← België

ECLI:BE:CTBRL:2005:ARR.20050906.2

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 06 september 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2005:ARR.20050906.2 Rolnummer: 42512 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-10-09 Raadplegingen: 112 - laatst gezien 2026-07-02 03:39 Fiche In principe dient een eis tot uitlegging of verbetering van een vonnis of arrest te worden ingeleid per dagvaarding of vrijwillige verschijning. Wanneer echter het vonnis of het arrest waarvan de uitlegging of de verbetering wordt gevorderd de heropening der debatten beveelt op nog niet beoordeelde geschilpunten, kan de vordering tot verbetering of uitlegging over de reeds beoordeelde punten per conclusie worden ingesteld. Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP - RECHT - WETGEVING - GERECHTELIJK RECHT - Eis tot uitlegging of verbetering van een vonnis of een arrest. Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 796 - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN 6 SEPTEMBER TWEEDUIZEND EN VIJF. DERDE KAMER Bediendecontract Tegensprekelijk Gedeeltelijk definitief + B.R. In de zaak: De Heer O. T. , Appellant, vertegenwoordigd door Mter O. Wouters loco Mter Th. Claeys, advocaat te 1160 Brussel; Tegen :

  1. KRAFT FOODS BELGIUM N.V., (voorheen Kraft Jacobs Suchard N.V.) met zetel gevestigd te 1500 Halle, Brusselsesteenweg, 450 en ingeschreven in het handelsregister te Brussel onder nummer 354.521,
  2. KRAFT FOODS SCHWEIZ A.G., (voorheen Kraft Jacobs Suchard A.G.), met zetel te CH-8032 Zurich (Zwitserland), Bellerivestrasse 203, Postfach 1531, Eerste en tweede geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mter C. Bevernage, advocaat te 1200 Brussel; ó ó ó Na beraadslaging, velt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest: Gelet op de stukken van de rechtspleging en meer bepaald op : - Het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis uitgesproken op tegenspraak door de 12de Kamer van de Arbeidsrechtbank te Brussel op 28 juni 2001 (A.R. nr. 22.495/00); - Het verzoekschrift tot hoger beroep ontvangen op de griffie van dit Hof op 4 januari 2002; - De besluiten en de aanvullende besluiten van geïntimeerde partijen, ontvangen ter griffie van dit Hof respectievelijk op 28 juni 2002 en 27 september 2002; - De besluiten van appellant, ontvangen ter griffie van dit Hof op 30 augustus 2002; - Het tussenarrest van dit Hof van 28 februari 2003 waarbij de heropening der debatten bevolen werd op 3 oktober 2005; - De conclusies van partijen o.m. deze neergelegd na het arrest van 28 februari 2003; Gehoord partijen in hun middelen en beweringen op de openbare terechtzitting van de 3de Kamer van het Arbeidshof te Brussel op 14 juni
  3. De partijen legden hun bundel neer, waarna de debatten gesloten werden en de zaak in beraad werd genomen. x x x Met het arrest van 28-2-2003 waarnaar hierbij uitdrukkelijk wordt verwezen, werd reeds definitief uitspraak gedaan over het grootste gedeelte van de vorderingen. Vooraleer uitspraak te doen over de resterende geschilpunten en m.b.t. de vordering voor zover ze tegen tweede geïntimeerde was gericht, werd de heropening der debatten bevolen om de heer O. de gelegenheid te geven nader te verklaren op welke gronden hij de gezamenlijke veroordeling van tweede geïntimeerde samen met eerste geïntimeerde vorderde en in voorkomend geval opdat partijen standpunt zouden innemen m.b.t. de toepasselijkheid van de wet van 24-7-1987 op de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en de terbeschikkingstelling van de werknemers op hun rechtsverhouding en de implicaties daarvan. Het gedeelte van de vordering dat betrekking heeft op een schadevergoeding wegens het nadeel dat de Heer O. zou geleden hebben ingevolge het nalaten van geïntimeerden om op zijn loon bijdragen te betalen in de Belgische Sociale Zekerheid en de provisioneel toegekende vorderingen werden naar de bijzondere rol verzonden opdat zij in staat zouden worden gesteld. Met betrekking tot de betrokkenheid van de tweede geïntimeerde in het voorliggend geschil verduidelijkt de Heer O. -dat eerste geïntimeerde is overgegaan tot betaling van de vergoedingen waartoe zij bij arrest van 28-2-2003 definitief veroordeeld werd. -dat hij tweede geïntimeerde in het geding heeft betrokken om zijn rechten ten volle te vrijwaren, gelet op de bewering van beide geïntimeerden dat tweede geïntimeerde de werkgever was van de Heer O. tijdens zijn periode van tewerkstelling in België. De Heer O. stelt niet dat er een verboden terbeschikkingstelling zou zijn geweest in de zin van de wet van 24-7-87 en geeft geen rechtsgrond aan voor het betrekken van tweede geïntimeerde in het geding behoudens haar bewering dat zij de werkgever was van de