id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 22 september 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2005:ARR.20050922.4 Rolnummer: 43056 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2007-02-06 Raadplegingen: 111 - laatst gezien 2026-07-02 03:41 Fiche Een Parkinson patiënt die door de ziekte reeds getroffen wordt op de leeftijd van 33 jaar lijdt aan een zeldzaam voorkomende manifestatie van de ziekte. Het gaat om een zeldzame aandoening in de zin van artikel 25 ,§ 2, b) van de gecoördineerde wet van 14 juli
- Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID VOOR WERKNEMERS - ZIEKTE- EN INVALIDITEITSVERZEKERING - Geneeskundige verzorging en uitkeringen - Geneeeskundig verstrekking - Tegemoetkoming - Bijzonder solidariteitsfonds - Zeldzame aandoening - Young Onset Parkinson. Wettelijke bepalingen: Wet - 14-07-1994 - 25,§2 - 38 ELI link Pub nr 1994071451 Nota: Gepubliceerd in SRK 2006,
- Eveneens gepubliceerd in IB-RIZIV 2006,
- Annotaties Publicaties: SOCIAALRECHTELIJKE KRONIEKEN - - 2006(P.466-467) INFORMATIEBLAD RIZIV - - 2006
(01)(P.30) Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN TWEEENTWINTIG SEPTEMBER TWEEDUIZEND EN VIJF ZEVENDE KAMER Not. 580, 2° G.W. Ziekte- en Invaliditeitsverzekering Verstek t.o.v. tweede geïntimeerde Definitief In de zaak: O. A., Appellante, vertegenwoordigd door Mr. P. Van Lierde loco Mr. P. De Backer, advocaat te 9500 Geraardsbergen, Tegen:
- RIJKSINSTITUUT VOOR ZIEKTE- EN INVALIDITEITSVERZEKERING, openbare instelling, met zetel te 1150 Brussel, Tervurenlaan 211, eerste geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. E. De Backer loco Mr. M. Van Bever, advocaat te 1850 Grimbergen,
- de LANDSBOND DER CHRISTELIJKE MUTUALITEITEN, met zetel te 1030 Brussel, Haachtsesteenweg 579 postbus 40, tweede geïntimeerde, niet vertegenwoordigd, Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit: Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid: - het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, bij verstek t.o.v. tweede geïntimeerde gewezen door de Arbeidsrechtbank te Brussel op 19 april 2002; - de dagvaarding ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 3 juni 2002; - de besluiten in hoger beroep door appellante en eerste geïntimeerde neergelegd; - de aanvullende besluiten in hoger beroep door eerste geïntimeerde neergelegd; Gehoord partijen in hun middelen en beweringen ter openbare terechtzitting van 12 mei 2005, waarna de debatten gesloten werden. Het hoger beroep werd tijdig en op geldige wijze ingesteld, wat overigens niet betwist wordt, en is derhalve ontvankelijk. Gelet op de oproeping van tweede geïntimeerde conform artikel 803 van het Gerechtelijk Wetboek voor de zevende kamer van het Arbeidshof op 12 mei 2005; Voorgaanden Bij beslissing van het College van geneesheren-directeurs dd. 26 juli 1999 wordt de aanvraag tot tegemoetkoming van het bijzonder solidariteitsfonds in de kostprijs van subthalamische stimulator ongunstig beoordeeld. Deze beslissing wordt aan appellante ter kennis gebracht via schrijven van tweede geïntimeerde dd. 2 december
- Bij vonnis dd. 19 april 2002 van de tiende kamer van de Arbeidsrechtbank te Brussel wordt de vordering van appellante ontvankelijk doch ongegrond verklaard en wordt zij van haar vordering afgewezen. De eerste rechter was van oordeel dat opdat een tegemoetkoming in het kader van het Bijzonder Solidariteitsfonds mogelijk zou zijn, het in eerste instantie dient te gaan om uitzonderlijke geneeskundige verstrekkingen die niet zijn opgenomen in de nomenclatuur, overeenkomstig artikel 25, ,§ 2, lid 1 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 (zoals van toepassing op het ogenblik van de aanvraag) en dat het feit dat een verstrekking voorkomt in de nomenclatuur wettelijk voldoende is om de tegemoetkoming van het Bijzonder Solidariteitsfonds uit te sluiten. De eerste rechter was van oordeel dat, toegepast op dit concreet geval, gezien de neurostimulator opgenomen is in artikel 35 ,§ 7 van de nomenclatuur onder beperkende voorwaarden evenwel, met name voor de behandeling van pijnsyndromen, maar evenwel niet vergoedbaar is ter behandeling van de aandoening waaraan appellante lijdt, niet impliceert dat de neurostimulator een uitzonderlijke geneeskundige prestatie is, niet opgenomen in de nomenclatuur. Appellante tekent hoger beroep aan en verzoekt het Hof : " Het hoger beroep toelaatbaar, ontvankelijk en gegrond te verklaren. Dienvolgens het vonnis a quo te vernietigen en opnieuw recht doend. In hoofdorde, de vordering van concluante gegrond te verklaren. Het Bijzonder Solidariteitsfonds doen tussen te komen in de kosten van de neurostimulator, ingeplant op 13.01.
