id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 17 oktober 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2005:ARR.20051017.1 Rolnummer: 46414 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2005-12-14 Raadplegingen: 102 - laatst gezien 2026-07-02 03:41 Fiche Het verzoek of de vordering van een sociaal inspecteur of betrokkene werkloosheidsuitkeringen geniet, houdt bij negatief antwoord, zoals in casu waar betrokkene verklaart zaakvoerder te zijn, impliciet eveneens een verzoek in tot voorlegging van de controlekaart. De vraag tot voorlegging van de controlekaart is inderdaad slechts zinvol indien de betrokkene antwoordt dat hij werkloos is. Wanneer de betrokkene op verzoek van de sociaal inspecteur verklaart geen uitkeringsgerechtigde werkloze te zijn, daar waar hij dit toch is, dient zijn verklaring gelijk gesteld te worden met de niet voorlegging of weigering tot voorlegging van de controlekaart aangezien dit de uiteindelijke onderliggende bedoeling is van dergelijke verklaring. Bij gevolg werd in die omstandigheden inbreuk gepleegd op art. 71, 5e van het werkloosheidsbesluit. Vrije woorden: ARBEIDSVOORZIENING - WERKLOOSHEID - Aangifte en controle van werkloosheidsperiodes. Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 25-11-1991 - 71,AL.1,5° - 50 ELI link Pub nr 1991013192 Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST BUITENGEWONE OPENBARE TERECHTZITTING VAN 17 OKTOBER
- 7DE KAMER Not. 580 ° 2 G.W. Werkloosheid Tegensprekelijk Definitief In de zaak: DE RIJKSDIENST VOOR ARBEIDSVOORZIENING, (hierna afgekort RVA),met zetel gevestigd te 1000 BRUSSEL, Keizerslaan
- Appellant, vertegenwoordigd door Mr T. DE KETELAERE loco Mr. J. DE KETELAERE, advocaat te Leuven. Tegen: Y. E., Geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. A. BERGMANS, advocaat te Leuven. &§61683; &§61683; &§61683; Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit : Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid: - het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis gewezen op tegenspraak door de 2de Kamer van de Arbeidsrechtbank van Leuven d.d.§7 februari 2005; - het verzoekschrift in hoger beroep ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 4 maart 2005; de besluiten van de geïntimeerde partij; Gehoord de partijen in hun middelen en verdediging ter openbare terechtzitting van 19 september 2005 waarna de debatten gesloten werden voor schriftelijk advies neer te leggen ter griffie uiterlijk op 27 september
- Gelet op het schriftelijk advies van de heer J.J. ANDRE, Substituut-Generaal neergelegd ter griffie op 28 september
- Gelet op de termijn verleend aan partijen om eventueel te repliceren m.b.t. dit advies tot 11 oktober 2005, waarna de zaak in beraad wordt genomen. &§61683; &§61683; &§61683; Feiten en procedurevoorgaanden Op 28 juli 2003 stelde de sociale inspecteur een proces-verbaal op luidende : " Op 15 juni 2003 neem ik deel aan een gecoördi-neerde actie aan de tweedehands-automarkt.§Al de voertuigen, die van deze markt kwamen gereden, werden door de politie afgeleid naar de parking van de ISVAG verbrandingsoven te A. Omstreeks 14u05 ga ik over tot controle van de bestuurder van het voertuig met nummerplaat, die hier aan de kant wordt gezet.§Na mij behoorlijk kenbaar gemaakt te hebben en op mijn verzoek, geeft hij voorlegging van zijn identiteitskaart.§Het blijkt om de genaamde Y. E. te gaan, die verklaart zaakvoerder te zijn.§ Gezien hij een ontkennend antwoord geeft op de vraag of hij werkloosheidsuitkeringen geniet en gezien de toevoer van voertuigen die naar deze parking worden afgeleid, worden verder door mij geen bijkomende§ vragen gesteld en wordt enkel nota genomen van zijn identificatiegegevens, alsmede de gegevens met betrekking tot de nummerplaat van het voertuig dat hij bestuurt. Bij nazicht van deze gegevens op onze burelen, blijkt deze persoon een actief dossier te hebben.§ Uit deze gegevens blijkt eveneens dat hij in het verleden reeds aangifte heeft gedaan van de uit-oefening van een nevenactiviteit, meer bepaald op weekdagen na 18u00, doch niet voor uitoefening van deze activiteit op zondagen. In dit verband neem ik tevens kennis van de vaststellingen van collega... op dezelfde automarkt bij een gecoördineerde actie op zondag 13 oktober 2002, waarbij de betrokkene even-eens werd aangetroffen in een voertuig met hande-laarsplaat". Een afschrift van dit proces-verbaal wordt overeenkomstig art. 9 van de wet van 16 november 1972 betreffende de arbeidsinspectie overgemaakt aan geïntimeerde op 28 juli 2003.