id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 16 februari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2006:ARR.20060216.2 Rolnummer: 41798 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-03-10 Raadplegingen: 109 - laatst gezien 2026-07-01 04:11 Fiche Een sociaal verzekerde kan afzien van een ingetreden verjaring. De verzaking aan het middel van de verjaring kan blijken uit een schulderkenning, zoals de aanvaarding door de verzekerde om de ten onrechte betaalde sommen terug te betalen of te laten inhouden. Een aanbod tot betaling zonder voorbehoud of het vragen van respijt hebben een stuitende werking. Indien de sociaal verzekerde om betalingsfaciliteiten verzoekt, kan de verzaking aan de verkregen verjaring slechts weerhouden worden indien de afstand duidelijk en ondubbelzinnig uit zijn houding kan opgemaakt worden. Een sociaal verzekerde die door de arbeidsrechtbank veroordeeld werd tot terugbetaling van een door hem onverschuldigd ontvangen geldsom en hierop de socialezekerheidsinstelling aanschrijft met een voorstel tot terugbetaling dat aanvaard werd, erkent het recht van deze instelling tegen wie de verjaring liep niet en heeft hierdoor niet te kennen gegeven te willen verzaken aan de ingetreden verjaring wanneer hij zeventien dagen later hoger beroep instelt tegen voormeld vonnis, in zijn verzoekschrift uitdrukkelijk vraagt de vijfjarige verjaring te willen weerhouden en waarschijnlijk maakt dat zijn aanbod tot betaling enkel tot doel had de loop van de intresten te willen onderbreken. Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP - RECHT - WETGEVING - BURGERLIJK WETBOEK - Verjaring - Stuiting. Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - 2248 - 35 ELI link Pub nr 1804032155 Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN ZESTIEN FEBRUARI TWEEDUIZEND EN ZES ZEVENDE KAMER Not. 580, 2° G.W. Kinderbijslag Tegensprekelijk Gedeeltelijk definitief + Bijzondere rol In de zaak: B.S., appellante, vertegenwoordigd door Mr. J. Defau, advocaat te 3300 Tienen, Tegen: de RIJKSDIENST VOOR KINDERBIJSLAG VOOR WERKNEMERS, openbare instelling onder toezicht van de Minister van Sociale Voorzorg, vertegenwoordigd door zijn Administrateur-generaal, de heer Johan Verstraeten, met zetel te 1000 Brussel, Trierstraat 70, geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. A. Sobrie, advocaat te 3000 Leuven, Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit: Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid: - het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, op tegenspraak gewezen door de Arbeidsrechtbank te Leuven op 12 januari 2000; - het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, op tegenspraak gewezen door de Arbeidsrechtbank te Leuven op 13 juni 2001; - het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 12 juli 2001; - de besluiten in hoger beroep door partijen neergelegd; - de aanvullende besluiten in hoger beroep door appellante neergelegd; Gehoord partijen in hun middelen en beweringen ter openbare terechtzitting van 8 december 2005, waarna de debatten gesloten werden. Voorgaanden Bij beslissing van geïntimeerde dd. 12 oktober 1998 wordt een bedrag van 185.946 fr. (4.609,48 Euro) van appellante teruggevorderd, ten titel van ten onrechte genoten kinderbijslag over de periode van 1 september 1989 tot 30 april 1997, te vermeerderen met de wettelijke intresten ten bedrage van 58.332 fr. (1.446,01 Euro), met als motivering dat appellante niet voldeed aan de voorwaarden van rechthebbende met personen ten laste in de zin van artikel 42 bis vierde lid en artikel 56 ,§ 2 tweede lid van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, gezien