- Geïntimeerden te veroordelen tot de kosten. In subsidiaire orde, alvorens recht te doen, een geneesheer-deskundige aan te stellen met de gebruikelijke opdracht". Appellante stelt dat de inplanting van een neurostimulator met het oog op de behandeling van de Young-onset ziekte van Parkinson niet is opgenomen in de nomenclatuur zodat een tussenkomst in het kader van het Bijzonder Solidariteitsfonds niet is uitgesloten en zij stelt dat m.a.w. het feit dat in de nomenclatuur slechts een tussenkomst is voorzien voor de inplanting met het oog op de behandeling van een bepaald syndroom, met zich meebrengt dat de inplanting van de neurostimulator met het oog op de behandeling van een ander syndroom, geen verstrekking is die in deze nomenclatuur is opgenomen met verwijzing naar rechtspraak van het Arbeidshof te Gent en te Antwerpen. Tenslotte stelt zij dat de voorwaarden van artikel 25 ,§ 2 van de Gecoördineerde wet van 14 juli 1994 vervuld zijn en verwijst zij naar twee medische attesten opgesteld door Dokter Van der Linden op 1 februari 2000 en op 17 mei
- Geïntimeerde verzoekt het Hof het hoger beroep van appellante integraal af te wijzen als ongegrond en appellante in elk geval te veroordelen tot de kosten van de dagvaarding in hoger beroep. Geïntimeerde stelt dat de eerste rechter terecht heeft geoordeeld dat de neurostimulator niet in aanmerking komt omdat het middel zelf als verstrekking is opgenomen in de nomenclatuur, ongeacht of de verstrekking voor de bewuste aandoening is voorzien of niet. Geïntimeerde stelt dat de voorwaarden van artikel 25, ,§ 2 van de Z.I.V.-wet die cumulatief dienen vervuld niet zijn voldaan en dat overigens aan andere voorwaarden evenmin is voldaan zoals de zeldzaamheid van de aandoening en het feit dat de geneeskundige verstrekking waarvan sprake reeds het experimentele stadium zou voorbij zijn op het ogenblik van de aanvraag. Beoordeling door het Hof Het koninklijk besluit van 14 september 1984 tot vaststelling van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen inzake de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen bepaalt in verband met neurostimulators in het artikel 35 ,§ 7 het volgende : " De inplanting van het materieel voorzien onder de nummers 683093 683104 683115 683126 683130 683141 en 683163 683163 moet geschieden met het oog op de behandeling, door intracerebrale stimulatie of door stimulatie van het ruggemerg of intrathecale toediening van morfine of van morfinomimetica, van langdurige neurogene pijnsyndromen uitgaande van het centraal zenuwstelsel, van het ruggemerg of van de zenuwwortels of na een traumatisch letsel van een perifere zenuw, die niet gereageerd hebben op de heelkundige en/of farmacotherapeutische behandeling". Verder wordt in artikel 25 ,§ 2 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 bepaald (vóór de wijziging bij wet van 24 december 1999 houdende sociale en diverse bepalingen) : " Het College van geneesheren-directeurs verleent aan de in de artikelen 32 en 33 bedoelde rechthebbenden, binnen de perken van de overeenkomstige ,§ 1 vastgestelde financiële middelen, tegemoetkomingen in de kosten van de uitzonderlijke geneeskundige verstrekkingen die niet zijn opgenomen in de nomenclatuur bedoeld in artikel 35 ,§ 1, met inbegrip van de farmaceutische producten die niet in aanmerking komen voor vergoeding krachtens de reglementaire bepalingen betreffende de vergoeding van de farmaceutische verstrekkingen, en die voldoen aan