id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 13 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2006:ARR.20060113.10 Rolnummer: 45.093 Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2008-06-11 Raadplegingen: 153 - laatst gezien 2026-07-01 04:05 Versie(s): Vertaling FR Fiche Wanneer een opzeggingstermijn tijdens de proefperiode aan een bediende betekend wordt, op zo'n wijze dat deze opzeggingstermijn niet meer in zijn geheel kan gepresteerd worden tijdens de proefperiode en de partijen daadwerkelijk uit elkaar zijn gegaan na het verstrijken van de laatste dag van de proefperiode, is de werkgever een opzeggingsvergoeding verschuldigd, niet gelijk aan een normale opzeggingstermijn van drie maanden doch gelijk aan het nog te verlopen gedeelte van de termijn die in dat geval van een proefbeding had moeten worden nageleefd. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Werklieden - Proefbeding Vrije woorden: ARBEIDSOVEREENKOMSTEN - BEDIENDEN - Proefbeding - Opzegging - Niet-gepresteerde tijdens de proeftijd gepresteerdec opzeggingstermijn - Opzeggingsvergoeding gelijk aan deel nog te lopen opzeggingstermijn in geval van proefbeding. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 81 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Nota: Gepubliceerd in S.R.K. 2007, p. 419-421. Gerangschikt onder II CN art. 81. Annotaties Publicaties: Sociaalrechtelijke kronieken - - 2007(419-421) Chroniques de droit social - - 2007(419-421) Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN 13 JANUARI TWEEDUIZEND EN ZES. DERDE KAMER Bediendecontract Tegensprekelijk Definitief In de zaak: De N.V. NIPPON EXPRESS BELGIUM, met maatschappelijke zetel gevestigd te 1931 Zaventem, Brucargo gebouw, 723, Appellante, geïntimeerde op incidenteel hoger beroep, vertegenwoordigd door Mter G. Deville loco Mter D. Lindemans, advocaat te 1000 Brussel; Tegen : De Heer H. K., wonende te [xxx], Geïntimeerde, appellant op incidenteel hoger beroep, vertegenwoordigd door Mter S. Geuvens loco Mter K. Timmerman, advocaat te 3010 Leuven; Na beraadslaging, velt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest : Gelet op : - de stukken der rechtspleging en ondermeer het eensluidend verklaard afschrift van het vonnis a quo uitgesproken op tegenspraak door de 12de kamer van de Arbeidsrechtbank te Brussel op 9 januari 2004 (A.R. nr. 36.144/02), alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep ontvangen op de griffie van het Arbeidshof op 10 februari 2004; - de besluiten en synthesebesluiten van geïntimeerde ontvangen ter griffie respectievelijk op 6 juli 2004 en 25 januari 2005; - de besluiten van appellante ontvangen ter griffie op 14 september 2004; Gehoord de partijen in hun middelen en verdediging ter openbare terechtzitting van 9 december 2005. Partijen legden hun bundel neer waarna de debatten gesloten werden en de zaak in beraad genomen werd. x x x I. DE FEITEN. Op 23 januari 2001 sluiten de N.V. NIPPON EXPRESS BELGIUM, appellante (hierna ‘NEB'), als werkgever en de Heer K. H., geïntimeerde (hierna ‘de Heer H.'), als werknemer, een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur voor bedienden met ingang van 1 februari 2001 en met een proefbeding van 6 maanden (stuk 1, dossier geïntimeerde). Onder voorbehoud van schorsing zou de proefperiode dus afgelopen zijn op dinsdag 31 juli 2001 om middernacht daar de arbeidsovereenkomst ingaat op 1 februari 2001. Op 24 juli 2001 beëindigt NEB de arbeidsovereenkomst met de Heer H. met een aangetekend schrijven, dat luidt als volgt (stukken 1 en 2 appellante) : " Tot onze spijt dienen wij een einde te stellen aan de arbeidsovereenkomst tussen uzelf en Nippon Express (Belgium) N.V. Daar uw (lees :
