id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 05 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2006:ARR.20060105.1 Rolnummer: 45106 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-01-13 Raadplegingen: 106 - laatst gezien 2026-07-01 04:00 Fiches 1 - 2 Het O.C.M.W. van de verplichte plaats van inschrijving blijft het territoriaal bevoegde O.C.M.W. tot dat het bevel om het grondgebied te verlaten is uitgevoerd zolang de programmawet van 9 juli 2004 die de wet van 2 april 1965 betreffende het ten late nemen van de steun verleend door de Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn heeft gewijzigd en het koninklijk besluit van 24 juni 2004 tot bepaling van de voorwaarden en de modaliteiten voor het verlenen van materiële hulp aan een minderjarige vreemdeling die met zijn ouders illegaal in het Rijk verblijft, zijn in voege getreden. Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP - RECHT - WETGEVING - VREEMDELINGEN - Sociale voorzorg - Openbare Centra voor Maatschappelijk welzijn - Vreemdeling met minderjarige kinderen wiens asielaanvraag definitief werd afgewezen - Territoriale bevoegdheid. Wettelijke bepalingen: Wet - 15-12-1980 - 54,§1 - 30 ELI link Pub nr 1980121550 Vrije woorden: SOCIALE VOORZORG - WET BETREFFENDE HET TEN LASTE NEMEN VAN DE STEUN VERLEEND DOOR DE OPENBARE CENTRA VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN - Vreemdeling met minderjarige kinderen wiens asielaanvraag definitief werd afgewezen - Territoriale bevoegdheid. Wettelijke bepalingen: Wet - 12-04-1965 - 2,§5 - 01 ELI link Pub nr 1965041228 Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN VIJF JANUARI TWEEDUIZEND EN ZES ZEVENDE KAMER Not. 580, 2° G.W. Maatschappelijke dienstverlening Tegensprekelijk Definitief In de zaak: OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN VAN BERLARE, met zetel te 9290 Berlare, Baron Tibbautstraat 29 A, Appellant, geïntimeerde op incidenteel hoger beroep, vertegenwoordigd door Mr. H. Dhont loco Mr. W. Van der Gucht, advocaat te 9000 Gent, Tegen: G.R. en M.Y.J., eerste geïntimeerden, appellanten op incidenteel hoger beroep, vertegenwoordigd door Mr. Ch. V.C. loco Mr. F. B., advocaat te 1030 Brussel, het OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN VAN SCHAARBEEK, met zetel te 1030 Brussel, Vifquinstraat 2, tweede geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. A. Wattecamps loco Mr. M. Legein, advocaat te 1030 Brussel, Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit: Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid: - het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, op tegenspraak gewezen door de Arbeidsrechtbank te Brussel op 15 januari 2004; - het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 13 februari 2004; - de besluiten en aanvullende besluiten in hoger beroep door partijen neergelegd; - de synthesebesluiten door tweede geïntimeerde neergelegd; Gehoord partijen in hun middelen en beweringen ter openbare terechtzitting van 27 oktober 2005, waarna de debatten gesloten werden. Voorgaanden Bij beslissing van appellant betekend aan G.R. op 10 juli 2003 wordt ter kennis gebracht dat de financiële steunverlening categorie 1 ten bedrage van 778,21 Euro en gewaarborgde kinderbijslag en de ten laste neming van medische en farmaceutische kosten en van de mutualiteitsbijdrage vanaf 1 juli 2003 worden stopgezet, gezien de negatieve beslissing van de Raad van State op 24 juni
- Eerste geïntimeerden tekenen beroep aan bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van de Arbeidsrechtbank te Brussel op 5 augustus
