id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 05 september 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2005:ARR.20050905.9 Rolnummer: 43373 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-09-15 Raadplegingen: 114 - laatst gezien 2026-07-02 03:38 Fiche De weduwe van een voormalig beroepsofficier van het Belgisch leger die een overlevingspensioen geniet en een rubriek schrijft in een dagblad waarvoor zij auteursrechten ontvangt, beschikt niet over een sociaal statuut dat gelijkwaardig is aan het sociaal statuut der zelfstandigen. Als weduwe van een ambtenaar strekt haar sociale bescherming zich niet uit tot alle stelsels waaruit het sociaal statuut der zelfstandigen bestaat m.n. de familiale uitkeringen, de rust-en overlevingspensioenen, de verzekering voor geneeskundige verzorging, de verzekering arbeidsongeschiktheidsuitkeringen en de uitkeringen van de sociale verzekering in geval van faillissement. Personen die beweren dat het sociaal statuut der zelfstandigen op hen niet toepasselijk is dienen aan te tonen dat zij effectief van een gelijkwaardig statuut genieten wat inhoudt dat zij in ieder stelsel van dat statuut aan alle voorwaarden voldoen om het te genieten Vrije woorden: SOCIALE ZKERHEID VOOR ZELFSTANDIGEN - SOCIAAL STATUUT - Journalisten, perscorrespondenten en personen die auteursrechten genieten - Statuut dat minstens gelijkwaardig is aan het sociaal statuut der zelfstandigen. Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 27-07-1967 - 5 - 01 ELI link Pub nr 1967072702 Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN 5 SEPTEMBER TWEEDUIZEND EN VIJF. 9de Kamer Bijdragen zelfstandigen Tegensprekelijk Definitief In de zaak: Mevrouw R. M.-J., wonende te (...) Appellante, vertegenwoordigd door Mter Vanderstraeten loco Mters W. Van Eeckhoutte en L. Chabert, advocaten te 9051 Gent; Tegen : HET RIJKSINSTITUUT VOOR DE SOCIALE VERZEKERINGEN DER ZELFSTANDIGEN, openbare instelling, met zetel gevestigd te 1000 Brussel, Jan Jacobsplein, 6, woonst kiezend op zijn gewestelijk kantoor te 3000 Leuven, Vaartstraat, 54, Geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mter A. Sobrie, advocaat te 3000 Leuven; &§61683; &§61683; &§61683; Na beraad, spreekt de 9de kamer van het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit : Gelet op de stukken van rechtspleging in het bijzonder op : - het eensluidend afschrift van het vonnis a quo op tegenspraak gewezen door de 14de kamer van de Arbeidsrechtbank te Brussel op 19 maart 2002; - het beroepschrift ontvangen ter griffie van dit Hof op 16 september 2002; - de besluiten en aanvullende besluiten van geïntimeerde neergelegd ter griffie van dit Hof respectievelijk op 21 maart 2003 en 23 augustus 2004; - de besluiten en aanvullende besluiten van appellante neergelegd ter griffie van dit Hof respectievelijk op 10 juli 2003 en 19 oktober 2004; Gehoord partijen in hun middelen en beweringen op de openbare terechtzitting van 4 april 2005, waarna de debatten gesloten werden en de zaak werd medegedeeld aan het Openbaar Ministerie voor schriftelijk advies. Gehoord de Heer J.J. ANDRE, Substituut-generaal in de voorlezing van zijn schriftelijk advies ter openbare terechtzitting van 2 mei 2005 alwaar dit advies werd neergelegd; Gelet op de kennisgeving ervan aan partijen op 3 mei 2005; Gezien de repliekbesluiten voor appellante neergelegd ter griffie van dit Hof op 30 mei 2005; Overwegende dat de zaak in beraad werd genomen ter openbare zitting van 6 juni 2005; x x x I. DE FEITEN. Appellante is de weduwe van een voormalig beroepsofficier van het Belgisch Leger en geniet een overlevingspensioen sinds zijn overlijden. Zij schrijft de rubriek D. P. in de krant H.N. en ontvangt hiervoor auteursrechten. Na briefwisseling tussen partijen gaat geïntimeerde op 6 augustus 1998 over tot ambtshalve aansluiting van appellante vanaf 1 januari 1995 bij de Nationale Hulpkas voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen en stelt haar in gebreke tot betaling van bijdragen als zelfstandige. Op 4 maart 1999 dagvaardt geïntimeerde appellante voor de eerste rechter en vordert haar veroordeling tot betaling van 423.065 BEF of 10.487,51 EUR te vermeerderen met de gerechtelijke intresten op 178.592 BEF of 4.427,18 EUR vanaf 4 maart 1999 tot 31 maart 2000 en op 423.065 BEF of 10.487,51 EUR vanaf 1 april 2000 tot de effectieve betaling ten titel van bijdragen voor de periode januari 1995 tot april 1996 en van 1 januari 1997 tot 30 april
