← België

ECLI:BE:CTBRL:2005:ARR.20050526.2

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 26 mei 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2005:ARR.20050526.2 Rolnummer: 44584 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2005-09-15 Raadplegingen: 112 - laatst gezien 2026-07-02 03:36 Fiche Wanneer een onderzoek dat uitgevoerd wordt door de inspectiediensten van de R.S.Z. van start gaat op 9 november 1999, de werkgever wordt verhoord op 22 juni 2001, het onderzoeksverslag wordt opgesteld op 27 juni 2001 en op 25 september 2001 de beslissing van de R.S.Z. aan de werkgever wordt medegedeeld, waarna op 27 september 2001 een bericht van wijziging van bijdragen wordt opgesteld, wordt de redelijke termijn niet overschreden. Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP-RECHT-WETGEVING - ALGEMENE BEGINSELEN - Beginselen van behoorlijk bestuur Redelijke termijn. Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN ZESENTWINTIG MEI TWEEDUIZEND EN VIJF ZEVENDE KAMER Sociale Zekerheid Bijdragen Tegensprekelijk Definitief In de zaak: B. J. , Appellant, vertegenwoordigd door Mr. W. Van Rossum loco Mr. F. Milcamps, advocaat te 1180 Brussel; Tegen: de RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, openbare instelling, waarvan de zetel gevestigd is te 1060 Brussel, Vicor Hortaplein 11, geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. P. Zonderman loco Mr. G. Demin, advocaat te 3000 Leuven; Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit: Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid: - het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, op tegenspraak gewezen door de Arbeidsrechtbank te Leuven op 30 juni 2003; - het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 4 september 2003; - de besluiten in hoger beroep door partijen neergelegd; - de synthesebesluiten in hoger beroep door geïntimeerde neergelegd; Gehoord partijen in hun middelen en beweringen ter openbare terechtzitting van 21 april 2005, waarna de debatten gesloten werden. Het hoger beroep werd tijdig en op geldige wijze ingesteld, wat overigens niet betwist wordt, en is derhalve ontvankelijk. Voorgaanden Bij dagvaarding betekend op 11 maart 2002 aan appellant vordert geïntimeerde de veroordeling van appellant tot betaling van een bedrag van 17.071,43 EURO uit hoofde van bijdragen, bijslagen en aankleven, te vermeerderen met de wettelijke intresten op de verschuldigde bijdragen hetzij op 15.189,34 EURO vanaf 1 februari 2002 tot de volledige betaling, met de kosten van het geding en de wettelijke rechtsplegingsvergoeding, dit alles bij een vonnis uitvoerbaar bij voorraad. Bij vonnis dd. 30 juni 2003 van de tweede kamer van de Arbeidsrechtbank te Leuven wordt de vordering ontvankelijk en gegrond verklaard en wordt appellant veroordeeld tot betaling aan geïntimeerde van de som van 17.071,43 EURO, te vermeerderen met de wettelijke intresten op 15.189,34 EURO vanaf 1 februari 2002 en met de gerechtelijke intresten vanaf de dagvaarding. De eerste rechter stelde vast dat de bedrijfsactiviteit van de eenmanszaak van appellant dezelfde is als de vroegere bedrijfsactiviteit van de B.V.B.A. Carglass, dat deze bedrijfsactiviteit werd gevoerd vanuit dezelfde vestigingsplaats, met overname van de huurrechten van de B.V.B.A. Carglass en van het handelsfonds met behoud van het uithangbord en hetzelfde klantenpotentieel en dat de door appellant aangeworven werknemer vóór de aanwerving in dienst was van de B.V.B.A. Carglass en slechts werkloos van 19 augustus 1997 tot 24 augustus 1997. De eerste rechter kwam tot het besluit dat de éénmanszaak van appellant en de B.V.B.A. Carglass éénzelfde technische bedrijfseenheid uitmaken en dat er geen sprake kan zijn van een netto aangroei van personeel. Appellant tekent hoger beroep aan en verzoekt het Hof het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, het vonnis a quo nietig te verklaren, de oorspronkelijke eis ontvankelijk maar ongegrond te verklaren, zodoende de R.S.Z. van haar eis af te wijzen en haar te veroordelen tot de kosten van het geding, rechtsplegingsvergoeding incluis. Appellant stelt dat de heer A. F. onmogelijk ter vervanging van een andere werknemer kan zijn aangenomen gezien appellant voor het eerst in het zelfstandigenstatuut aan de slag is gegaan op 1 augustus 