id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 02 december 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2005:ARR.20051202.2 Rolnummer: 45864 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-10-24 Raadplegingen: 104 - laatst gezien 2026-07-02 03:46 Fiche Partijen zijn in principe vrij te kiezen welke kwalificatie zij willen geven aan hun kontraktuele samenwerking, maar de rechter is niet gebonden door deze kwalificatie wanneer de bepalingen van de overeenkomst of de uitvoering die eraan wordt gegeven onverenigbaar is met deze kwalificatie. In recente arresten heeft het Hof van Cassatie echter gesteld dat de rechter niet tot herkwalificatie kan overgaan indien de elementen die aan zijn oordeel worden onderworpen niet toelaten om de door partijen gegeven kwalificatie uit te sluiten. Het ondergeschikt verband, kenmerkend element voor een arbeidsovereenkomst, kan door de partij die de herkwalificatie nastreeft worden bewezen aan de hand van een geheel van indiciën, die het bestaan van dit element als een evidentie aantonen. Vrije woorden: ARBEIDSOVEREENKOMSTEN - ALGEMENE REGELINGEN - Betwisting omtrent het bestaan ervan - Evolutie van de rechtspraak. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 3 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN TWEE DECEMBER TWEEDUI-ZEND EN VIJF. DERDE KAMER Bediendecontract Tegensprekelijk Gedeeltelijk definitief + bijzondere rol In de zaak: L. P. , Appellant, vertegenwoordigd door Mr. V. Buelens loco Mr. I. Reyns, advocaat te Beveren; Tegen: N.V. KALORIK INTERNATIONAL, met zetel te 1640 SINT-GENESIUS-RODE, Waterloosesteen-weg nr. 50; Geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. J. Bayart, advocaat te Brussel; &§61683; &§61683; &§61683; Na beraadslaging, velt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest: Gelet op de stukken der rechtspleging en ondermeer op: het eensluidend verklaard afschrift van het vonnis uitgesproken op tegenspraak door de 2e kamer van de Arbeidsrechtbank te Brussel op 21 juni 2004 (AR nr 63.011/03); het verzoekschrift tot hoger beroep ontvangen op de griffie van het Arbeidshof op 8 september 2004; de besluiten van geïntimeerde, ontvangen ter griffie op 31 maart 2005; de besluiten van appellant, ontvangen ter griffie op 17 mei 2005; Gehoord de partijen in hun middelen en verdediging op de openbare terechtzitting van 4 november
- Partijen legden hun bundel neer waarna de debatten gesloten werden en de zaak in beraad werd genomen. &§61552; &§61552; &§61552; I. RELEVANTE FEITEN EN RECHTSPLEGING De heer L. werkte sedert 1988 samen met de heer A. in het raam van een import- exportactiviteit van huishoudtoestellen. In 1993 richtte hij samen met zijn echtgenote de BVBA G&P op met als maatschappelijk voorwerp: groothandel in schoenen en detailhandel in electro huishoudelijke toestellen en radio-televisie. Hij was zaakvoerder van die vennootschap. In 1996 werd de BVBA SAREV opgericht. De heer L. was één van de oprichters ervan en tevens zaakvoerder. Later werd de NV KALORIK opgericht door de vennootschappen BVBA SAREV en de BVBA TEAM. Beide vennootschappen beschikten over de helft van de aandelen in KALORIK. Op dat ogenblik was de heer L. nog zaakvoerder van SAREV en beschikte hij binnen die vennootschap over 1 aandeel. Op de Algemene Vergadering van 6 november 2001, gaf de heer L. zijn ontslag als zaakvoerder van die vennootschap. Binnen de NV KALORIK bekleedde hij geen enkele bestuursfunctie en was hij evenmin aandeelhouder. Op 16 april 1997 sloten de NV KALORIK en de BVBA G&P een overeenkomst voor onbepaalde duur volgens dewelke G&P zou instaan voor de dienst na verkoop van KALORIK en het beheer van wisselstukken. Op 15 april 2002 stelde de NV KALORIK een einde aan de samenwerking met een opzeggingstermijn van 6 maanden. De heer L. reageerde hierop via zijn raadsman met een brief van 28 juli
