← België

ECLI:BE:CTBRL:2006:ARR.20060202.2

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 02 februari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2006:ARR.20060202.2 Rolnummer: 42119 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-11-08 Raadplegingen: 97 - laatst gezien 2026-07-01 04:08 Fiches 1 - 2 Nu in de herstelwet van 29 juni 1981 geen bijzondere verjaringstermijn voorzien is wat de rechtsvordering aangaat tot terugvordering van ten onrechte betaalde uitkeringen ingesteld door de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, dient in navolging van het arrest van het Arbitragehof van 12 februari 2003 nr. 25/2003 toepassing gemaakt te worden van enerzijds artikel 7, ,§ 13 van de besluitwet van 28 december 1944 en anderzijds artikel 30 van de algemene beginselenwet der sociale zekerheid der werknemers van 29 juni

  1. Vrije woorden: ARBEIDSVOORZIENING - WERKLOOSHEID - Loopbaanonderbreking - Terugvordering van onverschuldigd betaalde onderbrekingsuitkeringen Verjaring Ontbreken van een bijzondere wettelijke regeling in verband met de verjaring. Wettelijke bepalingen: Besluitwet - 28-12-1944 - 7,§13 - 01 ELI link Pub nr 1944122850 Nota: Eveneens gerangschikt onder VII A (Wet 29.06.1981),art.
  2. Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID DER WERKNEMERS - ALGEMENE REGELING - Loopbaanonderbreking - Terugvordering van onverschuldigd betaalde onderbrekingsuitkeringen Verjaring Ontbreken van een bijzondere wettelijke regeling in verband met de verjaring. Wettelijke bepalingen: Wet - 29-06-1981 - 30 - 02 ELI link Pub nr 1981001048 Nota: Eveneens gerangschikt onder V A (Besl.Wet 28.12.1944), art.7 ,§
  3. Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN TWEE FEBRUARI TWEEDUIZEND EN ZES. ZEVENDE KAMER Not. 580, 2° G.W. Werkloosheid Tegensprekelijk Heropening der debatten In de zaak: RIJKSDIENST VOOR ARBEIDSVOORZIENING, openbare instelling, waarvan de burelen gevestigd zijn te 1000 Brussel, Keizerslaan 7, Appellant, vertegenwoordigd door Mr. L. De Graeve loco Mr. L. Vermeulen, advocaat te 2230 Herselt, Tegen: V.B., geïntimeerde, vertegenwoordigd door de heer Remi Hendrickx, schoonbroer en drager van volmacht, Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit: Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid: het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, op tegenspraak gewezen door de Arbeidsrechtbank te Turnhout op 19 juni 1998; het voor eensluidend verklaard afschrift van het arrest op tegenspraak dd. 20 juni 2000 van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen; het voor eensluidend verklaard afschrift van het arrest van het Hof van Cassatie dd. 21 mei 2001; - het exploot van dagvaarding na cassatie ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 28 september 2001; de besluiten in hoger beroep door appellant neergelegd; de besluiten en aanvullende besluiten in hoger beroep door geïntimeerde neergelegd; Gehoord partijen in hun middelen en beweringen ter openbare terechtzitting van 1 december 2005, waarna de debatten gesloten werden. Het hoger beroep werd tijdig en op geldige wijze ingesteld, wat overigens niet betwist wordt, en is derhalve ontvankelijk. Voorgaanden Bij beslissing dd. 18 februari 1998 van de Directeur van het Werkloosheidsbureau Turnhout worden de ten onrechte genoten uitkeringen voor de periode van 1 juli 1991 tot en met 31 augustus 1994 ten bedrage van 422.134 fr. (10.464,43 Euro) teruggevorderd. Bij vonnis dd. 19 juni 1998 van de Arbeidsrechtbank te Turnhout wordt de vordering van geïntimeerde ontvankelijk en gegrond verklaard en wordt voor recht gezegd dat het recht van appellant om de terugbetaling van de onverschuldigd betaalde werkloosheidsuitkeringen te bevelen, verjaard is ingevolge het verstrijken van de termijn van drie jaar. Bij arrest dd. 20 juni 2000 van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen wordt het hoger beroep ontvankelijk en in de volgende mate gegrond verklaard : het vonnis dd. 19 juni 1998 wordt vernietigd en opnieuw beslissend wordt voor recht gezegd dat de terugvordering in toepassing van artikel 2277 Burgerlijk Wetboek voor de periode van 1 juli 1991 tot en met 17 februari 1993 verjaard is. De heropening der debatten wordt bevolen ten einde de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening toe te laten de door geïntimeerde onrechtmatig genoten onderbrekingsuitkeringen te herberekenen en de afrekening op te stellen. Bij arrest van het Hof van Cassatie dd. 21 mei 2001 wordt het bestreden arrest