- Bij beslissing van tweede geïntimeerde betekend aan J. M. op 29 augustus 2003 wordt medegedeeld dat geen gunstig gevolg wordt gegeven aan de aanvraag dd. 21 augustus 2003 gezien het O.C.M.W. van Berlare bevoegd is, zijnde het O.C.M.W. van de gemeente van verplichte inschrijving (toekenning code 207 op 21 september 1998). Eerste geïntimeerden tekenen eveneens hoger beroep aan bij verzoekschrift dd. 26 september
- Bij vonnis dd. 15 januari 2004 van de Arbeidsrechtbank van Brussel worden beide vorderingen samengevoegd en ontvankelijk verklaard, wordt de vordering ten aanzien van appellant gegrond verklaard in die zin dat voor recht wordt gezegd dat het O.C.M.W. van Berlare het territoriaal bevoegde O.C.M.W. is om steun te verlenen en dat eerste geïntimeerden ten aanzien van het O.C.M.W. van Berlare aanspraak kunnen maken op dringende medische hulp voor het hele gezin en op een gewaarborgde kinderbijslag voor hun drie minderjarige kinderen vanaf 1 juli 2003 en wordt de vordering ten aanzien van het O.C.M.W. van Schaarbeek ongegrond verklaard. De eerste rechter was van oordeel dat, gezien de beslissing in het kader van de asielaanvraag negatief is en het bevel om het grondgebied te verlaten nog niet is uitgevoerd, appellant territoriaal bevoegd blijft en dat eerste geïntimeerden aanspraak kunnen maken op dringende medische hulp. Wat de steun aan de minderjarige kinderen betreft was de eerste rechter van oordeel dat, met verwijzing naar een arrest van het Arbitragehof dd. 22 juli 2003 nr. 106/2003, teneinde aan de onontbeerlijke uitgaven voor de ontwikkeling van de kinderen te kunnen voldoen, eerste geïntimeerden aanspraak kunnen maken op een gewaarborgde kinderbijslag voor hun drie minderjarige kinderen vanaf 1 juli
- Appellant tekent hoger beroep aan en verzoekt het Hof dit hoger beroep toelaatbaar, ontvankelijk en gegrond te verklaren, dienvolgens de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw recht doende, de oorspronkelijke vordering ten aanzien van appellant niet toelaatbaar, althans niet ontvankelijk, althans niet gegrond te verklaren en in uiterst ondergeschikte orde de oorspronkelijke vordering te beperken tot de steun voor wat de minderjarige kinderen betreft tot 10 januari 2004 en beperkt tot de specifieke behoeften van de kinderen. Eerste geïntimeerden verzoeken het Hof : " Het hoger beroep van appellant ontvankelijk doch ongegrond te verklaren; Het vonnis a quo te bevestigen voor zoverre dat het oordeelt - dat appellant territoriaal bevoegd is tot het verlenen van steun aan concluanten - dat concluanten aanspraak kunnen maken op dringende medische hulp voor het hele gezin vanaf 1 juli 2003 Het incidenteel beroep van concluanten ontvankelijk en gegrond te verklaren; Appellant te horen veroordelen tot het toekennen van maatschappelijke dienstverlening aan de kinderen van concluanten, en dit vanaf 1 juli 2003, in de vorm van een uitkering equivalent met het leefloon, en dit voor de drie kinderen, uit te betalen in handen van concluanten als wettelijke vertegenwoordigers van hun kinderen". Eerste geïntimeerden stellen dat om alle noden van het kind te voldoen er geen ander middel is dan toekenning van financiële steun equivalent met het minimale leefloon. In aanvullende besluiten neergelegd ter griffie van het Arbeidshof op 15 april 2005 beperken eerste geïntimeerden hun vordering tot de periode van 1 juli 2003 tot en met 30 maart 2004, gezien de beslissing dd. 30 maart 2004 van de Dienst Vreemdelingenzaken tot tijdelijke regularisatie van hun verblijfssituatie. Tweede geïntimeerde verzoekt het Hof : " In hoofdorde: Het hoger beroep ingesteld door het O.C.M.W. van Berlare ongegrond te verklaren en bijgevolg het vonnis uitgesproken door de Arbeidsrechtbank van Brussel gekend onder het A.R. 60.837/03 en 63.699/03 REP. 04/739 te bevestigen; In ondergeschikte orde: Het beroep ingesteld door de heer en mevrouw G.in naam en voor rekening van hun kinderen onontvankelijk doch minstens ongegrond te verklaren; Het