id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 06 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2005:ARR.20050606.3 Rolnummer: 44175 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2005-09-19 Raadplegingen: 109 - laatst gezien 2026-07-02 03:36 Fiche Een V.Z.W. die bij koninklijk besluit erkend werd als pensioenkas zoals bedoeld in artikel 34 quinquies van de wet van 9 augustus 1963 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, zoals gecoördineerd bij koninklijk besluit van 14 juli 1994 (thans artikel 54 van deze gecoördineerde wet), is een privaatrechtelijke rechtspersoon en geen openbare dienst, noch in de organieke betekenis noch in de functionele betekenis van het begrip openbare dienst. Een pensioencontract afgesloten met dergelijke V.Z.W. is een extra-legaal pensioencontract van louter contractuele aard onderworpen aan artikel 1134 B.W.B. Deze V.Z.W. dient de basisprincipes van de wettelijke pensioenregeling niet na te leven. Het grondwettelijk gewaarborgd gelijkheids-en niet-discriminatiebeginsel regelt geenszins de contractuele verhoudingen tussen de burgers en is dus niet toepasselijk op de contractuele relaties tussen een geneesheer en een V.Z.W. erkend als pensioenkas waarmee eerstgenoemde een pensioencontract afsloot. Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID DER WERKNEMERS - ZIEKTE- EN INVALIDITEITSVERZEKERING - Extralegaal rust-en overlevingspensioen - Contractuele aard Grondwettelijk gewaarborgd gelijkheids-en non-discriminatiebeginsel Niet toepasselijk op contractuele relaties. Wettelijke bepalingen: Wet - 14-07-1994 - 54 - 38 ELI link Pub nr 1994071451 Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN ZES JUNI TWEEDUIZEND EN VIJF NEGENDE KAMER Not. 581, 2° G.W. Pensioenen Zelfstandigen Tegensprekelijk Definitief In de zaak: V. O. A., Appellante, vertegenwoordigd door Mr. W. Vanbiervliet loco Mr. F. Baert, advocaat te 9000 Gent; Tegen:
- de V.Z.W. AMONIS, met maatschappelijke zetel gevestigd te 1030 Brussel, Janblinne de Meuxplein 4, eerste geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. P.Vandoolaeghe loco Mr. A. De Vriendt, advocaat te 1050 Brussel;
- DE BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Economische Zaken, waarvan de burelen gevestigd zijn te 1000 Brussel, de Meeûssquare 23, tweede geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. S. Pien loco Mr. J. Cansse, advocaat te 9000 Gent;
- DE BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, wiens kabinet gevestigd is te 1210 Brussel, Kunstlaan 7, derde geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. S. Pien loco Mr. B. Van Hyfte, advocaat te 1050 Brussel; Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit: Gelet op de stukken van rechtspleging in het bijzonder: - het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis a quo, op tegenspraak gewezen door de veertiende kamer van de Arbeidsrechtbank te Brussel op 18 maart 2003 in de zaak A.R. 33392/00; - het beroepsverzoekschrift ontvangen ter griffie van het Hof op 28 april 2003; - de beschikking van het Hof overeenkomstig artikel 747 ,§ 2 van het Gerechtelijk Wetboek dd.17 mei 2004; - de beroepsbesluiten voor tweede geïntimeerde neergelegd ter griffie op 8 augustus 2003; - de beroepsbesluiten voor derde geïntimeerde neergelegd ter griffie op 20 april 2004; - de beroepsbesluiten van eerste geïntimeerde neergelegd ter griffie op 9 augustus 2004; - de beroepsbesluiten van appellante neergelegd ter griffie op 17 september 2004; Gehoord partijen in hun middelen en beweringen ter openbare terechtzitting van 7 februari 2005 en in voortzetting gesteld op 7 maart
- Partijen legden hun stukken neer op 7 maart
- De debatten worden gesloten en de zaak werd meegedeeld aan het Openbaar Ministerie voor schriftelijk advies op 4 april
- Gehoord de heer André, Substituut-generaal, in de lezing van het schriftelijk advies op de openbare terechtzitting van 4 april 2005 alwaar hij dit advies ook neerlegde. Partijen werden in kennis gesteld van de neerlegging en van een afschrift van het schriftelijk advies op 5 april 2005 met verzoek om eventuele repliekbesluiten uiterlijk op 29 april 2005 ter griffie neer te leggen. Geen der partijen legde repliekbesluiten neer. De zaak werd in beraad genomen ter openbare terechtzitting van 2 mei 2005 en uitspraak van het arrest werd er gesteld op heden 6 juni