- Hij beweerde steeds in ondergeschikt verband tewerk gesteld te zijn geweest, betwistte de geldigheid van de opzegging en stelde dat de vennootschap hierdoor de overeenkomst onmiddellijk had beëindigd zodat hij geen verdere prestaties meer zou leveren. De NV KALORIK betwistte deze beweringen ten stelligste o.m. in een brief van 1 augustus
- Met dagvaarding van 12 september 2003 spande de heer L. een geding aan voor de Arbeidsrechtbank. Hij vorderde de veroordeling van de NV Kalorik tot de betaling van 149.831,22 euro netto provisioneel t.t.v. verbrekingsvergoeding 45.883,80 euro netto provisioneel t.t.v. achterstallig vakantiegeld 22.906,74 euro netto provisioneel t.t.v. achterstallige eindejaarspremies 12.712,27 euro netto provisioneel t.t.v. achterstallig feestdagenloon 23.061,95 euro netto provisioneel t.t.v. achterstallig overloon 13.425 euro t.t.v. achterstallig loon voor de maanden juni en juli 2003 de wettelijke en gerechtelijke intresten op die bedragen vanaf de data van opeisbaarheid en van de kosten van het geding. Met het beroepen vonnis verklaarde de Arbeidsrechtbank de vordering ontvankelijk doch ongegrond. De NV KALORIK spande een geding aan tegen de BVBA G&P voor de Rechtbank van Koophandel, wegens het vroegtijdig stopzetten van de relaties voor het verstrijken van de opzeggingstermijn en de gebrekkige uitvoering van haar taak. II. VORDERINGEN IN HOGER BEROEP De heer L. kan zich niet neerleggen bij de uitspraak van de Arbeidsrechtbank. Hij verzoekt het Hof deze te hervormen en zijn oorspronkelijke vordering volledig in te willigen met veroordeling van de NV KALORIK tot de kosten. &§61683; &§61683; &§61683; III. BEOORDELING 1.ONTVANKELIJKHEID Nu geen betekeningsakte van het beroepen vonnis wordt voorgelegd, kan worden aangenomen dat het hoger beroep dat naar vorm regelmatig is, werd ingesteld binnen de wettelijke termijn en derhalve ontvankelijk is. 2.TEN GRONDE De betwisting handelt over de vraag of de heer L. als werknemer door de NV KALORIK was tewerkgesteld zoals hij beweert dan wel handelde in hoedanigheid van zelfstandige. Al zijn vorderingen zijn gesteund op zijn hoedanigheid van werknemer. Algemene overwegingen De constitutieve bestanddelen van de arbeidsovereenkomst zoals zij voortvloeien uit art. 2, 3 en 4 van de wet van 3 juli 1978 op de arbeidsovereenkomsten (WAO) zijn het presteren van arbeid door de werknemer tegen betaling van loon door de werkgever binnen een gezagsrelatie. Daarvan is de uitoefening van het werkgeversgezag met het ondergeschikt verband als corollarium het meest kenmerkende en essentiële bestanddeel. Het verrichten van arbeid tegen betaling van loon kan immers ook in andere overeenkomsten worden aangetroffen. Het ondergeschikt verband dient begrepen te worden als de juridische ondergeschiktheid. Een zuiver economische afhankelijkheid volstaat niet om te besluiten tot het bestaan van een arbeidsovereenkomst. (Cass. 30-9-85, RW 85-86, 2791) De juridische ondergeschiktheid impliceert de macht van de werkgever om leiding te geven en als keerzijde de verplichting van de werknemer ingeschreven in art 17,2° WAO om overeenkomstig de richtlijnen en bevelen van de werkgever te handelen. (M. Jamoulle, Seize leçons sur le droit du travail - Ed. Fac.Dr. Liège 94, p 112) Het bestaan van een arbeidsovereenkomst wordt in art 1 ,§ 1 van de wet van 27 juni 1969 betreffende de sociale zekerheid der werknemers als basiscriterium aangewezen voor de bepaling van het personeeltoepassingsgebied voor de sociale zekerheid der