id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 03 maart 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2006:ARR.20060303.2 Rolnummer: 45811 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2007-03-15 Raadplegingen: 105 - laatst gezien 2026-07-01 04:13 Fiches 1 - 2 xxxDe uitoefening van een commerciële functie is niet synoniem met handelsvertegenwoordiging, maar kan een ruimere betekenis hebben. Wanneer derhalve binnen een commerciële functie ook taken van handelsvertegenwoordiging worden vervuld, dan moet voor het recht op een uitwinningsvergoeding worden aangetoond dat de handelsvertegenwoordiging de voornaamste taak van de werknemer uitmaakte. Vrije woorden: ARBEIDSOVEREENKOMSTEN - ALGEMENE REGELINGEN - Commerciële functie - Recht op uitwinningsvergoeding - Handelsvertegenwoordiging als voornaamste taak. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 4 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Nota: Gepubliceerd in RABG 2006, 1027 + NOOT Dirk Van Strijthem en Katrien De Lat blz 1040 Eveneens gerangschikt onder II DN
- Vrije woorden: ARBEIDSOVEREENKOMSTEN - HANDELSVERTEGENWOORDIGERS - Commerciële functie - Recht op uitwinningsvergoeding - Handelsvertegenwoordiging als voornaamste taak. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 101 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Nota: Gepubliceerd in RABG 2006, 1027 + + NOOT Dirk Van Strijthem en Katrien De Lat blz
- Eveneens gerangschikt onder II AAN
- Annotaties Publicaties: RECHTSPRAAK ANTWERPEN BRUSSEL GENT - VAN STRIJTHEM,DIRK - 2006(P.1027-1030) RECHTSPRAAK ANTWERPEN BRUSSEL GENT - DE LAT,KATRIEN - 2006(P.1027-1030) Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN DRIE MAART TWEEDUIZEND EN ZES. DERDE KAMER Bediendecontract Tegensprekelijk Definitief In de zaak: H. A.,; Appellant, vertegenwoordigd door Mr. H. Tielens loco Mr. K. Caers, advocaat te Beringen; Tegen: N.V. DELTA LLOYD BANK (voorheen N.V. NAGELMACKERS), met zetel te 1210 BRUSSEL, Sterrenkundelaan 23; Geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. L. Van Dael loco Mr. P. Frühling, advocaat te Brussel; ó ó ó Na beraadslaging, velt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest: Gelet op de stukken van de rechtspleging en ondermeer op: - het eensluidend verklaard afschrift van het vonnis uitgesproken op tegenspraak door de 2e kamer van de Arbeidsrechtbank te Brussel op 11 juli 2003 (AR nr 20.107/00) waarvan geen betekeningsakte wordt voorgelegd; - het verzoekschrift tot hoger beroep ontvangen op de griffie van het Arbeidshof op 25 AUGUSTUS 2004; - de besluiten van geïntimeerde, ontvangen ter griffie op 2 februari 2005; - de besluiten van appellant, ontvangen ter griffie op 18 juli 2005; - de bundel met stukken van appellante partij ontvangen ter griffie op 17 juli 2005; Gehoord de partijen in hun middelen en verdediging op de openbare terechtzitting van 3 februari
- Geïntimeerde partij legde haar bundel neer waarna de debatten gesloten werden en de zaak in beraad werd genomen. p p p I. RELEVANTE FEITEN EN RECHTSPLEGING. De heer H. werd op 6 februari 1997 aangeworven als bediende door de Bank Nagelmackers de rechtsvoorganger van huidig geïntimeerde, Delta Lloyd. De arbeidsovereenkomst bevat geen functieomschrijving doch uit de vacature kan worden opgemaakt dat het ging om een betrekking van agentschapdirecteur voor een nieuw opgericht agentschap van de bank in Leuven. Op 21 april 1999 beëindigde de werkgever de arbeidsovereenkomst met een opzeggingsvergoeding gelijk aan drie maanden loon. Met een aangetekende brief van 7 juni 1999, herhaald met brief van 21 juni 1999, stelde de heer H. de bank in gebreke tot betaling van een uitwinningsvergoeding. Aangezien de bank daarop niet inging spande hij met dagvaarding van 10 april 2000 een geding aan voor de Arbeidsrechtbank waar hij de veroordeling van de bank vorderde tot betaling van een bedrag van 492.987 BEF, hetzij EUR 12.220,83 als uitwinningsvergoeding en de intresten op dat bedrag. Met het beroepen vonnis verklaarde de Arbeidsrechtbank zijn vordering ontvankelijk doch ongegrond. II. VORDERING IN HOGER BEROEP. De heer H. is het niet eens met de beslissing van de Arbeidsrechtbank. Hij verzoekt het Hof deze te hervormen en zijn oorspronkelijke vordering in te willigen. III. BEOORDELING.