beroep ingesteld door geïntimeerden in hun hoofde ongegrond te verklaren; Bijgevolg de beslissing geveld door concluante op 13 augustus 2003 te bevestigen; In meest ondergeschikte orde: Zo de rechtbank per impossibile meent de vordering van de heer en mevrouw G. gegrond is en zij recht zouden hebben op een maatschappelijke dienstverlening en concluante weerhouden zou worden als bevoegd O.C.M.W. quod non dient de hulp beperkt te worden in tijd namelijk van 1 juli 2003 tot en met 30 maart 2004". Tweede geïntimeerde stelt vooreerst dat het verzoekschrift tot hoger beroep voor de Arbeidsrechtbank enkel is opgesteld ten verzoeke van de heer en mevrouw G. en dat de hoedanigheid van de oorspronkelijke eisers niet meer kan worden gewijzigd voor het Arbeidshof. Verder stelt tweede geïntimeerde dat appellant territoriaal bevoegd is en dat voorrang dient te worden gegeven aan de wet in plaats van een omzendbrief. Tenslotte stelt tweede geïntimeerde dat mocht blijken dat eerste geïntimeerden behoeftig zijn, zij in eigen naam slechts recht hebben op dringende medische hulp en dat als wettelijke vertegenwoordigers van hun kinderen, de vraag vooreerst dient gesteld naar de retroactiviteit van de betalingen die thans worden gevorderd en dat in toepassing van het arrest van het Arbitragehof 106/2003 het O.C.M.W. slechts kan gehouden zijn tot het verstrekken van maatschappelijke dienstverlening aan de kinderen onder de drievoudige voorwaarden hierin gesteld. Feiten Eerste geïntimeerden zijn aangekomen in België op 19 september 1998 met hun drie minderjarige kinderen M., geboren op 6 juni 1996, M., geboren op 18 december 1991 en M., geboren op 15 augustus 1989 en hebben zich op 21 september 1998 vluchteling verklaard. Eerste geïntimeerden werden als kandidaat-vluchteling toegewezen aan het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn van Berlare, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 9290 Berlare, Baron Tibbautstraat 29 a (code 207). Op 23 april 1999 nam de Commissaris-generaal voor Vluchtelingen en Staatlozen een bevestigende beslissing van weigering van verblijf waartegen eerste geïntimeerden een beroep instelden bij de Raad van State. Het voormelde beroep bij de Raad van State werd op 24 juni 2003 verworpen. Betrokkenen hebben reeds op 23 juni 2000 een aanvraag om machtiging tot verblijf op grond van artikel 9, 3° van de wet van 15 december 1980 ingediend bij de Burgemeester van de gemeente Schaarbeek. Op 30 maart 2004 gaf de Dienst Vreemdelingenzaken te kennen dat zij de beslissing genomen hebben de verblijfsituatie van eerste geïntimeerden tijdelijk te regulariseren voor een duur van 10 maanden. Eerste geïntimeerden hebben volgens de verklaring van hun raadsman ter openbare terechtzitting van 27 oktober 2005 een nieuwe verlenging met één jaar bekomen wegens gezondheidsredenen van de heer G. Beoordeling door het Hof In verband met de territoriale bevoegdheid van het O.C.M.W. voor steunverlening aan eerste geïntimeerden verwijst het Hof, zoals de eerste rechter naar de wet van 18 februari 2003 tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en de vervanging van artikel 54 ,§ 1, tweede lid van voormelde wet door de volgende bepaling : " de aanwijzing van een verplichte plaats van inschrijving duurt tot aan de beslissing tot erkenning van de hoedanigheid van vluchteling of tot het bevel om het grondgebied te verlaten is uitgevoerd". Op het ogenblik van de bestreden beslissing dd. 7 juli 2003 en betekend op 10 juli 2003 met weigering van financiële steun aan eerste geïntimeerden was appellant bevoegd, gezien zij verplicht ingeschreven waren te Berlare (code 207). Met de Programmawet dd. 9 juli 2004 (B.S. 15 juli 2004) en in voege op 25 juli 2004 wordt tussen het tweede en het derde lid van artikel 2 ,§ 5 van