de volgende voorwaarden : 1) duur zijn; 2) betrekking hebben op een zeldzame aandoening die de vitale functies van de rechthebbende aantast; 3) beantwoorden aan een indicatie die voor de rechthebbende op medisch-sociaal vlak absoluut is; 4) een wetenschappelijke waarde en doeltreffendheid bezitten die door de gezaghebbende medische instanties in ruime mate worden erkend; 5) het experimenteel stadium voorbij zijn; 6) voorgeschreven zijn door een geneesheer die gespecialiseerd is in de behandeling van de betreffende aandoening en toestemming heeft om in België geneeskunde uit te oefenen". In zijn schriftelijk advies stelt het auditoraat-generaal het volgende : " Onder "in de nomenclatuur opgenomen verstrekking" in de zin van de wet (voor haar wijziging door de programmawet van 24 december 1999) dient verstaan te worden een prestatie die in de nomenclatuur voorkomt te samen met haar toepassingsvoorwaarden of indicaties. In zijn arrest van 26 november 2002 heeft het Arbeidshof te Luik reeds geoordeeld dat artikel 25 voornoemd niet enkel doelt op (uitzonderlijke) verstrekkingen die niet opgenomen zijn in de nomenclatuur stricto sensu, maar ook op verstrekkingen die niet voor terugbetaling in aanmerking komen omdat de voorwaarden die de nomenclatuur daartoe stelt niet verenigd zijn (zie ook Ah. Luik 1 maart 2000, Informatieblad RIZIV, 2003, 30; Ah. Gent, 28 april 2003, Informatieblad R.I.Z.I.V. 2003, 355). Het Hof van Cassatie is deze zienswijze onlangs bijgetreden (Cass. 13 september 2004, JTT 2005, 35). Inzake moet dan ook vastgesteld worden dat de verstrekking waarop de aanvraag betrekking heeft niet opgenomen was in de nomenclatuur i.t. wat eerste geïntimeerde stelt. De verstrekkingen met haar indicatie (behandeling van motorische fluctuaties en dyskinesiëen) waarvoor appellante tussenkomst vraagt was inderdaad niet opgenomen in de nomenclatuur aangezien zij op het ogenblik van de aanvraag alleen vergoedbaar was indien de inplanting geschiedde met het oog op de behandeling van pijnsyndromen". Verder stelt het auditoraat-generaal i.v.m. de zeldzame aandoening en het experimenteel stadium het volgende : " Mijn ambt kan zich ook hier aansluiten bij het standpunt van appellante die verwijst naar het verslag van haar raadsgeneesheer Dr. V d L. Op het internet site van de PARKINSON'S DISEASE FOUDATION (http;// www. parkinson.org/site/ pp.asp? c=9 dJFLPwB & b =71125) kan men overigens een studie van Abe Lieberman aantreffen waarin men kan lezen dat een onderzoek uitgevoerd in 1985 in de Verengide Staten heeft uitgewezen dat de verhouding tussen de personen met een YOUNG ONSET Parkinson en deze met de ziekte vanaf 60 jaar slechts 9% bedroeg. Slechts 15% van al de Parkinson patiënten krijgen de ziekte onder de leeftijd van 50 jaar en 5 a 10% onder de leeftijd van 40 jaar. Hieruit kan men m.i. opmaken dat appellante die door de ziekte reeds getroffen werd op de leeftijd van 33 jaar getroffen werd door een zeldzaam voorkomende manifestatie van de ziekte. Er dient eveneens verwezen te worden naar het expertiseverslag van Dr. E. F. (expertise uitgevoerd in opdracht van de Arbeidsrechtbank te Oudenaarde, afdeling Zottegem in de zaak A.R. 19.120) waarin recente epidemiologische gegevens over de Parkinsonziekte worden aangehaald die aantonen dat de prevalentiecijfers (zijnde het aantal personen met de aandoening in een totale populatie op een bepaald ogenblik) voor de leeftijdsklasse 40-49 ligt tussen 27.8 en 50.5 per 100.
