← België

ECLI:BE:CTBRL:2005:ARR.20050913.35

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 13 september 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2005:ARR.20050913.35 Rolnummer: 46114 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-10-13 Raadplegingen: 145 - laatst gezien 2026-07-02 03:40 Fiche De werkgever die het e-mail verkeer van zijn werknemers controleert en/of inziet zonder de in hogervermelde reglementering na te leven, met name een voorafgaande informatieplicht over de mogelijke controles, mag de aldus onrechtmatig verkregen gegevens niet als geldig bewijsmateriaal gebruiken in een gerechtelijke procedure. Vrije woorden: ARBEIDSOVEREENKOMSTEN - ALGEMENE REGELINGEN - Bescherming van de persoonlijke levensfeer van de werknemer - K.B. 12 augustus 2002 die de CAO van de Nationale Arbeidsraad Nr.

  1. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 35 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN 13 SEPTEMBER TWEEDUIZEND EN VIJF. DERDE KAMER Bediendecontract Tegensprekelijk Definitief In de zaak: DE N.V. WILSON LOGISTICS BELGIUM, met maatschappelijke zetel gevestigd te 1931 Brucargo, Building 706room 59, met als ondernemingsnummer 0452.384.937, Appellante, geïntimeerde op incidenteel hoger beroep, vertegenwoordigd door Mter P. Marcon, advocaat te 2020 Antwerpen; Tegen : Mevrouw W. A., die woonstkeuze heeft gedaan op het kantoor van Jean-Paul DE MEULENAERE, Gerechtsdeurwaarder met standplaats te Vilvoorde, die kantoor houdt te 1800 Vilvoorde, Stationlei, 13, Geïntimeerde, appellante op incidenteel hoger beroep, vertegenwoordigd door Mter Ph. Bernaerts, advocaat te 2000 Antwerpen; ó ó ó Na beraadslaging, velt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest: Gelet op de stukken van de rechtspleging en meer bepaald op : - het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis uitgesproken op tegenspraak door de Arbeidsrechtbank te Brussel op 28 mei 2004; - het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit Hof op 3 december 2004; - de besluiten en aanvullende besluiten van geïntimeerde neergelegd ter griffie van dit Hof, respectievelijk op 6 december 2004 en 16 maart 2005; - de besluiten en synthesebesluiten van appellante neergelegd ter griffie van dit Hof , respectievelijk op 31 januari 2005 en 15 april 2005; - de voorgelegde stukken; Gehoord partijen in hun middelen en beweringen op de openbare terechtzitting van 21 juni 2005; x x x RELEVANTE FEITEN EN RECHTSPLEGING Mevrouw W. trad op 1-1-2000 als "Operations General Manager BRUCARGO" in dienst van de N.V. WILSON BELGIUM met een schriftelijke arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur van 22-12-'
  2. De vennootschap is actief als commissionair-expediteur in de transportsector. Met een aangetekende brief van 15-11-2002 stelde de vennootschap een einde aan de arbeidsovereenkomst om dringende reden. De dringende redenen werden haar ter kennis gebracht bij gerechtsdeurwaardersexploot van 19-11-
  3. De dringende redenen betroffen: -de miskenning van interne regels m.b.t. het toekennen van kredieten, meer bepaald het toekennen aan een maatschappij IPF van een krediet van 40.000 Euro dat ingevolge faillissement van die vennootschap verloren zou zijn gegaan. De kredietverlening zou te verklaren zijn door de persoonlijke relaties van Mevrouw W. met de zaakvoerster van die vennootschap en de relatiegeschenken die zij van die vennootschap had ontvangen, -het doorzenden van een bedrijfsrapport met vertrouwelijke informatie aan haar echtgenoot die in dienst was van een concurrerende firma, -het uitoefenen van nevenactiviteiten, in samenwerking met haar echtgenoot tijdens de werkuren nl. de invoer en verkoop van bananen en yucca's waarbij de vennootschap ITF eveneens een rol zou hebben gespeeld, -het versturen van sollicitatiebrieven vanop een e-mail account van Wilson tijdens de normale kantooruren, -een proefdruk van naamkaartjes op haar bureau te hebben laten liggen waarin zij zich als "consultant" profileerde. Mevrouw W. betwistte de tegen haar ingeroepen dringende reden met een brief van 29-11-
  4. Met dagvaarding van 12 december 2002 spande Mevrouw W. een geding aan tegen de vennootschap voor de Arbeidsrechtbank van Antwerpen. Zij vorderde de veroordeling van de vennootschap tot betaling van volgende bedragen: Een verbrekingsvergoeding van 6 maanden : 28.455, 94 EUR Vakantiegeld op gewaarborgd loon : 26, 40 EUR Pro rata eindejaarspremie : 3.312, 85 EUR Vakantiegeld hierop : 508, 19 EUR Morele schadevergoeding wegens rechtsmisbruik : 25.000,00 EUR Verder vordert Mevrouw W. de afgifte van de sociale documenten en van " een aantal van haar persoonlijke bezittingen " onder verbeurte van een dwangsom van 1.000 EUR per dag vertraging. Bij conclusie van 15 april 2003 stelde de vennootschap een tegenvordering in ten belope van provisioneel 41.000 EUR, later aangepast tot 49.597, 92 EUR, bij wijze van vergoeding voor schade veroorzaakt door Mevrouw W. bij de uitvoering van haar arbeidsovereenkomst. Met een vonnis van 8-10-2003 verklaarde de Arbeidsrechtbank te Antwerpen zich onbevoegd om van het geschil kennis te nemen en verzond de zaak naar de Arbeidsrechtbank te Brussel. Met het beroepen vonnis verklaarde de Arbeidsrechtbank zowel de hoofd- als de tegenvordering " ontvankelijk en gegrond ", Vooraleer recht te doen ten gronde liet zij de vennootschap toe met getuigen het bewijs bij te brengen van volgende feiten: - dat de Heer D. H., manager-director van verweerster, slechts op 14 november 2002 werd op de hoogte gebracht van het feit dat eiseres van de firma een ITF een portable PC had ontvangen. - dat tijdens de managementmeeting van Wilson, op 24 september 2001, aan eiseres werd opgelegd dat zij slechts kredieten aan klanten kon toestaan tot een bedrag van 100.000 BEF. - dat ITF een klant was die gevolgd werd door eiseres, dat zij daarvoor verantwoordelijk was en dat eiseres getolereerd had dat aan deze klant een aanzienlijk krediet werd verleend. - dat eiseres in de maand