- Bij besluiten dd. 8 maart 2000 stelt Mevrouw R. een tegeneis in en vordert dat de rechtbank alle vervaldagberichten voor de kwartaalbijdragen van de jaren 1997, 1998, 1999 en 2000, van nul en generlei waarde verklaart. II. HET VONNIS A QUO. Verklaart de hoofdvordering van geïntimeerde ontvankelijk en gegrond en veroordeelt appellante tot betaling van 10.487,51 EUR, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten op 4.427,18 EUR vanaf 4 maart 1999 tot 31 maart 2000 en op 10.487,51 EUR vanaf 1 april 2000 tot de effectieve betaling. Verklaart de tegeneis ontvankelijk en ongegrond. De eerste rechter oordeelt dat appellante in gebreke blijft het bewijs te leveren dat zij gedekt is voor de sector arbeidsongeschiktheidsuitkeringen en dat zij van het voordeel van de faillissementsverzekering kan genieten. Op grond van haar afgeleide rechten heeft Mevrouw R. dus geen sociaal statuut dat gelijkwaardig is aan het sociaal statuut der zelfstandigen, zoals bedoeld in art. 5 van het K.B. nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het Sociaal Statuut der Zelfstandigen. II. DE BEROEPSGRIEVEN. Appellante verzoekt ons Hof het bestreden vonnis in al zijn onderdelen teniet te doen en, opnieuw wijzende, de vordering van geïntimeerde ongegrond te verklaren; Minstens, vooraleer recht te doen volgende prejudiciële vragen aan het Arbitragehof te stellen : - Schendt artikel 5 van het K.B. nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen de artikelen 10 en 11 van de Gecoördineerde Grondwet door journalisten, perscorrespondenten en auteurs die op grond van een persoonlijke beroepsbezigheid een sociaal statuut hebben dat minstens gelijkwaardig is aan dat van de zelfstandigen, niet te onderwerpen aan het sociaal statuut der zelfstandigen, doch journalisten, perscorrespondenten en auteurs die op grond van afgeleide rechten een sociaal statuut hebben dat minstens gelijkwaardig is aan dat van de zelfstandigen, wel aan dat statuut te onderwerpen ? - Schendt artikel 5 van het K.B. nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen de artikelen 10 en 11 van de Gecoördineerde Grondwet, in de betekenis dat het zou inhouden dat journalisten, perscorrespondenten en auteurs die een sociaal statuut hebben dat minstens gelijkwaardig is aan dat van de zelfstandigen, in de zin dat zij zonder meer recht hebben op uitkering van alle in het sociaal statuut der zelfstandigen bestaande vergoedingen als dusdanig, niet onderworpen zijn aan het sociaal statuut der zelfstandigen, doch journalisten, perscorrespondenten en auteurs die een sociaal statuut hebben dat minstens gelijkwaardig is aan dat van de zelfstandigen, in de zin dat zij een gelijkwaardige sociaalrechtelijke bescherming hebben zonder dat zij evenwel recht hebben op uitkering van alle in het sociaal statuut der zelfstandigen bestaande vergoedingen als dusdanig, wel onderworpen zijn aan dat statuut ? en geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van het geding. Appellante meent dat de arbeidsrechtbank ten onrechte oordeelde dat zij niet onder het artikel 5 van het Koninklijk Besluit nr. 38 ressorteerde. Dit artikel bepaalt zeer algemeen dat er sprake moet zijn van een sociaal statuut dat minstens gelijkwaardig is aan datgene dat door dit besluit wordt ingericht. Een sociaal statuut is noodzakelijk opdat de betrokkene een voldoende sociale bescherming zou genieten tegen de risico's die het sociaal