← België

ECLI:BE:CTBRL:2005:ARR.20051202.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 02 december 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2005:ARR.20051202.1 Rolnummer: 44889 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-10-24 Raadplegingen: 110 - laatst gezien 2026-07-02 03:46 Fiche Wanneer de eiser van meet af aan zijn vordering steunt op een misdrijf en onder de vorm van een schadevergoeding formuleert, zal voorzover alle bestanddelen vervuld zijn opdat er van een misdrijf sprake zou zijn, de vijfjarige verjaring voorzien voor de burgerlijke vordering uit een misdrijf door artikel 26 van de inleidende titel van het Wetboek van Strafvordering toepasselijk zijn. Er is voortgezet misdrijf indien de wanbetaling gedurende de hele tewerkstelling heeft geduurd. Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP - RECHT - WETGEVING - STRAFVORDERING - Vordering tot achterstallig loon en achterstallig vakantiegeld - Verjaring. Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - 26 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN TWEE DECEMBER TWEEDUIZEND EN VIJF. DERDE KAMER Bediendecontract Tegensprekelijk Definitief In de zaak: B.S. , Appellante, geïntimeerde op incidenteel hoger beroep, vertegenwoordigd door Mr. V. Verbessselt loco Mr. A. Vermoortele, advocaat te Herne; Tegen: N.V. VCD DEVROEDE, met zetel te 1500 HALLE, Edingsesteenweg nr. 20 en met ondernemingsnummer 0404.062.903 Geïntimeerde, appellante op incidenteel hoger beroep, vertegenwoordigd door Mr. TH. Taffijn, advocaat te Dilbeek; &§61683; &§61683; &§61683; Na beraadslaging, velt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest: Gelet op de stukken der rechtspleging en ondermeer op: het eensluidend verklaard afschrift van het vonnis uitgesproken op tegenspraak door de 12e kamer van de Arbeidsrechtbank te Brussel op 21 november 2003 (AR nr 30.006/02); het verzoekschrift tot hoger beroep ontvangen op de griffie van het Arbeidshof op 11 december 2003; de besluiten en aanvullende besluiten van geïntimeerde, ontvangen ter griffie respectievelijk op 30 september 2004 en 5 oktober 2004; de besluiten van appellante, ontvangen ter griffie op 13 september 2004; Gehoord de partijen in hun middelen en verdediging op de openbare terechtzitting van 4 november

  1. Partijen legden hun bundel neer waarna de debatten gesloten werden en de zaak in beraad werd genomen. &§61552; &§61552; &§61552; RELEVANTE FEITEN EN RECHTSPLEGING. Mevrouw B. trad op 1 september 1995 als verkoopster in dienst van de NV VCD Devroede die een groothandel uitbaat in kantoorbenodigdheden, inclusief informatica, en een copycenter. Zij ressorteert onder paritair comité nr.
  2. In de arbeidsovereenkomst worden de taken van mevrouw B. als volgt omschreven: administratie, winkelen magazijnverkoop. Op 9 februari 2001 beëindigde mevrouw B. zelf de arbeidsovereenkomst. Met dagvaarding van 30 april 2002 spande mevrouw B. een geding aan voor de Arbeidsrechtbank en vorderde de veroordeling van de vennootschap tot betaling van een schadevergoeding wegens de niet betaling van loon, loon voor overuren en vakantiegelden voor volgende bedragen: EUR 1.811,28 voor de periode maart 1997 tot maart 2001, EUR 61,87 voor vakantiegeld 1998 dienstjaar 1997, EUR 76,60 voor vakantiegeld 1999 dienstjaar 1998, EUR 56,72 voor vakantiegeld 2000 dienstjaar 1999, EUR 75,95 voor vakantiegeld 2001 dienstjaar 2000, EUR 6,67 voor vakantiegeld 2002 dienstjaar 2001, EUR 5.714,00 voor niet-vergoede overuren gedurende de periode maart 1997 t.e.m. januari 2001, EUR 876,55 voor achterstallig vakantiegeld op de gepresteerde overuren Zij vorderde tevens afgifte van de corresponderende sociale documenten. Met het beroepen vonnis verklaarde de Arbeidsrechtbank de vordering met betrekking tot het achterstallig loon en het vakantiegeld daarop onontvankelijk en de vordering tot betaling van loon voor overuren en vakantiegeld daarop ontvankelijk doch