§Bij schrijven van 1 september 2003 meldt de heer Y. niet akkoord te kunnen gaan met de inhoud van het door de sociaal inspecteur opgestelde proces-verbaal.§ Hij zou niet hebben verklaard zaakvoerder te zijn omdat de vraag niet gesteld werd.§Zo zou de sociale inspecteur zich niet kenbaar hebben gemaakt en evenmin hebben gevraagd of hij werkloosheidsuitkeringen genoot. Op 20 oktober 2003 vindt het verhoor plaats van de heer Y. bij de R.V.A.§in verband met onjuiste aangifte van de uitoefening van de nevenactiviteit en het niet voorleggen van de controlekaart op het ogenblik van de controle. De heer Y. verklaart op het verhoor van 4 november 2003 het volgende : " Ik ga niet akkoord met de uiteenzetting van de feiten zoals vermeld in het p.v....§ opgesteld door de dienst controle van het werkloosheidsbureau Antwerpen d.d.§28 juli 2003.§Ik werd ter plaatse gecontacteerd door de inspectiedienst van financiën, douane en politie.§Ik gaf hem al mijn papieren, daarna kwam er nog iemand die zich niet kenbaar maakte en die mijn papieren vroeg. Ik verwees hem naar de andere personen die met mijn documenten bezig waren.§De persoon maakte zich niet kenbaar. De onbekende persoon wendde zich tot de inspectie-diensten en vroeg of het in orde was.§Dit bleek het geval waarop de onbekende persoon zei : " als het voor jullie in orde is, dan ook voor ons".§ Ik heb aan niemand mijn stempelkaart moeten tonen. Zij lag in de auto, geschrapt op 15 juni 2003". Bij beslissing van 12 december 2003 van de directeur van het werkloosheidsbureau te Leuven werd beslist : " om u uit te sluiten van het recht op uitkeringen van 1 juni 2003 tot en met 15 juni 2003( art. 44, 45 en 71 van het K.B. van 25 november 1991), - om de uitkeringen die U onrechtmatig ontving van 1 juni 2003 tot en met 15 juni 2003 terug te vorderen ( artikel 169 van het voormeld K.B.), - U uit te sluiten van het recht op uitkeringen vanaf 15 december 2003 gedurende een periode van vijf weken omdat U een onjuiste verklaring heeft afgelegd( art. 153 van het voormeld K.B.), - U uit te sluiten van het recht op uitkeringen vanaf 15 december 2003 gedurende een periode van acht weken omdat U op het ogenblik waarop U een activiteit uit oefent die niet verenigbaar is met het recht op uitkeringen, uw controlekaart niet onmiddellijk kon voorleggen aan de sociale inspecteur ( artikel 154 van het voormeld K.B.), ... de totale duur van de sancties bedraagt dus dertien weken". De beslissing is gesteund op de hiernavolgende motieven : De reglementering voorziet dat de werkloze zonder arbeid en zonder loon moet zijn om uitkeringen te kunnen genieten ( art. 44). Wordt onder andere beschouwd als arbeid : de activiteit verricht voor zichzelf die kan worden ingeschakeld in het economische ruilverkeer van goederen en diensten en die niet beperkt is tot het gewoon beheer van het eigen bezit( art. 45 lid 1 1°) ....§ U kan het tegendeel van de vaststelling van de sociaal controleur niet bewijzen. Om uitkeringen te kunnen genieten moet de werknemer in het bezit zijn van een controlekaart vanaf de eerste effectieve werkloosheidsdag van de maand tot de laatste dag van de maand en deze bij zich bewa-ren.§Hij moet eveneens zijn controlekaart onmiddel-lijk voorleggen.§U heeft deze verplichtingen die vermeld staan op de controlekaart niet nageleefd. Elke onrechtmatig en bedrieglijk ontvangen som dient te worden terugbetaald ( art. 169 lid 1 van voormeld K.B.).§Bijgevolg moeten de uitkeringen die u van 1 juni 2003 tot en met 15 juni 2003 heeft genoten, worden teruggevorderd. De duur van de uitsluiting op grond van art. 153 werd bepaald op vijf weken aangezien onderzoek van uw dossier geen verzachtende noch verzwarende omstandigheden aan het licht heeft gebracht.§Gezien de ernst van de feiten beperk ik mij niet tot het geven van een verwittiging en voorzie ik de uit- sluitingsbeslissing niet van een geheel of gedeeltelijk uitstel. Wat betreft de administratieve sanctie op grond van art. 154 kan de werkloze worden uitgesloten van het genot van de uitkeringen gedurende tenminste een week en ten hoogste 26 weken.§De directeur kan zich beperken tot het geven van een verwittiging of de uitsluitingsbeslissing voorzien van een geheel of gedeeltelijk uitstel indien in de voorafgaande twee jaar geen gebeurtenis heeft plaatsgevonden die aanleiding heeft gegeven tot de toepassing van een sanctie op grond van art. 153, 154 of