- X X X Overwegende dat geïntimeerden het Hof ter openbare terechtzitting van 7 maart 2005 verzoeken de door appellante op 17 september 2004 ter griffie neergelegde beroepsbesluiten uit de debatten te weren. Overwegende dat ons Hof met beschikking dd. 17 mei 2004 de termijnen voor neerlegging van conclusies door partijen vastlegde overeenkomstig artikel 747 ,§ 2 van het Gerechtelijk Wetboek. Dat appellante haar besluiten overeenkomstig deze beschikking uiterlijk op 30 juni 2004 diende neer te leggen ter griffie. Daar zij haar besluiten slechts neerlegde op 17 september 2004, dienen deze overeenkomstig artikel 747 ,§ 2 van het Gerechtelijk Wetboek ambtshalve uit de debatten geweerd te worden zoals geïntimeerden vragen. Het Hof weert de beroepsbesluiten, neergelegd door appellante ter griffie op 17 september 2004, uit de debatten. X X X I De feiten De V.Z.W. Voorzorgskas voor Geneesheren, Tandartsen en Apothekers, heden AMONIS V.Z.W. genaamd (akte van naamwijziging stuk 23 rechtsplegingsdossier) is een erkende pensioenkas zoals bedoeld in artikel 54 ,§ 1 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994; Bij overeenkomst dd. 10 november 1970 heeft de heer F. S., eerste echtgenoot van appellante, zich bij het pensioenstelsel van Amonis aangesloten; De heer S. is op 9 mei 1976 overleden; Door toepassing van het toen geldende pensioenreglement van Amonis werd aan appellante een overlevingspensioen van circa 25.000 BEF per maand toegekend; Op 17 januari 1992 is appellante in het huwelijk getreden met de heer J. S.; Ingevolge dit huwelijk en conform artikel 5 ,§ 6 van het pensioenreglement van de V.Z.W. werd de betaling van het overlevingspensioen van appellante geschorst; De pensioenkas kende aan appellante de contractuele aanpassingsuitkering (in dit geval : 469.680 BEF netto) toe; Appellante is bij vonnis dd. 11 juni 1996 van de Rechtbank van eerste aanleg te Gent van de heer S. gescheiden; de echtscheiding werd op 24 juli 1996 overgeschreven; Ten gevolge van haar echtscheiding heeft appellante de herleving van haar geschorste overlevings- pensioen vanaf 1 augustus 1998 gevorderd; Amonis weigert op het verzoek van appellante in te gaan omdat haar pensioenreglement bepaalt dat dergelijke herleving slechts mogelijk is ingeval van nieuw weduwschap in hoofde van de begunstigde; Bij exploot dd. 21 januari 1997 is appellante tot dagvaarding van de V.Z.W. voor de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel overgegaan. De door appellante ingestelde vordering sterkte ertoe; - de V.Z.W. te horen veroordelen tot betaling, vanaf 1 augustus 1998, van de prestaties bepaald bij artikel 5 en artikel 6 van het reglement van de Voorzorgskas van 17 december 1994, goedgekeurd door de Minister van Sociale Zaken op 3 januari 1996, namelijk een overlevingspensioen van 27.000 BEF per maand onder voorbehoud van vermeerdering of vermindering in de loop van het geding; - minstens tweede en derde verweerders (thans tweede en derde geïntimeerden) hoofdelijk te horen veroordelen om aan appellante dit overlevingspensioen te betalen vanaf dezelfde datum van 1 augustus 1998; - subsidiair, tweede en derde verweerders (geïntimeerden) hoofdelijk te horen veroordelen om aan appellante de som van 4.000.000 BEF als schadevergoeding te betalen onder voorbehoud van vermeerdering of vermindering in de loop van het geding; - verwerende partijen hoofdelijk, minstens de ene bij gebreke aan de andere te horen verwijzen in de kosten van het geding; - het tussen te komen vonnis uitvoerbaar bij voorraad te horen verklaren ondanks elk rechtsmiddel en zonder borgstelling, en met uitsluiting van kantonnement; Bij vonnis dd. 12 december 2000 heeft de 22ste kamer van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel deze zaak naar de Arbeidsrechtbank te Brussel verwezen. Voorwerp van de hoofdvordering van appellante voor de eerste rechter : Bij dagvaarding van 21 januari 1997 vordert mevrouw A. V. O. van de VZW Voorzorgskas voor Geneesheren, Tandartsen en Apothekers de betaling vanaf 1 augustus 1998 van prestaties bepaald bij de artikelen 5 en 6 van het reglement van de Voorzorgskas van 17 december 1994, namelijk een overlevingspensioen van 27.000 Belgische frank of 669,31 EURO per maand, onder voorbehoud van vermeerdering of vermindering in de loop van het geding. Minstens de Belgische Staat, Minister van Economische Zaken en Minister van Sociale Zaken, hoofdelijk te horen veroordelen om aan mevrouw A. V. O. dit overlevingspensioen te betalen vanaf 1 augustus
- Subsidiair de Belgische Staat, Minister van Economische zaken en Minister van Sociale Zaken te horen veroordelen om aan haar als schadeloosstelling de som te betalen van 4.000.000 Belgische frank of 99.157,41 EURO, onder voorbehoud van vermeerdering of vermindering in de loop van het geding. De gedaagden hoofdelijk te horen veroordelen in de kosten van het geding, hierin begrepen de rechtsplegingsvergoeding. Het vonnis uitvoerbaar te horen verklaren met uitsluiting van kantonnement. Voorwerp van de tussenvorderingen.
