id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 13 september 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2005:ARR.20050913.33 Rolnummer: 45628 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-10-09 Raadplegingen: 306 - laatst gezien 2026-07-04 08:27 Fiche De rechter kan enkel een deskundige aanstellen om vaststellingen te doen of een advies te geven ter oplossing van een voor hem gebracht geschil of ingeval een geschil werkelijk en dadelijk dreigt te ontstaan. Dienvolgens is een eis die enkel de aanstelling van een deskundige tot doel heeft zonder dat de eiseres een geschil inroept waarvan de tegenpartij de oplossing door de rechter vordert, niet toelaatbaar wegens gebrek aan belang. Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP - RECHT - WETGEVING - GERECHTELIJK RECHT - Aanstelling van een deskundige. Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 962 - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN 13 SEPTEMBER TWEEDUIZEND EN VIJF. DERDE KAMER Bediendecontract Tegensprekelijk Definitief In de zaak: Mevrouw M. N. , Appellante, vertegenwoordigd door Mter E. De Walsche, advocaat te 1050 Brussel; Tegen : DE NATIONALE MAATSCHAPPIJ DER BELGISCHE SPOORWEGEN (N.M.B.S.), met maatschappelijke zetel gevestigd te 1060 Brussel, Frankrijkstraat, 85, Geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mter S. Sottiaux, advocaat te 1060 Brussel; ó ó ó Na beraadslaging, velt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest: Gelet op de stukken van de rechtspleging en meer bepaald op : - het voor eensluidend verklaard afschrift van een vonnis van 26 februari 2004 tussen partijen op tegenspraak gewezen door de 12de Kamer van de Arbeidsrechtbank te Brussel ; - het verzoekschrift tot hoger beroep ontvangen ter griffie van dit Hof op 25 juni 2004; - de besluiten en aanvullende besluiten van geïntimeerde ontvangen ter griffie van dit Hof respectievelijk op 17 januari 2005 en 25 maart 2005; - de besluiten van appellante ontvangen ter griffie van dit Hof op 4 februari 2005; - de voorgelegde stukken; Gehoord partijen in hun middelen en beweringen op de openbare terechtzitting van 21 juni 2005; x x x RELEVANTE FEITEN EN RECHTSPLEGING. Mevrouw M. was kandidaat voor een betrekking van onthaalbediende bij de NMBS. Zij heeft met goed gevolg deelgenomen aan de examens ingericht voor die functie. De betrekking van onthaalbediende behoort tot categorie "E" en behelst o.m volgende taken: verkoop van biljetten aan de loketten en via telesales, het verstrekken van informatie aan reizigers, het omroepen van berichten in de stations. Zoals voorzien door het Reglement voor Bestuursgeneeskunde (ARPS bundel 578) diende Mevrouw M. een medisch onderzoek te ondergaan vooraleer tot een eventuele aanwerving kon worden beslist. Dit onderzoek werd uitgevoerd door één van de oogartsen van de medische dienst van de NMBS, Dr. W. . Het ARPS bundel 578 vereist voor een eerste aanwerving in een functie behorend tot categorie E een gezichtsscherpte 0,5-0,4 met of zonder bril- een gebrekkig kleurenonderscheidingsvermogen vormt geen bezwaar. Bij beslissing van 29-1-2002 werd aan Mevrouw M. via het voorgeschreven formulier A 135 meegedeeld dat zij medisch ongeschikt werd bevonden voor aanwerving als onthaalbediende categorie E. Als reden werd opgegeven dat zij niet de minimumgezichtsscherpte haalde. Volgens de diagnose leed zij aan "amblyopie (of strabisme) en bedroeg de gezichtsscherpte aan het rechteroog 0,2 terwijl een minimum van 0,4 was vereist voor het slechtste oog. Mevrouw M. tekende op 4-2-2002 beroep aan tegen de beslissing van 29-1-2002 bij de Commissie van Beroep voor Bestuursgeneeskunde. Zij voegde hierbij een attest van haar oogarts, Dr. J T. die verklaarde dat hij na zijn onderzoek van 30-1-2002 tot de bevinding kwam dat de visus aan het rechteroog 5/10 bedroeg, mits + 1=0,50 90° en 10/10 aan het linkeroog zonder correctie. Op 19-2-2002 werd zij opnieuw onderzocht door Dr S., oogarts bij de medische dienst van de NMBS. Deze stelde een gezichtsscherpte vast van 0,2 rechts zonder correctie en 0,3 met correctie + 1,25= 0,5 0° en besloot tot een amblyopie van 0,3 aan het rechteroog met bril. Op grond van dit onderzoeksresultaat deelde de Commissie van Beroep voor Bestuursgeneeskunde op 25-2-2002 met een formulier A 140, aan Mevrouw M. haar beslissing mee dat zij ongeschikt was voor het uitoefenen van de functie van onthaalbediende categorie E met volgende motivering: "Op 11-1-2002 werd (de heer) Mevrouw M. N. ongeschikt verklaard tot de functies van onthaalbediende cat. E wegens amblyopie rechteroog = 0,