statuut van de zelfstandige dekt. Men kan echter onmogelijk beweren dat appellante niet over een gelijkwaardig statuut of een gelijkwaardige bescherming beschikt omdat zij geen rechthebbende is van een verzekering tegen faillissement aangezien dit niet eens een risico is waarmee appellante geconfronteerd kan worden, daar appellante geen handelaar is. Wat het risico op arbeidsongeschiktheid en moederschap betreft, dient opgemerkt dat dit risico opgevangen wordt door het overlevingspensioen dat appellante ontvangt. Immers, ook al zou appellante arbeidsongeschikt zijn, dit verandert niets aan het recht op het overlevingspensioen dat steeds doorloopt. Het inkomen van appellante is in dat geval ook gewaarborgd zodat zij terug kan vallen op een sociale bescherming die minstens gelijkwaardig is aan die van de zelfstandige. De uitkeringen die een arbeidsongeschikte zelfstandige ontvangt staan immers zelfs niet in verhouding tot het overlevingspensioen dat duidelijk hogere rechten toekent aan appellante in geval van arbeidsongeschiktheid. Men dient de ratio legis van het artikel 5 van het Koninklijk Besluit nr. 38 in gedachten te houden en de interpretatie aan dit artikel te geven zoals de Koning die bedoeld heeft. De interpretatie die de arbeidsrechtbank aan dit artikel 5 heeft gegeven is een zuivere tekstuele benadering die geen rekening houdt met de ware bedoeling en betekenis van het Koninklijk Besluit en zijn artikel
- Het Koninklijk Besluit sluit zelf elke twijfel daaromtrent uit door de woorden " in welke hoedanigheid ook " op te nemen. Het maakt niets uit dat appellante recht heeft op een gelijkwaardige bescherming op grond van (van haar overleden echtgenoot) afgeleide rechten. Dit werd overigens bevestigd door het Hof van Cassatie in zijn arrest van 2 oktober 1989, R.W. 1989-1990, 987). Appellante stelt dat de interpretatie die het R.S.V.Z. geeft aan artikel 5 van het K.B. nr. 38 ertoe zou leiden dat niemand nog onder artikel 5 zou kunnen vallen vermits noch in de sociale zekerheidsregeling voor werknemers noch in die voor ambtenaren een faillissementsverzekering bestaat. Het zou eveneens leiden tot een ongeoorloofde ongelijke behandeling tussen : - enerzijds, journalisten, perscorrespondenten en auteurs die een sociaal statuut hebben dat minstens gelijkwaardig is aan dat van de zelfstandigen, in de zin dat zij een gelijkwaardige sociaalrechtelijke bescherming hebben zonder dat zij evenwel recht hebben op uitkering van alle in het sociaal statuut der zelfstandigen bestaande vergoedingen als dusdanig, en die wel zouden onderworpen zijn aan het sociaal statuut der zelfstandigen, - anderzijds, journalisten, perscorrespondenten en auteurs die een sociaal statuut hebben dat minstens gelijkwaardig is aan dat van de zelfstandigen, in de zin dat zij zonder meer recht hebben op uitkering van alle in het sociaal statuut der zelfstandigen bestaande vergoedingen als dusdanig, en die niet zouden onderworpen zijn aan het sociaal statuut der zelfstandigen. IV. STANDPUNT VAN GEINTIMEERDE. Geïntimeerde verzoekt het Hof het vonnis a quo te bevestigen. Zij verwijst naar een arrest, gewezen door het Hof van Cassatie op 26 mei 2003 (stuk 25) dat haar standpunt bevestigt : appellante voldoet niet aan de voorwaarden van art. 5 K.B. nr. 38, daar zij enkel geniet van afgeleide rechten, nl. rechten die voortvloeien uit de beroepsbezigheid van haar overleden echtgenoot, die verschillen van het volwaardig statuut van zelfstandige, en derhalve niet van een sociaal statuut dat minstens gelijkwaardig is aan dat van de zelfstandigen. V. BEOORDELING DOOR HET HOF. Overwegende dat het hoger beroep naar vorm en tijd ontvankelijk voorkomt, wat overigens niet betwist wordt. Art. 5 K.B. nr. 38 stelt dat journalisten, perscorrespondenten en personen die auteursrechten genieten niet aan het K.B. nr. 38 onderworpen zijn, indien ze reeds, in welke hoedanigheid ook, genieten van een sociaal statuut dat minstens