- In uw geval werd de duur van de uitsluiting bepaald op acht weken aangezien onderzoek van uw dossier geen verzachtende of verzwarende omstandigheden aan het licht heeft gebracht.§Gezien de ernst van de feiten beperk ik mij niet tot het geven van een verwittiging en voorzie ik de uitsluitingsbeslissing niet van een geheel of gedeeltelijk uitstel." Bij verzoekschrift ontvangen ter griffie van de Arbeidsrechtbank Leuven d.d.§17 december 2003 betwist de heer Y. voormelde beslissing.§ Met het bestreden vonnis verklaart de Arbeids-rechtbank de vordering ontvankelijk doch gedeeltelijk gegrond. De bestreden beslissing van 12 december 2003 wordt bevestigd in die zin dat de§heer Y. uitgesloten wordt van het recht op uitkeringen van 1 juni 2003 tot en met 15 juni 2003 en de onrechtmatig ontvangen uitkeringen over deze periode moet terugbetalen; de totale duur van de sanctie tot uitsluiting wordt herleid tot 1 week. Vernietigt voor het overige de beslissing van 12 december
- Veroordeelt de R.V.A.§tot de kosten van het geding. &§61683; &§61683; Beroepsgrieven De eerste rechter heeft ten onrechte de sanctie van acht weken vernietigd op basis van art. 154 van het voormeld K.B. en eveneens heeft zij ten onrechte de sanctie van de vijf weken op basis van art. 153 van voormeld KB herleid tot een week. &§61683; &§61683; Beoordeling Ontvankelijkheid van het hoger beroep Het verzoekschrift is regelmatig naar vorm en werd ingesteld binnen de daartoe wettelijk bepaalde termijn, wat overigens niet wordt betwist. Het is derhalve ontvankelijk. &§61683; &§61683; Ten gronde De eerste rechter bevestigt terecht de uitsluiting en terugvordering van 1 juni 2003 tot en met 15 juni 2003 in toepassing van de art. 44, 45 en 169 van het K.B. van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering. Krachtens art. 44 van het voormeld werkloosheidsKB moet de werkloze om uitkeringen te kunnen genieten wegens omstandigheden onafhankelijk van zijn wil zonder arbeid en zonder loon zijn. Tevens diende hij in het bezit te zijn van zijn controlekaart vanaf de eerste effectieve werkloosheidsdag van de maand tot de laatste dag van de maand en deze bij zich te bewaren. De heer Y. betwist niet dat hij aan het werk was op de dag van de controle.§Hij had zelfs een formu-lier C 1 1 ingediend waarin hij verklaarde de activiteit van autoverkoop en aankopen en takel-dienst uit te oefenen iedere dag van de week na 18u00; de zaterdag en zondag niet inbegrepen. Om deze reden kan de activiteit reeds uitgeoefend iedere dag van de week na 18 u en zoals uit de controlekaarten blijkt regelmatig op zondag waarvoor reeds een vaststelling door de sociale inspectie geschiedde op 13 oktober 2002 niet als gelegenheidsarbeid worden aangemerkt en diende geïntimeerde hiervan aangifte te doen op zijn formulier C 1
- Het staat bijgevolg vast dat de heer Y. die zondag een activiteit heeft vervuld in de zin van artikel 44-45 van het werkloosheidsbesluit en dat hij een onjuiste verklaring dienaangaande heeft afgelegd. Uit de overgelegde controlekaarten blijkt dat geïn-timeerde na 13 oktober 2002 het overeenkomstige vakje op zijn controlekaart per gewerkte zondag had zwart gemaakt. Geïntimeerde had bijgevolg geen be-drieglijk inzicht en deelde zijn arbeid op zondag aan de RVA mede door middel van zijn controlekaart. Deze controlekaart dient zowel voor de controle van de arbeid als voor de berekening van de werkloosheidsuitkeringen. Bijgevolg heeft de eerste rechter op gepaste wijze de sanctie van art. 153, gezien deze concrete omstandigheden, herleid tot één week uitsluiting. Bijgevolg was de beslissing tot uitsluiting door de R.V.A.§voor de periode van 1 juni tot en met 15 juni 2003 terecht genomen en dient dit bedrag overeen-komstig art. 169 lid 1 van het KB te worden terugbetaald.