- u)momenteel nog steeds in uw proefperiode bent, zal uw opzeg ingaan op 25 juli 2001 en beloopt 7 kalenderdagen. Uw laatste werkdag zal gepresteerd worden op 31 juli 2001 ‘. Op 31 juli 2001 verlaat de Heer H. ook effectief het werk. Tussen 31 juli 2001 en 22 augustus 2001 heeft NEB de volgende vergoedingen overgeschreven op de rekening van de Heer H. (stukken 5 en 6 NEB) : - het vakantiegeld over het vakantiedienstjaar 2000; - het vakantiegeld bij uitdiensttreding; en - de pro rata eindejaarspremie. Op 6 augustus 2001 maakt NEB aan de Heer H. een werkloosheidsbewijs C4 over (stuk 3 neergelegd voor de Heer H.). Op 27 augustus 2001 maakt NEB aan de Heer H., tezamen met de loonafrekening dd. 22 augustus 2001, alle sociale documenten met betrekking tot de beëindiging van de tewerkstelling over, waaronder een vakantie-attest, een attest einde arbeidsovereenkomst en een nieuw werkloosheidsbewijs C4 (stukken 7, 8 en 9 NEB). Met een per telefax verzonden schrijven dd. 10 januari 2002 - dus bijna een half jaar na het einde van de arbeidsrelatie - stelt de Heer H. NEB in gebreke voor de betaling van : - een verbrekingsvergoeding a rato van 3 maanden; - het vakantiegeld over het vakantiedienstjaar 2000; - het vakantiegeld bij uitdiensttreding; en - de pro rata eindejaarspremie; Alsook voor de afgifte van " de nodige sociale dokumenten bij einde tewerkstelling ", zoals attest tewerkstelling, vakantie-attest e.d. (stuk 3 NEB). Op 25 juli 2002 gaat de Heer H. over tot dagvaarding van NEB, waarbij - in hoofdzaak - het volgende wordt gevorderd : " Gedaagde te veroordelen tot betaling van 6.133,98 euro ten titel van verbrekingsvergoeding, onder het ruimste voorbehoud van missing of verzuim en te vermeerderen met de wettelijke intresten vanaf opeisbaarheid en met de gerechtelijke intresten. Gedaagde tevens te veroordelen tot uitbetaling van het vakantiegeld over het vakantiedienstjaar 2000, het vakantiegeld bij uitdiensttreding en de pro rata eindejaarspremie, onder het ruimste voorbehoud geraamd op 3.000 euro , bedragen te vermeerderen met de wettelijke intresten vanaf opeisbaarheid en met de gerechtelijke intresten. Gedaagde te veroordelen tot afgifte van correcte sociale documenten, waaronder vakantie-attesten, tewerkstellingsattest en werkloosheidsdocument C4. In de loop van de procedure voor de eerste rechter ziet de Heer H. af van zijn vordering tot uitbetaling van vakantiegelden en pro rata eindejaarspremie, alsook van zijn vordering tot afgifte van sociale documenten. Ter zitting van de eerste rechter dd. 30 oktober 2003 wordt dan ook geakteerd dat enkel nog een bedrag gevorderd wordt uit hoofde van verbrekingsvergoeding. II. HET VONNIS A QUO. Verklaart de vordering van de Heer H. ontvankelijk en als volgt gegrond; Veroordeelt NEB tot het betalen aan de Heer H. van een bedrag van 6.031,75 euro bruto t.t.v. verbrekingsvergoeding, vermeerderd met de wettelijke en gerechtelijke intresten op het nettobedrag; Veroordeelt NEB tot de kosten van het geding. De eerste rechter oordeelt : " De kennisgeving van de opzegging gegeven door de werkgever is geschied