← België

ECLI:BE:CTBRL:2005:ARR.20050922.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 22 september 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2005:ARR.20050922.3 Rolnummer: 43259 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-09-15 Raadplegingen: 111 - laatst gezien 2026-07-02 03:41 Fiche De interpretatie volgens dewelke tijdens de procedure tot onderzoek van de aanvraag, de maatschappelijke dienstverlening aan regularisatieaanvragers die hierop op andere gronden geen recht hebben, wordt beperkt tot de dringende medische hulp, steunt op de ondubbelzinnige bewoordingen van artikel 57 van de O.C.M.W.-wet, dat terzake in geen uitzondering voor die categorie van vreemdelingen voorziet en wordt bevestigd door een eenduidige parlementaire voorbereiding van de wet van 22 december

  1. Zij wordt bijgetreden door het Hof. Vrije woorden: SOCIALE VOORZORG - OPENBARE CENTRA VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN - Maatschappelijke dienstverlening - Recht op maatschappelijke dienstverlening in hoofde van regularisatieaanvragers op grond van de wet van 22 december
  2. Wettelijke bepalingen: Wet - 08-07-1976 - 57,§2,lid1 - 01 ELI link Pub nr 1976070810 Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN TWEEENTWINTIG SEPTEMBER TWEEDUIZEND EN VIJF ZEVENDE KAMER Not. 580, 8° G.W. Maatschappelijke dienstverlening Tegensprekelijk Definitief In de zaak: O. Y., wonende te (...), Appellante, vertegenwoordigd door Mr. P; Tulkens, advocaat te 1500 Halle, Tegen: het OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN VAN WEMMEL, waarvan de burelen gevestigd zijn te 1780 Wemmel, de Limburg de Stirumlaan 116, geïntimeerde, vertegenwoordigd door mevrouw V. Frooninckx, volmachtdrager, Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit: Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid: het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, op tegenspraak gewezen door de Arbeidsrechtbank te Brussel op 28 juni 2002; - het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 29 juli 2002; de besluiten in hoger beroep door partijen neergelegd; de aanvullende besluiten in hoger beroep door geïntimeerde neergelegd; de aanvullende en samenvattende conclusie die de vorige conclusie vervangt door appellante neergelegd. Gehoord partijen in hun middelen en beweringen ter openbare terechtzitting van 12 mei 2005, waarna de debatten gesloten werden. Het hoger beroep werd tijdig en op geldige wijze ingesteld, wat overigens niet betwist wordt, en is derhalve ontvankelijk. Voorgaanden Bij beslissing van de Raad van geïntimeerde dd. 7 december 2000 betekend aan appellante op 20 december 2000 wordt de financiële steun gelijk aan het bestaansminimum stopgezet met ingang van 1 december 2000 met als motivering dat betrokkene een beroep tot schorsing en tot nietigverklaring heeft ingediend bij de Raad van State op 6 mei 1999 tegen de beslissing dd. 22 maart 1999 van de Minister van Binnenlandse Zaken inzake het bevel om het grondgebied te verlaten en dat het arrest nr. 43/98 van 22 april 1998 van het Arbitragehof niet van toepassing is op dergelijk beroep, zodat betrokkene niet meer in de vereiste voorwaarden verkeert tot toekenning van financiële steun. Appellante tekent beroep aan bij de Arbeidsrechtbank te Brussel en stelt dat geïntimeerde het arrest nr. 43/98 van 22 april 1998 van het Arbitragehof op een te beperkte manier heeft uitgelegd en dat ook een beroep bij de Raad van State tegen een bevel om het grondgebied te verlaten derhalve dient recht te geven op maatschappelijke dienstverlening. Bij vonnis dd. 28 juni 2002 van de Arbeidsrechtbank van Brussel wordt de vordering van appellante ontvankelijk doch ongegrond verklaard en wordt appellante van haar eis afgewezen. De eerste rechter