de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, het volgende lid ingevoegd: "niettegenstaande het behoud van de aanduiding van een verplichte plaats van inschrijving houdt deze territoriale bevoegdheid op wanneer : - ofwel de asielprocedure beëindigd is door het verstrijken van de beroepstermijn tegen een beslissing van het Commissariaat-generaal voor Vluchtelingen en Staatlozen of van de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen of ingevolge het arrest tot verwerping van het beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State tegen een beslissing van het Commissariaat-generaal voor Vluchtelingen en Staatlozen of van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen; ofwel de tijdelijke bescherming van de ontheemden is beëindigd". Conform het koninklijk besluit dd. 24 juni 2004 in werking op 11 juli 2004 tot bepaling van de voorwaarden en de modaliteiten voor het verlenen van materiële hulp aan een minderjarige vreemdeling die met zijn ouders illegaal in het Rijk verblijft, moet een aanvraag ingediend worden bij het O.C.M.W. van de gewoonlijke verblijfplaats van de minderjarige hetzij door de minderjarige zelf, hetzij door minstens één van zijn beide ouders die in zijn naam de aanvraag indient en deelt het O.C.M.W. de aanvrager mee dat hij zich voor de bedoelde materiële hulp naar een in overleg met het Agentschap bepaald federaal opvangcentrum kan begeven. Gezien eerste geïntimeerden hun vordering beperken tot 30 maart 2004 zijn noch de Programmawet dd. 9 juli 2004, noch het koninklijk besluit dd. 24 juni 2004 in casu van toepassing. Het vonnis a quo dient voor wat de territoriale bevoegdheid van appellant betreft te worden bevestigd. X X X Het O.C.M.W. van Schaarbeek stelt zowel voor de eerste rechter als in hoger beroep dat eerste geïntimeerden geen hulp hebben gevraagd in naam en voor rekening van hun kinderen aan dit O.C.M.W. zodat de rechter deze vordering niet dient te onderzoeken. In hoger beroep stelt dit O.C.M.W. dat het verzoekschrift in beroep voor de Arbeidsrechtbank te Brussel alleen ingesteld werd in eigen naam en dat betrokkenen hun hoedanigheid niet meer kunnen wijzigen voor het Arbeidshof en geen vordering formuleren in naam en voor rekening van hun kinderen. De vraag naar het "partij zijn" van de minderjarige kinderen van eerste geïntimeerde dient gesteld. In zijn advies stelt het Auditoraat-generaal hieromtrent het volgde :"In de aanhef van geen van de voorliggende procedurestukken, het weze van het verhaal dat de oorspronkelijke eisers hebben ingesteld bij de Arbeidsrechtbank bij middel van verzoekschrift, van de conclusies die zij in eerste aanleg hebben genomen, van het vonnis van de eerste rechter of van hun beroepsbesluiten, is immers uitdrukkelijk vermeld dat zij ook qualitate qua optreden of liever dat zij enerzijds in eigen naam optreden als materiële gedingpartij ter behartiging van hun persoonlijke belangen en hiernaast als formele procespartij als vertegenwoordigers van hun minderjarige kinderen. In hun verzoekschrift van 4 augustus 2003 (A.R. 60837) hebben geïntimeerden daarentegen in ondergeschikte orde wel gevraagd dat het O.C.M.W. te Berlare zou veroordeeld worden tot het toekennen van maatschappelijke dienstverlening "ten behoeve van de kinderen". Zulks hebben zij opnieuw gevorderd in hun besluiten van 1 oktober