bij een ter post aangetekende brief, hetgeen niet wordt betwist. De ter post aangetekende opzeggingsbrief heeft, overeenkomstig artikel 37, 3de en 4de lid van de Arbeidsovereenkomstenwet, uitwerking de derde werkdag na de datum van de verzending. Wanneer tijdens de proefperiode de opzegging gegeven wordt minder dan 7 dagen voor het verstrijken van de proeftijd, zodat het einde van de opzeggingstermijn valt na het einde van de proefperiode en de werknemer tot het einde van de opzeggingstermijn arbeid blijft verrichten, is de arbeidsovereenkomst definitief geworden (Cassatie, 3 september 1959, T.W. 1959-1960, 1157). Vanaf dat ogenblik kan de overeenkomst slechts beëindigd worden mits naleving van de normaal geldende regels. De Rechtbank meent dan ook dat de Heer H. recht heeft op een verbrekingsvergoeding van 3 maanden loon min de 5 dagen die hij reeds gepresteerd heeft. Hij heeft derhalve recht op 6.133,98 euro - 102,23 euro (6.133,98 : 30 dagen) = 6.031,75 euro . " III. DE BEROEPSGRIEVEN. A. Het hoofdberoep. Appellante verzoekt het Hof het vonnis a quo te hervormen en, opnieuw rechtdoende, de oorspronkelijke vordering af te wijzen, met veroordeling van de geïntimeerde tot de kosten van beide aanleggen, inclusief rechtsplegingsvergoeding. Appellante stelt dat het vonnis a quo de motiveringsplicht, zoals uitdrukkelijk opgelegd bij artikel 149 Gecoördineerde Grondwet en zoals deel uitmakend van het recht op een eerlijke behandeling gewaarborgd bij artikel 6, 1., EVRM en artikel 14, 1., IVBPR, schendt en dat het vonnis a quo tevens art. 81, §§ 1 en 2, en artikel 37, § 1, vierde lid, Arbeidsovereenkomstenwet schendt. Appellante stelt dat uit de feiten immers onmiskenbaar blijkt 1) dat de proefperiode afliep op dinsdag 31 juli 2001 om middernacht en 2) dat de arbeidsrelatie afliep op diezelfde dag. Aangezien dus in casu de opzegging is gedaan vooraleer de proefperiode was verstreken, maar de theoretische opzeggingstermijn deze proefperiode heeft overschreden, alhoewel het daadwerkelijk einde van de arbeidsrelatie binnen de proefperiode viel, verwijst appellante naar de beslissing van het Hof van Cassatie in zijn arrest van 3 september 1959 in de zaak N.V. Ets. Braconnier t/ Muller. NEB is de mening toegedaan dat deze redenering van het Hof van Cassatie onder de huidige arbeidswetgeving nog steeds geldig is. In casu meent NEB dat zij overeenkomstig artikel 81 § 2 A.O.-wet hooguit een vergoeding verschuldigd is die overeenstemt met het loon van het resterende gedeelte van de opzeggingstermijn, namelijk 2 dagen. Er waren immers reeds 5 dagen verstreken op 31 juli 2001, d.i. de dag waarop de arbeidsovereenkomst werd beëindigd, alsook de dag waarop de proefperiode een einde nam. Voor slot van alle rekening biedt NEB aan om deze vergoeding voor 2 dagen aan de Heer H. te betalen. Appellante meent dat het incidenteel hoger beroep van de Heer H. onontvankelijk is daar hij afstand heeft gedaan van zijn oorspronkelijke vordering tot afgifte van sociale documenten voor de eerste rechter. B. Het incidenteel hoger beroep. De Heer H. verzoekt het Hof de N.V. NEB eveneens te veroordelen tot aflevering van een correcte loonfiche over de maand juli 2001 en met betrekking tot de uit te betalen opzeggingsvergoeding. Appellante te veroordelen tot alle kosten van het geding, inbegrepen de wettelijke rechtsplegingsvergoedingen, zoals voorzien bij artikel 1022 Gerechtelijk