- De Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Economische Zaken, stelt tevens een tussenvordering in vrijwaring in lastens de V.Z.W. Voorzorgskas voor Geneesheren, Tandartsen en Apothekers, voor het geval de Arbeidsrechtbank van oordeel zou zijn dat de vordering van eiseres principieel gegrond zou zijn;
- De Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Sociale Zaken, stelt tevens een tussenvordering in vrijwaring lastens de V.Z.W. Voorzorgskas voor Geneesheren, Tandartsen en Apothekers indien de vordering van eiseres gegrond zou worden verklaard.
- De V.Z.W. Voorzorgskas voor Geneesheren, Tandartsen en Apothekers stelt op haar beurt een vordering in vrijwaring in ten overstaan van de Belgische Staat, Minister van Sociale Zaken, ertoe strekkende deze te horen veroordelen haar te vrijwaren voor elke veroordeling die zij zou oplopen lastens eisende partij. II Het vonnis a quo Verklaart de hoofdvordering van appellante ontvankelijk doch ongegrond jegens alle verweerders. Verklaart de tussenvordering in vrijwaring ontvankelijk doch zonder voorwerp. Veroordeelt appellante tot de kosten van het geding. III De beroepsgrieven Appellante verzoekt het Hof het vonnis a quo te vernietigen en opnieuw recht doende : " De oorspronkelijke vorderingen van appellante in hoofdorde tegenover de Voorzorgskas voor Geneesheren, Tandartsen en Apothekers (VKG)vzw, en in subsidiaire orde tegenover de Belgische Staat, Minister van Economische Zaken en de Belgische Staat, Minister van Sociale Zaken, gegrond te verklaren en toe te wijzen; met dien verstande dat de vordering tot schadeloosstelling op 123.946,45 EURO (5.000.000 oude Bef) wordt gebracht. Gedaagden in hoger beroep te verwijzen in de kosten van beide instanties". Appellante voert volgende grieven aan tegen het vonnis a quo.
- Betreffende de betekenis en draagwijdte van het pensioenreglement Appellante verwijst naar haar in eerste aanleg genomen conclusies betreffende de betekenis en de draagwijdte van het pensioenreglement in verband met de schorsing bij herhuwelijk en de herleving van het pensioen bij ontbinding van het tweede huwelijk; Er wordt in het pensioenreglement niet in terminis gezegd dat de echtscheiding geen grond tot herleving van het pensioen zou zijn, terwijl zulke herleving nochtans het quod plerumque fit is (zie onder meer de pensioenwetgeving betreffende de pensioenen der zelfstandigen); Men moet er dus in principe van uitgaan dat elke vorm van ontbinding van het tweede huwelijk leidt tot herleving van het geschorste pensioen, zoals trouwens logisch is; Trouwens, volgens de termen van het pensioenreglement schorst het herhuwelijk het overlevingspensioen, het heft het niet op....; Die schorsing vindt haar (uitsluitende) oorzaak in het tweede huwelijk; wanneer dat tweede huwelijk niet meer bestaat, is de schorsingsgrond er volgens appellante ook niet meer;
- Schending van het verbod tot discriminatie Het is duidelijk dat, ingeval het Hof er zou toe besluiten dat volgens het pensioenreglement de echtscheiding van het tweede huwelijk de schorsing van het overlevingspensioen niet ongedaan maakt, hier een discriminatie wordt gecreëerd tussen weduwen/weduwnaars enerzijds en uit de echt gescheidenen anderzijds; terwijl nochtans het recht op echtscheiding tot de Belgische openbare orde behoort en niet mag verboden noch belemmerd worden, c.q. betreft (i.c. door behoud van de schorsing van het pensioen); in strijd met wat de eerste rechter heeft beslist, kan de toetreding tot de pensioenregeling van de Voorzorgskas niet beschouwd worden als het sluiten van een gewoon privé-contract; de Voorzorgskas is niet zomaar een privé-instelling, zij is een instelling die zich bezighoudt met een sector van algemeen belang, met name, naast andere, met de pensioensector; de basisprincipes van de pensioenregeling dienen dan ook door de Voorzorgskas te worden nageleefd, met name het herleven van een pensioen bij ontbinding van een tweede huwelijk door echtscheiding; Dat de Voorzorgskas niet zomaar een privé-instelling is die naar believen contracten kan sluiten met willekeurige bedingen ten nadele van de medecontractant, blijkt volgens appellante ook uit het feit dat om haar activiteiten te kunnen uitoefenen de Voorzorgskas moest erkend worden door het Ministerie van Economische Zaken, en dat haar pensioenreglement moest goedgekeurd worden door de Minister van Sociale Zaken; Dat deze bewindslieden wellicht niet gelet hebben op de discriminatie tussen gescheidenen en weduwen die in het pensioenreglement te vinden is, belet niet dat het hier gaat om een semi-openbare instelling; Er is trouwens ook een afgevaardigde van de Regering, die toezicht