ongegrond. Zij verklaarde de vordering enkel gegrond m.b.t. de afgifte van een correct opgesteld vakantieattest overeenstemmend met een voltijdse tewerkstelling. VORDERINGEN IN HOGER BEROEP. Mevrouw B. kan zich niet neerleggen bij de uitspraak van de Arbeidsrechtbank. Zij verzoekt het Hof deze te hervormen en haar oorspronkelijke vordering volledig in te willigen. Bij conclusies die op 30 september 2004 ter griffie werden neergelegd, stelde de vennootschap incidenteel hoger beroep in. Zij verzoekt het Hof de vordering met betrekking tot het loon voor overuren eveneens onontvankelijk te verklaren aangezien er geen sprake is van een misdrijf. &§61683; &§61683; &§61683; BEOORDELING A. Ontvankelijkheid Nu geen betekeningsakte van het beroepen vonnis wordt voorgebracht, kan worden aangenomen dat het hoger beroep dat naar vorm regelmatig is, werd ingeleid binnen de door de wet bepaalde termijn en derhalve ontvankelijk is. Het incidenteel hoger beroep is eveneens ontvankelijk. B. Ten Gronde 1.De verjaring van de vordering tot achterstallig loon en achterstallig vakantiegeld Mevrouw B. meent dat de niet betaling van het loon overeenkomstig de loonschalen die vastgesteld zijn bij algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst wel degelijk een misdrijf uitmaakt volgens de Loonbeschermingswet en aangezien haar vordering op een misdrijf steunde, deze tijdig werd ingesteld binnen de 5-jaarlijkse verjaringstermijn die geldt voor burgerlijke vorderingen gesteund op een misdrijf. Mevrouw B. werd betaald volgens de loonschaal van de 1ste categorie van de loonschalen vastgesteld bij CAO van 29 mei 1989 (KB 6/8/1990, BS 31/8/1990) afgesloten binnen het ANPCB en meent aanspraak te kunnen maken op het loon voorzien van de 2de categorie. Het Hof deelt het standpunt van mevrouw B. dat de niet-betaling van het loon waarop zij recht heeft ingevolge haar dienstbetrekking in principe een misdrijf uitmaakt krachtens artikel 42 van de Loonbeschermingswet van 12 april 1965 en in de mate dat haar loon bepaald wordt door een algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst is de niet betaling ervan bovendien strafrechtelijk gesanctioneerd bij artikel 56 van de CAO-wet van 5 december
  3. Artikel 2 van de Loonbeschermingswet beschermt het loon in geld waarop de werknemer ingevolge zijn dienstbetrekking recht heeft ten laste van de werkgever. Het blijkt dat mevrouw B. haar vordering van meetaf aan op een misdrijf heeft gesteund en onder de vorm van een vordering tot schadevergoeding heeft geformuleerd. In de mate dat alle bestanddelen vervuld zijn opdat er van een misdrijf sprake zou zijn, is de vordering met betrekking tot de loonachterstallen en het daarop verschuldigd vakantiegeld niet verjaard, aangezien zij werd ingesteld binnen de 5-jarige verjaringstermijn voorzien voor de burgerlijke vordering uit een misdrijf door artikel 26 van de inleidende titel van het Wetboek van Strafvordering. Dat dient nagegaan te worden op welk loon zij aanspraak kan maken volgens de functieclassificatie in de CAO vooraleer de vordering kan worden ingewilligd heeft niet voor gevolg dat de vordering geen loonsvordering zou zijn die op een misdrijf is gesteund. Het niet-betalen van vakantiegelden is eveneens een misdrijf krachtens artikel 54 van de Jaarlijkse Vakantiewet. Zowel het niet-betalen van het verschuldigd loon als van het daarop verschuldigd vakantiegeld gedurende de verschillende jaren dat de tewerkstelling heeft geduurd is bovendien een voortgezet misdrijf aangezien het een aaneenschakeling van gelijkaardige strafbare onthoudingen betreft die onderling verbonden zijn door eenheid van misdadig opzet dat minstens bestaat uit een gedurende lange tijd voortgezette onachtzaamheid. Volgens de toepasselijke CAO van 29 mei 1989 worden de bedienden in vier klassen onderverdeeld. Voor de onderverdeling gelden volgende maatstaven: 1ste Categorie Normale aanvangsleeftijd 21 jaar. Bedienden waarvan de