werknemers. Het KB nr. 38 houdende het sociaal statuut der zelfstandigen hanteert een residuair criterium. Art 3 ,§1 ervan omschrijft de zelfstandige als elk natuurlijk persoon die in België een beroepsactiviteit uitoefent buiten het raam van een arbeidsovereenkomst of een statuut. Partijen zijn in principe vrij te kiezen welke kwalificatie zij aan hun overeenkomst wensen te geven doch zijn ertoe gehouden de grenzen te eerbiedigen gesteld door wettelijke bepalingen van openbare orde of dwingend recht. De rechter is niet gebonden door de kwalificatie die partijen aan hun overeenkomst hebben gegeven. Wanneer de bepalingen van de overeenkomst zelf of de uitvoering die er door partijen wordt aan gegeven niet verenigbaar is met de uitgedrukte kwalificatie kan de rechter de overeenkomst herkwalificeren. In meerdere arresten heeft het Hof van Cassatie geoordeeld dat de realiteit van de rechtsverhouding tussen partijen en meer bepaald het bestaan van een ondergeschikt verband primeert over de door partijen weerhouden kwalificatie of over de bewoordingen van de overeenkomst en dat de wil der partijen geen afbreuk mag doen aan wettelijke bepalingen die dwingend zijn of van openbare orde. (Cass. 14-3-78, TSR 79, 53; Cass. 11-9-78, Arr. Cass. 78-79, 32; Cass. 10-12-84, JTT 85, 244; Cass. 7-9-92, JTT 93, 317; Cass.23-11-92, Arr. Cass. 91-92, 1342) In recente arresten heeft het Hof van Cassatie gesteld dat de rechter niet tot herkwalificatie kan overgaan indien de elementen die aan zijn oordeel worden onderworpen niet toelaten om de door partijen aan hun overeenkomst gegeven kwalificatie uit te sluiten. (Cass. 28-4-03, JTT 03, Cass. 23-12-02, JTT 2003, p 271, Cass. 27-4-98, JTT 98 p 394) Het ondergeschikt verband is een rechtsfeit dat met alle middelen van recht kan worden geleverd, met inbegrip van getuigenbewijs en vermoedens. (Cass. 10-3-80, Arr. Cass. 79-80, 851 noot) Bij de beoordeling van het bestaan van een ondergeschikt verband wordt meestal uitgaan van een coherent geheel van indiciën. Toepassing op voorliggend geschil. Het komt de heer L. toe het bewijs te leveren dat hij anders dan in de overeenkomst werd bepaald prestaties leverde voor de NV Kalorik in ondergeschikt verband. De overeenkomst van 16 april 1997 afgesloten tussen de NV KALORIK en de BVBA G&P ,bepaalt: dat de BVBA G&P de dienst naverkoop zal verzekeren, het beheer van de wisselstukken en de klantenrelaties van de NV KALORIK, dat die opdracht inhoudt: het beheer van de bestelling van wisselstukken, het in ontvangst nemen en het herstellen van toestellen onder en buiten waarborg, het administratief beheer met het oog op het opstellen van facturen en creditnota's door de dienst facturatie, het opstellen van retourbons om de goederen van de klant naar het atelier terug te sturen, het telefonisch contact met het cliënteel, dat het materiaal, de lokalen, gereedschappen, het economaat enz. nodig voor de uitoefening van de opdracht ter beschikking worden gesteld door KALORIK dat minstens 38 u per week zullen worden gepresteerd dat de prijs op 900 F per uur wordt bepaald dat de NV KALORIK bij beëindiging van de overeenkomst een opzeggingstermijn van 6 maanden zal naleven dat de BVBA G&P de confidentialiteit zal bewaren van de informatie waarvan zij kennis zou krijgen in het raam van haar opdracht Gedurende de duur van de overeenkomst heeft de heer L. zijn prestaties gefactureerd en is er nooit een betwisting gerezen over de aard van de rechtsverhouding tussen partijen. Uit de voorgelegde stukken blijkt evenwel dat de dienst naverkoop volledig werd geïntegreerd binnen de NV KALORIK. De heer L. beschikte over visitekaartjes met het logo en het adres van KALORIK waarop hij