oktober 2002, meer bepaald van 27 oktober tot 30 oktober 2002 twee vliegtuigtickets (Brussel-Kinshasa-Brussel) gekregen had als geschenk van ITF, en zij met haar echtgenoot verbleef ten huize van de Congolese zaakvoerster van ITF. en beval verder het verhoor van partijen omtrent de vraag wie precies de verantwoordelijkheid draagt voor een vrijgave van de goederen of documenten, zonder dat daaraan een concrete betaling beantwoordt, en met betrekking tot het opstellen van de naamkaartjes met het G.S.M. nummer van de firma Wilson, evenals m.b.t. de punten die het voorwerp uitmaken van het getuigenverhoor. VOORWERP VAN DE HOGERE BEROEPEN De vennootschap kan zich niet neerleggen bij de uitspraak van de Arbeidsrechtbank. Zij verzoekt het Hof het beroepen vonnis teniet te doen in de mate het de diverse e-mailberichten als ongeldig bewijs afwees en dit bewijs alsnog geldig te verklaren, vervolgens, de oorspronkelijke vordering van Mevrouw W. als ongegrond af te wijzen en haar eigen tegenvordering als gegrond toe te kennen en Mevrouw W. te veroordelen haar een bedrag te betalen van 49.597,92 Euro en de gerechtelijke intresten op dat bedrag tot de datum van betaling,onder voorbehoud van vermeerdering in de loop van de procedure. In ondergeschikte orde, voor zover het Arbeidshof van mening zou zijn dat het faillissement van ITF geen bewijs vormde van de onmogelijkheid van inning van haar schuldvordering op die vennootschap ten bedrage van 48.597,92 Euro, een boekhoudkundig expert aan te stellen met als opdracht het financieel verlies ten gevolge van het faillissement van de B.V.B.A. INDUSTRIAL TRADING AND FRUIT COMPANY te begroten en zijn bevindingen op te nemen in een beredeneerd verslag. Nog meer ondergeschikt vordert zij dat de zaak opnieuw zou worden verwezen naar de eerste rechter voor verderzetting van het bevolen getuigenverhoor, minstens en voor zover als nodig haar nog toe te laten met alle middelen van recht, getuigenbewijs inbegrepen, volgende feiten aan te tonen: - dat tijdens de mangementmeeting van concluante van 24 september 2001 W. werd opgelegd dat zij slechts kredieten aan klanten kon toestaan tot een bedrag van 100.000,-BEF. - dat ITF een klant was die gevolgd werd door W. en zij hiervoor de verantwoordelijkheid droeg en W. getolereerd had dat aan deze klant een aanzienlijk krediet werd verleend. - dat in de maanden voorafgaand aan het ontslag op 15 november 2002 regelmatig opmerkingen werden gemaakt door concluante aan W. over de betalingsachterstand van ITF. Dat zij hiervoor einde september 2002 op het matje geroepen werd door de Heer De H. (de Managing Director bij concluante en de persoon aan wie ze verantwoording diende af te leggen). Dat nadien haar diverse malen werd gevraagd hoe het stond met de " betalingen" door ITF. Dat W. steeds geruststellend betalingen aankondigde maar deze betalingen uitbleven. Dat op 15 november 2002 een achterstal openstond van rond de 40.000 EUR. - dat na een gesprek met het personeel op 14 november 2002 de Heer D. H. van concluante op de hoogte werd gebracht dat W. een laptop was geschonken door ITF. Dat tijdens een gesprek op dezelfde dag W. erkende dat zij deze laptop gekregen had " als relatiegeschenk ". - dat W. op deze vergadering van 14 november 2002 uitdrukkelijk haar instemming had gegeven dat de inhoud van haar e-mails mocht worden gecontroleerd. Toen concluante op vreemde berichten stuitte en haar hierover interpelleerde, raakte W. in paniek en schreeuwde ze naar huis te gaan. W. weigerde nog verder te antwoorden op pertinente vragen van concluante. De dag daarop, op 15 november 2002 meldde W. zich " ziek ". - dat op 14 november 2002 op het bureel van W. een proefdruk gevonden werd van naamkaartjes waarbij W. zich profileert als " consultant ". - dat W. in de maand oktober 2002, meer bepaald van 27 tot 30 oktober 2002, twee vliegtuigtickets (Brussel-Kinshasa-Brussel) gekregen had als geschenk van ITF en zij aldaar met haar echtgenoot verbleef ten huize van de Congolese zaakvoerster van ITF (INDUSTRIAL TRADING & FOOD), Mevrouw Liliane H. in Kinshasa. - dat W. reeds 4 maanden vroeger voor haar ontslag op 15 november 2002, aan derden had verteld dat ze het voornemen had een eigen bedrijf op te starten. - dat Mevrouw Mc Carradine, enkel vroeger in dienst was bij de groep van concluante. Dat zij in 2002 en in de maanden september tot november 2002 niet meer in dienst was bij een vennootschap behorende tot de groep WILSON COLOMBIA. Dat dit filiaal in Colombia alsdan reeds enige tijd opgehouden had te bestaan. Mevrouw W. is het evenmin eens met de uitspraak van de Arbeidsrechtbank en stelde bij conclusies 6 december 2004van incidenteel hoger beroep in. Zij verzoekt het Hof dit ontvankelijk en gegrond te verklaren, de oorspronkelijke vordering eveneens ontvankelijk en gegrond te verklaren en de vennootschap derhalve te veroordelen tot betaling van de gevorderde bedragen, de wettelijke intresten erop, minstens de verwijlintresten, allerminst de vergoedende intresten vanaf 15-11-2002, en de gerechtelijke intresten vanaf de dagvaarding De vennootschap tevens, onder verbeurte van een dwangsom van 1.000,00 EUR per dag vertraging bij gebreke aan vrijwillige afgifte ervan binnen de 24 uren na de betekening van het tussen te komen vonnis, te veroordelen tot teruggave van de hiernavolgende goederen van verzoekster, te weten één agenda, diverse telefoonboekjes, één vulpen. De N.V. WILSON LOGISTICS BELGIUM eveneens te horen veroordelen tot afgifte van de sociale documenten, nl. een formulier C4, de loonfiche en de fiscale fiche, conform de eis, zoals hogervermeld, onder verbeurte van een dwangsom van 125,00 EUR per document, per dag vertraging, bij gebreke aan afgifte ervan binnen de 10 dagen na de betekening van het tussengekomen vonnis. BEOORDELING 1.Ontvankelijkheid Het hoger beroep is regelmatig naar vorm en werd ingeleid binnen de daartoe voorziene wettelijke termijn. Hetzelfde geldt voor het incidenteel hoger beroep. Beide zijn dan ook ontvankelijk.