functie wordt gekenmerkt door: kennis overeenstemmend met het programma van het lager onderwijs en voldoende om intellectuele functies te kunnen uitoefenen van het minste niveau de juiste uitvoering van een eenvoudig bijkomstig werk Het gaat om functies die geen persoonlijk initiatief vergen en worden uitgevoerd volgens duidelijk vooraf vastgestelde regels. Wat de administratieve functies betreft worden een aantal voorbeelden opgesomd: huisbewaarder deurwaarder bediende voor de post (openmaken, oppervlakkig sorteren, onder omslag steken, enz...) bediende aan de adresseermachines (stempelen en drukken van adresplaatsjes), fotokopieermachines en/of polykopieermachines blauwdrukker bediende zonder ervaring die begint te werken op kantoor of mecanografische machines uitraper van ponskaarten (bediende die stekkaarten uitzoekt zonder behulp van enigerlei machines) bediende hulpmagazijnier of hulpbediende bij de goederenreceptie (bijkomstig administratief werk) schrijver die hoofdzakelijk eenvoudig schrijf- en cijferwerk verricht, opsommingen registreert, staten opmaakt of elementair werk van gelijk niveau uitvoert, zonder interpretatie, bediende belast met het klassement van documenten bediende bij de voorbereiding van het werk op de boekhoudingsmachines: helpt operators met het opzoeken der te behandelen boekingsstukken een hun herklassering beginneling typist 2de categorie De normale aanvangsleeftijd is eveneens 21 jaar. Zij heeft betrekking op bedienden waarvan de functie wordt gekenmerkt door kennis door onderwijs of praktijk welke kan opwegen tegen de kennis verworven door de eerste drie jaren van de middelbare graad, het correct uitvoeren van eenvoudig en weigig afwisselend werk dat wegens een rechtstreeks toezicht slechts beperkte verantwoordelijkheid meebrengt, een korte leertijd voldoende om de vereiste vaardigheid in een bepaald werk te verwerven. Als voorbeelden worden o.m. vermeld: archivaris klasseerder, die blijk moet geven van enig oordeel en inzicht magazijnbedienden bediende bij de goederenreceptie stockbediende, (magazijnen, opslagplaatsen, reserves), administratief werk van de magazijnen waar voorraden zijn opgeslagen, zonder boekhoudkundige wijziging ervaren typist die 40 woorden per minuut kan typen op de schrijfmachine, een correcte spelling heeft en het werk goed weet te schikken stenotypist zonder ervaring, bij aanvang van de functie bediende belast met eenvoudig schrijf- of rekenwerk, het registreren van opsommingen, het opmaken van staten of ander bijkomstig werk van gelijk niveau dat enig oordeel vereist en onder rechtstreekse controle wordt uitgevoerd hulpbediende voor de lonen (onder controle) boekhoudingbediende (registreren van boekhoudkundige gegevens zonder de toewijzing te bepalen) operator op boekhoudingmachines met volledig klavier voor het opstellen van een gedeelte van de boekhouding (vb: lopende rekening cliënten, leveranciers, stocks, enz...) zonder verantwoordelijkheid. deze functie houdt een beperking in ofwel in het soort documenten, ofwel in de behandeling (vb: steeds debet of steeds credit) ofwel in het gedeelte van de boekhouding (vb: alleen klantenrekeningen of alleen leveranciers, enz...) Telefonist van een centrale of telexiste aangesteld in een dient met volledige werktijd bediende-facturist: belast met het opmaken van eenvoudige facturen en statistieken bediende die verzendingstukken opmaakt doch niet moet opzoeken welke fiscale- of douanerechten van toepassing zijn bediende belast met het nazicht van de aanwezigheden bediende belast met gewichts- en stukcontrole der ontvangen of verzonden goederen, stelt de weegtiketten op en houdt de registers steller van niet-automatische en veelkleurige offsetmachines bediende die een hulpkas houdt eentalige reisgids. Uit de voorliggende gegevens blijkt dat mevrouw B. onmiddellijk na het beëindigen van haar middelbare studies in dienst is getreden. De vennootschap baat een groothandel uit