Wetboek. Voor het overige verzoekt hij het Hof het vonnis a quo in al zijn bestanddelen te bevestigen. IV. BEOORDELING DOOR HET HOF. Overwegende dat het hoger beroep en het incidenteel hoger beroep naar vorm en tijd ontvankelijk voorkomen. Het incidenteel hoger beroep m.b.t. de afgifte van een verbeterde loonbrief voor de maand juli 2001 meer bepaald betreffende de opzegvergoeding is volgens het Hof toelaatbaar. Ter openbare terechtzitting van 30 oktober 2003 verklaarden partijen dat " enkel nog een bedrag gevorderd wordt uit hoofde van de verbrekingsvergoeding, dat de andere vorderingen geregeld zijn (vonnis a quo, blad nr. 2). Afstand van een recht moet restrictief worden uitgelegd. Afstand van een recht mag slechts worden afgeleid uit akten of met elkaar overeenstemmende feiten die voor geen andere interpretatie vatbaar zijn en waaruit met zekerheid kan worden vastgesteld dat een partij aan het recht wil verzaken (artikel 824 Gerechtelijk Wetboek). Uit de mondelinge verklaringen van partijen voor de eerste rechter dat, behoudens de verbrekingsvergoeding, " de andere vorderingen geregeld zijn " mag niet worden afgeleid dat de Heer H. hiermee ook afstand wilde doen van zijn recht op een aan de hem toekomende (betwiste) verbrekingsvergoeding aangepaste loonbrief. Van dit recht kon hij geen afstand doen daar het hem nog niet verworven was, evenmin als de gevorderde verbrekingsvergoeding zelf. Het Hof stelt aan de hand van het vonnis a quo vast dat de eerste rechter wel degelijk geantwoord heeft op de hem door partijen voorgelegde middelen in rechte en in feite. Het feit dat de eerste rechter " niet passend " (volgens appellante) zou hebben geantwoord op appellantes verweermiddelen betekent uiteraard niet dat de eerste rechter helemaal niet zou geantwoord hebben op haar middelen. De eerste rechter duidt volgens het Hof op voldoende duidelijke wijze aan op welke gronden hij zijn uitspraak baseert. Het vonnis a quo voldoet aan de motiveringsverplichting. Over de grond van de zaak. De feiten zijn duidelijk en worden trouwens niet betwist : appellante betekent een opzegging tijdens de proeftijd. Zij doet dit immers bij aangetekende brief dd. 24 juli 2001 d.w.z. voor het einde van de proeftijd dat voorzien was op 31 juli 2001. Overenkomstig artikel 37 A.O.-wet heeft dit schrijven pas uitwerking vanaf 27 juli 2001. Appellante vermeldde in de opzegbrief dat de opzegtermijn inging op 25 juli 2001. Appellante betekende aldus aan geïntimeerde een overeenkomstig artikel 81 § 1 A.O-wet te korte of onvoldoende opzegtermijn. De opzegtermijn kon overeenkomstig artikel 37 A.O.-wet slechts beginnen te lopen vanaf 27 juli 2001 en appellante benadrukte uitdrukkelijk dat 31 juli 2001 de laatste werkdag zou zijn. Derhalve bedroeg de opzegtermijn slechts (27, 28, 29, 30, 31 juli 2001) 5 dagen, wat onvoldoende is. Overeenkomstig artikel 81 § 1 van de A.O.-wet diende de opzegtermijn 7 dagen te bedragen. Voor het overige is de opzegging geldig en beantwoordt zij aan de vereisten van artikel 37 A.O.