  5. Ten gronde Het dictum van het vonnis berust kennelijk op een vergissing waar het de hoofd- en tegenvordering reeds gegrond verklaarde, nu daarna een getuigenverhoor en een verhoor van partijen wordt bevolen "vooraleer recht te doen ten gronde". A. De naleving van de formele voorschriften van het ontslag om dringende reden (incidenteel hoger beroep) Mevrouw W. houdt voor dat de vennootschap reeds lange tijd op de hoogte was van de feiten die nadien werden ingeroepen voor het ontslag om dringende reden zodat de termijn van 3dagen voor het geven van ontslag die door artikel 35 W.A.O.wordt opgelegd niet werd nageleefd. Zij wijst erop dat de vennootschap in de ontslagbrief van 19-11-2002 toegaf dat zij reeds op het einde van de maand september diende vast te stellen dat ITF open stond voor een bedrag van meer dan 40.000 Euro, zodat zij dit feit op 15-11-2002 niet meer kon inroepen als dringende reden. Bovendien legde de vennootschap reeds op 25-10-2002 bewarend beslag onder derden in handen van de NV FORTIS BANK voor diverse nog openstaande facturen voor een totaal bedrag van 40.000 Euro . De Arbeidsrechtbank trad deze zienswijze bij en de beslissing werd op dit punt niet aangevochten door de vennootschap. De vennootschap benadrukt dat de Heer D. H., managing director pas op 14-11-2002 vernam dat Mevrouw W. van ITF een relatiegeschenk van aanzienlijke waarde , nl een laptop had gekregen en dat Mevrouw W. dit erkende tijdens een gesprek op dezelfde dag en dat dit feit volgens haar de welwillendheid van Mevrouw W. m.b.t. de kredietoverschrijding door ITF verklaarde, hetgeen voor haar doorslaggevend was om tot een ontslag om dringende reden te beslissen. Ook een aantal andere feiten die zij als dringende reden beschouwde zouden haar pas ter kennis zijn gekomen via nazicht van het e-mailverkeer van Mevrouw W. en met haar toestemming op diezelfde datum. Terecht meende de Arbeidsrechtbank dat de kennisname van die feiten bepalend was voor de naleving van de driedagentermijn. Zij stond het getuigenbewijs toe m.b.t. de kennisname van de bezwarende feiten op 14-11-
  6. Of die beslissing moet worden gehandhaafd zal hierna verder worden onderzocht. B. De geldigheid van het verkregen bewijsmateriaal De Arbeidsrechtbank oordeelde dat zij geen rekening kon houden met bewijsmateriaal dat onwettelijk werd verkregen via controle van het e-mailverkeer nu de bepalingen van de bij K.B. van 12-8-2002 algemeen verbindend verklaarde C.A.O nr. 81 van de Nationale Arbeidsraad van 26-4-2002 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de werknemer ten opzichte van de controle van de elektronische on-line communicatiegegevens niet werden nageleefd en dat het akkoord van Mevrouw W. op het ogenblik dat zij nog in dienst was en voorafgaandelijk aan de kennisname niet tot gevolg kon hebben dat het wettelijk verbod tot kennisneming van deze gegevens terzijde werd geschoven. De vennootschap betwist dat het bewijsmateriaal onwettig zou zijn verkregen. Zij stelt dat de C.A.O. nr 81 slechts betrekking heeft op on-linecommunicatiegegevens hetgeen begrepen dient te worden als gegevens m.b.t. een overbrenging, uitzending of ontvangst en niet op berichten die op statische wijze in een bestand op een PC zijn opgeslagen en dus off-line. De C.A.O. moet volgens haar beperkend worden uitgelegd nu hij strafrechtelijk afdwingbaar is. Zij meent dat de C.A.O. nr 81 bovendien niet van toepassing is op privé-gebruik door de werknemer en controle ervan nu dergelijk privégebruik zich buiten de voor de arbeidsverhouding kenmerkende gezagsverhouding bevindt. Zelfs al zou de C.A.O. toepassing vinden,dan diende volgens haar de daarin voorziene procedure, gelet op de toestemming van Mevrouw W. niet gevolgd te worden. Evenmin acht zij artikel 190 ter D van de wet van 21-3-'91 en artikel 314 bis Strafwetboek toepasselijk die slechts toepasselijk zijn op relaties tussen derden en werkgevers en werknemers in het raam van een arbeidsrelatie geen derden zijn en de werknemer steeds geacht wordt te handelen voor de werkgever. Bovendien verbiedt artikel 190 ter D van de wet van 21-3-'91 volgens de vennootschap enkel de kennisname met bedrieglijk opzet en ontbreekt dergelijk opzet in huidig geschil. Artikel 314 Bis Strafwetboek heeft dan weer betrekking op het onderscheppen van de inhoud van communicatie tijdens de overbrenging ervan, waarvan al evenmin sprake is. Ten slotte houdt zij voor dat het geenszins privé e-mails betrof doch e-mails die betrekking hadden op bedrijfswerkzaamheden. De controle van het e-mailverkeer van Mevrouw W. dient niet enkel getoetst te worden aan de bepalingen van C.A.O. nr 81 maar eveneens aan de wettelijke bepalingen die een hogere rangorde innemen in de hiërarchie der rechtsbronnen en die het recht op privacy waarborgen. Het gebruik van communicatiemiddelen en de vertrouwelijkheid van de communicatie maken deel uit van de communicatieve privacy, een aspect van het recht op privacy dat als grondrecht ingeschreven is in artikel 22 van de Grondwet, in artikel 8 EVRM, artikel 17 van het BUPO en directe derdenwerking heeft. Het geldt eveneens in de arbeidsrelatie. Volgens artikel 8 EVRM is inmenging in de persoonlijke levenssfeer slechts toegelaten met inachtname van het legaliteitsbeginsel, het finaliteitsbeginsel en het proportionaliteitsbeginsel . Dit geldt ook voor de inmenging van de werkgever in de persoonlijke levenssfeer van de werknemers. Het legaliteitsbeginsel veronderstelt dat de inmenging door de "wet" is voorzien. Volgens de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens wordt daarmee geen wet in formele zin bedoeld doch een wet in materiële zin: te verstaan als een regel die aan de betrokkenen bekend is zodat zij het effect ervan kunnen voorzien en hun gedrag eraan kunnen aanpassen ( Arrest Knopp. T Zwiterland 25-3-'