en een winkel. Volgens de vennootschap zou mevrouw B. enkel in de winkel aan de kassa zijn tewerkgesteld en zou mevrouw De Vroede zelf de administratieve taken gepaard gaand met de verkoop voor haar rekening hebben genomen. Mevrouw B. beweert dat zij allerlei taken vervulde zowel in de winkel als in het magazijn, zoals het afwerken en klaar zetten van bestellingen, het opmaken van facturen en van allerlei documenten zoals abonnementsaanvragen voor telefoons en dat zij die taken ook alleen uitvoerde. De taakinvulling zoals beschreven door mevrouw B. vindt steun in de arbeidsovereenkomst die uitdrukkelijk vermeldt dat zij belast is met administratie en verkoop in winkel en magazijn. Volgens de vennootschap dient rekening gehouden te worden met de werkelijk uitgeoefende taken, doch zij levert niet het bewijs dat deze niet in overeenstemming zouden zijn met deze omschreven in de arbeidsovereenkomst. Zij toont geenszins aan dat mevrouw B. enkel als kassierster werd tewerkgesteld. Dat mevrouw B. gevarieerde taken vervulde met een zekere verantwoordelijkheid is bovendien meer dan waarschijnlijk. Men kan zich moeilijk voorstellen dat de vennootschap haar gedurende 6 jaar enkel taken zou hebben opgedragen die slechts de kennis vereisen die in de lagere school wordt opgedaan, terwijl zij het middelbaar onderwijs had doorlopen. Volgens artikel 3 ,§3 van de toepasselijke CAO geldt het genoten onderwijs als beoordelingsfactor bij de aanvang van de loopbaan. Gelet op de openingsdagen (6 dagen op 7) en uren van de winkel, is bovendien waarschijnlijk dat zij ook soms alleen voor de verkoop instond. Gelet op de aard van het door de vennootschap verkochte materiaal, zoals uit de voorgelegde folder blijkt, dienden vaak allerlei documenten te worden opgesteld zoals garantieformulieren of abonnementsaanvragen voor telefoons. Aangezien een hele gamma informaticaproducten werd aangeboden dienden de verkopers ook een minimum aan informatie aan de klant te kunnen verstrekken. Verkoop vanuit een magazijn als groothandelhandelaar vereiste afwerking van omvangrijke bestellingen, nazicht van bestelbons en facturatie. Het Hof is van oordeel dat dit takenpakket overeenstemt met de beschrijving van de taakinhoud van een functie van de tweede categorie volgens de functieclassificatie in de CAO. Het daarmee overeenstemmend loon werd niet betaald zodat alvast het materieel bestanddeel van het misdrijf vaststaat. Het bewijs van de materialiteit van de strafbare gedraging die erin bestaat het verschuldigde loon niet op het vastgestelde tijdstip te betalen vormt een feitelijke aanwijzing van schuld, bij ontbreken van een vereiste van een algemeen of een bijzonder opzet. Minstens geeft het blijk van een voortgezette onachtzaamheid van de werkgever dat als moreel bestanddeel van het misdrijf volstaat. Op de vennootschap rustte immers de plicht na te gaan met welke functieclassificatie de door mevrouw B. uitgeoefende functie overeenstemde en het overeenkomstige loon uit te betalen. Het komt de vennootschap toe in voorkomend geval het tegenbewijs te leveren door een rechtvaardigingsof schulduitsluitingsgrond in te roepen. (W.Rauws, sociaalrechtelijke misdrijven en hun strafbaarstelling in "Sociaal Strafrecht" E. G. Van Limbergen, Maklu, '98 p. 73-74). Dergelijke rechtvaardigings- of schulduitsluitingsgronden worden door de vennootschap evenwel niet aangevoerd. Het Hof is derhalve van oordeel dat de vordering tot schadevergoeding wegens niet betaling van het verschuldigde loon en vakantiegeld, gesteund op een misdrijf ontvankelijk en gegrond is. 2.De vordering tot schadevergoeding gesteund op een misdrijf wegens niet betaling van verschuldigd overloon. Het niet betalen van het loon voor gepresteerde overuren is eveneens een misdrijf dat strafbaar is gesteld door de Loonbeschermingswet van 12 april