uitoefent op de activiteiten van de Voorzorgskas; Derhalve mag een bepaling in het pensioenreglement op grond van dewelke het pensioen niet zou herleven na ontbinding van het tweede huwelijk door echtscheiding, als discriminatoir zijnde volgens appellante niet toegepast worden; De Voorzorgskas dient derhalve te worden veroordeeld tot betaling van het overlevingspensioen; 3.Betreffende de aansprakelijkheid van de Belgische Staat 1) Minister van Economische Zaken Wanneer het Ministerie van Economische Zaken een instelling erkent als pensioenkas, om zich dus met het toekennen en uitbetalen van pensioenen bezig te houden, dient het erop te waken dat deze pensioenkas zich niet aan discriminatie tussen soorten ontbinding van een tweede huwelijk bezondigt; het dient de erkenning afhankelijk te stellen van de afwezigheid van dergelijke discriminatoire bepalingen, die niet in de pensioenwetgeving voor zelfstandigen voorkomen; 2) Minister van Sociale Zaken Het Ministerie van Sociale Zaken heeft onder meer als opdracht het pensioenreglement van de erkende pensioenkas goed te keuren, wat terzake ook is geschied; Het is echter niet aanvaardbaar dat de Minister van Sociale Zaken een pensioenreglement goedkeurt (en door die goedkeuring in wezen laat bestaan...) waarin dergelijke flagrante discriminatie van gescheidenen tegenover weduwen wordt ingevoerd; Uiteraard voor zover het pensioenreglement zou geïnterpreteerd worden in de zin van blijvende schorsing van het overlevingspensioen ondanks de ontbinding van het tweede huwelijk door echtscheiding; Nu noch de Minister van Economische Zaken, noch de Minister van Sociale Zaken aandacht hebben geschonken aan een fundamentele en met de openbare orde verband houdende discriminatie, dient de Belgische Staat, zowel het Ministerie van Economische Zaken als het Ministerie van Sociale Zaken, aansprakelijk te worden gesteld voor de schade die daar voor appellante uit voortvloeit; De Staat dient derhalve te worden veroordeeld om het pensioen, berekend zoals vandaag de dag geschiedt, uit te betalen aan appellante, en subsidiair een schadeloosstelling tot vervanging daarvan te betalen, thans geschat op 5.000.000 BEFF; IV Standpunt van geïntimeerde partijen
- De V.Z.W. Voorzorgskas, heden Amonis genaamd verzoekt het Hof : " In hoofdorde - Het door appellante aangetekend hoger beroep ongegrond te verklaren en het vonnis a quo te bevestigen; - Appellante tot de gedingkosten te veroordelen, de rechtsplegingsvergoedingen hierin begrepen; Subsidiair : - De door tweede en derde geïntimeerden ten overstaan van de V.Z.W. ingestelde vordering in vrijwaring ongegrond te verklaren; - De door Amonis ten overstaan van derde geïntimeerde ingestelde vordering in vrijwaring ontvankelijk en gegrond te verklaren, en bijgevolg, derde geïntimeerde te veroordelen tot vrijwaring van de V.Z.W. Amonis voor elke veroordeling die zij ten opzichte van appellante zou oplopen".
- De Belgische Staat, Ministerie van Economische Zaken, tweede geïntimeerde.
- en de Belgische Staat, Minister van Sociale Zaken, derde geïntimeerde verzoeken ons Hof in hoofdorde het vonnis a quo te bevestigen in al zijn bestanddelen en appellante te veroordelen tot de kosten van beide aanleggen. In subsidiaire orde, voor het geval ons Hof de oorspronkelijke vordering van appellante enigszins gegrond zou verklaren en tweede of derde geïntimeerde veroordeeld zouden worden tot betaling, tekenen tweede en derde geïntimeerde incidenteel hoger beroep aan en verzoeken zij het Hof de V.Z.W. te veroordelen om hen te vrijwaren m.b.t. iedere veroordeling die te hunnen opzichte in het voordeel van appellante gegrond zou worden verklaard in hoofdsom, intresten en kosten. V Beoordeling door het Hof Overwegende dat het hoger beroep naar vorm en tijd ontvankelijk voorkomt; het door tweede en derde geïntimeerde subsidiair ingesteld incidenteel hoger beroep eveneens; De door Amonis V.Z.W. in beroepsbesluiten hernomen vordering in vrijwaring jegens derde geïntimeerde komt eveneens ontvankelijk voor, wat overigens niet wordt betwist; Gezien de door partijen neergelegde stukken. Overwegende dat vaststaat dat de V.Z.W. Voorzorgskas voor Geneesheren, Tandartsen en Apothekers, heden genaamd Amonis V.Z.W. een privaatrechtelijke rechtspersoon is die werd opgericht door het privaat initiatief namelijk door de leden van deze V.Z.W. op initiatief van één of meer representatieve organisaties van het geneesherenkorps en niet rechtstreeks noch onrechtstreeks door de overheid. Deze V.Z.W. werd bij koninklijk besluit van 15 juli 1970 erkend als een pensioenkas zoals bedoeld in het toenmalige artikel 34 quinquies wet van 9 augustus 1963 