zij sedert 3 augustus 1989 samenwoont met de heer S. die een voltijdse activiteit uitoefent als werknemer. In dezelfde beslissing wordt medegedeeld dat de vijfjarige verjaring in het kader van artikel 120 bis niet kan worden ingeroepen gelet op de bedrieglijke handelingen of de valse of opzettelijk onvolledige verklaringen en dat de dertigjarige verjaringstermijn van toepassing is. Bij tussenvonnis dd. 12 januari 2000 van de tweede kamer van de Arbeidsrechtbank te Leuven werd geoordeeld dat, met verwijzing naar het arrest van het Hof van Beroep van Brussel, dertiende kamer, dd. 16 maart 1999, waarin de samenwoonst als bewezen werd aanvaard en de heer S. en appellante op strafgebied werden veroordeeld en naar de vaststellingen dd. 12 februari 1997, op voldoende wijze werd aangetoond dat de heer S. en mevrouw B. een huishouden vormden in de zin van artikel 1, alinea 1 van het koninklijk besluit van 12 april 1984 tot uitvoering van de gecoördineerde wetten betreffende de kinderbijslag voor werknemers. De eerste rechter was van oordeel dat de debatten dienden te worden heropend teneinde geïntimeerde toe te laten het bewijs te leveren dat de heer S. in de periode van 1 september 1989 tot 30 april 1997 weldegelijk een beroepsactiviteit uitoefende in de zin van artikel 1, alinea 1 van het koninklijk besluit van 12 april
- Bij vonnis dd. 13 juni 2001 van de tweede kamer van de Arbeidsrechtbank te Leuven wordt de hoofdvordering van appellante ongegrond en de tegenvordering van geïntimeerde gegrond verklaard, wordt dienvolgens appellante veroordeeld tot betaling aan geïntimeerde van het bedrag van 244.615 fr. (6.063,85 Euro) meer de wettelijke intresten vanaf 7 mei 1997 op het bedrag van 185.946 fr. (4.609,48 Euro) en de gerechtelijke intresten vanaf 30 augustus
- De eerste rechter was van oordeel dat, gelet op schrijven van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening dd. 3 mei 2001 gericht aan het Arbeidsauditoraat, waaruit bleek dat de heer S. in november 1993 twee dagen tijdelijke werkloosheid, in februari 1994 anderhalve dag tijdelijke werkloosheid en in februari 1996 anderhalve dag tijdelijke werkloosheid kende en op de stukken van geïntimeerde waaronder de verklaring van de B.V.B.A. P. Diensten te Herentals, de heer S. wel degelijk tussen 1 september 1989 en 30 april 1997 een beroepsactiviteit uitoefende in de zin van artikel 1, alinea 1 van het koninklijk besluit van 12 april
- Appellante tekent hoger beroep aan en verzoekt het Hof : " Het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren. De beslissing van de Rijksdienst voor Kinderbijslag voor werknemers dd. 12 oktober 1998, en van de Arbeidsrechtbank Leuven dd. 13 juni 2001 en van het tussenvonnis dd. 12 januari 2000 te vernietigen. Te stellen voor recht dat de terugvordering beperkt wordt door verloop van 5 jaar te rekenen vanaf de datum waarop de uitbetaling is geschied. Te stellen voor recht dat de initieel gevorderde intresten van 58.332 fr. (1.446,01 Euro) dienen verworpen te worden en dat de intresten op de hoofdsom gevorderd worden vanaf datum ingebrekestelling (12.10.1998). Te stellen voor recht dat concluante reeds een bedrag van 4.959,49 Euro betaald heeft. De vordering ivm het tergend en roekeloos beroep ontvankelijk, maar ongegrond te verklaren. Geïntimeerde te veroordelen tot de kosten, de gerechtskosten voor beide aanleggen, inclusief de R.P.V.". Appellante stelt dat terzake niet bewezen is dat de valse verklaring gebruikt werd in de betekenis van verklaringen die opzettelijk in strijd zijn met de waarheid en dat een verjaring van vijf jaar dient te worden weerhouden. Verder stelt appellante dat de intresten die gevorderd worden op basis van artikel 24, 2de en 3de lid SWKL pas kunnen worden berekend vanaf de datum van ingebrekestelling zijnde vanaf 12 oktober