- Zij komt hiertegen in beroep op grond van het verslag van Dr. J. T., oogarts van 30-1-
- Deze beschrijft aan het rechteroog een visus van O,5 mits +1+0,50 op 90°, van 1,0 zonder correctie aan het linker oog. In haar verslag van 19-2-2002 beschrijft Dr. S., oogarts, echter een gezichtsscherpte van 0,2 zonder correctie aan het linkeroog en slechts 0,3 mits +1,25 -0 op 0° en besluit tot een amblyopie van 0,3 aan het rechteroog met bril. Het reglement voor de Bestuursgeneeskunde - bundel 578 - vereist echter in tabel Ii van Bijlage II voor categorie E voor de eerste aanwerving een gezichtsscherpte van 0,5-0,4 met of zonder bril". Met verzoekschrift van 26-4-2002 stelde Mevrouw M. tegen die beslissing een beroep tot nietigverklaring in bij de Raad van State. De procedure bij de Raad van State zou nog steeds hangend zijn en de Heer eerste auditeur bij de Raad van State gaf een voor haar gunstig advies. Met dagvaarding van 8-10-2002 spande Mevrouw M. een geding aan voor de Arbeidsrechtbank. Zij vorderde de aanstelling van een oogarts- gerechtsdeskundige met als opdracht een gemotiveerd advies te geven over de vraag of haar gezichtsvermogen al dan niet voldeed aan de omschrijving "Gezichtsscherpte 0,5-0,4 met of zonder bril, waarbij kleurenonderscheidingsvermogen gebrekkig mag zijn" en in voorkomend geval of zich een evolutie zou kunnen hebben voorgedaan ten opzichte van de onderzoeksvaststellingen van dr. S. en dr. W. . Met het beroepen vonnis verklaarde de Arbeidsrechtbank de vordering ontvankelijk doch wees zij de vordering af. In het motiverend gedeelte van haar beslissing stelde zij evenwel dat de vordering van Mevrouw M. niet ontvankelijk was nu zij niet over een subjectief recht beschikte om een deskundige te horen aanstellen die zou nagaan of haar dossier op grond van onbetwistbaar correcte medische technische vaststellingen werd behandeld, noch om te worden aangeworven door de NMBS en dat bovendien reeds een verzoekschrift werd neergelegd bij de Raad van State om de door de NMBS genomen beslissing te horen toetsen aan de beginselen van behoorlijk bestuur. VOORWERP VAN HET HOGER BEROEP Mevrouw M. verzoekt het Hof het beroepen vonnis te vernietigen en opnieuw beslissend, haar oorspronkelijke vordering in te willigen en de aan te stellen deskundige daarenboven te gelasten zijn advies te geven over de vraag of haar gezichtsvermogen haar toelaat om de functie van onthaalbediende uit te oefenen. De NMBS verzoekt het Hof het hoger beroep onontvankelijk en minstens ongegrond te verklaren met veroordeling van Mevrouw M. tot de kosten. BEOORDELING 1.Ontvankelijkheid Het hoger beroep is regelmatig naar vorm en werd ingeleid binnen de daartoe voorziene wettelijke termijn. Het is derhalve ontvankelijk. 2.Ten gronde De eerste vraag die zich aandient betreft de rechtsmacht van de arbeidsgerechten om van het geschil kennis te nemen. Krachtens artikels 144 en 145 van de Grondwet zijn de rechtscolleges van de Rechterlijke Orde bevoegd om kennis te nemen van geschillen over burgerlijke en politieke rechten, hetzij het geheel van de subjectieve rechten. Deze bevoegdheid is exclusief voor wat de geschillen over burgerlijke rechten betreft.Voor geschillen over politieke rechten kan de wet die bevoegdheid aan andere rechtscolleges toevertrouwen. Artikel 160 van de Grondwet heeft de Raad van State ingesteld als administratief rechtscollege en als adviesorgaan waarvan de bevoegdheid door de wet wordt bepaald. De bevoegdheid tot nietigverklaring die krachtens artikel 14 van de Raad van Statewet wordt toegekend aan de afdeling administratie van de Raad van State doet geen afbreuk aan de bevoegdheden van de rechterlijke macht om kennis te nemen van geschillen over subjectieve rechten. De bevoegdheid van de Raad van State betreft immers objectieve geschillen waarbij de bestuurshandeling op haar wettigheid wordt getoetst. In voorkomend