Heer O. tijdens zijn tewerkstelling in België. Het Hof oordeelt dat er derhalve geen reden toe is tweede geïntimeerde samen met eerste geïntimeerde te veroordelen tot betaling van de gevorderde bedragen. Die vordering blijkt bovendien zonder voorwerp geworden nu eerste geïntimeerde het arrest dat kracht van gewijsde heeft verkregen reeds heeft uitgevoerd en er evenmin een vordering in vrijwaring werd ingesteld door eerste geïntimeerde tegen tweede geïntimeerde. Met betrekking tot de gevorderde schadevergoeding wegens het nadeel dat hij zou hebben geleden ingevolge de niet onderwerping aan de Belgische socialezekerheidsregeling behoudt de Heer O. zich het recht voor nader te concluderen . Hij stelt dat geïntimeerden een regularisatie doorvoeren van de sociale zekerheidsbijdragen voor de ganse tewerstellingsperiode opdat de vordering zonder voorwerp kan worden verklaard. De vennootschappen verduidelijken dat de Heer O. in Zwitserland genoot van een ruime dekking voor alle takken van de sociale zekerheid en menen dat de Heer O. niet bewijst waaruit zijn nadeel bestaat door tijdens zijn tewerkstelling in België onderworpen te zijn geweest aan de Zwitserse sociale zekerheid. Een vergelijking van bijdragen en prestaties met betrekking tot de risico's en prestaties acht zij bovendien niet relevant aangezien het risico van ziekte, invaliditeit, arbeidsongeval, beroepsziekte ) zich niet heeft voorgedaan. De Heer O. betwist dit niet. Hij toon niet aan dat hij op het vlak van de kinderbijslag benadeeld zou zijn geweest, hetgeen geen al te grote moeilijkheden moet opleveren. De vennootschappen nemen er akte van dat hij enkel vordert dat zijn vordering met betrekking tot de sociale zekerheidssituatie wordt toegekend ten belope van 1 euro provisioneel maar voor het overige zijn vordering niet preciseert of staaft zodat dit onderdeel van de vordering volgens hen manifest ongegrond is. Wat de pensioenregeling betreft stellen de vennootschappen dat deze gunstiger is in Zwitserland. Aangezien een verdere regularisatie van de bijdragen sociale zekerheid aan de gang is, meent het Hof dat nog niet definitief uitspraak kan worden gedaan over het geheel van deze vordering en verzendt het dit onderdeel van de vordering naar de bijzondere rol. Het meent niet te moeten ingaan op de vordering om de vennootschappen voorlopig te veroordelen tot een provisioneel bedrag van 1Euro nu helemaal niet vaststaat dat er hoe dan ook schade werd geleden. De vennootschappen houden verder in hun conclusie voor dat het Hof in het arrest van 28-2-2003 een materiële vergissing heeft begaan met betrekking tot de belastingsverevening door deze te bruteren en met betrekking tot hun tegenvordering door te stellen dat die verjaard was. Ten slotte achten zij niet duidelijk of de veroordeling tot de intresten slaat op de bruto- of op de nettobedragen van de verschuldigde bedragen. Zij verzoeken het Hof over te gaan tot verbetering en uitlegging van het arrest. De Heer O. meent dat dit verzoek niet kadert in het onderwerp van de heropening en/of de voortzetting der debatten. De vennootschappen repliceren dat het Gerechtelijk Wetboek niet verbiedt dat de rechtbank bij een heropening der debatten ook kennis neemt van andere punten dan deze waarvoor de heropening der debatten of, in voorkomend geval de voortzetting der debatten door de verwijzing van een geschilpunt naar de bijzondere rol is bevolen, voor zover het niet gaat om aangelegenheden waarover zij zich met preciesheid heeft uitgesproken. Zij menen dat een verzoek tot uitlegging of verbetering van een vonnis of arrest bij conclusie kan worden ingesteld zolang de rechtsmacht van de rechters in beroep niet is uitgeput en dat de verplichting dit te doen via een vrijwillige verschijning of een dagvaarding enkel geldt in het geval de debatten zijn gesloten. Volgens de Heer O. zijn de bepalingen van artikels 793 en 794 van het Gerechtelijk Wetboek alleszins niet van toepassing nu het verzoek van de vennootschappen ontegensprekelijk strekt tot wijziging van de rechten die aan de Heer O. definitief zijn toegekend in het arrest van 28-2-