- Geïntimeerde verzoekt het Hof : " Het beroep van mevrouw S. B., zo ontvankelijk, in elk geval ongegrond te verklaren, en dienvolgens de vonnissen van de Arbeidsrechtbank van Leuven van 12 januari 2000 en 13 juni 2001 te bevestigen. In uiterst ondergeschikte orde, indien het Arbeidshof de mening is toegedaan dat de eerste rechter inderdaad niet voldoende uitdrukkelijk het opzettelijke karakter van het handelen van appellante heeft geponeerd, verzoekt geïntimeerde het Arbeidshof te stellen dat appellante inderdaad met bedrieglijk opzet heeft gehandeld zodat zij valt onder de bepaling van artikel 120 bis, lid 3 van de Samengeordende Wetten. Appellante te veroordelen in betaling van een bedrag van 1.239,47 Euro (50.000 frank) wegens tergend en roekeloos beroep, meer de gerechtelijke intresten. Appellante te veroordelen tot de kosten van het geding, hierin begrepen de rechtsplegings-vergoeding". Geïntimeerde stelt dat de eerste rechter in zijn vonnis duidelijk heeft verwezen naar het arrest van het Hof van Beroep van Brussel dd. 16 maart 1999 waarin het bedrieglijk inzicht van het handelen van appellante en de heer S. wordt bevestigd en dat de wettelijke intresten worden gevorderd vanaf de datum van betaling van de onverschuldigde bijslag tot de datum dat de terugbetaling ervan wordt ontvangen, conform artikel 1378 Burgerlijk Wetboek. Feiten Geïntimeerde keerde tot 30 november 1996, ten gunste van het kind E. V., geboren op 6 april 1974 en tot 31 maart 1998,ten gunste van het kind D. V., geboren op 6 oktober 1975, kinderbijslag uit ingevolge de werkloosheid van appellante, in toepassing van artikel 56 novies van de gecoördineerde wetten betreffende de kinderbijslag voor werknemers. Ingevolge haar langdurige werkloosheid ontving appellante tot 30 april 1997 de verhoogde kinderbijslag overeenkomstig artikel 42 bis van de gecoördineerde wetten betreffende de kinderbijslag voor werknemers. Appellante heeft immers steeds medegedeeld, zowel op de periodieke vragenlijsten "Modellen P12, P19 en P19 bis" als tijdens het bezoek van de sociaal controleur van geïntimeerde, dat zij enkel met haar twee kinderen een gezin vormde. Op 5 december 1997 werd geïntimeerde op de hoogte gesteld van de beslissing dd. 21 maart 1997 van de R.V.A., warbij werd beslist appellante niet toe te laten tot de werkloosheidsuitkeringen vanaf 1 juli 1989 tot 21 maart 1997 voor het verschil in code gezinshoofd en code samenwonende en waarbij de ten onrechte genoten uitkeringen worden teruggevorderd en een administratieve sanctie wordt opgelegd. De R.V.A. leidde immers uit een onderzoek af dat appellante minstens vanaf 1 juli 1989, datum vanaf wanneer zij als gezinshoofd werkloosheidsuitkeringen ontving, samenwoonde met de heer S.. Geïntimeerde heeft bijgevolg verder onderzoek ingesteld en heeft hiervan een controleverslag opgesteld op 15 januari
- Beoordeling Het hoger beroep gericht tegen het vonnis van 12 januari 2000 van de Arbeidsrechtbank te Leuven is onontvankelijk wegens laattijdigheid van het ingediende verzoekschrift ter griffie van het Arbeidshof . Dit tussenvonnis werd bij gerechtsbrief dd. 19 januari 2000 aan appellante ter kennis gegeven op 24 januari 2000 overeenkomstig artikel 792, 2de en 3de lid van het Gerechtelijk Wetboek. Het verzoekschrift ontvangen ter griffie van het Arbeidshof op 12 juli 2001 en gericht tegen het vonnis van 12 januari 2000 is ruimschoots laattijdig, termijn op straffe van verval voorgeschreven. Voormeld verzoekschrift voor zover gericht tegen het vonnis dd. 13 juni 2001 is