  7. Rep. Eur Court H.R. 1998,II, 524). In de arbeidsverhouding kan dit het arbeidsreglement zijn of een ander document dat aan de werknemers werd meegedeeld m.b.t. het gebruik van internet of e-mail (J.Dumortier, Little brother is watching you in Liber Amicorum, R.Blanpain, Die Keure, '98 p. 248) . Het finaliteitsbeginsel behelst het bestaan van gerechtvaardigde doeleinden. Het proportionaliteitsbeginsel houdt in dat dit doel op geen enkele andere manier kan worden bereikt. De werkgever dient zijn gezag uit te oefenen op een wijze die zo min mogelijk afbreuk doet aan de grondrechten van de werknemers. De werkgever dient ook de bepalingen in acht te nemen van de wet van 8-12-'92 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer m.b.t. de verwerking van persoonsgegevens die via de wetswijziging van 11-12-'98 werden aangepast aan de Europese richtlijn 95/46 van het Europees Parlement en de Raad van 24-10-'95 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens. Zodra bij een observatie individuele werknemers worden geïdentificeerd is er sprake van verwerking van persoonsgegevens in de zin van die reglementering. Elke communicatie via telefoon, fax, brief of computer valt onder toepassing van die wet. De verwerking kan gerechtvaardigd zijn indien ze noodzakelijk is voor de uitvoering van de arbeidsovereenkomst en voor de behartiging van het gerechtvaardigd belang van de werkgever.Dit is een toepassing van het proportionaliteitsbeginsel (A.Dumortier o.c. p 250). Ook deze wet bepaalt dat de werknemers moeten worden ingelicht over de controle en over wat met de verzamelde gegevens zal gebeuren (legaliteitsbeginsel). Geheim toezicht kan dus in beginsel niet. De controle van e-mail en internetgebruik dient eveneens getoetst te worden aan de communicatiebescherming gewaarborgd door de telecomwet van 21-3-'91,en o.m. aan artikel 109 ter C tot E. Artikel 109 ter D van de telecomwet verbiedt o.m. de kennisname met bedrieglijk opzet van het bestaan van telecommunicatieberichten, behoudens toestemming van alle betrokkenen. Van een bedrieglijk opzet is in voorliggende zaak kennelijk geen sprake. Artikel 109 ter D, 3° van die wet verbiedt echter eveneens, behoudens toestemming van alle betrokkenen, met opzet kennis te nemen van gegevens inzake telecommunicatie die betrekking hebben op een ander persoon. SMS en e-mail berichten vallen onder het begrip "gegevens inzake telecommunicatie" zoals beschreven in artikel 58,4° van diezelfde wet en hebben betrekking op een ander persoon. Om kennis te nemen van dergelijke gegevens is derhalve toestemming nodig van alle betrokken personen (F. Dumortier o.c. P 39; F.Hendrickx o.c. p 91). Het opzet bestaat in het voornemen om het geheim te doorbreken ten nadele van de werknemer en eventuele andere deelnemers door kennis te nemen van het bestaan van e-mail of internetgebruik en dus de privacy van minstens één deelnemer te schenden (L. Arnou, Het respecteren van het telefoongeheim in België na de afluisterwet van 30-6-'94, Computerrecht 95, p 162°). Het kennisnemen van de inhoud van de communicatie veronderstelt natuurlijk kennisname van het bestaan ervan (J.Dumortier, Internet op het werk, controlerechten van de werkgever. Or. 2000 p 35 e.v. in het bijzonder 37; F.Hendrickx, Electronisch toezicht op het werk, internet en camera's, Ced. Samson 2000 p '90-'91). Het begrip telecommunicatie behelst volgens artikel 68,4° van de wet van 21-3-'91 "elke overbrenging, uitzending, ontvangst van tekens, seinen, geschriften, beelden, klanken en gegevens van alle aard, per draad of via een ander elektromagnetisch systeem" . Artikel 109 ter E ,§ 1 voorzet in drie uitzonderingen op het verbod nl. wanneer de wet het stellen van bedoelde handelingen toelaat of oplegt, wannneer zij worden gesteld met als enig doel de goede werking van het netwerk na te gaan en de goede uitvoering van de communicatie te garanderen of wanneer zij de interventie van hulp-en nooddiensten mogelijk maken die antwoorden op aan hun gerichte verzoeken. Dat artikel 17,2° W.A.O. de werkgever op grond van zijn patronaal gezag een vrijbrief zou geven om registratie toe te laten in de zin van de eerste uitzondering van artikel 109 ter E van de wet kan niet worden aanvaard. De bepaling is te weinig precies om een beperking van een grondrecht te kunnen verantwoorden (J.dumortier o.c. 154; F. Hendrickx o.c. p 308). Volgens de rechtspraak van het EHRM is vereist dat de wettelijke bepalingen die een beperking instellen voldoende toegankelijk en precies zijn en de toepassing ervan voldoende voorspelbaar ( EHRM 2-8-84 insake Malone, Publ. Cour série 2 vol 95, 32-33). Het gaat er niet om dat het recht op privacy van de werknemer absoluut zou zijn en de werkgever machteloos zou staan t.o.v. ongeoorloofde praktijken die via het e-mailverkeer zouden gebeuren. Het gaat erom dat een aantal beginselen moeten gerespecteerd worden. Aan de controle van de door Mevrouw W. opgeslagen e-mailberichten ging kennelijk een algemene registratie van het e-mailverkeer van de werknemers vooraf. In de brief van 19-11-2002 waarin de dringende