoutte, het sociale recht na de kader besluiten Associare 28 november 1997, 49) In het arrest van het Hof van Cassatie van 3 februari 2003 ,Soc. Kron. 2003, 539 dient het tegendeel van het vermoeden dat de bedoelde werknemers arbeid hebben verricht in het kader van de arbeidsovereenkomst voor voltijdse arbeid door de werkgever te worden aangebracht. Het tegendeel van het vermoeden dat de werknemer arbeid heeft verricht in het kader van een arbeidsovereenkomst voor voltijdse arbeid bestaat erin te bewijzen dat de deeltijdse werknemer geen voltijdse arbeid hebben verricht in het kader van een arbeidsovereenkomst voor voltijdse arbeid. De arbeidsovereenkomst, evenals de verklaringen van medewerknemers waarin deze bevestigen steeds te hebben gewerkt volgens de uren die werden overeengekomen met de heer E. en vermeld staan op de werkroosters en alleen voor deze uren zoals vermeld op de loonsopdrachten betaald te zijn geweest kunnen niet afdoende zijn als tegenbewijs. Alle officiële documenten betreffen natuurlijk alleen de tewerkstelling overeenkomstig de werk- roosters en vermeld in de arbeidsovereenkomst daar waar de reglementering zoals opgenomen in het Programmawet van 1989 precies de controle op het oog heeft van het zwartwerk. Eventuele voltijdse prestaties in een zwart circuit zijn uiteraard niet terug te vinden op deze documenten. De verklaringen van de medewerknemers" dat mevrouw P. heeft gewerkt volgens de uren die werden overeengekomen met de heer E. " zijn onvoldoende precies , in tijd en ruimte en zijn bijgevolg niet afdoende als tegenbewijs. Evenmin kan op het bewijsaanbod door getuigen worden ingegaan. In feite vraagt geïntimeerde het bewijsaanbod van een gevolgtrekking daar waar het bewijs- aanbod slechts betrekking kan hebben op bepaalde concrete en voor tegenbewijs vatbare feiten waar dan een conclusie als gevolg kan worden getrokken. De hierboven vermelde feiten waarvan men het getuigenbewijs vraagt zijn absoluut onvoldoende precies in tijd en ruimte. De mede- werknemers kunnen onmogelijk weten over deze gehele periode dewelke reeds nu meer dan acht jaar terug dateert welke werkuren werden overeen gekomen tussen mevrouw P. en de heer E. en of deze werden gerespecteerd in feite. Het bewijs aanbod betreft bijgevolg geen bepaalde en terzake dienende feiten zoals bedoeld in artikel 915 van het Gerechtelijk Wetboek. Er wordt geen enkel ander bewijs voorgebracht. Appellant levert bijgevolg niet het bewijs van het tegendeel van het vermoeden vermeld in artikel 22 ter RSZ-wet. Daarbij komt dat de heer E. op 15 december 1997 het toezicht door de sociale inspectie heeft verhinderd waarvoor hij eveneens strafrechterlijk werd veroordeeld. Op 15 december 1997 bevond mevrouw P. zich bovendien nog in een periode van arbeidsongevallenverzekering. Er is geen aanleiding tot toepassing van het beginsel"non bis in idem" wat betreft de dag van 15 december 1997 omdat de strafrechter niet de maximun straf heeft uitgesproken maar een geldboete met uitstel voor 2/3 voor de gehele strafbare gedraging waaronder het verhinderen van toezicht aan de sociale inspectie. Uit artikel 14 7° van het BUPO verdrag is geen cumulatieverbod af te leiden (zie J.Put ,bis sed non idem in RW 2001-2002 ,937). Het Hof beveelt de heropening der debatten teneinde appellant toe te laten een herberekening over te maken over de periode van 13 juni 1996 tot 12 juni 1997 van de berekening van de bijdrage, bijdrage op slagen en intresten,evenals voor de dag van 15 december
- OM DEZE REDENEN : De zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel; Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24; Rechtsprekend op tegenspraak; Het schriftelijk advies door de heer André, Substituut-generaal, neergelegd ter griffie op 18 maart 2005; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en grotendeels gegrond; Hervormt het bestreden vonnis en opnieuw recht doende; Verklaart de oorspronkelijke vordering ontvankelijk en deels gegrond; Beveelt de heropening der debatten om hiervoren vermelde reden; Stelt de heropening der debatten op de buitengewone openbare terechtzitting van de zevende kamer van dit Hof op 17 oktober 2005 te veertien uur dertig, te 1000 Brussel, Poelaertplein 3, zaal 0.
- Houdt de beslissing nopens de gerechtskosten aan. Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van de zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel op twaalf mei tweeduizend en vijf. Waar aanwezig waren : mevrouw B. CEULEMANS, Raadsheer de heer E. VAN LAER, Raadsheer in Sociale Zaken als werkgever de heer F. DE VLIEGHER, Raadsheer in Sociale Zaken als werknemer bediende mevrouw G. DE SAEDELEER, Griffier G. DE SAEDELEER B. CEULEMANS F. DE VLIEGHER E. VAN LAER PDF document ECLI:BE:CTBRL:2005:ARR.20050512.23 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div