- ONTVANKELIJKHEID Nu geen betekeningsakte van het beroepen vonnis wordt voorgelegd, kan worden aangenomen dat het hoger beroep dat naar vorm regelmatig is, werd ingesteld binnen de wettelijke termijn en derhalve ontvankelijk is.
- TEN GRONDE Om aanspraak te kunnen maken op een uitwinningsvergoeding moet de heer H. aantonen dat hij de hoedanigheid van handelsvertegenwoordiger bezat. Art. 101 van de WAO verbindt de toekenning van een uitwinningsvergoeding immers aan volgende voorwaarden: - minstens één jaar hebben gewerkt als handelsvertegenwoordiger in dienst van dezelfde werkgever, - die hoedanigheid nog hebben bij de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, - als handelsvertegenwoordiger cliënteel hebben aangebracht, - de arbeidsovereenkomst werd beëindigd buiten de wil om van de handelsvertegenwoordiger. De werkgever kan in voorkomend geval aantonen dat de handelsvertegenwoordiger geen bijzondere schade lijdt, zoniet is de uitwinningsvergoeding verschuldigd indien aan de aangehaalde voorwaarden is voldaan. Luidens art. 4 van de Arbeidsovereenkomstenwet van 3 juli 1978 (WAO) is de handelsvertegenwoordiger de werknemer die zich ertoe verbindt tegen betaling van loon cliënteel op te sporen en te bezoeken met het oog op het onderhandelen over en het afsluiten van zaken. Naar luidt van art. 88 WAO kan enkel de handelsvertegenwoordiger die in dienst is genomen om op bestendige wijze zijn beroep uit te oefenen zich beroepen op de bepalingen van art. IV WAO waartoe art. 101 behoort, zelfs al wordt hij af en toe belast met bijkomstig werk van andere aard dan de handelsvertegenwoordiging en kan een werknemer die er af en toe mee wordt belast samen met zijn arbeid binnen de onderneming stappen te doen bij de cliëntèle zich daar niet op beroepen. Volgens de rechtspraak van het Hof van Cassatie kan de werknemer van wie de arbeidsovereenkomst de handelsvertegenwoordiging niet als voornaamste voorwerp heeft zich niet op de bepalingen van titel IV WAO beroepen. (Cass. 18-4-88, TSR 88,284; Cass. 28-6-99,JTT 99, 433) De vacature omschrijft de functie die de heer H. zou vervullen als volgt: "adviseren, beheren en uitbouwen van cliëntenportefeuilles zowel van particulieren als van professionelen, KMO's en institutionelen, motiveren en coachen van een team van medewerkers, verzekeren van een kwalitatief hoogstaande opvolging van de agentschapsactiviteiten." De functieomschrijving bij indiensttreding vermeldt daarnaast nog: het vertegenwoordigen van de bank en het doen van voorstellen ter verbetering. Daarin wordt eveneens vermeld dat slechts 30% van de arbeid besteed moet worden aan "de vertegenwoordiging van de bank in het kader van commerciële opdrachten en het contacteren van prospecten binnen de invloedzone van het agentschap". De heer H. meent dat uit het evaluatieverslag van 1998 en de planning m.b.t. de individuele objectieven voor 1999 blijkt dat hij een commerciële functie uitoefende en dat zijn hoofdopdracht erin bestond cliënteel op te sporen en te bezoeken met het oog op het onderhandelen over of het afsluiten van zaken. Volgens het evaluatieverslag was een aanbreng van 80 nieuwe relaties vereist en werd dit resultaat bereikt. Ook moesten er minstens 60 prospecten op de SCAR-lijst staan en moest hij wekelijks 12 commerciële "face to face" contacten hebben waarvan 7 met prospecten. Hij behaalde hier een resultaat van 250 prospecten. Volgens de bank betrof het geen persoonlijke objectieven doch objectieven die het agentschap moest behalen, hetgeen aannemelijk is gelet op zijn leidinggevende functie. Verder