id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 06 september 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2005:ARR.20050906.3 Rolnummer: 46041W Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-10-09 Raadplegingen: 119 - laatst gezien 2026-07-02 03:39 Fiche Beëindiging van de arbeidsovereenkomst door overmacht : blijvende arbeidsongeschiktheid voor de functie waarin de werknemer tewerkgesteld is - Geen resultaatsverbintenis om de werknemer in een andere functie tewerk te stellen, al wordt hem het statuut van "bediende" toegekend - Alleen zijn effectieve functie van heftrukbestuurder is relevant - Het feit dat de werkgever de term "ontslag" gebruikte in de briefwisseling en een verbrekingsvergoeding uitbetaalde verandert niets aan de beëindigingswijze van de overeenkomst door overmacht. Vrije woorden: ARBEIDSOVEREENKOMSTEN - ALGEMENE REGELINGEN - Beëindiging van de arbeidsovereenkomst door overmacht - Blijvende arbeidsongeschiktheid. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 32,5° - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN 6 SEPTEMBER TWEEDUIZEND EN VIJF. DERDE KAMER Bediendecontract Tegensprekelijk Definitief In de zaak: DE NAAMLOZE VENNOOTSCHAP 3M BELGIUM, met maatschappelijke zetel gevestigd te 1831 Diegem, Hermeslaan, 7, H.R. Brussel nr. 232.647, Appellante, vertegenwoordigd door Mter Verheyden loco Mter E. Vandenbroucke, advocaat te 1180 Brussel; Tegen : De Heer G. G. J., Geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mter R. Luyckx loco Mter d'Ath, advocaat te 1060 Brussel; ó ó ó Na beraadslaging, velt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest: Gelet op de stukken van de rechtspleging en meer bepaald op : - het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis op tegenspraak gewezen door de 2de kamer van de Arbeidsrechtbank te Brussel op 7 maart 1994 ; -het verzoekschrift in hoger beroep ontvangen ter griffie van dit Hof op 14 april 1994; - de besluiten en synthesluiten van geïntimeerde ontvangen ter griffie van dit Hof, respectievelijk op 5 november 2004 en 25 maart 2005; - de besluiten van appellante ontvangen ter griffie van dit Hof op 25 februari 2005; - de voorgelegde stukken; Gehoord partijen in hun middelen en beweringen op de openbare terechtzitting van 7 juni 2005; RELEVANTE FEITEN EN RECHTSPLEGING De Heer G. G. trad op 1-8-'90 als clarkist in dienst van de NV 3M BELGIUM met een proeftijd van 6 maanden. Het medisch onderzoek dat aan zijn aanwerving voorafging bracht geen problemen aan het licht voor de uitoefening van dit beroep. Daar hij als enige werknemer verbonden aan de afdeling te Diegem handenarbeid verrichtte, kreeg hij een bediendenstatuut net als de andere werknemers. De Heer G. stelde zich nog tijdens zijn proefperiode kandidaat als lid voor het Comité voor Veiligheid en van de Ondernemingsraad. Hij werd op de lijst van het L.B.C. opgenomen. Aangezien slechts één lijst werd ingediend dienden geen verkiezingen te worden gehouden en werd hij op 12-6-1991 aangesteld tot werknemersafgevaardigde in het Comité voor Veiligheid, Gezondheid en Verfraaiing van de werkplaatsen en tevens tot werknemersafgevaardigde in de ondernemingsraad. De Heer G. kreeg ruglast en was als gevolg daarvan een eerste maal arbeidsongeschikt van 14-5-'91 tot 31-5-'
- Hij onderging een nieuw medisch onderzoek op 21-6-'91 waarbij hij opnieuw geschikt werd verklaard tot het uitoefenen van zijn functie van clarkist. Na een medisch onderzoek van 13-9-'91 werd hem afgeraden gewichten van meer dan 15 kg te dragen of te tillen en gedurende lange tijd stil te zitten. Op 16-9-'91 kreeg hij verbod nog gewichten te dragen of te tillen of zittend werk te verrichten. Op 20-11-'91 werd vastgesteld dat hij niet meer bestand was tegen schokken en geen gewichten meer mocht dragen van meer dan 20 kg gedurende minstens 3 maanden. Hij was van 14-9-'91 tot 4-11-'92 ononderbroken arbeidsongeschikt met uitzondering van één week van 1-12-'91 tot 8-12-'