redenen voor het ontslag worden uiteengezet schrijft de vennootschap immers: "Voorts confronteerden wij u tijdens ditzelfde gesprek met uw veelvuldig e-mailverkeer. Uit de centrale registratie van het e-mailgebruik blijkt dat u veel berichten verzendt voor persoonlijk gebruik..." De C.A.O. nr 81 afgesloten in de Nationale Arbeidsraad was erop gericht om de bestaande grondwettelijke en wettelijke rechtsnormen te verduidelijken en om zo goed mogelijk in te spelen op de feitelijke situatie van de werkgevers, de werknemers en/of hun vertegenwoordigers. Het enig doel van de C.A.O. is ervoor te zorgen dat de persoonlijke levenssfeer van de werknemer wordt geëerbiedigd wanneer op zijn werkplek electronische communicatiegegevens worden verzameld om ze te controleren en te verwerken zodat ze aan een werknemer kunnen worden toegeschreven. De hoger aangehaalde wettelijke bepalingen blijven vanzelfsprekend onverminderd gelden. De gegevensverwerking moet in ieder geval voldoen aan het finaliteitsbeginsel, het proportionaliteitsbeginsel en het transparantiebeginsel . Nu artikel 2 van de C.A.O. bepaalt dat de electronische on-linecommunicatiegegevens worden geviseerd ongeacht de drager via welke één en ander door de werknemer wordt overgebracht of ontvangen in het kader van de dienstbetrekking met de bedoeling een kader vast te stellen dat ruim genoeg is om alle on-linetehcnologieën te omvatten en van toepassing is ongeacht de drager, kan daaruit besloten worden dat ook de opgeslagen e-mailberichten hiermee worden bedoeld. Mocht dit niet het geval zijn, dan vallen deze in ieder geval onder toepassing van de hierboven aangehaalde bepalingen van de wet van 21-3-'
  8. De C.A.O. bepaalt een aantal procedurevoorwaarden waaraan controle door de werkgever dient te voldoen en voorziet zowel in een collectieve als in een individuele informatie waarbij de werkgever informatie dient te verstrekken over alle aspecten van de controle met het oog op de naleving van het transparantiebeginsel.De vennootschap toont niet aan dat de werknemers werden ingelicht over een mogelijke controle van het e-mailverkeer en de modaliteiten ervan zodat het transparantiebeginsel niet werd nageleefd. Nu zij zelf stelt dat de gecontroleerde e-mailberichten geen beroepsmatig karakter hebben kan de vennootschap bezwaarlijk beweren dat zij daarvan zonder enige procedure kennis kon nemen. Aangezien bij het verzamelen van het bewijsmateriaal de regels die een inbreuk op de privacy kunnen verantwoorden niet werden nageleefd kan met het onrechtmatig verkregen bewijsmateriaal geen rekening worden gehouden. Hierin treedt het Hof de beslissing van de Arbeidsrechtbank bij(H.Buyssens, bewijs inzake arbeidsovereenkomstenrecht, in Actuele problemen van het Arbeidsrecht 4, Rigaux M. ed. Maklu 93, 312; W. Rauws en H. Schrijvens, De bescherming van de werknemers grondrechten binnen de individuele arbeidsverhouding in De toepasselijkheid van de grondrechten in private verhoudingen, Antwerpen Kluwer 82 p. 215). Het Hof deelt de zienswijze van de Arbeidsrechtbank dat met de beweerde toestemming van Mevrouw W. betreffende de kennisname van de e-mails geen rekening kan worden gehouden. Er blijkt immers dat er reeds voordien een observatie was die aanleiding gaf tot identificatie van Mevrouw W. en derhalve van verwerking van persoonsgegevens in de zin van de aangehaalde wettelijke bepalingen, in strijd met de wettelijke voorwaarden daartoe. Bovendien kan dergelijke toestemming geen afbreuk doen aan de dwingende wettelijke bepalingen die met het oog op de bescherming van het grondrecht van de werknemer werden ingesteld. Nu Mevrouw W. nog onder het gezag stond van de werkgever en gelet op de voorafgaande controle onder druk stond, was haar toestemming op dat ogenblik niet vrij. Bovendien betwist Mevrouw W. deze toestemming en stelt ze dat zij enkel akkoord was "om samen", in haar aanwezigheid dus, bepaalde e-mails te bekijken. De controle gebeurde echter buiten haar aanwezigheid. C.Gegrondheid van de dringende reden. Het feit dat Mevrouw W. zou hebben toegestaan dat de vennootschap ITF in belangrijke mate de kredietlijnen overschreed die zij bevoegd was toe te kennen kan op zichzelf niet als een dringende reden tot ontslag worden ingeroepen, nu de vennootschap van dit feit minstens sinds eind september kennis had, zoals zij zelf toegaf. Mevrouw W. wijst erop dat de vennootschap niettegenstaande zij van dit feit op de hoogte was, haar geen enkele opmerking heeft gemaakt en met die vennootschap zaken is blijven doen en dat toch rekening dient gehouden te worden met het feit dat de vennootschap niettegenstaande de belangrijke openstaande schuld toch ook regelmatig betalingen had verricht. Wat het onderzoek naar de kredietwaardigheid van de vennootschap betreft, stelt zij dat dit tot de verantwoordelijkheid behoorde van degene die de klant in het bestand aanmaakte. Nu zij aantoont dat zij op 24 juni met vakantie was in Griekenland op het ogenblik dat de klant in het computersysteem werd aangemaakt was zij hiervoor dus niet verantwoordelijk. Ten slotte stelt zij dat haar op geen enkel ogenblik kennis werd gegeven van de limieten van kredietoverschrijding die zij mocht toestaan. Volgens de stukken die de vennootschap voorlegt, werd zulks besproken op een vergadering waarop Mevrouw W. aanwezig was. Het verslag dat daarvan werd opgesteld werd evenwel door haar niet ondertekend, zodat niet met zekerheid vaststaat dat zij hiervan wel