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, zoals gecoördineerd bij koninklijk besluit van 14 juli 1994 (heden artikel 54 van de gecoördineerde wet). Overwegende dat genoemd artikel 34 quinquies van de wet van 14 juli 1994 in afdeling IV Sociaal Statuut van geneesheren, tandheelkundigen en apothekers en andere voordelen... voorschrijft dat de Koning een regeling voor Sociale voordelen kan invoeren voor de geconventioneerde geneesheren. Deze voordelen kunnen o.m. bestaan in een aandeel van het R.I.Z.I.V. in de premies of bijdragen die door betrokken geneesheren worden betaald in uitvoering van verzekeringscontracten die bij invaliditeit, rust of overlijden renten, pensioenen of een kapitaal waarborgen, aldus artikel 34 quinquies (nieuw artikel 54). Het oorspronkelijk artikel 34 quinquies schreef reeds voor dat deze verzekeringscontracten voor wat betreft de rust en overlijdensverzekering kunnen worden gesloten met een pensioenkas, opgericht op het initiatief van een of meer representatieve organisaties van het geneesherenkorps, voor zover deze door de Koning werd erkend. Het koninklijk besluit van 25 augustus 1969 houdende de voorwaarden, waarin pensioenkassen opgericht op het initiatief van een of meer representatieve organisaties van het geneesherenkorps, van de tandheelkundigen of van de apothekers kunnen erkend worden was de uitvoering van artikel 34 quinquies. Dit koninklijk besluit werd opgeheven en vervangen door de koninklijke besluiten van 7 april 1995 en 10 november 1996 houdende vastelling van de erkenningsvoorwaarden van de pensioenkassen opgericht op het initiatief van een of meer representatieve organisaties van het geneesherenkorps of van de tandheelkundigen (of van de apothekers). De erkenningsvoorwaarden behelzen tenminste de verplichting voorafgaandelijk te zijn erkend overeenkomstig de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, aldus artikel 34 quinquies. Gezien het pensioencontract afgesloten door Dokter S. met eerste geïntimeerde (stuk 2 van Amonis) op 10 november
- Gezien het pensioenreglement van Amonis goedgekeurd door de Minister van Sociale Voorzorg op 11 juni 1986 alsook het gewijzigd pensioenreglement van kracht sinds 1 januari 1995 eveneens goedgekeurd door de Minister van Sociale Zaken op 3 januari 1996 (stukken 3 en 4 Amonis). Overwegende dat de vordering van appellante de uitvoering betreft vanaf 1 januari 1998 van het door wijlen Dokter S. met de Voorzorgskas onderschreven pensioenverzekeringscontract dd. 10 november 1970 waarvan appellante de begunstigde (weduwe) is. De vordering van appellante betreft duidelijk niet het bekomen van de Sociale voordelen, bedoeld in artikel 34 quinquies van de wet van 9 augustus 1963 (artikel 54 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994) zijnde een aandeel van het R.I.Z.I.V. in de bijdragen of premies verschuldigd door wijlen Dokter S. aan de Voorzorgskas. De vordering betreft de uitvoering van het pensioenverzekeringscontract zelf, d.w.z. het verstrekken van de in het contract van 10 november 1970 bedongen prestaties vanaf 1 januari
- Overwegende dat uit de samenlezing van genoemd artikel 34 quinquies (artikel 54 van de wet van 14 juli 1994) het pensioencontract (stuk 2 Amonis) en het pensioenreglement (stukken 3 en 4 Amonis) duidelijk blijkt dat het door wijlen Dokter S. op 10 november 1970 onderschreven contract een verzekeringscontract extra-legaal rust- en overlevingspensioen betreft. Overwegende dat de voorwaarden voor het genot en de toekenning van dit extra-legaal pensioen overeenkomstig het contract zijn bepaald door de bepalingen van het pensioenreglement van de Voorzorgskas, bepalingen die door wijlen Dokter S. contractueel uitdrukkelijk werden aanvaard (zie contract eerste lid stuk 1 Amonis). Dokter S. aanvaardde uitdrukkelijk contractueel tevens de (toekomstige) wijzigingen van dit Pensioenreglement (contract, eerste lid, wijzigingsbeding). Appellante houdt ten onrechte voor dat de toetreding tot de pensioenregeling van de Voorzorgskas niet kan beschouwd worden als het sluiten van een privé-contract. De V.Z.W. Voorzorgskas is eerst en vooral wel degelijk een privaatrechtelijke en geen publiekrechtelijke rechtspersoon; zij houdt zich in tegenstelling tot wat appellante beweert ook niet bezig met een opdracht van algemeen belang zijnde de toepassing van de wetgeving maakt wettelijke pensioenen doch met het afsluiten van individuele verzekeringscontracten betreffende extra-legale pensioen- en overlijdensverzekeringen van en met de bij haar aangesloten geneesheren, tandheelkundigen of apothekers. Het feit dat de Voorzorgskas overeenkomstig artikel 6 van het koninklijk besluit van 5 april 1995 tot