ontvankelijk. Ten gronde Het Arbitragehof heeft in het arrest dd. 19 januari 2005, nr. 13/2005 geoordeeld dat artikel 120 bis van de samengeordende wetten van 19 december 1939 betreffende de kinderbijslag der loonarbeiders de artikelen 10 en 11 van de grondwet schendt. Het Arbitragehof oordeelt dat uit artikel 30 ,§ 1 van de wet van 29 juni 1981 houdende algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers kan worden opgemaakt dat de wetgever er voor gezorgd heeft niet toe te staan dat de inzake sociale zekerheid gestorte uitkeringen, wanneer die onverschuldigd zijn geïnd, binnen de gemeenrechtelijke termijnen kunnen worden teruggevorderd. Volgens het Arbitragehof heeft de wetgever er over gewaakt dat de korte verjaringstermijnen niet van toepassing zijn "in geval van bedrog, arglist of bedrieglijke handelingen van de betrokkene" en in dat geval de verjaringstermijn tot vijf jaar beperkt. Nu het niet meer voor betwisting vatbaar vonnis dd. 12 januari 2000 verwijst naar het arrest van het Hof van Beroep van Brussel dd. 16 maart 1999, waarin betrokkene correctioneel werd veroordeeld betreffende het wetens en willens afleggen van een valse of onvolledige verklaring betreffende de gezinstoestand, staat het vast dat appellante bewust onjuiste verklaringen heeft afgelegd met de bedoeling om op onrechtmatige wijze verhoogde sociale uitkeringen te bekomen. In verband met de stuiting van de verjaring verwijst het Hof naar het advies van het Auditoraat-generaal waarin het volgende wordt gesteld : " De erkenning van het recht van hem tegen wie de verjaring loopt, door de schuldenaar of de bezitter gedaan, stuit de verjaring. Aangezien de terugvordering van ten onrechte ontvangen kinderbijslagen de openbare orde niet raakt, kan de schuldenaar, in casu de sociaal verzekerde, afzien van de verjaring wanneer de verjaringstermijn reeds verstreken is (vgl. A. Bernard, "Het R.I.Z.I.V. en de Arbeidshoven gerechtelijk jaar 1983-84" Informatieblad R.I.Z.I.V., 1985, 21; A. Lindemans, Verjaring in het sociale zekerheidsrecht, blz. 331). De betaling van een verjaarde schuld is bijgevolg niet onverschuldigd. De verzaking aan het middel van de verjaring kan bijvoorbeeld blijken uit een schulderkenning, zoals de aanvaarding van de verzekerde om de ten onrechte betaalde sommen terug te betalen of te laten inhouden (Ah. Luik 17 januari 1984, Informatieblad R.I.Z.I.V. 1984, 213; Ah. Bergen 18 december 1986, J.T.T. 1988, 206). Een aanbod tot betaling zonder voorbehoud of het vragen van respijt hebben een stuitende werking (R. Dekkers en E. Dirix, handboek Burgerlijk recht, 2005, blz. 515). De sociale rechtspraak is evenwel steeds zeer terughoudende geweest om in geval van verzoek om betalingsfaciliteiten toe te kennen, de verzaking aan de verkregen verjaring te weerhouden. De afstand moet immers duidelijk en ondubbelzinnig uit de houding van de sociaal verzekerde kunnen worden afgeleid. Meermaals reeds werd beslist dat de sociaal verzekerde geen afstand heeft willen doen van de verjaring door betalingsfaciliteiten te vragen (vgl. rechtspraak aangehaald door A. Lindemans, o.c. blz. 139, voetnoot 106). Inzake blijkt uit de stukken die geïntimeerde voorlegt dat appellante op 25 juni 2001 (appellante had toen reeds kennis gekregen van het vonnis van 13 juni 2001) eerstgenoemde heeft aangeschreven om een voorstel tot terugbetaling te doen. Dit voorstel werd door geïntimeerde aanvaard (schrijven 2 juli 2001) waarna appellante het gevorderde in drie maal vereffende (juli 2001 : 3.222,62 Euro; 22 november 2001 : 1.239,47 Euro en 28 november 2001 : 147,40 Euro). Appellante heeft echter op 12 juli 2001 hoger beroep ingesteld tegen de vonnissen van de Arbeidsrechtbank te Leuven van 13 juni 2001 en 12 januari