- Op 15-6-'92 stelde de behandelend geneesheer van de Heer G. dat een werkhervatting kon overwogen worden tegen 1juli op voorwaarde dat hij gedurende de eerste drie maanden slechts licht werk zou verrichten en dat hij definitief zou worden vrijgesteld van zwaar werk en van het besturen van voertuigen daar het risico van een terugval te groot was. Op 1-7-'92 verklaarde de arbeidsgeneesheer dat het werk kon hervat worden in een functie die geen zware arbeid vereiste noch het besturen van vorkheftrucks. Op de voorziene datum voor werkhervatting nam de Heer G. zijn vakantie op tot 31-7-'
- Vervolgens werd hij tot 4-11-'92 technisch werkloos wegens "overmacht". Op 4-11-'92 werd bij een medisch onderzoek verklaard dat hij opnieuw in staat was tot het besturen van een vorkheftruck. Op 12-1-'93 werd vastgesteld dat de Heer G. voorgoed onbekwaam was om een heftruck te bedienen. Bij brief van 15-1-'93 stelde de werkgever de syndicale afvaardiging en de betrokken vakorganisatie op de hoogte van de voorgenomen beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Daarin wordt als reden opgegeven. "Dit ontslag is gebaseerd op de definitieve medische ongeschiktheid voor het uitoefenen van zijn job als clarkist. De mogelijkheid tot ander werk werd onderzocht maar gaf geen resultaat." Op 28-1-'93 stelde de NV 3M BELGIUM een einde aan de arbeidsovereenkomst mits betaling van een opzeggingsvergoeding gelijk aan 3 maanden loon. Zij vermeldde als reden "op 12-1-'93 werd per dokterscertificaat vastgesteld dat u uw taak van clarkist definitief niet meer kan uitoefenen". De Heer G. diende geen reïntegratieaanvraag in. Aanvankelijk vorderde het L.B.C. een opzeggingsvergoeding gelijk aan het lopend loon gedurende 2 jaar. Op 9-2-'93 werd een akkoord bereikt tussen de syndicale afvaardiging en de vennootschap over de betaling van een verbrekingsvergoeding gelijk aan 5 maanden loon en werd afgezien van een hogere beschermingsvergoeding. Met dagvaarding van 16-6-'93 spande de Heer G. G. een geding aan voor de Arbeidsrechtbank waar hij de veroordeling van de vennootschap vorderde tot betaling van de som van 1.299.172 F en de gerechtelijke intresten daarop. De zaak werd voor de Arbeidsrechtbank vastgesteld op grond van artikel 751 Gerechtelijk Wetboek waarvan op 25-10-'93 aan de vennootschap kennis werd gegeven. De Arbeidsrechtbank stelde vast dat de door de vennootschap op 29-12-'93 neergelegde conclusies laattijdig waren en weerde ze uit de debatten, waarna ze op tegenspraak besliste dat de vordering ontvankelijk was en gegrond. Ze veroordeelde de vennootschap tot onmiddellijke betaling van een bedrag van 1.299.172 F als beschermingsvergoeding, verhoogd met de wettelijke en gerechtelijke intresten en tot de kosten van het geding. Zij was van oordeel dat het ontslag onregelmatig was omdat de NV 3M BELGIUM de bepalingen die gelden met betrekking tot het ontslag van de personeelsafgevaardigde in de ondernemingsraad en in de Comités voor Veiligheid , Gezondheid en Verfraaiing van de werkplaatsen niet in acht had genomen. VOORWERP VAN HET HOGER BEROEP De vennootschap verzoekt het Hof het beroepen vonnis teniet te doen en de vorderingen van de Heer G. G. als ongegrond af te wijzen en hem te veroordelen tot de kosten. De Heer G. G. verzoekt het Hof het beroepen vonnis te bevestigen. BEOORDELING
- Ontvankelijkheid. Het hoger beroep is regelmatig naar vorm en werd ingeleid binnen de daartoe voorziene wettelijke termijn. Het is dan ook ontvankelijk.