- In hun besluiten van 25 november 2003 (A.R. 63699/03) genomen voor de eerste rechter, hebben zij in ondergeschikte orde bovendien gevorderd dat een van beide verweerders zou veroordeeld worden tot het toekennen van maatschappelijke dienstverlening aan hun kinderen... te betalen in handen van concluanten als wettelijke vertegenwoordigers van hun kinderen". In zijn vonnis van 15 januari 2004 heeft de eerste rechter de dubbele hoedanigheid van geïntimeerden nochtans niet vermeld. Het lijdt geen twijfel dat zulks te zien heeft met het feit dat de oorspronkelijke eisers dit zelf niet hebben vermeld in de aanhef van hun verzoekschrift of van hun besluiten. Alhoewel deze onnauwkeurigheid kan betreurd worden, meent mijn ambt dat in een aangelegenheid zoals deze nochtans geen overdreven formalisme mag gelden. Derhalve kan m.i. aanvaard worden dat zoals geïntimeerden in fine van hun beroepsbesluiten van 15 april 2005 nogmaals stellen, zij eveneens zijn opgetreden als wettelijke vertegenwoordigers van hun kinderen en de eerste rechter dit in zijn vonnis behoorde te vermelden. Het Hof kan zich hierbij aansluiten en neemt aan dat eerste geïntimeerden zowel in eigen naam als in naam van hun minderjarige kinderen en in de hoedanigheid van hun wettelijke vertegenwoordigers zijn opgetreden en dat zij de vordering zowel voor henzelf in persoonlijke naam als voor hun kinderen voor wie zij als wettelijke vertegenwoordigers optreden hebben ingediend. X X X Ten gronde In zijn arrest van 22 juli 2003 (nr. 106/2003)heeft het Arbitragehof te kennen gegeven dat minderjarigen die met hun ouders illegaal op het grondgebied verblijven een beperkt recht hebben op maatschappelijke dienstverlening onder de drievoudige voorwaarde dat de bevoegde overheden hebben vastgesteld dat de ouders hun onderhoudsplicht niet nakomen of niet in staat zijn die na te komen, dat vaststaat dat de aanvraag betrekking heeft op onontbeerlijke uitgaven voor de ontwikkeling van het kind ten voordele van wie die dienstverlening wordt aangevraagd en dat het centrum zich ervan vergewist dat de dienstverlening uitsluitend zal dienen om die uitgaven te dekken. Het staat dus aan het centrum onder voorbehoud van een optreden van de wetgever die een andere gepaste regeling zou aannemen een dergelijke dienstverlening toe te kennen, op voorwaarde evenwel dat die valt binnen de perken van de specifieke behoeften van het kind, dat zij wordt verleend in de vorm van een dienstverlening in natura of een tenlasteneming van uitgaven ten behoeve van derden die een dergelijke dienst verlenen, teneinde elk mogelijk misbruik in het voordeel van de ouders uit te sluiten en met dien verstande dat die dienstverlening niet belet dat de maatregel inzake de verwijdering van de ouders en hun kinderen wordt uitgevoerd. In zijn advies stelt het Auditoraat-generaal : Mijn ambt kan de beschouwingen beamen die de eerste rechter hieraan wijdt. De eerste rechter veroordeelde het O.C.M.W. te Berlare evenwel tot de uitkering van een financiële steun wat niet kan goedgekeurd worden nu het zich opdringt de dienstverlening in natura te verstrekken. Bovendien dient opgemerkt te worden dat zelfs indien men de eerste rechter zou bijtreden waar hij de dienstverlening onder vorm van een financiële steun toekent, het recht op maatschappelijke dienstverlening geen patrimoniaal recht is doch een persoonlijk recht wat voor gevolg heeft dat de steun niet oploopt en achterstallen niet zonder meer kunnen toegekend worden. In een recent arrest heeft het Arbitragehof zich in die zin uitgesproken (Arbitragehof nr. 112/2003 van 17 september 2003, overweging B.6). De steun wordt verleend in de meest aangepaste vorm. Het recht er op wordt beoordeeld op het ogenblik waarop de rechter zich uitspreekt en niet alleen op het ogenblik van de aanvraag. Het Hof kan verwijzen naar het arrest dd. 3 februari 2005 met A.R. nr. 33.099 inzake O.C.M.W.Wemmel t/ B.D.Y.F. waarin werd geoordeeld dat het een wezenlijk kenmerk is van maatschappelijke dienstverlening dat zij enkel ogenblikkelijk en in de toekomst kan worden verstrekt, gezien het materieel onmogelijk is iemand in staat te stellen een menswaardig leven te laten leiden voor een periode die reeds voorbij is, zodat het enige wat