was van oordeel dat de vernietiging door het arrest van het Arbitragehof nr. 43/98 van 22 april 1998 van de term "uitvoerbaar" in het derde en vierde lid van artikel 57, ,§ 2 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn tot gevolg heeft dat artikel 57, ,§ 2 moet geïnterpreteerd worden als zijnde niet van toepassing op de vreemdeling die gevraagd heeft om als vluchteling te worden erkend, wiens verzoek is verworpen en die een bevel heeft gekregen het grondgebied te verlaten, zolang de beroepen bij de Raad van State ingesteld tegen de beslissing die de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen met toepassing van artikel 63/3 van de wet heeft genomen of tegen de beslissing van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, niet zijn beslecht (nogmaals bevestigd in het arrest van het Arbitragehof nr. 80/99 van 30 juni 1999). Het beroep in casu bij de Raad van State behoort niet tot één van deze twee categorieën van beroepen. Verder is de eerste rechter van oordeel dat ook een aanvraag tot regularisatie geen recht op steun doet ontstaan, met verwijzing naar het arrest nr. 131/01 dd. 30 oktober 2001 van het Arbitragehof waarin werd gesteld dat de aanvraag tot regularisatie ingediend op grond van de wet van 22 december 1999, geen recht geeft op maatschappelijke dienstverlening zolang het verblijf niet is geregulariseerd. Appellante tekent hoger beroep aan en verzoekt het Hof: " Het hoger beroep van concluante ontvankelijk en gegrond te verklaren; Het vonnis van 28 juni 2002 van de Arbeidsrechtbank te Brussel, 20ste kamer, A.R. nr. 13.688/01 te vernietigen; Geïntimeerde te veroordelen tot het toekennen van financiële steun aan concluante gelijk aan het bestaansminimum met kinderlast vanaf 1 december 2000 tot en met 31 juli 2001, vermeerderd met de verwijlintresten en de gerechtelijke intresten tot de dag van algehele betaling; Geïntimeerde te veroordelen tot de gerechtskosten, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding". Appellante verwijst vooreerst naar het arrest van het Hof van Cassatie dd. 17 juni 2002 (A.R. S.01.
  3. F) waarin wordt gesteld dat artikel 57 ,§ 2 van de organieke wet van 8 juli 1976, dat bepaalt dat de taak van het O.C.M.W. beperkt is tot het verlenen van dringende medische hulp wanneer het gaat om een vreemdeling die illegaal in het Rijk verblijft, niet van toepassing is op vreemdelingen die niet van het grondgebied kunnen verwijderd worden in toepassing van artikel 14 van de wet van 22 december
  4. Verder stelt appellante dat de bestreden beslissing een schending inhoudt van de artikelen 2.1, 3,9.1 en 27.1 van het kinderrechtenverdrag evenals van artikel 10 en 11 van de Grondwet. Tenslotte stelt appellante dat aangenomen mag worden dat zij van 1 december 2000 tot 1 augustus 2001 behoeftig en werkbereid was. Feiten Appellante, van Kongolese nationaliteit, genoot financiële steun van geïntimeerde sinds 27 november
  5. Bij beslissing dd. 22 maart 1999, genomen door de Minister van Binnenlandse Zaken en overgemaakt aan appellante op 27 april 1999 werd haar een bevel betekend om het grondgebied te verlaten (bijlage 13). Tegen deze beslissing werd een beroep tot schorsing en tot nietigverklaring ingediend bij de Raad van State op 6 mei
  6. Ingevolge tijdelijke machtigingen tot verblijf in België heeft geïntimeerde de steun verder uitbetaald tot aan het einde van de verlengingen (blijkbaar eind november 2000). Bij beslissing dd. 7 december 2000, werd de steun aan appellante stopgezet vanaf 1 december