gelijkwaardig is aan het sociaal statuut der zelfstandigen. Dit artikel vormt een uitzondering op het algemeen beginsel van de verzekeringsplicht in het sociaal statuut der zelfstandigen, en dient derhalve op een limitatieve en beperkende wijze te worden geïnterpreteerd (Cassatie, 26 mei 2003, stuk 34 appellante). Overeenkomstig de rechtspraak van het Hof van Cassatie die het Hof onderschrijft (Cassatie, 26 mei 2003, stuk 34 appellante) moet onder " statuut dat minstens gelijkwaardig is aan het statuut der zelfstandigen " in de zin van artikel 5 van het K.B. nr. 38 van 27 juli 1967 verstaan worden een statuut waarvan de toepassing het gevolg is van de uitoefening van een persoonlijke beroepsbezigheid. Het Hof van Cassatie stelt dat uit het Verslag aan de Koning bij het K.B. nr. 38 van 27 juli 1967 immers blijkt dat de tekst van art. 5 van het K.B. nr. 38 de bepaling bevestigt van art. 2 van het K.B. van 24 september 1963 houdende algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen dat aan deze pensioenregeling onttrekt : " De journalisten, de perscorrespondenten en de personen die auteursrechten genieten zijn, in die hoedanigheid, niet aan de wet onderworpen, indien ze reeds, uit om het even welken hoofde, hetzij gehouden zijn tot betaling der bijdragen voorzien in de artikelen 7 of 9 van de wet, hetzij onderworpen zijn aan een andere rust- en overlevingspensioenregeling, wegens een gewone en hoofdzakelijke tewerkstelling in de zin van artikel 30 van dit besluit ". Het Hof van Cassatie stelt dat deze bevestiging is uitgedrukt in art. 4 van het uitvoeringsbesluit dd. 19 december 1967 van het K.B. nr. 38 dd. 27 juli 1967 dat stelt dat personen, die op grond van art. 5 K.B. nr. 38 beweren dat het sociaal statuut der zelfstandigen op hen niet van toepassing is, dienen aan te tonen, niet dat zij een bezigheid hebben gehad waardoor zij een ander sociaal statuut dat minstens gelijkwaardig is, konden genieten, maar wel dat zij effectief een dergelijk statuut genieten, wat inhoudt dat zij in ieder stelsel van dat statuut aan alle voorwaarden voldoen om het te genieten. Appellante is als weduwe van een voormalig ambtenaar in het genot van een overlevingspensioen. De sociale bescherming waarop zij uit dien hoofde recht heeft is derhalve niet het gevolg van de uitoefening van een persoonlijke beroepsbezigheid van appellante en kan derhalve niet worden beschouwd als een statuut dat minstens gelijkwaardig is aan het statuut der zelfstandigen, zoals gesteld in art. 5 van het K.B. nr. 38 (Cassatie, 26 mei 2003). Bovendien moet vastgesteld worden dat appellantes sociale bescherming als weduwe van een ambtenaar zich niet uitstrekt tot alle stelsels waaruit het sociaal statuut der zelfstandigen bestaat met name (art. 1 K.B. nr. 38) de familiale uitkeringen, de uitkeringen rust- en overlevingspensioenen, de verzekering voor geneeskundige verzorging en de verzekering arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, de uitkeringen van de sociale verzekering ingeval van faillissement. Appellante is niet gedekt door een arbeidsongeschiktheidsuitkeringen- verzekering noch door de faillissementsverzekering (toepassingsgebied uitgebreid ten gunste van zelfstandigen die noch handelaar noch mandataris van een vennootschap zijn overeenkomstig K.B. van 14 januari 1999 tot uitvoering van art. 2 K.B. van 18 november 1996 tot instelling van een sociale verzekering ten gunste van zelfstandigen ingeval van faillissement). Appellante heeft ook geen recht op een rustpensioen. In een arrest van 2 oktober 1989 (R.W. 1989-1990, 987) stelde het Hof van Cassatie reeds dat personen, die op grond van art. 5 K.B. nr. 38 beweren dat het sociaal statuut der zelfstandigen op hen niet van toepassing is, dienen aan te tonen, niet dat zij een bezigheid hebben gehad waardoor zij een ander sociaal statuut dat minstens gelijkwaardig is, konden genieten, maar wel dat zij effectief een dergelijk statuut genieten, wat