  4. Indien de vennootschappen het met die beslissing niet eens waren hadden zij hiertegen cassatieberoep dienen in te stellen, hetgeen zij niet deden. Een verzoek tot uitlegging of verbetering van een vonnis wordt in principe bij dagvaarding of vrijwillige verschijning ingesteld daar het slechts kan worden ingesteld indien de rechtsmacht van de rechter is uitgeput en de termijnen voor het instellen van een rechtsmiddel verstreken zijn. In casu is de rechtsmacht van het Hof wel degelijk uitgeput over de onderdelen van de vordering waarover reeds definitief uitspraak werd gedaan doch niet over de geschilpunten waarover de heropening der debatten werd bevolen of die naar de rol werden verzonden om te worden in staat gesteld. Om proceseconomische redenen kan derhalve in die omstandigheden aanvaard worden dat dit verzoek bij conclusie wordt ingesteld, hetgeen de wederpartij geen enkel nadeel toebrengt nu het recht op tegenspraak werd geëerbiedigd (in die zin Luik, 24.11.1989, J.L.M.B. 1990, 858; Gilliams S. en T. - Interpreteren en rectificeren zonder zich te bezeren, S.R.K. 2001, p. 173). Artikels 793 en 794 Gerechtelijk Wetboek regelen de voorwaarden tot uitlegging en de verbetering van een vonnis. Artikel 794 behandelt de verbetering van een beslissing in geval van een verschrijving of misrekening. De verbetering kan enkel worden aangebracht zonder dat de in de beslissing bevestigde rechten worden uitgebreid, beperkt of gewijzigd. Het gaat in beide gevallen om materiële vergissingen. De beslissing waarvan de vennootschappen de verbetering vragen kunnen geenszins als materiële vergissingen worden bestempeld. Mocht het al om vergissingen gaan dan betreffen deze het recht zelf en konden geïntimeerden daartegen cassatieberoep instellen, hetgeen zij nalieten. Nu volgens geïntimeerden de gevraagde verbetering van de brutering van de belastingsverevening gevolgen heeft voor de berekeningsbasis van de opzeggingsvergoeding en zij hun verzoek laten gepaard gaan met een aantal vorderingen tot herleiding van de bedragen waartoe ze veroordeeld werden en tot terugbetaling door de Heer O. van de hem toegekende bedragen, blijkt daaruit dat de gevraagde verbetering de toegekende rechten zou wijzigen en zelfs beperken. De gevraagde verbetering met betrekking tot de verjaring zou eveneens een wijziging en uitbreiding van haar eigen rechten voor gevolg hebben. De beslissing van het Hof op dit punt kan bovendien niet als een materiële vergissing worden aangezien. Krachtens artikel 793 is uitlegging van een rechterlijke beslissing enkel mogelijk bij een onduidelijke of ondubbelzinnig beslissing en kan de rechter de in zijn beslissing bevestigde rechten niet uitbreiden, beperken of wijzigen. Hierdoor zou immers geraakt worden aan het gezag van gewijsde van de genomen beslissing. Het Hof meent dat er van een onduidelijke beslissing met betrekking tot de toegekende intresten geen sprake kan zijn. De bedragen tot betaling waarvan eerste geïntimeerde werd veroordeeld zijn brutobedragen zoals gebruikelijk is. De lonen en vergoedingen die de werkgever aan een werknemer in uitvoering van de arbeidsovereenkomst verschuldigd is zijn immers de brutolonen en het zijn deze brutolonen die de bescherming genieten van de loonbeschermingswet, ongeacht het feit dat daarop een aantal afhoudingen dienen te worden verricht. Partijen hebben dit goed begrepen, nu de vennootschap slechts het netto equivalent heeft uitbetaald en de Heer O. dit aanvaard heeft. Het arrest vermeldt duidelijk dat al die bedragen te vermeerderen zijn met de wettelijke en gerechtelijke intresten en voegt daar niet aan toe dat de intresten slechts op de met die bruto bedragen overeenstemmende nettobedragen verschuldigd zouden zijn. Deze uitspraak is duidelijk en behoeft uitlegging noch verbetering, hetgeen overigens de toegekende rechten zou wijzigen. Het verzoek van de vennootschap kan derhalve niet worden ingewilligd. OM DEZE REDENEN, HET ARBEIDSHOF Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24; Rechtsprekend op tegenspraak, Verklaart de vordering van de Heer O. tot veroordeling van tweede geïntimeerde samen met eerste geïntimeerde tot betaling van de verschuldigde bedragen zonder voorwerp geworden. Verzendt de vordering tot schadevergoeding wegens een beweerd nadeel ingevolge het niet betalen van sociale zekerheidsprestaties naar Belgisch recht naar de bijzondere rol, in afwachting van de door de vennootschappen uitgevoerde regularisatie. Wijst de vordering van de vennootschappen tot uitlegging en verbetering van het arrest van 28-3-2003 af als onontvankelijk. Houdt de beslissing over de kosten aan. Aldus gewezen en uitgesproken op de openbare terechtzitting van de 3de Kamer van het Arbeidshof te Brussel op 6 september 2005, waar aanwezig waren : Mevrouw G. BALIS, Kamervoorzitter, De Heer P. KESSELS, Raadsheer in sociale zaken als werkgever, De Heer P. BUYENS, Raadsheer in sociale zaken als werknemer-bediende, aangeduid bij bevelschrift van heden, ter vervanging van de Heer M. WEYNS, Raadsheer in sociale zaken als werknemer-bediende, die de debatten heeft bijgewoond en heeft deelgenomen aan het beraad van onderhavig arrest, maar wettig verhinderd is de uitspraak ervan bij te wonen (artikel 779 van het Gerechtelijk Wetboek), Mevrouw L. HERREGODTS, Griffier. PDF document ECLI:BE:CTBRL:2005:ARR.20050906.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.