degelijk op de hoogte was. Op de zogenaamde "financial manual" waarvan overigens niet blijkt dat de personeelsleden er kennis van hebben gekregen, vermag het Hof geen acht te slaan nu deze in het Engels werd opgesteld. De vennootschap stelt echter dat dit feit in samenhang moet gezien worden met het aannemen van een duur relatiegeschenk, nl. een laptop die ITF op haar kantoren voor Mevrouw W. heeft afgeleverd. Dat Mevrouw H. van de vennootschap ITF een laptop heeft afgeleverd op de zetel van de N.V. WILSON LOGISTICS BELGIUM wordt door Mevrouw W. niet betwist. Zij betwist echter ten stelligste dat het om een geschenk zou gaan en eveneens dat de waarde ervan aanzienlijk was. Zij beweert dat de laptop slechts in bruikleen werd gegeven opdat haar echtgenoot, de Heer B. M. deze tijdens een periode van arbeidsongeschiktheid thuis zou kunnen gebruiken. Zij legt een verklaring voor van Mevrouw H. waarin deze bevestigt dat het een defecte laptop betrof en een factuur waaruit blijkt dat aan de laptop herstellingen werden uitgevoerd voor een belangrijk bedrag van 279 Euro. Aldus wordt aangetoond dat de laptop inderdaad defect was en er derhalve geenszins een aanzienlijke waarde aan kon worden toegeschreven. Natuurlijk bleef het een dienst vanwege ITF die Mevrouw W. aanvaardde en het was daarenboven weinig kies die op de zetel van de vennootschap te laten afleveren. Hierdoor werd het moeilijk een strenge houding aan te nemen met betrekking tot de aanzuivering van de openstaande schuld van ITF. Het blijkt echter niet dat dit bepalend was voor het toestaan van betalingsfaciliteiten. Op het ogenblik dat deze laptop werd afgeleverd, nl. in september was er reeds een belangrijke openstaande schuld, waarvan de werkgever kennis had. Het blijkt niet dat Mevrouw W. dit feit voor de vennootschap verborgen zou hebben willen houden, nu de laptop werd afgeleverd in het bijzijn van meerdere personeelsleden die evenwel niet konden vaststellen dat de laptop defect was. De vennootschap had er dus beter aan gedaan Mevrouw W. te horen met betrekking tot dit feit vooraleer er een ontslag om dringende reden op te gronden. Het Hof meent dat het aanvaarden van die dienst zeker een fout is doch acht deze niet dermate ernstig dat zij de samenwerking onmiddellijk en definitief onmogelijk maakte. Het Hof houdt er rekening mee dat Mevrouw W. en de Heer De H., de General Manager van de vennootschap en haar echtgenoot, B. M., geruime tijd als collega's samenwerkten voor een andere werkgever, voor zij bij Logistics aan de slag gingen en dat er tussen hen een nauwe band bestond, hetgeen een uitleg kan zijn voor een meer nonchalante handelwijze. De vennootschap beweert dat zij na het ontslag vernam dat Mevrouw H. van ITF Mevrouw W. op haar kosten had uitgenodigd in Kinshasa, de vliegtuigtickets van Hewa Bora Airways betaalde en in haar huis logeerde. De vennootschap biedt daaromtrent het getuigenbewijs aan. Mevrouw H. ontkent die feiten ten stelligste in een verklaring die Mevrouw W. voorlegt. Een verklaring van de Heer De H., de persoon die tot het ontslag heeft beslist waarin hij beweert zulks te hebben vernomen van Mevrouw V. en van Mevrouw G. geldt geenszins als een bewijs, nu blijkt dat die betrokken personen daarover zelf geen verklaring hebben afgelegd. Er bevindt zich nochtans een verklaring van Mevrouw V. in het dossier van de vennootschap met betrekking tot andere elementen. Feiten die na het ontslag worden ontdekt kunnen in aanmerking worden genomen bij de beoordeling van de ernst van de ingeroepen dringende reden voor ontslag in de mate dat zij de zwaarwichtige aard ervan bevestigen (Cass. 27-2-78 Pas. 78,737; Cass. 17-10-73, Pas 74, 182). Het Hof meent dat de voor het ontslag ingeroepen feiten niet als een dringende reden kunnen worden aangezien daar zij de voortzetting van de arbeidsrelatie niet onmiddellijk en definitief onmogelijk maken. Het acht een getuigenbewijs zowel met betrekking tot de kennisname van de later ingeroepen feiten als met betrekking tot het bestaan ervan overbodig. Met de dringende redenen vermeld in de brief van 19-11-2002 onder het punt 3) a.b en c kan het Hof geen rekening houden nu de vennootschap deze wenst aan te tonen met de inhoud van e-mailberichten die zij onwettig heeft verkregen, zoals hierboven werd uiteengezet. Mevrouw W. betwist overigens dat een aantal van die e-mailberichten door haar zouden zijn verstuurd. Aangezien verschillende medewerkers toegang hadden tot haar computer, en o.m. de Heer D. H. sluit zij niet uit dat doelbewust voor haar bezwarende e-mailberichten onder haar naam werden verzonden. Ter illustratie van die mogelijkheid toont zij aan dat 6 maanden na haar ontslag nog een e-mail verstuurd werd vanop haar e-mail account bij Wilson. De dringende reden onder punt 3.d betreft het uitvoeren van nevenactiviteiten die de vennootschap bewezen acht aan de hand van een proefdruk van een visitekaartje op naam van Mevrouw W. met vermelding "consultant" die de vennootschap op haar bureau aantrof. Volgens Mevrouw W. betrof het een grapje van de drukker, een vriend, i.v.m. advies dat Mevrouw W. en haar echtgenoot zouden hebben gegeven i.v.m. de installatie van een keuken. Zij brengt hiervoor verklaringen voor van de drukker in kwestie en een exemplaar van de intussen gedrukte naamkaartjes waarop die vermelding ontbreekt. Het Hof acht aan de hand van die proefdruk geenszins bewezen dat Mevrouw W. bijkomende, gedeeltelijk concurrerende