id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 26 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2006:ARR.20060126.5 Rolnummer: 37430 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-05-29 Raadplegingen: 117 - laatst gezien 2026-07-01 04:07 Fiche De door de wetgever voorziene verplichting tot motivering van de administratieve beslissingen houdt in dat een antwoord wordt gegeven op de verweermiddelen die worden aangebracht. Wanneer deze verweermiddelen inhouden dat om uitstel van uitvoering van de straf wordt gevraagd moet uit de administratieve beslissing kunnen opgemaakt worden waarom het uitstel niet wordt toegestaan. Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID VOOR WERKNEMERS - ZIEKTE- EN INVALIDITEITSVERZEKERING - Administratieve controle - Beslissingen van het comité van de Dienst voor Administratieve controle - Motivering. Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 03-07-1996 - 320,LID1 - 37 ELI link Pub nr 1996022344 Wet - 14-07-1994 - 166 - 38 ELI link Pub nr 1994071451 Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN ZESENTWINTIG JANUARI TWEEDUIZEND EN ZES. ZEVENDE KAMER Ziekte- en Invaliditeitsverzekering Tegensprekelijk Definitief In de zaak: RIJKSINSTITUUT VOOR ZIEKTE- EN INVALIDITEITSVERZEKERING, openbare instelling, waarvan de zetel gevestigd is te 1150 Brussel, Tervurenlaan 211, Appellant, vertegenwoordigd door Mr. B. Van Eeckhoudt loco Mr. H. Ketsman, advocaat te 1080 Brussel, Tegen: de LANDSBOND VAN LIBERALE MUTUALITEITEN waarvan de zetel gevestigd is te 1050 Brussel, Livornostraat 25,, geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. S. Vijverman, advocaat te 1853 Strombeek-Bever, Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit: Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid: - het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, op tegenspraak gewezen door de Arbeidsrechtbank te Brussel op 27 juni 1997; - het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 7 augustus 1998, - de besluiten in hoger beroep door appellant neergelegd; - de besluiten en aanvullende besluiten in hoger beroep door geïntimeerde neergelegd; Gehoord partijen in hun middelen en beweringen ter openbare terechtzitting van 17 november 2005, waarna de debatten gesloten werden. Het hoger beroep werd tijdig en op geldige wijze ingesteld, wat overigens niet betwist wordt, en is derhalve ontvankelijk. Voorgaanden Bij dagvaarding betekend op 1 juli 1993 aan appellant vordert geïntimeerde de hervorming van de op 3 juni 1993 genotificeerde sancties van de Dienst voor administratieve controle van appellant dd. 4 mei 1993 in die zin dat in zake verzekeringsinstelling 405 voor het geval B.R. toepassing zou worden gemaakt van artikel 256, ,§ 2 van het koninklijk besluit van 4 november 1963 en dat inzake verzekeringsinstelling 415 voor 74 gevallen van zelfstandigen eveneens toepassing wordt gemaakt van artikel 256 ,§ 2 en van artikel 254, 19°. Bij vonnis dd. 27 juni 1997 van de tiende kamer van de Arbeidsrechtbank te Brussel wordt de zaak naar de Algemene Rol verzonden om te worden toebedeeld aan de bevoegde kamer inzake zelfstandigen voor zover de vordering betrekking heeft op 74 geldstraffen voor gevallen van zelfstandigen bij verzeke-ringsinstelling 415, wordt de eis voor het overige namelijk betreffende de verzekeringsinstelling 405 voor het geval B.R. ontvankelijk en gegrond verklaard en worden de bestreden geldstraffen uitgesproken door appellant op 4 mei 1993 en aan geïntimeerde ter kennis gebracht op 3 juni 1993 met brief nr. 678569 ten belope van 4.500 fr. (111,55 Euro) voor het geval B.R. vernietigd. De eerste rechter was van oordeel dat de beslissing bij gebreke aan opgave van haar feitelijke grondslag niet beantwoordt aan de