- Ten gronde. Als werknemersafgevaardigde in het Comité Veiligheid en in de Ondernemingsraad, genoot de Heer G. van een bijzondere ontslagbescherming krachtens de wet van 19-3-'
- De door die wet geboden ontslagbescherming is niet van toepassing bij overmacht. Artikel 2 ,§ 6 bepaalt uitdrukkelijk dat "geen enkele andere wijze van beëindiging van de arbeidsovereenkomst mag ingeroepen worden, met uitzondering van .....o.a. overmacht". De vennootschap houdt voor dat zij niet gehouden kan zijn tot betaling van een beschermingsvergoeding nu zij de overeenkomst niet onrechtmatig heeft beëindigd doch enkel definitieve overmacht heeft vastgesteld ingevolge de blijvende ongeschiktheid van de Heer G. om zijn contractuele functie nog langer uit te oefenen. Krachtens artikel 32,5° van de W.A.O. van 3-7-'78, nemen de verbintenissen voortspruitende uit de arbeidsovereenkomst een einde door overmacht. Nu artikel 26 W.A.O. anderzijds bepaalt dat de door overmacht ontstane gebeurtenissen de beëindiging van de overeenkomst niet tot gevolg hebben wanneer zij slechts tijdelijk de uitvoering van de overeenkomst schorsen, dient te worden besloten dat artikel 32,5° W.A.O. slechts betrekking heeft op de gevallen waarin de overmacht de verdere uitvoering van de overeenkomst definitief onmogelijk maakt. Dit werd bevestigd in een arrest van het Hof van Cassatie van 10-1-'94 (R.W. '94-'95, 51). Deze bepalingen zijn overigens slechts een toepassing van de gemeenrechtelijke regels betreffende overmacht, opgenomen in artikel 1147 en 1148 Burgerlijk Wetboek. De W.A.O. geeft geen omschrijving van het begrip overmacht zodat daaraan dezelfde inhoud moet worden gegeven als in het burgerlijk recht. Rechtspraak en rechtsleer leiden uit die bepalingen af dat overmacht bevrijdend is voor de schuldenaar van een verbintenis indien voldaan is aan twee voorwaarden: -het moet gaan om een onoverkomelijke hindernis die het voor de schuldenaar onmogelijk maakt zijn verbintenis uit te voeren, -de vreemde oorzaak is hem niet toerekenbaar. Dit houdt in dat de schuldenaar geen fout heeft begaan bij het tot stand komen van de gebeurtenis die als overmacht wordt ingeroepen. Er is slechts sprake van overmacht wanneer de partij door de ingeroepen gebeurtenis in de onmogelijkheid verkeert haar verbintenis uit te voeren en niet wanneer de uitvoering van haar verbintenis enkel moeilijker is geworden. Er wordt aangenomen dat in wederkerige overeenkomsten, zoals de arbeidsovereenkomst er een is, een partij zich kan beroepen op overmacht die de wederpartij treft aangezien de verbintenissen van de ene partij de oorzaak zijn van de verbintenissen van de wederpartij (Cass., 21-4-'
- Soc.Kron. '86, 282 noot JJ; J Herman, Schorsing van de individuele arbeidsovereenkomst, Die Keure ,2000, p 176) . Arbeidsongeschiktheid kan een geval van overmacht uitmaken die de uitvoering van de arbeidsovereenkomst onmogelijk maakt maar dit is niet altijd het geval. In de W.A.O. is met betrekking tot de arbeidsongeschiktheid een aparte regeling uitgewerkt. Artikel 31,§1 W.A.O. bepaalt dat de onmogelijkheid voor de werknemer om zijn arbeid te verrichten als gevolg van ziekte of ongeval de uitvoering van de arbeidsovereenkomst schorst. Artikel 38 ,§ 1aat de werknemer toe tijdens die periode van schorsing de arbeidsovereenkomst op te zeggen. Volgens artikels 58 en 78 kan de werkgever dit wanneer de schorsing van de arbeidsovereenkomst reeds meer dan 6 maanden duurt mits betaling van een verbrekingsvergoeding. Hieruit kan evenwel niet worden afgeleid dat de wetgever een van de algemene regeling vervat in artikels 26 en 32 van de W.A.O. afwijkende regeling heeft willen