toepassing van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen op de pensioenkassen (B.S. 15 juni 1995) als pensioenkas werd erkend door de Minister van Economische Zaken daar haar financiële toestand alle gewenste waarborgen bood en zij aan de voorwaarden voldeed gesteld door deze wet, doet geen afbreuk aan het privaatrechtelijk karakter van de rechtspersoon die de V.Z.W. Voorzorgskas is noch aan de contractuele aard van de extra legale pensioen- en overlijdensverzekeringscontracten die zij afsluit met haar aangesloten geneesheren. Ook het feit dat de Voorzorgskas overeenkomstig het genoemd artikel 34 quinquies van de wet van 9 augustus 1963 (artikel 54 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994) dient te worden erkend als een pensioenkas opgericht op het initiatief van een representatieve organisatie van het geneesherenkorps en bevoegd voor het afsluiten van verzekeringscontracten rust- en overlijdensverzekering, doet geen afbreuk aan het privaatrechtelijk karakter van de V.Z.W. noch aan de contractuele aard van de verzekeringscontracten die zij afsluit met de geconventioneerde artsen zoals artikel 34 quinquies zelf uitdrukkelijk stelt. De V.Z.W. Amonis is geen openbare dienst noch in de organieke betekenis (een organisme van publiek recht) noch in de functionele betekenis (waaraan een taak van algemeen belang is toevertrouwd) van het begrip openbare dienst (zie Mast A., Overzicht van Belgisch administratief Recht, Story-Scientia 77, p. 57). Zoals reeds uiteengezet, is V.Z.W. Amonis geen organisme dat door de regeerders is opgericht om in een collectieve behoefte te voorzien en derhalve geen openbare dienst. De door de wetgever in artikel 34 quinquies van de wet van 9 augustus 1963 voorziene maatregelen houdende voorafgaandelijke erkenning van de pensioenkassen door de Ministers van Sociale Zaken en Economische Zaken alsook van hun pensioenreglement en de door de wetgever voorziene beperkte controle door een regeringscommissaris met raadgevende stem beogen de bescherming van de belangen van de overheid die immers sociale voordelen verstrekt, te weten de door het R.I.Z.I.V. betaalde gelden als een aandeel in de premies of bijdragen die door de geneesheren aan de V.Z.W. Voorzorgskas worden gestort in uitvoering van geconventioneerde verzekeringscontracten rust- en overlijdensverzekering (artikel 34 quinquies). Deze doelgebonden en beschermende maatregelen doen GENERLEI afbreuk aan het privaatrechtelijk karakter van de door de geneesheren afgesloten verzekeringscontracten. Appellante stelt ten onrechte dat Amonis de basisprincipes van de wettelijke pensioenregeling dient na te leven. Amonis V.Z.W. is overeenkomstig artikel 1134 B.W. gehouden de contractuele verbintenissen na te komen die zij opnam op 10 november 1970 door afsluiting van het verzekeringscontract met wijlen Dokter S. d.w.z. de bepalingen na te leven, van haar pensioenreglement zoals dat zal luiden op het ogenblik dat het dient te worden toegepast (zie contract, stuk 2 Amonis). De toepassing van het Pensioenreglement in concreto Overwegende dat het oorspronkelijke Pensioenreglement van Amonis op 17 december 1994 door de Algemene Vergadering van haar leden werd gewijzigd. Deze wijziging werd goedgekeurd door de Minister van Sociale Zaken op 3 januari
- Het wordt niet betwist dat het Pensioenreglement aan de V.Z.W. vanaf haar oprichting tot 31 december 1994 gebaseerd was op een repartitiestelsel en dat het vanaf 1 januari 1995 gebaseerd was op een stelsel van individuele kapitalisatie. De V.Z.W. benadrukt terecht dat in artikel 10 van het nieuwe pensioenreglement omschakelingsmaatregelen werden voorzien voor de op 31 december 1994 actieve aangeslotenen (10,1.) alsook voor de begunstigden van een rustpensioen (artikel 10, 2.1) en van een overlevingspensioen (artikel 10.2.2.). De omschakeling naar een kapitalisatiestelsel mocht geen invloed hebben op de verworven rechten van de begunstigen die krachtens het oude repartitiestelsel op 31 december 1994 van een overlevingsrente genoten en voor wie uiteraard na deze datum geen individueel kapitaal kon worden opgebouwd krachtens het kapitalisatiestelsel (vermits de aangeslotene overleden was). Om deze reden werd artikel 10, 2.2.
- in het nieuwe reglement ingelast dat aan deze begunstigden de waarborg gaf dat het netto-bedrag van hun overlevingspensioen vóór en na 31 december 1994 ongewijzigd zou blijven; aangezien deze bepaling een voorlopige situatie regelt (i.e. de situatie van de vóór 31 december 1994 bestaande begunstigden) werd het in het nieuwe pensioenreglement als overgangsmaatregel opgenomen; - In tegenstelling met wat appellante beweert is artikel 10, 2.2.