motiveringsplicht, voorgeschreven door artikel 255 van het koninklijk Besluit van 4 november 1963 noch aan de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen. De eerste rechter stelde eveneens vast dat appellant niet antwoordt op de door geïntimeerde aangevoerde middelen meer bepaald op zijn verzoek om uitstel van uitvoering van de straf (artikel 256 ,§ 2). In dezelfde zin werd trouwens ook geoordeeld door de veertiende kamer van de Arbeidsrechtbank te Brussel bij vonnis uitgesproken op 23 februari 1998 voor wat betreft de 74 geldstraffen voor gevallen van zelfstandigen bij het ziekenfonds 415 en werden de geldstraffen van telkens 5.000 fr. (123,95 Euro) uitgesproken overeenkomstig artikel 254, 17° van het koninklijk besluit van 4 november 1963 door appellant op 4 mei 1993 en aan geïntimeerde ter kennis gebracht op 3 juni 1993 met brief nr.678569 dan ook vernietigd. Dit vonnis dd. 23 februari 1998 werd door de negende kamer van het Arbeidshof te Brussel bevestigd, gezien gewoonweg niet werd geantwoord op de verweermiddelen van geïntimeerde. Appellant verzoekt het hoger beroep toelaatbaar en gegrond te verklaren, dienvolgens het bestreden vonnis te vernietigen, opnieuw rechtsprekende, de oorspronkelijke vordering niet gegrond te verklaren en geïntimeerde tot de kosten van beide aanleggen te veroordelen. Appellant stelt het volgende : " Uit het niet-beantwoorden van de verweermiddelen door het Comité kan onmogelijk een schending van de formele motiveringsplicht gededuceerd worden. Zulks volgt uit het verschil in draagwijdte tussen de formele motivering van een jurisdictionele beslissing (artikel 149 G.W.) en die van een administratieve rechtshandeling. Daar waar rechtscolleges alle opgeworpen middelen moeten behandelen en uit de redengeving van hun beslissing moet blijken dat de door de diverse argumenten van de partijen gestaafde middelen onderzocht zijn, is het bestuur niet verplicht om de door de rechtszoekende aangehaalde juridische en feitelijke elementen te beantwoorden (R.v.St., nv. ECA, 18 januari 1994, nr. 45685). Zo de rechtbank dan toch tot een schending van de formele motiveringsplicht zou besluiten, belet dit niet dat de rechter de wettigheid van de beslissing ten aanzien van de Z.I.V.-reglementering dient na te gaan (Cass., 15 januari 1996). De Arbeidsrechtbank van Brussel heeft nagelaten zulks te doen. Uit de bewoordingen van artikel 256, ,§ 2 van het koninklijk besluit van 4 november 1963 blijkt dat de wetgever heeft willen vermijden dat het feit dat er tijdens de twee vorige jaren geen enkele straf voor soortgelijke overtredingen uitgesproken werd, automatisch tot uitstel zou leiden. Het Hof van Cassatie heeft in een arrest van 10 juni 1996 expliciet gesteld dat de rechter krachtens het algemeen beginsel van de scheiding der machten niet bevoegd is om de ambtenaar (i.c. dus het Comité) deze beoordelingsvrijheid, om al dan niet een administratieve sanctie toe te passen, te ontzeggen,noch om in zijn (haar) plaats te treden. In het vonnis van 6 februari 1998 heeft de Arbeidsrechtbank van Brussel voor de eerste maal beslist dat er geen schending van de motiveringsplicht kon weerhouden worden m.b.t. de beslissingen van het Comité van de administratieve controle bijeengekomen in speciale vergadering. In genoemd vonnis stelt de Rechtbank dat de bestreden beslissingen in de akte zelf de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die eraan ten grondslag liggen, zoals vereist door de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli
- Daarenboven kwam de Arbeidsrechtbank tot de conclusie dat het Comité zij het zeer summier antwoordde op de verweermiddelen door te stellen dat ze geen afbreuk deden aan de vastgestelde feiten". Geïntimeerde verzoekt het Hof het vonnis a quo te bevestigen. Geïntimeerde stelt dat algemeen wordt aangenomen dat de motiveringsplicht tot doel heeft degene ten opzichte van wie een beslissing wordt genomen een zodanig inzicht te geven in de motieven van de beslissing dat hij in staat is terdege te oordelen of het zin heeft zich tegen die beslissing te verweren en dat het ontbreken van een motivering of beschouwingen die vaag of van algemene aard zijn als een niet gemotiveerde beslissing moet worden aanzien, dat het controlerecht op de administratieve sancties van de arbeidsrechtbanken en arbeidshoven in functie van de volheid van rechtsmacht impliceert dat aldus een volledig controlerecht wordt uitgeoefend zowel op de externe als op de interne rechtmatigheid van de beslissing en dat het evident is dat indien een wet aan de ver-zekeringsinstellingen het recht op verweermiddelen in te dienen verleent, het volkomen normaal en nodig is dat deze ook worden beantwoord door D.A.C., zoniet is de procedure die toelaat verweermiddelen aan te voeren nutteloos. Beoordeling door het Hof Artikel 255, lid 2 van het koninklijk besluit van 4 november 1963 (thans artikel 320, lid 2 van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 1994) bepaalt dat de beslissingen van het Comité van de Dienst voor administratieve controle gemotiveerd moeten zijn. Artikel 2 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen bepaalt dat de bestuurshandelingen van de besturen bedoeld in artikel 1 uitdrukkelijk gemotiveerd moeten worden waarbij artikel 3 specifieert dat de opgelegde motivering in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen en deze motivering afdoende moet zijn, terwijl volgens artikel 1 voor de toepassing van deze wet onder "bestuurshandeling" de éénzijdige rechtshandeling met individuele strekking verstaan wordt die uitgaat van een bestuur en die beoogt rechtsgevolgen te hebben voor één of meerdere bestuurden of voor een ander bestuur, en onder "bestuur" de administratieve overheden als bedoeld in artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Als bestuur in de zin van voormelde wet gelden niet enkel de administratieve overheden als bedoeld in artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State doch ook administratieve overheden wier beslissing voor gewone rechtbanken kunnen bestreden worden (Van Orshoven P., De uitdrukkelijke motivering van administratieve rechtshandelingen, R.W. 1991-1992, 489). Als administratieve overheid moet appellant dus in zijn beslissingen uitdrukkelijk en afdoende de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die er ten grondslag aan liggen. Met aangetekend schrijven dd. 24 augustus 1992 deelt appellant aan geïntimeerde tabellen met gevallen vatbaar voor sancties bij toepassing van artikel 254 van het koninklijk besluit van 4 november 1963 mee met het verzoek de mogelijke opmerkingen en verweermiddelen te laten kennen tegen uiterlijk 31 oktober
- In zijn aangetekend schrijven dd. 26 oktober 1992 laat geïntimeerde als opmerking en verweermiddelen gelden dat verzocht wordt om de toepassing van artikel 256 ,§ 2 van het koninklijk besluit van 4 november 1963 vermits er tijdens de voorbije twee jaren geen enkele straf voor soortgelijke overtredingen werd uitgesproken voor het ziekenfonds
- Bij aangetekende beslissing dd. 3 juni 1993 wordt kennis gegeven aan geïntimeerde van de sancties, ingevolge vaststellingen gedaan tijdens controlebezoeken, uitgesproken door de Dienst voor administratieve controle tijdens zijn vergadering van 4 mei 1993, met verwijzing naar de brief dd. 26 oktober 1992 en de mededeling dat het Comité de verweermiddelen heeft onderzocht en beslist sancties toe te passen voor o.a. het geval B.R.-verzekeringsinstelling