instellen. Het Hof van Cassatie oordeelde in een arrest van 5-1-'81dat de blijvende arbeidsongeschiktheid die de uitvoering van de arbeidsovereenkomst definitief onmogelijk maakt een geval van overmacht uitmaakt die de arbeidsovereenkomst beëindigt (J.T.T. '81, 184). In een arrest van 13-2-'89, verduidelijkte het Hof van Cassatie dat de bepalingen van artikel 31 en 32,5° W.A.O. niet tegenstrijdig zijn en de ene bepaling door de andere dient te worden uitgelegd, zodat de arbeidsovereenkomst een einde neemt wanneer de ongeschiktheid van de werknemer om zijn arbeid te verrichten definitief is waarbij onder zijn arbeid dient verstaan te worden de overeengekomen arbeid, daarin begrepen de overeengekomen arbeidsduur. (C.D.S. '90, 9) (zie ook Cass., 15-2-'82, T.S.R. '82, 457; Cass., 21-4-'86, J.T.T. '86, 501; Cass., 12-1-'87, J.T.T. '87, 428; Cass., 1-6-'87, J.T.T. '87, 427; Cass., 10-1-'94, J.T.T. '94, 209; zie ook M. Jourdan in "Permanence du Droit Civil en Droit du Travail, Force majeure et contrat de travail, ULB 1985, p 30). De overeengekomen arbeid is in het algemeen de arbeid die effectief wordt uitgevoerd op het ogenblik dat de arbeidsongeschiktheid optrad in functie van de normale organisatie van de arbeid door de werkgever en aanvaard door de werknemer( Cass., 1-6-'87, J.T.T. '87, 427; Cass., 15-2-'82, T.S.R. '82, 457; H.Funck o.c. p 2 ). Het feit dat de werknemer nog wel geschikt is om andere arbeid uit te oefenen belet niet dat overmacht kan worden ingeroepen (Cass.,12-1-'87, T.S.R. '87, 427). Het behoort de partij die overmacht inroept het bewijs ervan te leveren waartoe zij alle wettelijke middelen kan gebruiken. Toepassing op voorliggend geschil Of er in casu sprake is van een definitieve arbeidsongeschiktheid moet beoordeeld worden op basis van de functie die de Heer G. uitoefende. Deze is steeds werkzaam geweest als clarkist, zij het met een bediendenstatuut. Zijn functie bestond uit het besturen van heftrucks. De Heer G. betwist geenszins dat hij niet meer in staat was om zijn functie van heftruckbestuurder uit te oefenen en dat de onmogelijkheid daartoe definitief was. Hij meent evenwel dat aangezien hij als "bediende" werd aangeworven, de werkgever de verplichting had hem in een bediendenfunctie tewerk te stellen. Het Hof deelt deze zienswijze niet en meent dat de definitieve arbeidsongeschiktheid dient beoordeeld te worden op basis van de functie die hij steeds heeft uitgeoefend namelijk deze van heftruckbestuurder, zij het met een bediendenstatuut. Een wijziging van de aard van de functie en van de plaats van tewerkstelling is een dermate belangrijke wijziging dat zij een vervanging van de arbeidsovereenkomst door een nieuwe overeenkomst voor gevolg heeft. Dat hij definitief ongeschikt was voor het uitoefenen van zijn beroep als clarkist staat voldoende vast. Nadat hij die functie slechts enkele maanden had uitgeoefend was hij van 14-5-'91 tot 30-6-'92 haast onafgebroken arbeidsongeschikt -met uitzondering van één week werkhervatting. Tijdens die periode werd een chirurgische ingreep uitgevoerd. Na het verstrijken van die periode was er nog geen werkhervatting. Na één maand vakantie volgde een periode van tijdelijke werkloosheid wegens "overmacht" als gevolg van zijn arbeidsongeschiktheid. Dat de Heer G. niet ten laste viel van de ziekteverzekering heeft er allicht mee te maken dat in het raam van de Z.I.V.