§De overtreding van art. 71 van het besluit leidt ertoe dat betrokkene wordt uitgesloten van het begin van de maand tot en met de dag van de controle aangezien de werknemer in het bezit moet zijn van een controlekaart vanaf de eerste effectieve werkloosheidsdag van de maand tot de laatste dag ervan en is bij zich moet bewaren. Aangezien een afschrift van het proces-verbaal aan de overtreder ter kennis werd gebracht binnen een termijn van veertien dagen na de vaststelling heeft het proces-verbaal opgesteld door de sociaal controleur bewijskracht tot het tegendeel is bewezen dit wat de zintuiglijke waarnemingen betreft. Geïntimeerde bewijst zijn versie niet en bijgevolg gelden de vermeldingen zoals in extenso weergegeven in de feitelijke weergave hierboven en heeft de sociale inspecteur zich kenbaar gemaakt§ waarop nadien betrokkene op verzoek van de sociale inspecteur§zijn identiteitskaart§voorlegde en vermeldde dat hij zaakvoerder was. Het proces-verbaal van 28 juli 2003 vermeldt : " gezien hij een ontkennend antwoord geeft op de vraag of hij werkloosheidsuitkeringen geniet en... worden verder door mij geen bijkomende vragen gesteld en wordt enkel nota genomen van zijn identificatiegegevens". Het is slechts bij terugkomst op bureel dat bij nazicht van de gegevens de sociale inspecteur vaststelt dat geïntimeerde wel werkloosheidsuit-keringen geniet. Overeenkomstig art. 71 1° lid§5 moet de werkloze eveneens zijn controlekaart onmiddellijk voorleggen bij elke vordering van een daartoe bevoegd persoon. In casu antwoordde geïntimeerde op de vraag of hij werkloosheidsuitkeringen genoot ontkennend en vermeldde hij dat hij zaakvoerder was, met als gevolg dat geen verdere vragen meer werden gesteld door de controleur. Art. 156 van het werkloosheidsbesluit werd opgeheven bij K.B. van 29 juni 2000 (B.S. 13 juli 2000) met ingang van 1 augustus
- Het verzoek, of de vordering van sociale inspecteur of betrokkene werkloosheidsuitkeringen geniet, houdt bij negatief antwoord zoals in casu waar betrokkene verklaart zaakvoerder te zijn, impliciet eveneens een verzoek in tot voorlegging van de controle-kaart.§De vraag tot voorlegging van de controlekaart is inderdaad slechts zinvol in het geval de betrokkene antwoordt dat hij werkloos is. Wanneer de betrokkene op verzoek van de sociaal inspecteur verklaart geen uitkeringsgerechtigde werkloze te zijn, daar waar hij dit toch is, dient zijn verklaring gelijk gesteld te worden met de niet voorlegging of weigering tot voorleggen van de controlekaart aangezien dit de uiteindelijke onderliggende bedoeling is van dergelijke verklaring. Bijgevolg heeft geïntimeerde een inbreuk gepleegd op art. 71 5° van het werkloosheidsbesluit. De houding van geïntimeerde en de inhoud van zijn verklaring is zeer ernstig en rechtvaardigt ten volle de door appellante opgelegde sanctie van 8 weken op grond van art. 154 van het werkloosheidsbesluit. &§61683; &§61683; OM DEZE REDENEN : En allen hierin impliciet vervat, Het Arbeidshof, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24; Het eensluidend schriftelijk advies van de heer J.J. ANDRE, Substituut-Generaal neergelegd ter griffie op 28 september 2005; Recht sprekend op tegenspraak; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en deels gegrond; Hervormt het bestreden vonnis alleen wat de uit-sluiting van het recht op werkloosheidsuitkeringen op grond van art. 153 van het werkloosheidsbesluit betreft; Opnieuw recht sprekend; Bevestigt op dit punt de bestreden administratieve beslissing van de Rijksdienst voor Arbeidsvoor-ziening welke een uitsluiting oplegt van 8 weken op grond van art. 153; Bevestigt het bestreden vonnis voor het overige; Legt de gerechtskosten ten laste van appellante partij krachtens art. 1017 al. 2 Ger. Wb.; Deze kosten werden tot op heden als volgt begroot : voor appellante partij : niet begroot, voor geïntimeerde partij : EUR 139,81 rechtsplegingsvergoeding hoger beroep; Aldus gewezen en uitgesproken op de buitengewone openbare teêrechtzitting van de 7de kamer van het Arbeidshof te Brussel op 17 oktober 2005, waar aanwezig waren : Mevr. B. CEULEMANS: Raadsheer. De Heren : I. VAN DAMME: Raadsheer in Sociale Zaken als werkgever. P. MANS: Raadsheer in Sociale Zaken als werknemer-arbeider. D. DE RAEDT: Grifêfier. I. VAN DAMME P. MANS D. DE RAEDT B. CEULEMANS PDF document ECLI:BE:CTBRL:2005:ARR.20051017.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div