- geen vage en dubbelzinnige bepaling; Dit artikel bepaalt inderdaad dat de weduwe van een actief lid, die vóór 1 januari 1995 reeds van een overlevingspensioen genoot, haar overlevingspensioen blijft ontvangen (i.e. een rente waarvan het netto-bedrag gelijk is aan het netto-bedrag van het haar op 31 december 1994 toegekende overlevingspensioen); Voor wat betreft de periode gedurende welke dit pensioen verder zal worden toegekend wordt naar het oude reglement uitdrukkelijk verwezen : "en dit zolang als voorzien in het vorige reglement"; Artikel 5 van dit oude reglement bepaalt de gebeurtenissen die een negatieve of positieve invloed op de betalingsduur van het overlevingspensioen kunnen hebben, met name :het overlijden van het lid (artikel 5 ,§ 1/toekenning van het overlevingspensioen), het tweede huwelijk (artikel 5 ,§ 6/ schorsing van het overlevingspensioen) en het nieuwe weduwschap/weduwnaarschap (artikel 5 ,§ 6/ herleving van het overlevingspensioen); De bepalingen van het oude en het nieuwe pensioenreglement vullen elkaar aan en zijn zeer duidelijk zodat zij niet dienen te worden geïnterpreteerd; Zoals de eerste rechter het terecht opmerkt, werd het overlevingspensioen van appellante uitsluitend in het kader van het repartitiestelsel samengesteld en zijn enkel de overgangsbepalingen van het nieuwe pensioenreglement waarin naar het oud reglement uitdrukkelijk verwezen wordt van toepassing op haar situatie; In casu werd het overlevingspensioen van appellante niet op basis van een door de heer S. opgebouwd individueel kapitaal berekend, zodat appellante niet gerechtigd is haar vordering op het nieuw pensioenreglement van de V.Z.W. te steunen; In casu hebben de heer S. en de V.Z.W. de mogelijkheid tot herleving van het geschorste overlevingspensioen contractueel beperkt tot het geval van een tweede weduwschap van appellante; Overeenkomstig artikel 1134 B.W. strekt de tussen de V.Z.W. en de heer S. afgesloten pensioencontract partijen en dus ook appellante tot wet; Appellante beweert tenslotte dat ingeval het Hof zou besluiten dat volgens het pensioenreglement van concluante de echtscheiding van het tweede huwelijk de schorsing van het overlevingspensioen niet ongedaan maakt, hier een discriminatie zou worden gecreëerd tussen weduwen/weduwnaars enerzijds en uit de echt gescheiden personen anderzijds; Zoals de eerste rechter het terecht heeft opgemerkt regelt het grondwettelijk gewaarborgd gelijkheidsen niet-discriminatiebeginsel (artikel 10 en 11 van de Grondwet) geenszins de contractuele verhoudingen tussen de burgers zodat het geen rechtstreekse werking kan hebben in contractuele relaties zoals de tussen de heer S. en de V.Z.W. bestaande betrekkingen; Bovendien zijn de bepalingen van de twee pensioenreglementen van Amonis volgens het Hof niet strijdig met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet (of met artikel 14 van het Europees Verdrag over de Rechten van de Mens); Er dient inderdaad te worden herinnerd dat het discrimineren op zich niet onrechtmatig is; De in artikel 10 van de Grondwet vervatte regel van de gelijkheid van de Belgen voor de wet "impliceert dat ieder die zich in dezelfde toestand bevindt op gelijke wijze wordt behandeld, maar sluit niet uit dat onderscheid wordt gemaakt volgens bepaalde categorieën van personen, op voorwaarde dat dit onderscheid niet willekeurig is, dat wil zeggen dat het kan worden verantwoord" (Cass. 14 mei 1985, Arr. Cass., 1984-1985, 1254); In casu dient te worden vastgesteld dat de V.Z.W. geen enkele discriminatie creëert tussen personen die zich in dezelfde toestand bevinden; voor begunstigden die reeds vóór 1 januari 1995 van een overlevingspensioen genoten, geeft de ontbinding van een tweede huwelijk door het overlijden van de tweede echtgenoot/note altijd aanleiding tot de herleving van het geschorste overlevingspensioen; het pensioen blijft daarentegen steeds geschorst wanneer het tweede huwelijk door echtscheiding ontbonden wordt; Appellante gaat er ten onrechte van uit dat de uit de echt gescheiden man/vrouw en de weduwnaar/weduwe na de ontbinding van hun tweede huwelijk in dezelfde sociale situatie verkeren : beiden zouden volgens haar hetzelfde verlies aan inkomsten lijden door niet meer te genieten van de inkomsten van hun tweede echtgenoot/note; Het door appellante aangevoerde indentiek verlies aan inkomen is een onjuiste premisse, zoals reeds door de eerste rechter werd uiteengezet om de redenen die het Hof beaamt. Volgens het Hof bevinden de weduwnaars en de uit de echtgescheiden echtgenote zich niet in dezelfde juridische doch ook niet in dezelfde financiële toestand daar een echtscheiding aanleiding kan geven tot betaling van een onderhoudsgeld, het overlijden niet. Echtscheiding is een vrijwillige beslissing van huwelijkspartners, weduwschap niet. Eerste geïntimeerde merkt terecht op dat