nevenactiviteiten uitoefende tijdens de kantooruren. Zelfs indien de bewering van de vennootschap juist zou zijn dat Mevrouw W. reeds vier maanden eerder aan getuigen had verklaard dat zij een eigen bedrijf wenste op te starten, dan vloeit daaruit nog niet voort dat zij daadwerkelijk een nevenactiviteit uitoefende toen zij nog in dienst was van de vennootschap. Het ontslag om dringende reden werd onrechtmatig gegeven, nu de ingeroepen dringende redenen, hetzij niet bewezen zijn, hetzij ongegrond. De vennootschap is derhalve aan Mevrouw W. overeenkomstig artikel 39 W.A.O. een opzeggingsvergoeding verschuldigd. De vennootschap formuleert in ondergeschikte orde een aantal opmerkingen met betrekking tot het basisjaarloon, meer bepaald wat betreft: -de bijdrage in de groepsverzekering. Terecht stelt de vennootschap dat slechts de patronale bijdrage in aanmerking kan worden genomen en niet de eigen bijdrage betaald door de werknemer. De door Mevrouw W. gemaakte afrekening bleek echter correct nu kennelijk 4 premies werden betaald voor pensioen, overlijden, invaliditeit en medische kosten voor het totaal bedrag dat zij aangeeft -het voordeel bestaande uit het genot van het privégebruik van het bedrijfsvoertuig. De vennootschap merkt hierbij op dat rekening dient gehouden te worden met het bedrag van 121,17 Euro dat Mevrouw W. hiervoor zelf betaalde. Zij meent dat het voordeel slechts kan geraamd worden op 150 Euro per maand. Het Hof acht het door Mevrouw W. op 250 Euro volledig aanvaardbaar. Het jaarloon bedraagt bijgevolg Vast maandloon 3.614, 02 EUR x 13, 92 50.307,16 EUR Naturavoordeel privégebruik firmawagen (250 EUR per maand) 3.000,00 EUR Werkgeversbijdragen groepsverzekering 2.619,12 EUR Werkgeversbijdragen maaltijdcheques 4,48 EUR p/d x 220 d) 985,60 EUR Basisloon 56.911,88 EUR De vennootschap meent dat een vergoeding overeenstemmend met een opzeggingstermijn van drie maanden toereikend is. Gelet op de leeftijd van Mevrouw W. (37jaar, 4,5 maanden op het ogenblik van het ontslag, haar anciënniteit van 2 jaar en 10,5 maanden, haar jaarloon 56.911,88 EUR en haar functie acht het Hof de door Mevrouw W. gevorderde vergoeding gelijk aan 6 maanden loon billijk en overeenstemmend met de tijd die zij theoretisch nodig had om een nieuwe gelijkwaardige betrekking te vinden. De verschuldigde vergoeding bedraagt bijgevolg : 56.911, 88 EUR x 6/12 = 28.455, 94 EUR Gewaarborgd loon 15-11-2002 De vordering is op dit punt zonder voorwerp geworden nu het bedrag intussen werd betaald. Wel is daarop nog het vakantiegeld einde dienst verschuldigd waarvan de berekening op een bedrag van 26,40 Euro door de vennootschap niet wordt aangevochten. Achterstallig vakantiegeld op patronale bijdragen in de groepsverzekering In de periode van tewerkstelling van Mevrouw W. werd voor de berekening van het vakantiegeld het arbeidsrechtelijk loonbegrip in aanmerking genomen, hetzij het loon en de voordelen waarop de werknemer aanspraak kon maken krachtens de arbeidsovereenkomst (Cass; 4-2-2002, J.T.T. 2002, nr. 822, 121 + obs. Cl. Wantiez). Het vakantiegeld is derhalve verschuldigd op de patronale bijdragen in de groepsverzekering die onder de arbeidsrechtelijke loondefinitie vallen. Bij K.B. van 18-2-2003 werd hierin verandering gebracht. Aan dit K.B. kan geen terugwerkende kracht worden toegekend. Dit kan enkel indien daarvoor een wettelijke grondslag bestaat en de retroactiviteit betrekking heeft op een regeling, die met in achtneming van het gelijkheidsbeginsel voordelen toekent of indien noodzakelijk voor de goede werking van de diensten en daardoor geen verkregen situaties worden aangetast (zie advies R.v.St. bij KB 3-7-05). De niet terugwerkende kracht van verordeningsbesluiten is een algemeen rechtsbeginsel dat de individuele belangen en de rechtszekerheid waarborgt (Cassatie, 22.1.1996, Arr. Cass., '96, n° 44). Pro rata dertiende maand 2002 Nu het ontslag om dringende reden onrechtmatig is, kan Mevrouw W. aanspraak maken op de pro rata eindejaarspremie voor 2002, overeenkomstig de C.A.O. van 2-3-'98 betreffende de bezoldigingsvoorwaarden zoals afgesloten in Paritair Comité nr 226, algemeen verbindend verklaard bij K.B. van 11-4-'99, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 25-12-'
  9. Morele schadevergoeding rechtsmisbruik Algemene overwegingen Het recht voor beide partijen om éénzijdig een einde te stellen aan de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur mits naleving van de wettelijke bepalingen inzake opzegging is een wezenlijk kenmerk van het arbeidsrecht, zoals kan worden afgeleid uit artikel 7 van de Wet op de Arbeidsovereenkomsten van 3 juli 1978 (W.A.O.) en raakt volgens de rechtspraak van het Hof van Cassatie zelfs de openbare orde (Cassatie, 30 september 1991, R.W. '91-'92, 777; Cassatie, 31 oktober 1975, A.C. '76, 287). De uitoefening van het ontslagrecht is begrensd door het algemeen rechtsbeginsel dat verbod inhoudt van rechtsmisbruik en in het overeenkomstenrecht aan het beginsel dat de overeenkomsten te goeder trouw moeten worden uitgevoerd, vervat in artikel 1134 Burgerlijk Wetboek dat de partijen een matigingsplicht oplegt in de uitoefening van de uit hun overeenkomst voortvloeiende rechten (zie o.m. Cassatie, 18 juni 1987, J.T. 1988, 8; Cassatie, 30 november 1989, A.C. '89-'90, 442; Cassatie, 30 januari 1992, A.C. '91-92, 497, Cassatie, 20 februari 1992, J.T. '92, 454). Het Hof van Cassatie omschreef het rechtsmisbruik als het gebruik van een