- Deze cijfers laten toe de aandoening als zeldzaam te beschouwen. Een objectieve norm zoals deze vastgesteld in de Verordening (EG) nr.141/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1999 inzake weesgeneesmiddelen beschouwt immers als zeldzame aandoening deze die 5 personen op 10.000 treft (artikel 3, sub 1.a). De omstandigheid dat de vergoeding van neurostimulators met als indicatie de behandeling van abnormale bewegingen ten tijde van de aanvraag tot tegemoetkoming nog het voorwerp uitmaakte van een procedure met het oog op het al of niet inschrijven van de vergoeding in de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen bewijst niet dat het experimenteel stadium niet zou voorbij geweest zijn. Integendeel zelfs nu men kan veronderstellen dat zulks slechts overwogen wordt wanneer het experimenteel stadium reeds voorbij is. Uit de stukken die voorliggen blijkt bovendien dat er andere gevallen van inplanting van neurostimulators te lande zijn geweest in 1998 : zulks is het geval in de zaak die onderzocht werd door het Arbeidshof te Luik (arrest van 26 november 2002) waar de inplanting plaats vond op 17 maart 1998 en in de zaak waarvan de Arbeidsrechtbank te Oudenaarde, afdeling Zottegem kennis nam (A.R. 19.120/Z/III) waar de neurostimulator werd ingeplant op 3 februari
- Noch in de zaak die beslecht werd door het Arbeidshof te Luik op 26 november 2002 noch in de voorliggende zaak heeft het college van geneesheren-directeurs de tussenkomst van het Bijzonder Solidariteitsfonds van de hand gewezen omdat het experimenteel stadium niet zou voorbij geweest zijn. Er kan derhalve bezwaarlijk voorgehouden worden dat de medische wereld in 1998 nog in een experimentele fase was wat dit soort interventies betreft. Geïntimeerde legt trouwens geen enkel stuk voor waaruit zulks zou kunnen blijken". Het Hof sluit zich aan bij dit advies en verklaart het hoger beroep gegrond. De vaststelling van de hoegrootheid van het bedrag van de tegemoetkoming van het Bijzonder Solidariteitsfonds behoort tot de discretionaire bevoegdheid van het College van Geneesheren-directeurs (Arbeidshof Antwerpen dd. 26 juni 2001, S.R.K. 2003, 512). De kosten van het deurwaardersexploot ten bedrage van 76,75 Euro zijn ten laste van appellante, die de goedkoopste manier van instellen van hoger beroep moet kiezen, nu de instelling belast met het toepassen van de wetten en verordeningen bedoeld in artikel 580 van het Gerechtelijk Wetboek in toepassing van artikel 1017, lid 2 van het Gerechtelijk Wetboek, steeds in de kosten wordt verwezen. OM DEZE REDENEN : De zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel; Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24; Recht doende op tegenspraak, Recht doende bij verstek t.o.v. tweede geïntimeerde; Gehoord de heer André, Substituut-generaal, in zijn schriftelijk eensluidend advies voorgelezen en neergelegd ter openbare terechtzitting van 19 mei 2005; Gelet op de termijn verleend tot 14 juni 2005 aan partijen om eventueel te repliceren; Geen replieken werden neergelegd en de zaak wordt op 16 juni 2005 in beraad genomen; Ontvangt het hoger beroep Verklaart dit gegrond; Vernietigt het bestreden vonnis, behalve wat de beschikking omtrent de gerechtskosten betreft, welke bevestigd wordt; en opnieuw rechtsprekend voor al het overige; Verklaart de oorspronkelijke vordering ontvankelijk en gegrond; Legt de kosten van hoger beroep, overeenkomstig artikel 1017, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, ten laste van geïntimeerden ieder voor de helft, behalve de dagvaardingskosten t.b.v. 76,75 Euro, die ten laste van appellante worden gelegd en verder door appellante tot op heden begroot op 136,84 Euro, rechtsplegingsvergoeding hoger beroep. Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van de zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel op tweeëntwintig september tweeduizend en vijf. Waar aanwezig waren : mevrouw B. VAN DE VELDE, Voorzitter de heer J. BOULOGNE, Raadsheer in Sociale Zaken als werkgever de heer J.P. VAN CONINGSLOO, Raadsheer in Sociale Zaken als werknemer arbeider mevrouw G. DE SAEDELEER, Griffier G. DE SAEDELEER B. VAN DE VELDE J.P. VAN CONINGSLOO J. BOULOGNE PDF document ECLI:BE:CTBRL:2005:ARR.20050922.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div