- In haar verzoekschrift verzoekt appellante uw Hof uitdrukkelijk de vijfjarige verjaring te willen weerhouden. Hieruit kan men m.i. dan ook opmaken dat appellante het recht van geïntimeerde tegen wie de verjaring liep niet heeft willen erkennen,dat zij niet heeft willen verzaken aan de ingetreden verjaring en dat zij met haar aanbod tot betaling, zoals haar raadsman ter zitting stelt, enkel de loop van de intresten die aanzienlijk waren opgelopen heeft willen onderbreken. Appellante heeft weliswaar nooit voorbehoud gemaakt doch dit heeft naar alle waarschijnlijkheid enkel te zien met haar gebrek aan juridische kennis. Uit wat voorafgaat volgt dat de kinderbijslagen die onterecht werd betaald vóór 12 oktober 1993 verjaard zijn. Mijn ambt stelt evenwel vast dat, nu het bedrag dat teruggevorderd werd inmiddels volledig werd terugbetaald (deels door inhoudingen), appellante geen enkel verder concreet juridische gevolg verbindt aan haar verzoek de vordering van geïntimeerde gedeeltelijk verjaard te verklaren". Terecht beroept geïntimeerde zich op de bepaling van gemeenrecht in casu artikel 1378 van het Burgerlijk Wetboek om intresten te vorderen te rekenen vanaf de dag van de betaling; nu echter een gedeelte van de vordering is verjaard namelijk de kinderbijslagen betaald vóór 12 oktober 1993, kunnen slechts intresten worden gevorderd vanaf de dag van de betaling van de niet verjaarde bedragen; een nieuwe afrekening dient door geïntimeerde te worden opgemaakt zodat de zaak te dien einde naar de bijzondere rol wordt verwezen. Nu het hoger beroep van appellante minstens gedeeltelijk gegrond dient te worden verklaard kan zij niet veroordeeld worden tot betaling van een schadevergoeding wegens tergend of roekeloos beroep. OM DEZE REDENEN : De zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel; Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24; Recht doende op tegenspraak, Gehoord de heer André, Substituut-generaal, in zijn schriftelijk eensluidend advies voorgelezen en neergelegd ter openbare terechtzitting van 15 december 2005, waarop geen repliek door partijen; Verklaart het hoger beroep in zover gericht tegen het vonnis dd. 12 januari 2000 onontvankelijk; Verklaart het hoger beroep in zover gericht tegen het vonnis dd. 13 juni 2001 ontvankelijk; Hervormt het bestreden vonnis dd. 13 juni 2001, alleen wat de veroordeling van appellante tot betaling van het bedrag van de intresten betreft; en opnieuw rechtsprekend voor wat deze intresten betreft, zegt dat deze intresten kunnen worden gevorderd vanaf 12 oktober 1993 en dat geïntimeerde een nieuwe afrekening dient voor te leggen; Verwijst de zaak naar de bijzondere rol in afwachting van deze afrekening; Bevestigt het vonnis voor het overige; Begroot reeds de kosten van hoger beroep, overeenkomstig artikel 1017, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, ten laste van geïntimeerde, kosten tot op heden begroot op : - voor appellante 261,78 Euro rechtsplegingsvergoeding hoger beroep - voor geïntimeerde 285,55 Euro rechtsplegingsvergoeding hoger beroep Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van de zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel op zestien februari tweeduizend en zes. Waar aanwezig waren : mevrouw B. VAN DE VELDE, Voorzitter de heer F. VANDEWIJNGAERDEN, Raadsheer in Sociale Zaken als werkgever de heer H. SILON, Raadsheer in Sociale Zaken als werknemer arbeider mevrouw G. DE SAEDELEER, Griffier G. DE SAEDELEER B. VAN DE VELDE H. SILON F. VANDEWIJNGAERDEN PDF document ECLI:BE:CTBRL:2006:ARR.20060216.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div