-wet de arbeidsongeschiktheid na 6 maanden wordt geëvalueerd ten aanzien van alle beroepen die de betrokkene nog kan uitvoeren en niet meer enkel ten aanzien van zijn gewoon beroep zoals tijdens de eerste zes maanden het geval is. Bij het medisch onderzoek van 12-1-'93 werd door de arbeidsgeneesheer vastgesteld dat de Heer G. "voorgoed ongeschikt is voor het werk als heftruckchauffeur". Dit onderzoek werd kennelijk uitgevoerd ingevolge het voorschrift van artikel 131 A.R.A.B. Elke betrekking die het besturen van motorvoetuigen, kranen, rolbruggen, hijswerktuigen van welke aard ook, machines waarmee gevaarlijke installaties of toestellen in werking worden gesteld, wordt immers als risicopost beschouwd, in zover het besturen van die tuigen machines of installaties de veiligheid van de werkgezellen van de met die post beklede werknemer in gevaar kan brengen (artikel 124 ,§ 4 A.R.A.B.). Het voorgeschreven onderzoek moet de arbeidsgeneesheer toelaten na te gaan of de betrokkene nog geschikt is om het werk dat hij voordien verrichtte voort te zetten en indien dit niet het geval is de betrokkene en de werkgever raad te geven m.b.t. de maatregelen van aanpassing of voor werkverandering die hun noodzakelijk schijnen. Volgens de in het A.R.A.B. voorziene procedure, kan de arbeidsgeneesheer, in het geval het een werknemer met een veiligheidsfunctie betreft, volgende beslissingen nemen die op de kaart van het medisch onderzoek worden vermeld: -ofwel dat de werknemer voldoende geschikt is, -ofwel dat de werknemer voorgoed of tijdelijk arbeidsongeschikt is en legt hij verbod op hem in de bewuste betrekking te werk te stellen. Hij adviseert dan onder welke voorwaarden hij eventueel in een andere betrekking kan worden tewerk gesteld, -ofwel zendt hij hem met ziekteverlof. In principe streeft het A.R.A.B. ernaar niemand het werk te ontzeggen door de aanpassing van de mens aan de arbeid en van de arbeid aan de mens, zoals uitgedrukt werd in artikel 104 ,§ 2,4° A.R.A.B. Op dit principe wordt enkel een uitzondering gemaakt indien de verderzetting van de arbeid de eigen veiligheid of die van anderen in gevaar brengt ( A.Van Regenmoortel, Actuele knelpunten in de uitoefening van de arbeidsgeneeskunde in Actuele problemen van het Arbeidsrecht 4, Maklu, '93, p 148). Wanneer de werknemer ongeschikt wordt verklaard voor de veiligheidsfuncties, hetgeen in casu het geval was, is het de werkgever krachtens artikel 146 ,§ 1 A.R.A.B. verboden hem met zulke taken te belasten. Doet hij dat toch dan kan hij strafsancties oplopen. Hoewel er een beroepsmogelijkheid open staat voor elke beslissing die tot gevolg heeft dat aan de werknemer de betrekking die hij bekleedt wordt geweigerd, tekende G. geen beroep aan tegen de beslissing van de arbeidsgeneesheer. Dat de beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst verband hield met de vaststelling van de definitieve arbeidsongeschiktheid blijkt uit de brief die de vennootschap op 15-1-'93 richtte aan de vakbond en de syndicale afvaardiging waarin de werkgever stelde dat het voorgenomen "ontslag" gebaseerd was op de definitieve ongeschiktheid voor de uitoefening van de job als clarkist. De werkgever deelde daarin mee dat hij de mogelijkheid tot het verstrekken van ander werk had onderzocht doch dat dit geen resultaat opleverde. Hiermee kwam hij tegemoet aan het voorschrift van artikel 146 van het A.R.A.B. dat slechts een inspanningsverbintenis en geen resultaatsverbintenis inhoudt. Die bepaling doet evenwel niets af aan de vaststelling dat de uitvoering van de bestaande arbeidsovereenkomst definitief onmogelijk was geworden en door de werkgever kon worden vastgesteld. De vakvereniging noch de syndicale afvaardiging waarvan men kan aannemen dat zij voldoende vertrouwd zijn met de gang van zaken in de onderneming hebben zulks betwist. Dat de Heer G. moeilijk als bediende inzetbaar was en het voor de werkgever onmogelijk was hem