vernietigd, worden de kosten aangehouden en wordt de zaak naar het Arbeidshof te Brussel verwezen. Het Hof van Cassatie overwoog als volgt : " Overwegende dat, krachtens artikel 2262 bis, ,§ 1, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, alle persoonlijke rechtsvorderingen verjaren door verloop van tien jaar; Overwegende dat, luidens artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek, termijnen van altijddurende renten en van lijfrenten, die van uitkeringen van levensonderhoud, huren van huizen en pachten van landeigendommen, intresten van geleende sommen, en in het algemeen, al hetgeen betaalbaar is bij het jaar of bij kortere termijnen, verjaren door verloop van vijf jaren; Overwegende dat een schuld waarvan het bedrag bepaald en in eenmaal terugbetaalbaar is, niet onder de toepassing valt van voormeld artikel 2277, dat hoofdzakelijk ertoe strekt de schuldenaar te beschermen tegen een verhoging van de schuld; Dat die bepaling niet toepasselijk is op ten onrechte betaalde bedragen, vermits de verplichting van de verkrijger niet bestaat in periodieke uitkeringen, maar wel in een verplichting tot teruggave van onrechtmatig ontvangen bedragen; dat die verplichting niet te vergelijken is met de schuld van periodieke uitkeringen, vermits zij niet voortvloeit uit de bepalingen inzake betaling ervan, maar wel uit de regels betreffende de betaling van onverschuldigde bedragen; Overwegende dat uit het arrest blijkt dat eiser op 18 februari 1998 op grond van onverschuldigde betaling, de terugbetaling vorderde van gedurende de periode van 1 juli 1991 tot en met 31 augustus 1994 door verweerster ten onrechte ontvangen onderbrekingsuitkeringen; Overwegende dat het arrest met toepassing van de vijfjarige verjaringstermijn van artikel 2277 oordeelt dat de verjaring is ingetreden op 17 februari 1993 en beslist dat "de terugvordering (...) voor de periode van 1 juli 1991 tot en met 17 februari 1993 verjaard is"; Dat het arrest door aldus te oordelen de in het middel aangehaalde wetsbepalingen schendt". Appellant verzoekt het Hof in besluiten in beroep na cassatie : " na de vernietiging van het arrest van het Arbeidshof te Antwerpen van 20 juni 2000 door het Hof van Cassatie op 21 mei 2001, het beroep van concluante tegen het vonnis van de Arbeidsrechtbank te Turnhout dd. 19 juni 1998 gegrond te verklaren; dienvolgens het vonnis a quo te vernietigen en opnieuw recht doende de oorspronkelijke beslissing te bevestigen in al haar geledingen en te zeggen voor recht dat de terugvordering van de sedert 1 juli 1991 door tegenpartij genoten loopbaanonderbrekingsuitkeringen niet verjaard is; vervolgens tegenpartij te veroordelen tot betaling aan concluante van het bedrag van 10.464,43 Euro, te verhogen met de gerechtelijke intresten. Kosten als naar recht". Appellant stelt i.v.m. de verjaring dat het recht van appellant om de terugbetaling van de onverschuldigde betaalde loopbaanonderbrekings-uitkeringen terug te vorderen verjaart door verloop van 10 jaar krachtens artikel 2262 bis, ,§ 1, 1ste lid Burgerlijk Wetboek met verwijzing naar het voormeld arrest van het Hof van Cassatie. Wat het ontslag betreft stelt appellant dat het niet relevant is of betrokkene nu zelf ontslag heeft genomen of door haar werkgever werd ontslagen ingevolge de sluiting van het tehuis, gezien het recht op loopbaanonderbrekingsuitkeringen onher-roepelijk verbonden is met het bestaan van een arbeidsovereenkomst en dit recht verloren gaat van zodra deze overeenkomst een einde neemt, ongeacht de wijze van beëindiging. Geïntimeerde verzoekt het Hof het vonnis van de tweede kamer van de Arbeidsrechtbank van Turnhout dd. 19 juni 1998 te bevestigen of ten minste het arrest van het Arbeidshof te Antwerpen van 20 juni 2000 te bekrachtigen. Geïntimeerde stelt dat artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek hier van toepassing is aangezien het hier een opeenstapeling is van maandelijkse betalingen, dat er in casu een opmerkelijke opeenstapeling is van verschuldigde onderbrekingsuitkeringen die door de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening jaren na datum worden opgevorderd en dat de zorgvuldigheidsplicht van het bestuur niet absoluut is. Tenslotte stelt betrokkene dat zij slechts tot 14 jaar naar school is geweest en dat zij wel degelijk aangifte heeft gedaan van haar loopbaanonderbreking vanaf 1 september 1988 bij haar aanvraag voor werkloosheidsvergoeding. Beoordeling door het Hof In de arresten van het Hof van Cassatie dd. 27 januari 1997, S. 96.