1997 en dat deze uitkeringsgerechtigde werkloze niet als werknemer van de B.V.B.A. Carglass werd overgenomen. Verder stelt appellant dat de R.S.Z. haar eigen criteria bepaalt bij de beoordeling van de bedrijfseenheid. Tenslotte stelt appellant dat op het ogenblik van de overname geen gemeenschappelijke personen werkzaam waren in de beide ondernemingen, noch als werknemer noch als beheerder noch in een andere hoedanigheid, dat de activiteiten zich op dezelfde plaats situeren maar dat deze van appellant veel uitgebreider zijn en dat het bedrijfsmateriaal gedeeltelijk werd overgekocht. Appellant besluit met te stellen dat er geen sprake is van eenzelfde technische bedrijfseenheid en dat er netto aangroei is van personeelsleden. In ondergeschikte orde verzoekt appellant om kwijtschelding van verhogingen en intresten en in zeer ondergeschikte orde de vordering ongegrond te verklaren op grond van de beginselen van behoorlijk bestuur en de goede trouw, artikel 1382 B.W. en rechtsverwerking, nu geïntimeerde pas bij brief van 25 september 2001 aan appellant heeft medegedeeld dat de verminderingen van de bijdragen niet kon worden toegekend voor een aanwerving van een werknemer op 25 augustus 1997. Geïntimeerde verzoekt het Hof het beroep van appellant ontvankelijk maar ongegrond te verklaren, dienvolgens het bestreden vonnis te bevestigen in al zijn onderdelen en appellant te veroordelen tot de kosten van het beroep, rechtsplegingsvergoeding inbegrepen. Geïntimeerde stelt dat in beide zaken dezelfde werknemer was tewerkgesteld, dat het handelsfonds werd overgenomen, dat de uitgevoerde activiteiten identiek zijn en de exploitatiezetels zich op hetzelfde adres bevinden. Verder stelt geïntimeerde dat het Arbeidshof zich onbevoegd moet verklaren inzake de kwijtschelding of vermindering van bijdrageopslagen en intresten en dat geïntimeerde vijf jaar de tijd heeft om te controleren of er bij de aangiften geen fouten zijn gemaakt. Feiten Appellant was vroeger werkzaam als loontrekkende bij een dealer van Renault te Etterbeek. Na zijn ontslag nam hij in eigen naam met een overeenkomst van 31 juli 1997 en met ingang van 1 augustus 1997 het handelsfonds over van de B.V.B.A. Carglass Spares and Repair, die eveneens een Citroën garage uitbaatte. Appellant nam op 25 augsutus 1997 een werkloze in dienst (F. A.) die voorheen reeds werkzaam was voor de B.V.B.A. Carglass, aldaar was ontslagen en werkloosheidsuitkeringen genoot van 19 augustus 1997 tot 24 augustus 1997. Voor deze werknemer paste het sociaal secretariaat Partena voor de periode van zijn tewerkstelling (25 augustus 1997 tot en met 28 juli 2000) de verlaagde R.S.Z. bijdragen toe van het plus-één-plan. Op 9 november 1999 startte de controledienst van de R.S.Z. een onderzoek naar de correcte toepassing van deze bijdrageverminderingen van een eerste werknemer. In het kader van dit onderzoek werd appellant op 22 juni 2001 verhoord (stuk 17 RSZ). De R.S.Z. was van oordeel dat de eenmanszaak van appellant en de B.V.B.A. Carglass als eenzelfde technische bedrijfseenheid moeten beschouwd worden en liet per aangetekende brief van 25 september 2001 weten dat de tijdelijke vermindering van de werkgeversbijdragen niet kon worden toegekend voor de tewerkstelling van F. A. omdat hij een werknemer had vervangen die in de loop van 12 kalendermaanden voorafgaand aan zijn indienstneming binnen dezelfde technische bedrijfseenheid werkzaam was geweest (stuk 10 RSZ). Appellant betwistte dit standpunt, waarna de R.S.Z. op 11 maart 2002 overging tot dagvaarding. Beoordeling door het Hof De regeling voor de tijdelijke vermindering van de werkgeversbijdragen bij indienstneming van een eerste werknemer vervat in de Programmawet van 30 december 1988, opgeheven bij artikel 65 van de wet van 21 december 1994 houdende sociale en diverse bepalingen, blijft op grond van die bepaling van toepassing voor alle indienstnemingen die met toepassing van die regeling werden gerealiseerd tot en met 31 december 1994 evenals voor de werkgevers die vanaf 1 januari 1995 overgaan tot indienstneming van een eerste werknemer en die voldoen aan één van de voorwaarden van artikel 117, ,§ 1 van dezelfde wet van 30 december 1988 en die genieten van het voordeel van artikel 115 bis van voormelde wet van 30 december 1988. Deze overgangsbepaling