inhoudt dat zij in ieder stelsel van dat statuut aan alle voorwaarden voldoen om het te genieten. Appellante bewijst niet dat zij effectief een sociaal statuut heeft dat gelijkwaardig is aan het sociaal statuut der zelfstandigen met name niet voor het stelsel rustpensioen, het stelsel uitkeringsverzekering bij arbeidsongeschiktheid en het stelsel faillissementsverzekering. Over appellantes verzoek tot het stellen van een prejudiciële vraag. Overwegende dat het Arbitragehof niet bevoegd is zich uit te spreken over de (on)grondwettelijkheid van Koninklijke Besluiten die niet werden bekrachtigd door een wet. Art. 5 van het K.B. nr. 38 is niet door een wet bekrachtigd. Het Arbitragehof is niet bevoegd art. 5 van het K.B. nr. 38 te toetsen aan de Grondwet. Krachtens art. 159 van de Grondwet komt deze bevoegdheid wél toe aan de rechters. Zij mogen de besluiten van de uitvoerende macht niet toepassen wanneer deze strijdig zijn met een hogere rechtsnorm zoals o.a. de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Overwegende dat niet iedere discriminatie ongeoorloofd is. De in artikel 10 van de Grondwet vervatte regel van de gelijkheid van de Belgen voor de wet " impliceert dat ieder die zich in dezelfde toestand bevindt op gelijke wijze wordt behandeld, maar sluit niet uit dat onderscheid wordt gemaakt volgens bepaalde categorieën van personen, op voorwaarde dat dit onderscheid niet willekeurig is, dat wil zeggen dat het kan worden verantwoord " (Cassatie, 14 mei 1985, Arr. Cass., 1984-1985, 1254). Overwegende dat appellante gewag maakt van een ongeoorloofde ongelijke behandeling tussen personen die zich volgens haar in vergelijkbare situaties bevinden. Het Hof is het daarover niet met appellante eens. Een auteur, journalist of perscorrespondent die een sociaal beschermings- statuut geniet uit hoofde van zijn persoonlijke beroepsactiviteit bevindt zich in een andere situatie dan de auteur, journalist of perscorrespondent die een sociaal beschermingsstatuut geniet uit hoofde van afgeleide rechten d.w.z. uit hoofde van de beroepsactiviteit van een ander persoon. Een journalist, perscorrespondent of auteur die een sociale bescherming geniet als weduwnaar uit hoofde van een overlevingspensioen is NIET gerechtigd op een rustpensioen noch arbeidsongeschiktheidsverzekering noch faillissementsverzekering en bevindt zich volgens het Hof dus NIET in een voldoende vergelijkbare situatie met een auteur die (uit hoofde van zijn eigen beroepsbezigheid) recht heeft op een rustpensioen, arbeidsongeschiktheids- verzekering en faillissementsverzekering. De voor de toepassing van art. 5 van het K.B. nr. 38 vereiste persoonlijke bezigheid is volgens het Hof niet ongeoorloofd daar het een onderscheid maakt tussen verschillende categorieën van personen die zich niet in dezelfde situatie bevinden zodat het onderscheid niet willekeurig doch verantwoord is. OM DEZE REDENEN, HET ARBEIDSHOF, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24, Recht doende op tegenspraak, Gezien het eensluidend schriftelijk advies van het Openbaar Ministerie, Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en ongegrond, Bevestigt het vonnis a quo in al zijn bestanddelen. Veroordeelt appellante tot de kosten van het hoger beroep, tot op heden begroot op : In hoofde van appellante : rechtsplegingsvergoeding hoger beroep : 279,62 EUR In hoofde van geïntimeerde : rechtsplegingsvergoeding hoger beroep : 273,67 EUR Aldus gewezen en uitgesproken op de openbare terechtzitting van de 9de Kamer van het Arbeidshof te Brussel op 5 september 2005, waar aanwezig waren : Mevrouw B. VAN DE VELDE, Kamervoorzitter, Mevrouw M. VERMAELEN, Raadsheer, De Heer W. REYNDERS, Raadsheer in sociale zaken als zelfstandige arbeider, De Heer L. COEN, Eerstaanwezend adjunct-griffier. L. COEN B. VAN DE VELDE, W. REYNDERS. M. VERMAELEN. PDF document ECLI:BE:CTBRL:2005:ARR.20050905.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div