geval vernietigt de Raad van State de bestuurshandeling zonder daarbij uitspraak te doen over de subjectieve rechten van de verzoeker. Het onderscheid tussen objectieve beroepen en subjectieve beroepen wordt vaak kunstmatig geacht en geeft aanleiding tot talrijke bevoegdheidsproblemen. Het objectieve recht en het subjectieve recht zijn immers de keerzijde van dezelfde medaille. Het objectieve recht legt gedragsregels op waaruit een rechtssubject aanspraken kan putten om die gedragsregels te doen naleven ( zie o.m. S.Lust, Tussen objectief en subjectief beroep, belang en hoedanigheid in de procedure voor de Raad van State, Goed procesrecht, Goed procederen, Gandaius Kluwer, 2002-2003, p. 626; D.D'Hooghe en L.Schellekens, De interferentie tussen Kortgedingprocedures voor de Raad van State en Gerechtelijke procedure voor andere rechtsmachten, Adminstratieve Rechtsbibliotheek, Die Keure, 2004 p234 en aldaar vermelde verwijzingen in voetnoot 3; P.Van Orshoven, Administratieve rechtbanken Ja en Neen, Pleidooi voor jurisdictioneel monisme, RW 94-95,897). Het werkelijk en rechtstreeks voorwerp van het geschil is bepalend voor de bevoegdheidsafbakening tussen het objectief en subjectief beroep (zie o.m. Cass. 17-5-78, Arr.Cass. 78,1084; Cass.13-12-2001, C.99.0383.N ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20011213.7; Cass. 13-6-2003, C.02.0557.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030613.8.; Cass.13-2-2004, C.03.0428.F ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040213.
- en C.03.0455.F ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040213.12.). Wanneer de vordering gegrond is op een juridische verplichting die door een regel van objectief recht aan een derde wordt opgelegd en bij wier uitvoering de eiser belang heeft, heeft zij een subjectief recht tot voorwerp (Cass. 13-12-2001) Dit is steeds het geval wanneer om rechtsherstel wordt verzocht. Wordt voor de Raad van State enkel de vernietiging gevorderd van een administratieve handeling, dan is deze bevoegd om over dit objectief beroep uitspraak te doen. Dat die uitspraak onrechtstreeks een weerslag heeft op de subjectieve rechten van de betrokkene doet daar niets aan af (Cass.10-4-87, A.C 86-87,1043, conclusie advocaat-generaal Velu). Mevrouw M. benadrukt dat het geschil geenszins betrekking heeft op de appreciatiebevoegdheid van de NMBS om, binnen de grenzen van redelijkheid en de beginselen van behoorlijk bestuur, o.m. op grond van een juiste feitelijke achtergrond uit te maken of zij een kandidaat al dan niet benoemt. Zij meent echter dat er ernstige aanwijzingen zijn om te besluiten dat de vaststellingen waarop de overheid zich baseert om haar beslissing te treffen niet correct zijn en merkt bovendien op dat zonder motivatie een selectie werd gemaakt uit het geheel van de feiten. Mevrouw M. stelt uitdrukkelijk dat haar vordering er niet toe strekt de nietigverklaring van de beslissing van de Beroepscommissie te bekomen waarbij zij medisch ongeschikt werd verklaard voor aanwerving in de door haar beoogde betrekking en benadrukt dat zij de beoordelingsbevoegdheid van die Commissie onverlet laat nu zij niet vordert dat het Hof zou beslissen dat haar gezichtsvermogen beantwoordt aan de minimavereisten die voor de aanwerving in die betrekking gelden. Omdat zij de motivering ervan niet afdoende acht heeft Mevrouw M. tegen de beslissing van de Beroepscommissie een annulatieberoep ingesteld bij de Raad van State die bevoegd is deze beslissing op haar wettigheid te toetsen. In ondergeschikte orde vorderde zij dat de Raad van State alvorens recht te doen een deskundige zou aanstellen met als opdracht haar te onderzoeken en zijn advies uit te brengen over het feit of zij al dan niet voldoet aan de medische minimumvereisten voorzien in het ARPS-bundel 578 om aangeworven te kunnen worden als onthaalbediende. In zijn verslag heeft de Auditeur bij de Raad van State overwogen dat op dit verzoek niet kon worden ingegaan daar het niet aan de Raad van State is om te beslissen, op zicht van een deskundigenverslag of Mevrouw M. al dan niet voldoet aan de medische geschiktheidsvoorwaarden en het enkel aan de NMBS is daarover te beslissen. Mevrouw M. stelt dat haar vordering geen andere