hij met zijn aangeslotenen verzekeringscontracten rust- en overlevingspensioen sluit die het risico dekken van het overlijden doch niet het risico van een echtscheiding en dat hij er niet toe gehouden kan zijn de weduwe van een overleden aangeslotene te behoeden voor de gevolgen van een mislukt tweede huwelijk. Het Hof meent dat de aangeslotene en de V.Z.W. Voorzorgskas overeenkomstig artikel 5 ,§ 6 van het Pensioenreglement rechtsgeldig en zonder ongeoorloofde discriminatie konden bedingen dat het ingevolge hertrouw van de weduw(naar)e geschorste overlevingspensioen pas kan herleven ingeval van nieuw weduw(naar)schap en niet ingeval van echtscheiding. Volgens het Hof bevat het oude Pensioenreglement van de Voorzorgskas in zijn artikel 5 ,§ 6 geen bepalingen die strijdig zijn met het gelijkheidsbeginsel, vervat in artikel 10 en 11 van de Grondwet en artikel 14 van het E.V.R.M. De subsidiaire vordering van appellante tegen de Belgische Staat Appellante vordert schadevergoeding op grond van artikel 1382 B.W.. Daartoe dient zij het bewijs te leveren van een fout, de schade en het oorzakelijk verband tussen beide. Overwegende dat appellante stelt dat de ministers van Economische en van Sociale Zaken een fout begingen door een instelling als de V.Z.W. Voorzorgskas te erkennen als pensioenkas respectievelijk het pensioenreglement te erkennen en daarbij een flagrante discriminatie toe te staan tussen gescheidenen en weduwen die strijdig is met de openbare orde. De goedkeuringsbeslissing van de Minister van Sociale Zaken houdt in dat deze dient na te gaan of de verplichte vermeldingen in het pensioenreglement opgenomen zijn, zoals bepaald in artikel 2 sub 3 van het Koninklijk Besluit van 7 april 1995, hernomen in het artikel 3, sub 3 van het voormeld Koninklijk Besluit van 10 november 1996, met name wat betreft de aan de aangeslotenen gewaarborgde tegemoetkomingen en hun financieringswijze. Artikel 6 van het koninklijk besluit van 5 april 1995 tot toepassing van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen op de pensioenkassen, bepaalt dat de toelating wordt verleend indien de pensioenkassen doen blijken dat hun financiële toestand alle gewenste waarborgen biedt voor een goede uitvoering van hun verbintenissen en dat hun verrichtingen steunen op de regels van de actuariële techniek en indien voldaan is aan de andere voorwaarden en regels gesteld door en krachtens de wet. Beide Ministers hebben overeenkomstig de wet een doelgebonden erkenningsbevoegdheid. Zij zijn er niet gehouden noch gemachtigd de inhoud van het pensioenreglement te onderzoeken en de erkenning te weigeren om andere redenen dan diegene waartoe de wet hun bevoegdheid verleende. Vermits het Pensioenreglement een aanvullende extra-legale pensioen- en overlijdensverzekering betreft die van contractuele aard is (zie hoger) hebben deze beide Ministers noch de bevoegdheid noch de taak zich uit te spreken over de inhoud van het verzekeringscontract, met uitzondering van de doel- gebonden bevoegdheden die de wet hun oplegt. De Belgische Staat heeft terzake geen bevoegdheid noch de taak om de inhoud van het pensioenreglement dat een extra-legaal aanvullend pensioen betreft dat van contractuele aard is te toetsen op haar gelijkvormigheid met de wettelijke pensioenregelingen. Ten overvloede weze herhaald dat het Pensioenreglement geen ongeoorloofde discriminatoire bepalingen bevat. Appellante bewijst geen fout of nalatigheid in hoofde van de Belgische Staat. OM DEZE REDENEN : De negende kamer van het Arbeidshof te Brussel; Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24; Alle andere besluiten verwerpende als niet dienend; Recht doende op tegenspraak; Gezien het eensluidend schriftelijk advies van het Openbaar Ministerie; Verklaart het hoger beroep en het subsidiaire incidenteel hoger beroep ontvankelijk; Verklaart het hoger beroep ongegrond; Verklaart het subsidiaire incidenteel hoger beroep zonder voorwerp; Bevestigt het vonnis a quo in al zijn onderdelen. Veroordeelt appellante tot de kosten van hoger beroep, kosten tot op heden begroot op: - voor appellante 267,73 EURO rechtsplegingsvergoeding hoger beroep - voor eerste geïntimeerde 273,67 EURO rechtsplegingsvergoeding hoger beroep - tweede geïntimeerde 55,78 EURO aanvullende rechtsplegingvergoeding 267,73 EURO rechtsplegingsvergoeding hoger beroep - derde geïntimeerde 273,67 EURO rechtsplegingsvergoeding hoger beroep Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van de negende kamer van het Arbeidshof te Brussel op zes juni tweeduizend en vijf. Waar aanwezig waren : mevrouw B. VAN DE VELDE, Voorzitter mevrouw M. VERMAELEN, Raadsheer de heer J. EECKELAERS, Raadsheer in Sociale Zaken als Zelfstandige arbeider mevrouw L. HERREGODTS, Griffier PDF document ECLI:BE:CTBRL:2005:ARR.20050606.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div