recht op een wijze die kennelijk de grenzen te buiten gaat van een normale uitoefening van dit recht door een normaal bedachtzaam en voorzichtig persoon (zie Cassatie, 10 september 1971, R.W. '71-'72, 321 conclusies Procureur-generaal Ganshof Van Der Meersch; Cassatie, 16 december 1982, Pas. 1983, I, 332; Cassatie, 10 maart 1983, A.C. '82-'83, 847; Cassatie, 16 januari 1986, J.T. '86, 404; Cassatie, 20 november 1987, A.C. '87-'88, 359). Bij de beoordeling zal de rechter rekening houden met de concrete elementen eigen aan de zaak (Cassatie, 30 januari 1992, A.C. '91-'92, 497). Dat rechtsmisbruik een foutieve uitoefening van het recht veronderstelt, brengt met zich mee dat de titularis van dat recht over een ruime appreciatiebevoegdheid beschikt bij de uitoefening ervan en dat de rechter slechts een marginale controle uitoefent (D. Cuypers, Misbruik van ontslag en willekeurig ontslag, Die Keure, vol. 2, p. 517). Het bestaan van schade is op zichzelf onvoldoende om tot rechtsmisbruik te besluiten. Zij is immers inherent aan de verbreking van de overeenkomst en wordt op forfaitaire wijze vergoed door de opzeggingsvergoeding. De wet legt de ontslaggevende partij niet op het ontslag te motiveren. De werknemer die rechtsmisbruik inroept, dient het bewijs te leveren zowel van het beweerde misbruik als van de schade die hij hierdoor heeft geleden en die niet adekwaat werd vergoed door de opzeggingsvergoeding. Dat de vennootschap voor het ontslag redenen aanhaalt die zij ten onrechte heeft gekwalificeerd als dringende reden heeft nog niet voor gevolg dat zij misbruik heeft gemaakt van haar ontslagrecht. De bewering van Mevrouw W. dat het ontslag verband houdt met privéaangelegenheden en dat de ontslagredenen slechts als drogreden werden ingeroepen wordt geenszins aangetoond. Evenmin wordt het bestaan van een schade aangetoond die niet gedekt zou zijn door de verbrekingsvergoeding. De vordering komt op dit onderdeel dan ook ongegrond voor. Teruggave goederen De vennootschap betwist in het bezit te zijn van de goederen waarvan Mevrouw W. teruggave vordert. Mevrouw W. toont niet aan dat deze bewering onjuist zou zijn. Zo bracht zij dit niet ter sprake in haar brief waarin ze reageerde op het ontslag noch in latere brieven. De vordering kan derhalve niet worden toegekend. De tegenvordering De vennootschap steunt deze vordering op artikel 18 van de WAO. Zij beweert door het manifest foutief handelen van Mevrouw W. schade te hebben geleden. Dit foutief handelen bestaat erin door haar lakse houding tegenover ITF een achterstand aan niet betaalde facturen te hebben laten oplopen tot 40.000 Euro. Zij meent dat het niet enkel een zware nalatigheid of fout betrof maar een doelbewust handelen om haar zakenpartner te bevoordelen die haar aanzienlijke voordelen verschafte. Volgens haar is er zelfs sprake van bedrog, minstens van een zware fout. Nu de vennootschap ITF failliet ging in april 2003 moet de vordering van de vennootschap als verloren worden beschouwd. Het Hof acht niet bewezen dat Mevrouw W. doelbewust een lakse houding heeft aangenomen tegen de vennootschap ITF in ruil voor voordelen die ze genoot. Daarenboven blijkt dat de vennootschap eind september op de hoogte was van de openstaande schuld , de vennootschap ITF toen niet in gebreke stelde en er zelfs verder zaken is blijven mee doen, meent het Hof niet dat Mevrouw W. aansprakelijk kan worden gesteld op grond van artikel 18 W.A.O. wegens bedrog of zware fout. De tegenvordering komt derhalve ongegrond voor. OM DEZE REDENEN, HET ARBEIDSHOF Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24, Rechtsprekend op tegenspraak, Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond, het incidenteel hoger beroep ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond, Hervormt het beroepen vonnis en gelet op de devolutieve kracht van het hoger beroep, Verklaart de oorspronkelijke vordering in volgende mate gegrond: Veroordeelt de N.V. WILSON LOGISTICS BELGIUM tot betaling aan Mevrouw W. van volgende bedragen: - 28.455,94 als opzeggingsvergoeding gelijk aan 6 maanden loon - 26,40 Euro als vakantiegeld einde dienst op het gewaarborgd loon voor november 2002 - 3.312,85 Euro als pro rata eindejaarspremie 2002 - 508,19 Euro als vakantiegeld einde dienst op eindejaarspremie te verhogen met de wettelijke en gerechtelijke intresten. Veroordeelt de vennootschap bovendient tot afgifte van de sociale documenten, formulier C4, loonfiche en fiscale fiche, in overeenstemming met deze uitspraak. Verklaart de oorspronkelijke tegenvordering ongegrond. Legt de kosten van beide aanleggen ten laste van de N.V. WILSON LOGISTICS BELGIUM, tot op heden begroot op : Voor appellante : Rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg : 200, 79 EUR Rechtsplegingsvergoeding hoger beroep : 279, 60 EUR Voor geïntimeerde : Dagvaarding : 129, 94 EUR Rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg : 200, 79 EUR Betekening : 92, 37 EUR Rechtsplegingsvergoeding hoger beroep : niet begroot Aldus gewezen en uitgesproken op de openbare terechtzitting van de 3de Kamer van het Arbeidshof te Brussel op 13 september 2005, waar aanwezig waren : Mevrouw G. BALIS, Kamervoorzitter, De Heer R. WAEYAERT, Raadsheer in sociale zaken als werkgever, De Heer M. WAMPERS, Raadsheer in sociale zaken als werknemer-bediende, Mevrouw L. HERREGODTS, Griffier. PDF document ECLI:BE:CTBRL:2005:ARR.20050913.35 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.