-wet. Onjuiste vermeldingen in de opzegbrief zoals bijvoorbeeld een verkeerde aanvangsdatum of een te korte opzegtermijn leiden niet tot nietigheid van de opzegging (A.H. Brussel, 6 januari 1981, T.S.R. 1982, 146; A.H. Antwerpen, 25 oktober 1977, J.T.T. 1978, 27) doch worden gesanctioneerd door de betaling van een opzeggingsvergoeding (Cassatie, 3 mei 1982, R.W. 1983-1984, 569). In een arrest van 3 september 1959 (R.W. 1959-1960, 1159) stelde het Hof van Cassatie reeds in een met onderhavige zaak volkomen gelijkaardige zaak : " Overwegende dat uit artikel 20 van de voormelde geordende wetten (bedoeld worden de wetten betreffende het bediendecontract, geordend bij het Koninklijk Besluit van 20 juli 1955) blijkt dat de wetgever de opzegging die enkel wegens de ontoereikendheid van de duur van de termijn onregelmatig is niet voor nietig houdt; Dat de sanctie hiervoor de verplichting is, voor de partij die dergelijke opzegging doet, aan de andere partij een vergoeding te betalen, gelijk aan de bezoldiging en verdiensten, overeenstemmend hetzij met de duur van de opzeggingstermijn, hetzij met het nog te verlopen gedeelte van die termijn; Overwegende dat geen enkele wetsbepaling of geen enkel rechtsbeginsel toestaan van deze regel af te wijken op het stuk van bediendecontracten met proefclausule; Overwegende dat, in dit geval, op voorwaarde echter dat de opzegging niet gedaan is voor een datum verschijnende na de verstrijking van de proeftijd, de onregelmatigheid van de opzegging, wat de duur van de termijn ervan betreft, enkel betaling met zich meebrengt van een vergoeding, gelijk aan de bezoldiging overeenstemmende met het nog te verlopen gedeelte van de termijn; Overwegende derhalve dat, waar zij beslist dat een definitief contract met onbepaalde duur tot stand was gekomen omdat de opzegging met opzeggingstermijn van 27 januari 1956 niet gedaan werd zeven dagen voor de verstrijking van het proefcontract, en hoewel aan bedoeld contract een einde was gemaakt voor de verstrijking van de proeftijd, met betaling aan verweerster van een som gelijk aan zeven dagen bezoldiging, de bestreden sententie het in het middel aangeduide artikel 3 van de geordende wetten betreffende het bediendecontract schendt "; Overwegende dat geïntimeerde niet heeft geprotesteerd tegen de hem betekende opzegging. Hij is verder arbeidsprestaties blijven leveren tot en met 31 juli 2001. Na 31 juli 2001 is hij zich niet meer op het werk komen aanbieden en heeft hij de werkgever ook niet gevraagd de arbeid te mogen hervatten. In ieder geval werd de arbeidsovereenkomst derhalve definitief beëindigd op 31 juli 2001 dit is de laatste dag van of tijdens de proeftijd. Overwegende dat artikel 81 § 2 eerste lid A.O.-wet uitdrukkelijk voorschrijft welke de sanctie is voor een werkgever die de arbeidsovereenkomst beëindigt tijdens de proeftijd met een onvoldoende opzegtermijn. Artikel 81 § 2, eerste lid, Arbeidsovereenkomstenwet bepaalt uitdrukkelijk dat de partij die de overeenkomst beëindigt (zonder dringende reden
- of)zonder inachtneming van de opzeggingstermijn gesteld in § 1 (d.i. dus de opzeggingstermijn van 7 dagen), gehouden is de andere partij een forfaitaire schadevergoeding te betalen die gelijk is aan het lopend loon en de voordelen verworven krachtens overeenkomst, overeenstemmend met de duur van de opzeggingstermijn of met het resterend gedeelte van die termijn. Overwegende dat appellante overeenkomstig artikel 81 § 2, eerste lid, A.O.-wet aan geïntimeerde een opzegvergoeding verschuldigd is gelijk aan het lopend loon en voordelen overeenstemmend met het resterend gedeelte van de opzegtermijn of 7 dagen - 5 gepresteerde dagen = 2 dagen. Dat het maandloon overeenkomstig artikel 39 A.O.