  7. Uit de stukken blijkt tevens dat appellante op 19 januari 2000 een aanvraag tot regularisatie had ingediend. Bij beslissing van 23 juli 2001 werd appellante geregulariseerd in toepassing van de wet van 22 december 1999 en geniet zij vanaf 1 augustus 2001 een steun van het O.C.M.W. van Brussel". Beoordeling door het Hof Artikel 57, ,§ 2, lid 1 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn voorziet in de beperking tot het verlenen van dringende medische hulp wanneer het gaat om een vreemdeling die illegaal in het Rijk verblijft. Artikel 57, ,§ 2 derde en vierde lid van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn bepaalt : " Een vreemdeling die zich vluchteling heeft verklaard en heeft gevraagd om als dusdanig te worden erkend, verblijft illegaal in het Rijk wanneer de asielaanvraag is geweigerd en aan de betrokken vreemdeling een uitvoerbaar bevel om het grondgebied te verlaten is betekend. De maatschappelijke dienstverlening aan een vreemdeling die werkelijk steuntrekkende was op het ogenblik dat hem een uitvoerbaar bevel om het grondgebied te verlaten werd betekend, wordt, met uitzondering van de dringende medische hulpverlening, stopgezet op de dag dat de vreemdeling daadwerkelijk het grondgebied verlaat, en ten laatste de dag van het verstrijken van het bevel om het grondgebied te verlaten". Het Arbitragehof heeft inderdaad in het arrest nr. 43/98 van 22 april 1998 geoordeeld dat artikel 57, ,§ 2 van de O.C.M.W.-wet moet worden geïnterpreteerd als zijnde niet van toepassing op de vreemdeling die gevraagd heeft om als vluchteling te worden erkend, wiens verzoek is verworpen en die een bevel heeft gekregen het grondgebied te verlaten, zolang de beroepen die hij voor de Raad van State heeft ingesteld tegen de beslissing die de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen met toepassing van artikel 63/3 van de wet van 15 december 1980 heeft genomen of tegen de beslissing van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, niet zijn beslecht. In verband met de cassatierechtspraak in de arresten dd. 17 juni 2002 en 7 oktober 2002 verwijst het Hof naar het arrest van het Arbitragehof nr. 205/04 dd. 21 december 2004 uitgesproken naar aanleiding van de prejudiciële vraag gesteld bij arrest dd. 15 januari 2004 van de zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel en waarin het volgende werd overwogen : "B.7.
  8. Artikel 14 van de wet van 22 december 1999 heeft tot gevolg dat de vreemdelingen die een aanvraag tot regularisatie hebben ingediend, gedurende die procedure op het grondgebied worden gedoogd, zonder aan diegenen onder hen die illegaal op het grondgebied verblijven een verblijfsvergunning te verlenen. Indien voorheen aan de betrokkenen het bevel was gegeven het grondgebied te verlaten, blijft dat bevel gelden, ook al wordt niet effectief tot gedwongen uitvoering overgegaan (Parl. St., Kamer, 1999-2000, DOC 50-0234/001, p. 18). B.7.
  9. Het ware niet redelijk geweest illegaal op het grondgebied verblijvende vreemdelingen, die vaak clandestien op het grondgebied verblijven, uit te nodigen om zich bekend te maken door een regularisatieaanvraag in te dienen, zonder hun de waarborg te geven dat zij niet "feitelijk" zouden worden verwijderd. Het is echter al evenmin redelijk te stellen dat het verlenen van die waarborg grondwettelijk slechts mogelijk zou zijn, indien het gepaard zou gaan met het verlenen van een recht op maatschappelijke dienstverlening, ook al is niet uitgemaakt dat zij aan de voorwaarden voor regularisatie voldoen. Om in aanmerking te komen voor regularisatie op grond van de wet van 22 december 1999 dient de vreemdeling trouwens in de meeste gevallen reeds geruime tijd op het grondgebied te hebben verbleven, zonder ook toen recht te hebben gehad op andere maatschappelijke dienstverlening dan dringende medische hulp. De wetgever heeft derhalve aan artikel 14 niet het verlenen van maatschappelijke dienstverlening willen verbinden en heeft daarom artikel 57 van de O.C.M.W.-wet niet gewijzigd. B.8.