- In de notulen (bijlage 5 notulen S/ nr. 93/2) van de vergadering van het Comité van 4 mei 1993 wordt met geen woord gerept over de verweermiddelen ingeroepen door geïntimeerde bij aangetekend schrijven van 26 oktober
- Het Hof stelt vast dat nergens kan uit opgemaakt worden of deze verweermiddelen werden onderzocht door appellant. Terecht stelt het Auditoraat-generaal in het schriftelijk advies dat in de bestreden beslissing niet is aangegeven waarom het gevraagde uitstel van uitvoering van de straf zoals voorzien in artikel 256 ,§ 2 van het koninklijk besluit van 4 november 1963 is geweigerd en dat tot op heden nog steeds niet bekend is welke redenen aan deze afwijzende beslissing ter grondslag liggen. Geïntimeerde heeft er het raden naar of hij zich al dan niet in de voorwaarden bevond om de toepassing van voormeld artikel te vragen, dan wel zoals appellant stelt in besluiten dat het opleggen van een uitstelstraf voor dit soort tekortkomingen niet opportuun was. De door de wetgever voorziene verplichting tot motivering van de administratieve beslissingen houdt in dat een antwoord wordt gegeven op de verweermiddelen van geïntimeerde zodat deze laatste weet waarom het uitstel tot uitvoering van de straf niet werd toegestaan. De bestreden beslissing dient te worden vernietigd bij gebrek aan motivering. Het Hof verwijst naar het arrest dd. 2 februari 2004 van de negende kamer van het Arbeidshof te Brussel, A.R. nr. 37.429 waarin het Hof in dezelfde zin heeft geoordeeld i.v.m. de beslissing van dezelfde datum betreffende 74 geldstraffen voor gevallen van zelfstandigen. Wat de kosten betreft stelt het Hof vast dat in het vonnis dd. 23 februari 1998 van de veertiende kamer de dagvaardingskosten in hoofde van geïntimeerde reeds werden begroot en toegekend, zodat deze kosten geen tweede maal kunnen worden gevraagd door geïntimeerde. OM DEZE REDENENN : De zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel; Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24; Recht doende op tegenspraak, Gehoord de heer André, Substituut-generaal, in zijn schriftelijk eensluidend advies, voorgelezen en neergelegd op de openbare terechtzitting van 24 november 2005; Gelet op de termijn verleend aan partijen om eventueel te repliceren tot 20 december 2005; Geen replieken werden neergelegd en de zaak wordt op 22 december 2005 in beraad genomen. Ontvangt het hoger beroep, wijst dit evenwel af als zijnde ongegrond; Bevestigt het bestreden vonnis in al zijn beschikkingen; Verwijst overeenkomstig artikel 1017 van het Gerechtelijk Wetboek, appellant tot de kosten van eerste aanleg en van hoger beroep, kosten tot op heden begroot op : - voor appellant 84,78 Euro rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg 52,06 Euro vaste uitgavenvergoeding verzoekschrift hoger beroep 127,91 Euro rechtsplegingsvergoeding hoger beroep - voor geïntimeerde 84,78 Euro rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg 127,91 Euro rechtsplegingsvergoeding hoger beroep Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van de zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel op zesentwintig januari tweeduizend en zes. Waar aanwezig waren : mevrouw B. VAN DE VELDE, Voorzitter de heer P. DEPRETER, Raadsheer in Sociale zaken als werkgever, aangeduid bij bevelschrift van heden ter vervanging van de heer F. VANDEWIJNGAERDEN, Raadsheer in Sociale Zaken als werkgever, die de debatten heeft bijgewoond en heeft deelgenomen aan het beraad van onderhavig arrest, maar wettig verhinderd is om de uitspraak ervan bij te wonen (artikel 779 van het Gerechtelijk Wetboek). de heer H. SILON, Raadsheer in Sociale Zaken als werknemer arbeider mevrouw G. DE SAEDELEER, Griffier G. DE SAEDELEER B. VAN DE VELDE H. SILON P. DEPRETER PDF document ECLI:BE:CTBRL:2006:ARR.20060126.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div