-wet dient bepaald op : brutojaarloon (niet betwist)/12 of 24.535,86 euro /12 = 2.044,66 euro en het loon voor 2 dagen derhalve dient bepaald op 2.044,66 euro /21,66 (gemiddeld aantal werkdagen/maand) 94, 40 euro /per gewerkte dag x 2 = 188,80 euro bruto. Appellante is ertoe gehouden aan de Heer H. een aangepaste loonbrief m.b.t. deze opzegvergoeding af te geven. Volledigheidshalve wenst het Hof te antwoorden op het door geïntimeerde aangevoerd standpunt i.v.m. de betekening van de opzegging tijdens de proeftijd. Overwegende dat geïntimeerde verwijst naar rechtspraak die in onderhavige zaak niet dienend is omdat zij een ANDERE feitelijke toestand betreft m.n. een opzegging tijdens de proeftijd die uitwerking had NA de proeftijd en waarbij de partijen na het verstrijken van de proeftijd verbonden bleven door het bediendecontract en waarbij de werknemer met de instemming van de werkgever voorts zijn diensten verstrekte na afloop van de proeftijd (Cassatie, 3 september 1959, R.W. 1959-1960, 1157) : " Overwegende, anderzijds, dat uit de gebiedende bepalingen van artikel 3 van de geordende wetten betreffende het bediendecontract blijkt dat een verbintenis op proef in geen geval, en wat de overeenkomsten tussen partijen ook zijn, meer dan drie maanden mag duren en dat, wanneer de partijen bij de verstrijking van de proeftijd, zoals ten deze, door een bediendecontract verbonden blijven, dit contract voortaan nog slechts een definitief contract kan zijn " (onderlijning door het Hof). Deze rechtspraak betreft de toestand van partijen die NA AFLOOP van de proeftijd de arbeidsovereenkomst verder uitvoerden en is dus in onderhavige zaak waarin de arbeidsovereenkomst definitief werd beëindigd op de laatste dag van de proeftijd NIET van toepassing. OM DEZE REDENEN HET ARBEIDSHOF Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24, Rechtsprekend op tegenspraak, Verklaart het hoger beroep en het incidenteel hoger beroep ontvankelijk en beide gegrond, Hervormt het bestreden vonnis, Verklaart de oorspronkelijke eis van geïntimeerde gedeeltelijk gegrond als volgt, Veroordeelt de N.V. NIPPON EXPRESS BELGIUM tot betaling aan de Heer H. de som van 188, 80 euro bruto t.t.v. opzegvergoeding meer de wettelijke en gerechtelijke intresten op het overeenstemmend netto bedrag ervan, Veroordeelt appellante tot afgifte van een met dit arrest overeenstemmende loonbrief betreffende deze opzegvergoeding binnen de maand na betekening van onderhavig arrest, Veroordeelt partijen ieder tot de helft van de kosten van het geding in eerste aanleg, Veroordeelt geïntimeerde tot de kosten van hoger beroep, Begroot de kosten heden op In hoofde van appellante : Rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg : 205, 26 euro Rechtsplegingsvergoeding hoger beroep : 279, 60 euro In hoofde van geïntimeerde : Dagvaarding : 97, 11 euro Rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg : 205, 26 euro Rechtsplegingsvergoeding hoger beroep : 273, 67 euro Aldus gewezen en uitgesproken op de openbare terechtzitting van de 3de Kamer van het Arbeidshof te Brussel op 13 januari 2006, waar aanwezig waren : Mevrouw M. VERMAELEN, Raadsheer, De Heer P. KESSELS, Raadsheer in sociale zaken als werkgever, De Heer A. LEURS, Raadsheer in sociale zaken als werknemer-bediende, Mevrouw L. HERREGODTS, Griffier. L. HERREGODTS, M. VERMAELEN, P. KESSELS. A. LEURS. PDF document ECLI:BE:CTBRL:2006:ARR.20060113.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div