  10. De bedoeling van de wetgever om hangende de procedure geen O.C.M.W.-steun te verlenen, werd na de totstandkoming van de voormelde wet van 22 december 1999 opnieuw uitdrukkelijk bevestigd door de Vice-Eerste Minister en Minister van Begroting, Maatschappelijke Integratie en Sociale Economie : " De regularisatieaanvraag verandert in beginsel niets aan het recht op maatschappelijke dienstverlening. (...) Het feit dat de regularisatie wordt aangevraagd, geeft evenmin recht op maatschappelijke dienstverlening". (Hand., Kamer, 1999-2000, 23 maart 2000, HA 50 plen. 049, p. 12) (eigen vertaling). B.8.2 Hetzelfde standpunt werd ingenomen door de Minister van Binnenlandse Zaken : " Die wet is duidelijk. Ik herinner eraan dat de mogelijkheid tot regularisatie een gunst vanwege de Staat is : de regularisatieaanvraag wijzigt op zich niet de rechtstoestand van de regularisatieaanvragers op het vlak van maatschappelijke dienstverlening. Zodra zij geregulariseerd zullen zijn, zullen zij vanzelfsprekend volledige maatschappelijke dienstverlening krijgen. Dat is de wet en die moet worden toegepast. Ik kan daaraan niets toevoegen". (Hand., Kamer, 1999-2000, 6 april 2000, HA 50 plen. 051, p. 19) (eigen vertaling). B.
  11. Uit hetgeen voorafgaat blijkt dat de interpretatie dat, tijdens de procedure tot onderzoek van de aanvraag, de maatschappelijke dienstverlening aan regularisatieaanvragers die hierop op andere gronden geen recht hebben, wordt beperkt tot dringende medische hulp, steunt op de ondubbelzinnige bewoordingen van artikel 57 van de O.C.M.W.-wet, dat ter zake in geen uitzondering voor die categorie van vreemdelingen voorziet en bevestigd wordt door een eenduidige parlementaire voorbereiding van de wet van 22 december
  12. B.
  13. De verwijzende rechter legt echter artikel 57, ,§ 2, van de O.C.M.W.-wet voor in de interpretatie volgens welke die bepaling niet van toepassing is op een vreemdeling die tijdens de procedure tot onderzoek van zijn aanvraag tot regularisatie niet feitelijk van het grondgebied zal worden verwijderd op grond van artikel 14 van de wet van 22 december
  14. B.11.
  15. Te dien aanzien dient te worden opgemerkt dat artikel 57 van de O.C.M.W.-wet inzake maatschappelijke dienstverlening een onderscheid maakt tussen vreemdelingen naargelang zij al dan niet legaal op het grondgebied verblijven. B.11.
  16. Het komt de wetgever toe een beleid betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen te voeren en daaromtrent, met inachtneming van het gelijkheidsen niet-discriminatiebeginsel, in de nodige maatregelen te voorzien die betrekking hebben op onder meer het vaststellen van de voorwaarden volgens welke het verblijf van een vreemdeling al dan niet wettig is. B.11.
  17. Hoewel in de interpretatie van de verwijzende rechter artikel 14 van de wet van 22 december 1999 de toepassing verhindert van artikel 57, ,§ 2, van de O.C.M.W.-wet, kan uit die interpretatie niet worden afgeleid dat de betrokken vreemdelingen niet illegaal op het grondgebied zouden verblijven. Niet alleen heeft de wetgever bij de totstandkoming van de wet van 22 december 1999 uitdrukkelijk gesteld dat de aanvraag tot regularisatie niet de verblijfsstatus van de betrokken personen wijzigt (Parl. St., Kamer, 1999-2000, DOC 50-0234/005, p. 60, en Parl. St., Senaat, 1999-2000, nr. 2-202/3, pp. 36 en 58), maar de regularisatie is juist bedoeld om de betrokkenen een wettig verblijfsstatuut te geven indien zij beantwoorden aan de door de wet gestelde vereisten, zodat niet staande kan worden gehouden dat ze reeds vooraleer over hun aanvraag is beslist legaal zouden zijn. B.11.
  18. De wetgever heeft immers niet gekozen voor een automatische regularisatie, doch wel voor een procedure waarbij van geval tot geval wordt onderzocht of aan de door de wet gestelde vereisten is voldaan. Pas wanneer de aanvraag grondig is onderzocht, zal blijken of de betrokken vreemdeling voor regularisatie in aanmerking komt en dus een wettige verblijfsstatus kan verwerven. B.11.
  19. De beperking van de maatschappelijke dienstverlening tot dringende medische hulp is niet alleen gemotiveerd door het oogmerk de illegaal op het grondgebied verblijvende vreemdelingen ertoe aan te sporen het grondgebied te verlaten, maar ook door het feit dat de Staat niet dezelfde verplichtingen op zich dient te nemen ten aanzien van de noden van wie illegaal op het grondgebied verblijft als ten aanzien van wie er op wettige wijze verblijft. B.12.