juridische draagwijdte heeft dan het tegensprekelijk en tegenstelbaar advies van een onafhankelijke deskundige te bekomen. Zij voert aan recht te hebben op een beoordeling van haar dossier op grond van onbetwistbaar correcte medisch-technische vaststellingen, waarvan de juistheid en objectiviteit boven elke twijfel verheven is en dus ook op het op tegensprekelijke wijze verkrijgen van dergelijke vaststellingen. Uit de algemene beginselen van behoorlijk bestuur kan Mevrouw M. een subjectief recht putten dat de NMBS haar beslissing zou steunen op correcte objectieve vaststellingen aangaande haar gezichtsvermogen en de toetsing daarvan aan de wettelijke en reglementaire vereisten voor de functie waarvoor zij kandideerde. De beginselen van behoorlijk bestuur hebben immers o.m. tot doel een inhoudelijk juiste, behoorlijk afgewogen beslissing te genereren (C Berx, Rechtsbescherming van de burger tegen de overheid, Intersentia, 2000 nr 394). Er dient evenwel opgemerkt te worden dat de medisch technische vaststellingen van een deskundige niet onbetwistbaar zijn en dat de juistheid en objectiviteit ervan niet "boven elke twijfel verheven " zijn. Zij kunnen enkel gelden als een technisch advies, weliswaar met een zeker gezag en een waarborg van tegenspraak. Luidens artikel 962 van het Gerechtelijk Wetboek kan de rechter enkel een deskundige gelasten vaststellingen te doen of een technisch advies te geven ter oplossing van een voor hem gebracht geschil of ingeval een geschil werkelijk en dadelijk dreigt te ontstaan. Dit houdt hiermee verband dat het advies van een deskundige een bewijsmiddel is dat moet dienen om een geschil te beslechten. De bewijswaardering komt de rechter toe bij de beslechting van het geschil. De gestelde voorwaarden zijn een toepassing van artikel 18, 2de Gerechtelijk Wetboek waarin wordt bepaald dat een rechtsvordering kan worden toegelaten indien zij is ingesteld om de schending van een ernstig bedreigd recht te voorkomen.De partij die erom verzoekt dient haar belang aan te tonen. In voorliggend geschil acht het Hof die voorwaarden niet vervuld. Er werd aan dit Hof geen geschil voorgelegd en er blijkt niet dat er een geschil werkelijk of dadelijk dreigt te ontstaan. Het objectief beroep hangende voor de Raad van State werd nog niet beslecht. Indien de Raad van State oordeelt dat er geen reden is tot vernietiging van de beslissing van de Beroepscommissie, dan verkrijgt die beslissing een definitief karakter. Wordt ze wel vernietigd, dan wordt in principe door de betrokken overheid een nieuwe beslissing genomen waarbij vanzelfsprekend de beginselen van behoorlijk bestuur in acht dienen te worden genomen. Het Hof meent dat Mevrouw M. geen actueel belang heeft bij het instellen van haar vordering. Dit geldt eveneens voor de uitbreiding van haar vordering in hoger beroep waarin zij verzoekt de opdracht van de deskundige uit te breiden tot de vraag of haar gezichtsvermogen haar toelaat de functie van onthaalbediende uit te oefenen. Het Hof is derhalve van mening dat de vordering niet toelaatbaar is. OM DEZE REDENEN, HET ARBEIDSHOF Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24, Rechtsprekend op tegenspraak, Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond, Bevestigt het beroepen vonnis, Verklaart de uitbreiding van de vordering in graad van beroep eveneens onontvankelijk. Veroordeelt Mevrouw M. tot de kosten van het hoger beroep, tot op heden begroot op : In hoofde van appellante : Rechtsplegingsvergoeding hoger beroep :279, 60 EUR In hoofde van geïntimeerde : Rechtsplegingsvergoeding hoger beroep : 46, 60 EUR Aldus gewezen en uitgesproken op de openbare terechtzitting van de 3de kamer van het Arbeidshof te Brussel op 13 september 2005, waar aanwezig waren : Mevrouw G. BALIS, Kamervoorzitter, De Heer R. WAEYAERT, Raadsheer in sociale zaken als werkgever, De Heer M. WAMPERS, Raadsheer in sociale zaken als werknemer-bediende, Mevrouw L. HERREGODTS, Griffier. PDF document ECLI:BE:CTBRL:2005:ARR.20050913.33 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20011213.7 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030613.8 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040213.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div