  4. N/1 en dd. 28 januari 1998, S. 97.00.
  5. F/1 werd geoordeeld dat de bepalingen van het werkloosheidsbesluit niet van toepassing zijn op de werknemers die hun beroepsloopbaan hebben onderbroken en die dus niet werkloos zijn. In het advies van het Auditoraat-generaal wordt verwezen naar een vonnis dd. 28 maart 2002 met A.R. nr. 46.513/97 inzake D. / R.V.A. waarin de Arbeidsrechter te Brussel in een gelijkaardige betwisting aan het Arbitragehof een prejudiciële vraag heeft gesteld of de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen in hoofdstuk IV, afdeling 5 waarvan het opschrift luidt "Onderbreking van de beroepsloopbaan" door niet te voorzien in een bijzondere, korte verjaringstermijn zoals dit het geval is in de meeste sociale zekerheidswetten en meer specifiek door niet te verwijzen naar artikel 7, ,§ 13 van de Besluitwet van 28 december 1944 toepasselijk op de rechtsvordering tot terugbetaling door de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening van onverschuldigd uitgekeerde werkloosheidsuitkeringen- wat de verjaringstermijn betreft van de vordering tot terugbetaling van onverschuldigd betaalde uitkeringen, geen onverantwoorde discriminatie heeft in het leven geroepen die strijdig is met de artikel 10 en 11 van de Grondwet, tussen de gerechtigden op loopbaanonderbrekingsuitkeringen en gerechtigden op werkloosheidsuitkeringen. Het Arbitragehof heeft met zijn arrest dd. 12 februari 2003 nr. 25/2003 vastgesteld dat de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, in zoverre zij geen enkele bepaling inzake verjaringstermijn bevat voor de rechtsvordering tot terugvordering van de onverschuldigd betaalde loopbaanonderbrekingsuitkeringen. Toepassing moet worden gemaakt van enerzijds artikel 7, ,§ 13 van de besluitwet van 28 december 1944 waarin de verjaringstermijn wordt bepaald van het recht van de R.V.A. om de terugbetaling van onverschuldigd betaalde werkloosheidsuitkeringen te bevelen, namelijk drie jaar en verhoogd tot vijf jaar in geval van arglist of bedrog van de werkloze, en van anderzijds artikel 30 van de algemene beginselenwet der sociale zekerheid der werknemers van 29 juni 1981 waarin wordt voorzien dat de terugvordering van de ten onrechte betaalde sociale prestaties verjaart na drie jaar, te rekenen vanaf de datum waarop de betaling is gebeurd, tenzij de betaling enkel het gevolg is van een vergissing van de instelling of de dienst, waarvan de betrokkene zich normaal geen rekenschap kon geven en dan wordt de termijn teruggebracht tot zes maanden. Terecht adviseert het Auditoraat-generaal de heropening der debatten ten einde partijen toe te laten hieromtrent nader standpunt in te nemen met name over de van toepassing zijnde termijn namelijk 5 jaar, 3 jaar of zes maanden. OM DEZE REDENEN : De zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel; Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24 Recht doende op tegenspraak, Gehoord de heer André, Substituut-generaal, in de voorlezing en de neerlegging van zijn schriftelijk eensluidend advies op de openbare terechtzitting van 8 december 2005; Gelet op de repliek van geïntimeerde ontvangen ter griffie op 22 december 2005, waarna de zaak op 5 januari 2006 in beraad werd genomen; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk; Beveelt de heropening der debatten om voormelde redenen; Stelt de heropening der debatten op de openbare terechtzitting van de zevende kamer van dit Hof op 11 mei 2006 te veertien uur dertig, te 1000 Brussel, Poelaertplein 3, zaal 0.
  6. Houdt de kosten. Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van de zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel op twee februari tweeduizend en zes. Waar aanwezig waren : mevrouw B. VANDE VELDE, Voorzitter de heer F. VANDEWIJNGAERDEN, Raadsheer in Sociale Zaken als werkgever de heer D. REGA, Raadsheer in Sociale Zaken als werknemer arbeider, aangeduid bij bevelschrift van heden ter vervanging van de heer H. SILON, Raadsheer in Sociale Zaken als werknemer arbeider, die de debatten heeft bijgewoond en heeft deelgenomen aan het beraad van onderhavig arrest, maar wettig verhinderd is om de uitspraak ervan bij te wonen (artikel 779 van het Gerechtelijk Wetboek). mevrouw G. DE SAEDELEER, Griffier PDF document ECLI:BE:CTBRL:2006:ARR.20060202.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.