  20. De interpretatie voorgelegd door de verwijzende rechter, dat artikel 14 niet alleen tot gevolg zou hebben dat de betrokkenen tijdens het onderzoek van hun aanvraag niet feitelijk van het grondgebied kunnen worden verwijderd maar bovendien ook tot gevolg zou hebben dat de regularisatieaanvragers recht krijgen op volledige maatschappelijke dienstverlening, impliceert dat, zonder een uitdrukkelijke wettelijke bepaling, voor één categorie van vreemdelingen wordt afgeweken van de basisbeginselen vervat in artikel 57 van de O.C.M.W.-wet, dat het verlenen van volledige O.C.M.W.-hulp verbindt aan het hebben van een legaal verblijfsstatuut of aan het zich bevinden in een voor de bevoegde instanties hangende asielprocedure en dat aan personen die illegaal op het grondgebied verblijven, enkel dringende medische hulp waarborgt. B.12.
  21. In die interpretatie wordt onder de illegaal op het grondgebied verblijvende vreemdelingen een onderscheid gemaakt tussen de vreemdelingen die een aanvraag tot regularisatie hebben ingediend, voor wie volgens de prejudiciële vraag het voormelde artikel 14 de toepassing van artikel 57, ,§ 2, van de O.C.M.W.-wet zou verhinderen, en de andere illegale vreemdelingen, voor wie die in dat artikel besloten beperking onverkort geldt. In die interpretatie volstaat het louter indienen van een aanvraag tot regularisatie op basis van de wet van 22 december 1999 om volledige maatschappelijke dienstverlening te verkrijgen, ook al bevinden de betrokkenen zich niet in de voorwaarden om voor regularisatie in aanmerking te komen. B.13.
  22. Bij de beoordeling van het al dan niet gerechtvaardigd karakter van de in het geding zijnde bepaling in de interpretatie van de verwijzende rechter dient voor ogen te worden gehouden dat inzake maatschappelijke dienstverlening, binnen de groep van regularisatieaanvragers, een onderscheid moet worden gemaakt. Sommige regularisatieaanvragers genoten op basis van andere juridische gronden reeds maatschappelijke dienstverlening vóór de totstandkoming van de wet van 22 december 1999 en behouden dat recht tijdens de procedure. De uitbreiding van de maatschappelijke dienstverlening die het gevolg is van de interpretatie van de verwijzende rechter heeft dus enkel betrekking op regularisatieaanvragers die zich niet hebben gedragen overeenkomstig de bestaande verblijfsreglementering en zich door hun eigen toedoen in een onwettige verblijfssituatie bevinden, hetzij doordat zij zich zonder toestemming toegang tot het grondgebied hadden verschaft en in de clandestiniteit waren gebleven, hetzij doordat zij op het grondgebied verblijven na het verstrijken van de periode waarvoor zij de vereiste toestemming hadden verkregen, hetzij doordat zij, na een asielaanvraag te hebben ingediend, uitgeprocedeerd waren en geen gevolg hebben gegeven aan een bevel het grondgebied te verlaten. B.13.