vermeld staat als "After sales manager" Op briefpapier van de NV KALORIK, dienst naverkoop, schrijft hij klanten aan en rapporteert hij aan andere personen binnen KALORIK. Er worden geen stukken voorgelegd waarin hij schrijft op briefpapier met hoofding van de BVBA G&P. Hij kon door derden gecontacteerd worden via de website en de telefoon- en faxnummers van KALORIK. In de hoedanigheid van Sales Manager van Kalorik had hij bovendien contacten met de VZW Klein Brabant, een beschutte werkplaats voor het uitbesteden van een deel van de taken van de naverkoopdienst en sloot hij daarover zelfs een overeenkomst af voor rekening en in naam van de NV KALORIK die hij ondertekende in zijn hoedanigheid van After Sales Manager. DE VZW Klein Brabant richtte vervolgens haar offertes aan KALORIK NV. In een bericht aan haar klanten verwijst KALORIK hen voor elke reparatie naar de naverkoopdienst van KALORIK zonder melding te maken van de BVBA G&P en wijst hen erop dat de commerciële en administratieve diensten gevestigd zijn op een ander adres. In datzelfde bericht geeft zij haar klanten de garantie dat de te herstellen stukken binnen de 48 u zouden worden opgehaald, terwijl dit tot de verantwoordelijkheid van de heer L. zou behoren, mocht hij als zelfstandige die dienst hebben verzekerd. De heer L. werkte in de lokalen en met de materialen ter beschikking gesteld door NV KALORIK. In een brief van 24 januari 2003 werden hem naar aanleiding van klachten van klanten opmerkingen gemaakt i.v.m. de duur van de reparaties en de lokalisatie van de te herstellen toestellen. Hij wordt verzocht onmiddellijk voorstellen te doen om hieraan te verhelpen en zijn dienst te verbeteren anders zou de vennootschap uitkijken naar een andere oplossing voor haar dienst naverkoop. De heer L. antwoordde dat het probleem te wijten was aan de toename van het aantal reparaties waarvoor hij Kalorik reeds om een oplossing had verzocht, en aan een computerpanne waardoor de gegevens verloren gingen. Uit zijn uitleg blijkt dat hij kennelijk niet zelf de beslissingen kon nemen om de toename van werk de baas te kunnen en hiervoor instructies van Kalorik behoefde. Ook blijkt dat de computerpanne een door KALORIK ter beschikking gestelde computer betrof die de vennootschap weigerde te vervangen door een nieuw exemplaar wegens het ontbreken van een budget. Die Computer werd vervangen door een oud exemplaar en blijkbaar door KALORIK een aantal weken meegenomen om er de gegevens opnieuw te laten inputten. Uit die brief blijkt dat er duidelijke instructies werden gegeven m.b.t. de te volgen procedures en het bijhouden, verwerken en doorgeven van gegevens aan de dienst facturatie, hetgeen eveneens wijst op een volledige integratie van de dienst naverkoop binnen de NV KALORIK. In de opzegbrief van 15 april 2003 deelde de NV KALORIK aan de heer L. mee dat zij het huurcontract met Distri-Log (voor de gebruikte lokalen) had opgezegd, zodat deze tegen 6 juli 2003 uiterlijk moesten verlaten worden en dat over een transfer naar andere lokalen onderhandeld werd met Forwardings. Indien de heer L. als zelfstandige prestaties zou leveren, zou het hem toekomen te beslissen in welke lokalen hij zijn activiteit wenste verder te zetten. Uit verschillende stukken blijkt dat aan de heer L. eveneens nauwkeurige instructies werden gegeven die tegen vooropgestelde data dienden te worden opgevolgd, o.m m.b.t. het verwijderen van defecte en nieuwe toestellen voor retour en de samenwerking met de andere personeelsleden op dat vlak, de controle van die toestellen en de rapportering daarover. Blijkens de voorgelegde stukken, stemde de activiteit gedurende de eerste maanden van de overeenkomst kennelijk nog