← België

ECLI:BE:CTBRL:2005:ARR.20051110.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 10 november 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2005:ARR.20051110.4 Rolnummer: 45172 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2005-12-14 Raadplegingen: 108 - laatst gezien 2026-07-02 03:44 Fiche Artikel 17, 2e alinea, van de wet van 11 april 1995 (handvest van de sociaal verzekerde) is toepasselijk op de terugvordering van als gevolg van een door de verzekeringsinstelling begane vergissing onverschuldigd uitgekeerde prestaties. Vrije woorden: HANDVEST VAN DE SOCIAAL VERZEKERDE - Sociale zekerheid der werknemers - Ziekte- en invaliditeitsuitkering - Onverschuldigde betaling - Terugvordering - Art. 17, 2e alinea, van de wet van 11 april

  1. Wettelijke bepalingen: Wet - 11-04-1995 - 17,AL.2 - 44 ELI link Pub nr 1995022286 Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN TIEN NOVEMBER TWEEDUIZEND EN VIJF ZEVENDE KAMER Not. 580, 2° G.W. Ziekte- en Invaliditeitsverzekering Tegensprekelijk Definitief In de zaak: LANDSBOND VAN DE ONAFHANKELIJKE ZIEKENFONDSEN, met zetel te 1150 Brussel, Sint-Huibrechtsstraat 19, Appellante, geïntimeerde op incidenteel hoger beroep, vertegenwoordigd door Mr. H. Demeester, advocaat te Gent, Tegen: D.D., geïntimeerde, appellant op incidenteel hoger beroep, vertegenwoordigd door Mr. Th. De Groote loco Mr. N. Sluse, advocaat te 1050 Brussel, Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit: Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid: het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, bij verstek t.o.v. geïntimeerde gewezen door de Arbeidsrechtbank te Leuven op 24 december 2003; - de akte tot hoger beroep van gerechtsdeurwaarder dd. 2 februari 2004, ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 2 maart 2004; de besluiten en aanvullende besluiten in hoger beroep door partijen neergelegd; Gehoord partijen in hun middelen en beweringen ter openbare terechtzitting van 13 oktober 2005, waarna de debatten gesloten werden. De hogere beroepen werden tijdig en op geldige wijze ingesteld, wat overigens niet betwist wordt, en zijn derhalve ontvankelijk. Voorgaanden Bij aangetekende brief dd. 5 augustus 2002 van appellante wordt aan geïntimeerde medegedeeld dat een vergissing werd begaan, dat ten onrechte uitkeringen wegens arbeidsongeschiktheid werden betaald voor de periode van 5 augustus 2001 tot 15 mei 2002 voor een totaal bedrag van 9.949,77 Euro en wordt hem verzocht voormeld bedrag terug te betalen. Bij aangetekend schrijven dd. 9 september 2002 wordt geïntimeerde gewezen op artikel 164 van de gecoördineerde wet van 4 juli 1994 met de hem opgelegde verplichting het verschuldigde bedrag terug te betalen en wordt aangedrongen op de betaling binnen de veertien dagen. Geïntimeerde tekent beroep aan bij de Arbeidsrechtbank te Leuven bij verzoekschriften ontvangen ter griffie op 6 september 2002 en op 4 november
  2. Appellante dient op 19 februari 2003 een verzoekschrift in bij de Arbeidsrechtbank te Leuven teneinde de veroordeling van geïntimeerde te bekomen tot terugbetaling aan appellante van de som van 9.949,77 Euro en het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren zonder borgstelling of kantonnement. Bij vonnis dd. 24 december 2003 van de tweede kamer van de Arbeidsrechtbank te Leuven worden deze vorderingen samengevoegd, worden de vorderingen van geïntimeerde ontvankelijk en gegrond en wordt deze van appellante ontvankelijk en ongegrond verklaard, wordt de beslissing dd. 5 augustus 2002 vernietigd en voor recht gezegd dat geen uitvoerbare titel op basis van deze beslissing kan worden verleend. De eerste rechter was van oordeel dat overeenkomstig artikel 17 van het Handvest van de sociaal verzekerde de nieuwe beslissing van 5 augustus 2002 slechts uitwerking kan hebben vanaf 6 augustus
  3. Appellante tekent hoger beroep aan en stelt dat de aangetekende brief dd. 5 augustus 2002 geen beslissing is in de zin van het sociaal handvest, dat door het verkeerd uitbetalen het ziekenfonds zijn beslissing slecht heeft uitgevoerd en dat de enige beslissing in deze zaak deze is waarbij aan betrokkene een bepaald recht wordt toegekend vanaf een bepaalde datum, met verwijzing naar rechtspraak van het Arbeidshof te Mons dd. 17 december 2003 en van de Arbeidsrechtbank te Luik dd. 25 maart