de rechter bij betwisting kan doen er in bestaat hulp toe te kennen met betrekking tot de nog bestaande gevolgen van een hulpbehoevend bestaan, in zoverre die nadelige gevolgen betrokkene niet toelaten een menswaardig bestaan te leiden. Terzake blijkt uit de voorgelegde stukken dat het gezin van de heer G. vanaf 1 april 2004 tot 30 juni 2004 opnieuw heeft genoten van maatschappelijke dienstverlening en dat mevrouw J. nadien een arbeidsbetrekking bekwam waarin zij aanvankelijk een nettoloon van 1.191 Euro verdiende. Het gezin is thans bovendien niet meer aangewezen op maatschappelijke dienstverlening. Er liggen geen stukken voor die toelaten een inzicht te krijgen in de persoonlijke toestand van de kinderen of waaruit zou kunnen opgemaakt worden dat hun huidige levensomstandigheden schadelijk zijn voor hun gezondheid of ontwikkeling als gevolge van de erbarmelijke financiële toestand van het gezin. Eerste geïntimeerden leggen enkel een geschreven verklaring voor gedagtekend van 30 september 2005 die zou opgesteld zijn door de eigenaar van de woning die zij betrekken aan de Groenstraat 114 te 1030 Brussel waarin wordt verklaard dat de huur voor de periode van 1 juli 2003 tot 1 april 2004 niet betaald werd. Uit dit stuk kan echter niet met voldoende zekerheid opgemaakt worden of deze huurachterstal nog verschuldigd blijft, desgevallend of hij in rechte opgevorderd werd en deze omstandigheid het gezin en bijgevolg ook de kinderen thans in een hachelijke financiële situatie plaatst. Het Hof sluit zich aan bij het advies in die zin dat eerste geïntimeerden geen aanspraak kunnen maken op financiële steun equivalent gewaarborgde gezinsbijslag evenmin equivalent leefloon voor hun drie minderjarige kinderen vanaf 1 juli 2003 tot 30 maart
- Het vonnis dient dan ook enkel te worden hervormd in die zin. OM DEZE REDENEN : De zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel; Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24; Recht doende op tegenspraak, Gehoord de heer André, Substituut-generaal, in zijn schriftelijk eensluidend advies voorgelezen en neergelegd ter openbare terechtzitting van 3 november 2005; Gelet op de termijn verleend tot 29 november 2005 aan partijen om eventueel te repliceren; Geen repliek werd neergelegd en de zaak werd op 1 december 2005 in beraad genomen; Ontvangt beide hogere beroepen; Verklaart het hoger beroep deels gegrond; Verklaart het incidenteel hoger beroep ongegrond; Hervormt het bestreden vonnis alleen wat de beschikking betreft i.v.m. de aanspraak op een gewaarborgde kinderbijslag voor hun drie minderjarige kinderen vanaf 1 juli 2003; Bevestigt het vonnis voor al het overige; Zegt bijgevolg voor recht dat eerste geïntimeerden zowel optredend in eigen naam als in naam van hun drie minderjarige kinderen, ten aanzien van het O.C.M.W. van Berlare slechts gerechtigd zijn op dringende medische hulpverlening vanaf 1 juli 2003 tot 30 maart 2004; Legt de kosten van hoger beroep, overeenkomstig artikel 1017, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, ten laste van appellant, kosten tot op heden begroot op : - voor appellant niet begroot - voor eerste geïntimeerden 139,83 Euro rechtsplegingsvergoeding hoger beroep - voor tweede geïntimeerde niet begroot Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van de zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel op vijf januari tweeduizend en zes. Waar aanwezig waren : mevrouw B. VAN DE VELDE, Voorzitter de heer F. VANDEWIJNGAERDEN, Raadsheer in Sociale Zaken als werkgever de heer H. SILON, Raadsheer in Sociale Zaken als werknemer arbeider mevrouw G. DE SAEDELEER, Griffier G. DE SAEDELEER B. VAN DE VELDE H. SILON F. VANDEWIJGAERDEN PDF document ECLI:BE:CTBRL:2006:ARR.20060105.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div