  4. Opdat er sprake zou zijn van een misdrijf dient ook hier het materieel bestanddeel en het moreel bestanddeel ervan te worden aangetoond. Mevrouw B. beweert gedurende de gehele duur van de tewerkstelling 42 uur per week te hebben gepresteerd i.p.v.38 uur. Gedurende de gehele duur van de tewerkstelling werd hierover kennelijk geen enkele opmerking gemaakt. De openingsuren van de winkel die zij als bewijs voorlegt tonen niet aan dat zij zelf tijdens al die uren werkzaam was in de winkel. Bovendien dateren die openingsuren van een periode na haar tewerkstelling. De vennootschap stelde nog andere personen tewerk zodat het perfect mogelijk was de winkel te laten draaien zonder dat de aanwezigheid van mevrouw B. gedurende al die uren noodzakelijk was. De verschillende uurroosters voorzien in het arbeidsreglement stemmen alle overeen met een tewerkstelling van 38 uur per week. Mevrouw B. legt een aantal verklaringen voor van personen die beweren dat zij in de winkel steeds door haar werden bediend. Hiermee wordt allerminst het bewijs geleverd van een tewerkstelling van meer dan 38 uur per week De verklaring van een andere werknemer, de heer E. D. is evenmin bewijskrachtig. Hij beweert niet zelf meer dan 38 uur per week voor de vennootschap te hebben gewerkt en heeft ook geen vordering tegen haar ingesteld wegens het niet betalen van overloon zodat hij bezwaarlijk zou kunnen getuigen dat mevrouw B. wel 42 uur per week presteerde. Bovendien moet die verklaring met de grootste omzichtigheid behandeld worden aangezien mevrouw B. volgens de vennootschap met die persoon een intieme verhouding zou hebben gehad, hetgeen zij niet tegenspreekt. Het Hof acht geenszins bewezen dat mevrouw B. overuren zou hebben gepresteerd zodat het door haar ingeroepen misdrijf niet kan worden vastgesteld. Haar vordering op dit punt is derhalve ongegrond. &§61683; &§61683; &§61683; OM DEZE REDENEN, Het Arbeidshof, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24, Rechtsprekend op tegenspraak, Verklaart het principaal en het incidenteel hoger beroep beide ontvankelijk, Verklaart het principaal hoger beroep gedeeltelijk gegrond, het incidenteel hoger beroep ongegrond. Hervormt het beroepen vonnis. Verklaart de oorspronkelijke vordering tot schadevergoeding wegens niet-betaling van het verschuldigde loon en het vakantiegeld daarop ontvankelijk en gegrond. Veroordeelt de vennootschap tot betaling aan mevrouw B. van een bedrag van EUR 1.811,28 (duizend achthonderd en elf euro en achtentwintig cent) voor het loon over de periode maart 1997 tot maart 2001, EUR 61,87 (eenenzestig euro en zevenentachtig cent) voor vakantiegeld 1998 dienstjaar 1997, EUR 76,60 (zesenzeventig euro en zestig cent) voor vakantiegeld 1999 dienstjaar 1998, EUR 56,72 (zesenvijftig euro en tweeënzeventig cent) voor vakantiegeld 2000 dienstjaar 1999, EUR 75,95 (vijfenzeventig euro en vijfennegentig cent) voor vakantiegeld 2001 dienstjaar 2000, EUR 6,67 (zes euro en zevenenzestig cent) voor vakantiegeld 2002 dienstjaar 2001, als schadevergoeding, vermeerderd met de gerechtelijke intresten. Bevestigt het vonnis voor het overige, behoudens wat de uitspraak over de kosten betreft. Veroordeelt geïntimeerde tot de kosten van beide aanleggen, tot op heden als volgt begroot: - voor appellante: - dagvaarding EUR 97,07 - rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg EUR 167,33 - rechtsplegingsvergoeding hoger beroep EUR 279,60 - voor geïntimeerde: - rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg EUR 167,33 - rechtsplegingsvergoeding hoger beroep EUR 273,65 Aldus gewezen en uitgesproken op de openbare terechtzitting van de derde kamer van het Arbeidshof te Brussel op twee december tweeduizend en vijf. Waren aanwezig: G. BALIS: Kamervoorzitter. P. KESSELS: Raadsheer in Sociale Zaken als werkgever. A. LEURS: Raadsheer in Sociale Zaken als werknemer-bediende. L. COEN: Eerstaanwezend adjunct-griffier. L. COEN. G. BALIS. A. LEURS. P. KESSELS. PDF document ECLI:BE:CTBRL:2005:ARR.20051202.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.