heeft tot gevolg dat de opgeheven wet onverminderd het wettelijk kader blijft waarbinnen huidige betwisting met betrekking tot de vermindering van werkgeversbijdragen bij de indienstneming van een eerste werknemer dient te worden beoordeeld. Om de bijdragevermindering te genieten is vereist dat de nieuw in dienst genomen eerste werknemer geen werknemer vervangt die in de loop van de 12 kalendermaanden voorafgaand aan de indienstneming in dezelfde technische bedrijfseenheid werkzaam is geweest, tenzij het gaat om een werknemer die een leertijd beëindigd heeft en die de wachttijd voor het recht op werkloosheidsuitkering nog niet heeft vervuld. Artikel 117, ,§ 2 van de Programmawet van 30 december 1988 (hoofdstuk VII Tijdelijke vermindering van de werkgeversbijdragen voor sociale zekerheid ter bevordering van de tewerkstelling) bepaalt: "De in ,§ 1 bedoelde werkgever geniet niet van de bepalingen van dit hoofdstuk indien de nieuw in dienst genomen werknemer een werknemer vervangt die in de loop van de twaalf maanden voorafgaand aan de indienstneming in dezelfde technische bedrijfséénheid werkzaam is, behalve indien deze werknemer de voorwaarden van artikel 119, c, vervult". De eerste rechter heeft terecht geoordeeld dat, gezien de Programmawet van 30 december 1988 niet uitdrukkelijk verwijst naar artikel 14, ,§ 2

  1. b)van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven en de doelstelling van beide wetten verschillend is, de criteria van artikel 14, ,§ 2
  2. b)van voormelde wet niet zomaar zonder meer kunnen worden toegepast voor de invulling van het begrip "technische bedrijfseenheid" zoals vermeld in artikel 117, ,§ 2 van de Programmawet van 30 december 1988. Naar aanleiding van de vraag nr. 676 gesteld door de Heer Antheunis dd. 5 oktober 1998 antwoordde de Minister van Sociale zaken als volgt: "Artikel 117, ,§ 2, van de programmawet van 30 december 1988 bepaalt dat de werkgever niet van een vermindering van bijdragen zoals voorzien in het kader van het plus-één-plan geniet indien de nieuw in dienst genomen werknemer een werknemer vervangt die in de loop van twaalf kalendermaanden voorafgaand aan de indienstneming in dezelfde technische bedrijfseenheid werkzaam geweest is. Zoals opgemerkt door het geachte lid wordt de term "technische bedrijfseenheid" niet nader omschreven in de genoemde wet. Bijgevolg moest de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid zelf een aantal beoordelingscriteria bepalen voor de toepassing van het plus-één-plan. Deze beoordelingscriteria stemmen grotendeels overeen met die van artikel 14 van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven. Een ongenuanceerde toepassing van de criteria van genoemd artikel 14 leek evenwel niet wenselijk. Men mag immers niet uit het oog verliezen dat artikel 14 de term "technische bedrijfseenheid" definieert in de context van de verplichting tot oprichting van een ondernemingsraad. Deze criteria zijn bijgevolg niet noodzakelijk zonder meer geschikt om uit te maken of twee werkgevers die elkaar opvolgen, eenzelfde technische bedrijfseenheid uitmaken voor de toepassing van het plus-één-plan. De beoordeling van het begrip " zelfde technische bedrijfseenheid" voor de toepassing van het plus-één-plan, gebeurt als volgt. Vooreerst wordt de situatie beoordeeld vanuit het sociale criterium. Er kan slechts sprake zijn van eenzelfde technische bedrijfseenheid als in de twee elkaar opvolgende juridische entiteiten ten minste één gemeenschappelijke persoon werkzaam is (als werknemer, als beheerder, of andere hoedanigheid). Daarbij speelt het geen rol of die persoon in beide entiteiten dezelfde hoedanigheid heeft. Indien aan deze voorwaarden voldaan is, wordt de toestand verder onderzocht op basis van volgende criteria. - Wordt de activiteit uitgeoefend op dezelfde plaats of in de onmiddellijke nabijheid ? - Zijn de activiteiten identiek, gelijkaardig of aanvullend ? - - Is het bedrijfsmateriaal (of een gedeelte ervan) hetzelfde, Deze criteria worden in hun samenhang beoordeeld, maar moeten niet noodzakelijk tezamen vervuld zijn om te besluiten tot het bestaan van eenzelfde technische bedrijfseenheid". Het Hof verwijst naar haar arrest dd. 12 oktober 2000, A.R. nr. 39.448, onuitgegeven, waarin dezelfde redenering wordt gevolgd. Het Hof stelt vast dat de heer