  4. Geïntimeerde verzoekt het Hof : " Het beroep van huidige appellante op hoofdvordering minstens ongegrond te verklaren, Het incidenteel beroep van concluant ontvankelijk en gegrond te verklaren, Het vonnis van de vierde kamer van de Arbeidsrechtbank van Leuven te hervormen en : De oorspronkelijke vordering van huidige appellante op hoofdvordering minstens ongegrond te verklaren, Appellante op hoofdvordering, geïntimeerde op tegenvordering te horen en te zien veroordelen tot de betaling aan concluant van een bruto-bedrag van 2.902,20 Euro, te vermeerderen met de vergoedende en gerechtelijke intresten sedert 21 juli 2002, gemiddelde datum. Appellante op hoofdvordering, geïntimeerde op tegenvordering te horen veroordelen tot de kosten, rechtsplegingsvergoeding inbegrepen". Geïntimeerde betwist het recht op terugvordering van de desbetreffende arbeidsongeschiktheidsuitkeringen op grond van artikel 17 van het Handvest van de sociaal verzekerde (wet van 11 april 1995, gewijzigd bij de wet van 25 juni 1997) en stelt dat de nieuwe beslissing om geen uitkeringen meer toe te kennen slechts kon ingaan op 1 september 2002 zodat tevens de uitkeringen voor de periode van 16 mei 2002 tot en met 31 augustus 2002 verschuldigd zijn. Beoordeling door het Hof Het Hof stelt vast dat niet betwist wordt door geïntimeerde dat hem ten onrechte arbeidsongeschiktheidsuitkeringen werden uitbetaald van 5 augustus 2001 tot 15 mei 2002 voor een bedrag van 9.949,77 Euro. De aangetekende brief dd. 5 augustus 2002 van appellante waarbij aan geïntimeerde wordt medegedeeld dat een vergissing werd vastgesteld en dat voormeld ten onrechte uitbetaalde bedrag wordt teruggevorderd is wel degelijk een beslissing in de zin van artikel 2,8° van het sociaal handvest die rechtsgevolgen beoogt te hebben voor de sociaal verzekerde. Geïntimeerde wordt trouwens uitdrukkelijk gewezen op de mogelijkheid van aantekenen van beroep bij de bevoegde arbeidsrechtbank indien hij niet akkoord gaat met de beslissing tot terugvordering. Artikel 17, lid 1 van de wet van 11 april 1995 tot invoering van het "handvest" van de sociaal verzekerde bepaalt dat wanneer vastgesteld wordt dat de beslissing aangetast is door een juridische of materiële vergissing, de instelling van sociale zekerheid op eigen initiatief een nieuwe beslissing neemt die uitwerking heeft op de datum waarop de verbeterde beslissing had moeten ingaan, onverminderd de wettelijke en reglementaire bepalingen inzake verjaring. Artikel 17, lid 2 bepaalt verder dat, onverminderd de toepassing van artikel 18, de nieuwe beslissing, indien de vergissing aan de instelling van sociale zekerheid te wijten is, uitwerking heeft op de eerste dag van de maand na de kennisgeving ervan, als het recht op de prestaties kleiner is dan het aanvankelijk toegekende recht. De beslissing dd. 5 augustus 2002 tot terugvordering van het onverschuldigd bedrag van 9.949,77 Euro heeft uitwerking op de eerste dag van de maand na de kennisgeving ervan namelijk 1 september 2002, gezien de vorige beslissing te wijten was aan een vergissing van appellante en het recht op de prestatie kleiner is dan het aanvankelijk toegekende recht. De ten onrechte ontvangen arbeidsongeschiktheidsuitkeringen zijn als definitief verworven te beschouwen (cfr. Arrest Hof van Cassatie dd. 6 mei 2002, http :// www. Juridat. be). De beslissing dd. 5 augustus 2002 met uitwerking op 1 september 2002 betrof alleen de terugvordering van het onverschuldigd betaalde bedrag en niet de toekennen van het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkeringen als zodanig en trouwens door geïntimeerde nooit betwist dat hij er geen recht op had, zodat het incidenteel hoger beroep tot uitbetaling van arbeidsongeschiktheidsuitkeringen dient te worden afgewezen. OM DEZE REDENEN : De zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel; Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24; Gehoord de heer André, Substituut-generaal, in zijn mondeling eensluidend advies, terstond uitgesproken op de openbare terechtzitting van 13 oktober 2005, waarop geen repliek van partijen; Recht doende op tegenspraak; Alle andere middelen en conclusies van de hand wijzende; Ontvangt beide hogere beroepen en verklaart ze ongegrond; Bevestigt het bestreden vonnis; Legt de kosten van hoger beroep, overeenkomstig artikel 1017, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, ten laste van appellante, kosten tot op heden begroot op : voor appellante niet begroot voor geïntimeerde 200,79 Euro rechtsplegingsvergoeding hoger beroep Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van de zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel op tien november tweeduizend en vijf. Waar aanwezig waren : mevrouw B. VAN DE VELDE, Voorzitter de heer G. VAN BELLEGHEM, Raadsheer in Sociale Zaken als werkgever de heer H. SILON, Raadsheer in Sociale Zaken als werknemer arbeider mevrouw L. HERREGODTS, Griffier L. HERREGODTS B. VAN DE VELDE H. SILON G. VAN BELLEGHEM PDF document ECLI:BE:CTBRL:2005:ARR.20051110.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.