niet overeen met volledige prestaties van minstens 38u per week aan 900 BEF per uur, na een aantal maanden kan echter een regelmatige facturatie worden vastgesteld overeenstemmend met voltijdse prestaties. Vanaf eind 2001 worden op regelmatige basis veel hogere bedragen uitbetaald, hetgeen erop wijst dat de heer L. daarmee nog iemand anders betaalde. Uit de stukken voorgelegd door geïntimeerde blijkt echter dat de bvba G&P slechts vanaf 2002 een personeelslid tewerk stelde in de sector van schoenverkoop een dus niet in de sector electro-huishoudelijke toestellen. Uit de stukken die worden meegedeeld m.b.t. de BVBA P&B blijkt dat deze nog een activiteit had in de schoenenverkoop. Volgens de heer L. nam zijn echtgenote die activiteit voor haar rekening, hetgeen waarschijnlijk voorkomt, gelet op zijn voltijdse tewerkstelling binnen de lokalen ter beschikking gesteld door KALORIK. Het Hof meent dat uit het geheel van de voorliggende gegevens op overtuigende wijze blijkt dat de heer L. zijn prestaties voor KALORIK leverde onder het gezag van die vennootschap die nauwkeurige instructies gaf en controles uitoefende terwijl de heer L. op haar verzoek rapporteerde. De dienst naverkoop was volledig geïntegreerd in de vennootschap KALORIK en als zodanig naar buitenuit voorgesteld zoals blijkt uit het gebruik van het KALORIK briefpapier. Dit wordt verder bevestigd door het uitoefenen van de activiteit binnen de door KALORIK gehuurde lokalen en met het door haar ter beschikking gestelde materiaal, inclusief informaticamateriaal, de samenwerking van de personeelsleden van de verschillende diensten onderling en het op elkaar afgesteld zijn van de informaticagegevens. Deze gezagsverhouding is kenmerkend voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst. Dat in de overeenkomst tussen partijen werd bedongen dat de heer L. (BVBA P&B) een minimum van 38 uur per week diende te werken en daarvoor 900 BEF per uur zou uitbetaald krijgen wijst eveneens in de richting van het bestaan van een arbeidsovereenkomst. Hij blijkt in geen enkel opzicht het ondernemersrisico van de dienst naverkoop te hebben gedragen en het blijkt niet dat hij welke investering ook diende te verrichten in het raam van zijn naverkoopsactiviteit. De omstandigheid dat hij zijn prestaties factureerde en sociale en fiscale verplichtingen vervulde waartoe een zelfstandige is gehouden is niet doorslaggevend voor de kwalificatie van de rechtsverhouding tussen partijen. (Cass. 20-10-76, RW 76-77,2483) Dat hij zaakvoerder was van één van de vennootschappen die deel uitmaakte van de NV KALORIK staat er niet aan in de weg dat hij voor Kalorik prestaties kon leveren in een band van ondergeschiktheid, nu hij over geen enkele bestuursfunctie binnen KALORIK beschikte. De vennootschap stelt dat het ondenkbaar zou zijn dat één van haar voornaamste aandeelhouders in ondergeschikt verband zou werken. Deze voorstelling is onjuist. De heer L. is immers in het geheel geen aandeelhouder van KALORIK en beschikte slechts over één aandeel binnen de BVBA SAREV. Het is mogelijk dat partijen bij de aanvang een zelfstandige samenwerking hebben beoogd maar de uitvoering die aan de overeenkomst werd gegeven sluit deze vorm van samenwerking uit door de aanwezigheid van een duidelijke gezagsrelatie die kenmerkend is voor een arbeidsovereenkomst. Het Hof concludeert dan ook dat partijen wel degelijk door een arbeidsovereenkomst waren verbonden. Einde van de overeenkomst De opzegging die de vennootschap aan de heer L. heeft gegeven op 15 april 2003 voldoet inderdaad niet aan de voorschriften die dwingend worden opgelegd door artikel 37 van de Wet op de arbeidsovereenkomsten van 3 juli 1978 (WAO). Die opzegging was derhalve nietig. De heer L. had hieruit de onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst kunnen afleiden. Hij deed dit echter niet en maakte al evenmin voorbehoud doch bleef verder prestaties leveren die hij verder factureerde. Pas op 27 juli 2003 stelde hij de verbreking van de overeenkomst vast in hoofde van de NV KALORIK op datum van 16 april