A. F. voorheen tewerkgesteld bij de B.V.B.A. Carglass, volledig uitkeringsgerechtigde werkloze (van 19 augustus 1997 tot en met 24 augustus 1997) op 25 augustus 1997 door appellant werd in dienstgenomen en waarvoor de vermindering in het kader van het plus-één-plan werd aangevraagd. Appellant heeft op 31 juli 1997 het handelsfonds van de B.V.B.A. Carglass overgenomen; dit handelsfonds omvatte 1) het exploitatiemateriaal, 2) de installatie, 3) het cliënteel, het huurrecht, 4) de stock. De activiteit wordt op dezelfde plaats uitgeoefend, het betreft een identieke, gelijkaardige activiteit (uitgebreide) namelijk herstellen van motorvoertuigen, herstellen van koetswerk, kleinhandel in motorvoertuigen en onderdelen, tweedehands voertuigen en onderdelen, toebehoren voor motorvoertuigen en voor go-carts en verhuring van motorvoertuigen van personenvervoer onder de benaming garage carrosserie "CSR" agent citroën (cfr. het vroegere uithangbord garage C.S.R. (carglass spares and repair). Het is duidelijk dat dezelfde werknemer de heer A. F. in de elkaar opvolgende juridische entiteiten werkzaam was als werknemer, dat de activiteiten op hetzelfde adres worden uitgeoefend, identiek met evenwel uitbreidingen en met overname van het bedrijfsmateriaal en het Hof is van mening dat geïntimeerde het bestaan van een zelfde technische bedrijfseenheid aantoont tussen beide entiteiten zodat appellant geen tijdelijke vermindering van de werkgeversbijdragen kan genieten in toepassing van artikel 117, ,§ 2 van de Programmawet van 30 december 1988. De vermindering of kwijtschelding van opslagen en intresten behoort niet tot de bevoegdheid van het Arbeidshof (cfr. artikel 55 van het koninklijk besluit van 28 november 1969). De stelling van appellant dat de beginselen van behoorlijk bestuur werden geschonden kan door het Hof niet worden aangenomen. Geïntimeerde houdt terecht voor dat de aangifte van de bijdragen onder de verantwoordelijkheid van appellant gebeurt. De betwisting heeft betrekking op de aangifte van het derde kwartaal 1997 tot het derde kwartaal 2000; geïntimeerde is een onderzoek gestart op 9 november 1999, bij een eerste bezoek werd de beambte van de R.S.Z. ontvangen door de zoon en werd gevraagd het onderzoek verder te laten plaatsvinden op de uitbatingszetel te Schaarbeek, waar appellant op 22 juni 2001 werd verhoord ; het verslag van onderzoek dateert van 27 juni 2001 en op 25 september 2001 werd aan appellant medegedeeld dat de vermindering niet kan toegepast worden voor de betrokken werknemer met op 27 september 2001 de opstelling van de berichten van wijziging. Rekening houdend met de omvang van de verificaties door te voeren door geïntimeerde is het Hof van oordeel dat geïntimeerde niet onredelijk lang heeft stilgezeten. Appellant bewijst niet dat hij enige schade heeft geleden als gevolg van de handelswijze van geïntimeerde die hij aanklaagt. De vordering het arrest uitvoerbaar bij voorraad te verklaren is zonder belang. Het vonnis a quo wordt bevestigd. OM DEZE REDENEN : De zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel; Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd; Recht doende op tegenspraak; Gehoord de heer André, Substituut-generaal, in zijn mondeling eensluidend advies, terstond uitgesproken op de openbare terechtzitting van 21 april 2005, waarop geen repliek van partijen; Ontvangt het hoger beroep, wijst dit evenwel af als zijnde ongegrond; Bevestigt het bestreden vonnis in al zijn beschikkingen; Verwijst overeenkomstig artikel 1017 van het Gerechtelijk Wetboek, appellant tot de kosten van hoger beroep, kosten tot op heden begroot op : - voor appellant 267,73 EURO rechtsplegingsvergoeding hoger beroep - voor geïntimeerde 279,62 EURO rechtsplegingsvergoeding hoger beroep Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van de zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel op zesentwintig mei tweeduizend en vijf. Waar aanwezig waren: mevrouw B. VAN DE VELDE, Voorzitter de heer J. BOULOGNE, Raadsheer in Sociale Zaken als werkgever de heer J.P. VAN CONINGSLOO, Raadsheer in Sociale Zaken als werknemer arbeider mevrouw G. DE SAEDELEER, Griffier G. DE SAEDELEER B. VAN DE VELDE J.P. VAN CONINGSLOO J. BOULOGNE PDF document ECLI:BE:CTBRL:2005:ARR.20050526.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.