  23. Aannemen dat louter door het indienen van een regularisatieaanvraag, zonder dat is uitgemaakt of de betrokkene effectief voor regularisatie in aanmerking komt, een recht ontstaat op maatschappelijke dienstverlening, houdt in dat ook personen die weten dat zij in geen enkel opzicht voor regularisatie in aanmerking kunnen komen, te kwader trouw een aanvraag zouden kunnen indienen, waarvan het gevolg zou zijn dat ze een recht zouden krijgen op volledige maatschappelijke dienstverlening. In die interpretatie zouden de betrokken vreemdelingen ten onrechte worden bevoordeeld ten aanzien van de illegale vreemdelingen die, omdat zij meenden niet voor regularisatie in aanmerking te komen, geen aanvraag hebben ingediend, voor wie artikel 14 van de wet van 22 december 1999 niet verhindert dat zij van het grondgebied kunnen worden verwijderd en ten aanzien van wie niet wordt betwist dat ze geen recht hebben op volledige maatschappelijke dienstverlening. B.13.3 Zoals het Hof in het arrest nr. 131/2001 heeft gesteld, is de situatie van regularisatieaanvragers objectief verschillend van de situatie van degenen die, vóór de totstandkoming van de wet van 22 december 1999, op grond van de daartoe geëigende procedures, een wettige verblijfsstatus hadden verkregen of voor de bevoegde instanties nog een asielaanvraag hangende hadden". Wat de toepassing van het verdrag van New York inzake de rechten van het kind betreft stelt het Hof voor eerst vast dat appellante in de hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordiger geen maatschappelijke dienstverlening in naam en voor rekening van de minderjarige kinderen heeft gevraagd en dit ook niet aan bod is gekomen voor de eerste rechter. Het Hof kan evenwel verwijzen naar het arrest van het Arbitragehof nr. 106/03 dd. 22 juli 2003 waarin wordt gesteld : " Maatschappelijke dienstverlening moet kunnen worden toegekend onder de drievoudige voorwaarde dat de bevoegde overheden hebben vastgesteld dat de ouders hun onderhoudsplicht niet nakomen of niet in staat zijn die na te komen, dat vaststaat dat de aanvraag betrekking heeft op onontbeerlijke uitgaven voor de ontwikkeling van het kind ten voordele van wie die dienstverlening wordt aangevraagd en dat het centrum zich ervan vergewist dat de dienstverlening uitsluitend zal dienen om die uitgaven te dekken. Het staat dus aan het centrum onder voorbehoud van een optreden van de wetgever die een andere gepaste regeling zou aannemen een dergelijke dienstverlening toe te kennen, op voorwaarde evenwel dat die valt binnen de perken van de specifieke behoeften van het kind, dat zij wordt verleend in de vorm van een dienstverlening in natura of een tenlasteneming van uitgaven ten behoeve van derden die een dergelijke dienst verlenen, teneinde elk mogelijk misbruik in het voordeel van de ouders uit te sluiten en met dien verstande dat die dienstverlening niet belet dat de maatregel inzake de verwijdering van de ouders en hun kinderen wordt uitgevoerd". Het Hof stelt vast dat voor de periode van 1 december 2000 tot 1 augustus 2001 en waarvoor financiële steun wordt gevraagd, aan deze voorwaarden niet zijn voldaan (vóór de inwerkingtreding van het koninklijk besluit dd. 24 juni 2004, hetzij vanaf 11 juli 2004). De vordering tot toekenning aan appellante van financiële steun gelijk aan het bestaansminimum met kinderlast voor de periode van 1 december 2000 tot en met 31 juli 2001 vermeerderd met de verwijlintresten werd terecht afgewezen. Het vonnis a quo wordt bevestigd. OM DEZE REDENEN : De zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel; Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24; Recht doende op tegenspraak, Gehoord de heer André, Substituut-generaal, in zijn schriftelijk advies, voorgelezen en neergelegd op de openbare terechtzitting van 19 mei 2005; Gelet op de termijn verleend aan partijen tot 14 juni 2005 om eventueel te repliceren m.b.t. dit advies; Gelet op de repliek van appellante neergelegd ter griffie op 14 juni 2005; De zaak wordt op 16 juni 2005 in beraad genomen; Ontvangt het hoger beroep, wijst dit evenwel af als zijnde ongegrond; Bevestigt het bestreden vonnis in al zijn beschikkingen; Verwijst overeenkomstig artikel 1017, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, geïntimeerde tot de kosten van hoger beroep, kosten tot op heden niet begroot. Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van de zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel op tweeëntwintig september tweeduizend en vijf. Waar aanwezig waren : mevrouw B. VAN DE VELDE, Voorzitter de heer J. BOULOGNE, Raadsheer in Sociale Zaken als werkgever de heer J.P. VAN CONINGSLOO, Raadsheer in Sociale Zaken als werknemer arbeider mevrouw G. DE SAEDELEER G. DE SAEDELEER B. VAN DE VELDE J.P. VAN CONINGSLOO J. BOULOGNE PDF document ECLI:BE:CTBRL:2005:ARR.20050922.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.