- Het Hof is van oordeel dat de heer L. de verbreking laattijdig heeft vastgesteld te meer nu hij eerder geen enkel voorbehoud maakte, zodat partijen gebonden bleven door een arbeidsovereenkomst waaraan de heer L. zelf op 27 juli 2003 een einde heeft gesteld zodat hij geen aanspraak kan maken op een opzeggingsvergoeding. Loonsvorderingen De vordering komt wel gegrond voor voor wat betreft het gevorderde achterstallige vakantiegeld, de achterstallige eindejaarspremies en het achterstallige feestdagenloon. De vordering voor achterstallig overloon komt evenwel niet gegrond voor. Het Hof meent dat geenszins werd aangetoond dat overuren werden gepresteerd. Bij conclusie breidde de heer L. zijn vordering overeenkomstig artikel 807 Gerechtelijk Wetboek uit met een bedrag van 13.425 Euro als achterstallig loon voor de maanden juni en juli
- Hij verwijst hiervoor naar stuk 32, dat evenwel niet wordt neergelegd. Volgens de uitleg van partijen ter zitting zou dit stuk voor de Rechtbank van Koophandel neergelegd zijn. De Heer L. zou er na ontvangst van het vonnis van de Arbeidsrechtbank, in ondergeschikte orde en onder voorbehoud betaling van die facturen hebben gevorderd. Het Hof kan derhalve in de huidige stand van het geding geen uitspraak doen over die vordering die zodat deze naar de bijzondere rol wordt verzonden. &§61683; &§61683; &§61683; OM DEZE REDENEN, Het Arbeidshof, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24, Rechtsprekend op tegenspraak, Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond. Hervormt het beroepen vonnis. Verklaart de oorspronkelijke vordering gedeeltelijk gegrond in de hierna bepaalde mate en veroordeelt de NV KALORIK tot betaling aan de heer P. L. van volgende bedragen: EUR 45.883,80 (vijfenveertigduizend achthonderddrieëntachtig euro en tachtig cent)netto als achterstallig vakantiegeld, EUR 22.906,74 (tweeëntwintigduizend negenhonderdenzes euro en vierenzeventig cent) netto als achterstallige eindejaarspremies, EUR 12.712,27 (twaalfduizend zevenhonderdentwaalf euro en zevenentwintig cent) netto als achterstallig feestdagenloon en de wettelijke en gerechtelijke intresten daarop vanaf de respectieve eisbaarheidsdata Verzendt de vordering met betrekking tot het achterstallig loon voor de maanden juni en juli 2003 naar de bijzondere rol. Veroordeelt NV KALORIK tot afgifte van de sociale documenten m.b.t. de tewerkstellingsperiode, te weten, de individuele rekeningen, de loonfiches, de vakantieattesten, het tewerkstellingsattest en het C4-formulier; Veroordeelt NV KALORIK tot de tot op heden gemaakte kosten, door partijen als volgt begroot: - voor appellant: - rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg EUR 200,79 - rechtsplegingsvergoeding hoger beroep EUR 273,27 - voor geïntimeerde: - rechtsplegingsvergoeding hoger beroep EUR 273,27 Aldus gewezen en uitgesproken op de openbare terechtzitting van de derde kamer van het Arbeidshof te Brussel op twee december tweeduizend en vijf. Waren aanwezig: G. BALIS: Kamervoorzitter. P. KESSELS: Raadsheer in Sociale Zaken als werkgever. A. LEURS: Raadsheer in Sociale Zaken als werknemer-bediende. L. COEN: Eerstaanwezend adjunct-griffier. L. COEN. G. BALIS. A. LEURS. P. KESSELS. PDF document ECLI:BE:CTBRL:2005:ARR.20051202.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div