een andere passende betrekking aan te bieden is aannemelijk. In Diegem waren haast uitsluitend bedienden tewerk gesteld. Gelet op de plaats van tewerkstelling was de kennis van het Nederlands een vereiste. Het blijkt dat de Heer Garido die de Spaanse nationaliteit heeft en het Spaans als moedertaal heeft in Spanje enkel het lager onderwijs en één jaar technisch onderwijs heeft gevolgd. Zijn kennis van het Frans was gebrekkig en het blijkt niet dat hij noties had van het Nederlands. Tijdens zijn beroepsloopbaan zou hij als elektricien hebben gewerkt, als clarkist bij Vanden Borre en als receptionist bij GB-Inno-BM. De mogelijkheden om als arbeider te worden ingezet waren gezien zijn lage opleiding eveneens beperkt. Ook in de brief van 28-1-'93 waarmee de vennootschap aan de Heer G. kennis gaf van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst wordt uitdrukkelijk verwezen naar de beslissing van de arbeidsgeneesheer van 12-1-93 waarbij de Heer G. definitief ongeschikt werd verklaard zijn functie als clarkist uit te oefenen, hetgeen een geval is van overmacht. Hoewel de termen van de brief de indruk wekken dat de werkgever de overeenkomst beëindigde met "ontslag", dient uit de verwijzing naar de definitieve arbeidsongeschiktheid te worden opgemaakt dat het ging om de vaststelling van een geval van definitieve overmacht. Overmacht maakt van rechtswege een einde aan de overeenkomst hetgeen enkel dient te worden vastgesteld door de partij die zich erop beroept. Het is immers niet door de wil van een partij dat de overeenkomst een einde neemt maar door de onmogelijkheid om de arbeidsovereenkomst nog langer uit te voeren. Dat de werkgever desondanks een verbrekingsvergoeding uitbetaalde is niet van aard de oorzaak van de beëindiging van de overeenkomst te wijzigen. Het staat de werkgever vrij dergelijke vergoeding uit te betalen, ook al is hij daartoe niet wettelijk verplicht. De vakvereniging was kennelijk eveneens deze zienswijze toegedaan. Uit het geheel van deze overwegingen volgt dat de Heer G. geen aanspraak kan maken op de bij de bijzondere beschermingswet personeelsafgevaardigden van19-3-'91 voorziene beschermingsvergoeding. OM DEZE REDENEN HET ARBEIDSHOF Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24, Rechtsprekend op tegenspraak, Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond, Hervormt het beroepen vonnis, Verklaart de oorspronkelijke vordering ontvankelijk doch ongegrond, Veroordeelt de Heer G. tot de kosten van beide aanleggen, tot op heden begroot op : In hoofde van appellante : rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg : 169, 56 EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep : 285,57 EUR In hoofde van geïntimeerde : dagvaarding : 118, 57 EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg : 169,56 EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep : 279, 60 EUR Aldus gewezen en uitgesproken op de openbare terechtzitting van de 3de Kamer van het Arbeidshof te Brussel op 6 september 2005, waar aanwezig waren : Mevrouw G. BALIS, Kamervoorzitter, De Heer R. WAEYAERT, Raadsheer in sociale zaken als werkgever, De Heer P. BUYENS, Raadsheer in sociale zaken, als werknemer-bediende, aangeduid bij bevelschrift van heden, ter vervanging van de Heer M. WEYNS, Raadsheer in sociale zaken als werknemer- bediende, die de debatten heeft bijgewoond en heeft deelgenomen aan het beraad van onderhavig arrest, maar wettig verhinderd is de uitspraak ervan bij te wonen (artikel 779 van het Gerechtelijk Wetboek)., Mevrouw L. HERREGODTS, Griffier. PDF document ECLI:BE:CTBRL:2005:ARR.20050906.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div