moesten er nog objectieven in verband met de productie worden behaald. In de planning voor de individuele objectieven voor 1999, wordt heel wat aandacht besteed aan het organiseren en leiden van het team. Een van de objectieven betreft cliëntgerichtheid. Daarin wordt als vereiste gesteld dat de heer H. zijn team derwijze moest organiseren dat hij beschikbaar was voor commerciële taken (o.a. prospectie), kortom dat hij conform de strategie een regelmatige follow-up van de cliënten en de prospecten moest verzekeren. Dat de heer H. een commerciële functie uitoefende is duidelijk. De bank merkt echter terecht op dat die termen niet synoniem zijn met handelsvertegenwoordiging doch een ruimere draagwijdte hebben. Dat de heer H. ook taken van handelsvertegenwoordiging moest vervullen blijkt uit de gestelde objectieven. Dit komt eveneens tot uiting in de lijst die hij opstelde ter verantwoording van zijn verplaatsingskosten. Tijdens het laatste jaar van de tewerkstelling werden volgens die lijst gemiddeld 5 dagen per maand besteed aan klantenbezoeken, hetgeen nog niet betekent dat die bezoeken volle dagen in beslag namen. Ook al moeten daaraan nog klantenbezoeken toegevoegd worden in Leuven zelf die niet met de wagen gebeurden en dus niet op de lijst voorkwamen, dan stelt het Hof vast dat in ieder geval niet wordt aangetoond dat het bezoeken van klanten de hoofdmoot van de opdracht van de heer H. uitmaakte. De heer H. was agentschapdirecteur en had drie mensen onder zich. Hij moest dit team motiveren en leiden en men mag dus aannemen dat hij een groot deel van zijn tijd in het agentschap zelf moest doorbrengen en er klanten te ontvangen. Niet alle klanten worden immers via prospectie aangebracht. Volgens de functiebeschrijving diende de heer H. een belangrijk deel van zijn tijd te besteden aan administratieve taken en behoorden ook de vertegenwoordiging van de bank en het doen van voorstellen tot zijn taak. Hij diende zich ook te integreren in het plaatselijk sociaal-economisch leven, hetgeen meer te maken heeft met een vertegenwoordigingsfunctie dan met prospectie. De toekenning van een bonus wegens bereiken van de resultaten is niet eigen aan de functie van handelsvertegenwoordiger. De opleiding i.v.m. krediet- en vermogensbeheer is evenmin significant voor die functie. Het Hof treedt het standpunt van de eerster rechters bij dat niet naar genoegen van recht is aangetoond dat de heer H. de handelsvertegenwoordiging als voornaamste taak had, zodat hij geen aanspraak kan maken op een uitwinningsvergoeding. ó ó ó OM DEZE REDENEN, Het Arbeidshof, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24, Rechtsprekend op tegenspraak, Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en ongegrond. Bevestigt het beroepen vonnis in al zijn bestanddelen. Veroordeelt appellant tot de kosten van het hoger beroep, tot op heden als volgt begroot: - voor appellant: - rechtsplegingsvergoeding hoger beroep EUR 285,57 - aanvullende rechtsplegingsvergoeding EUR 59,49 - voor geïntimeerde: - rechtsplegingsvergoeding hoger beroep EUR 279,62 Aldus gewezen en uitgesproken op de openbare terechtzitting van de derde kamer van het Arbeidshof te Brussel op drie maart tweeduizend en zes. Waren aanwezig: G. BALIS: Kamervoorzitter. S. ALAERTS: Raadsheer in Sociale Zaken als werkgever, aangeduid bij bevelschrift van heden, ter vervanging van de heer M. VAN AKEN, Raadsheer in Sociale Zaken als werkgever, die de debatten heeft bijgewoond en heeft deelgenomen aan het beraad van onderhavig arrest, maar wettig verhinderd is om de uitspraak ervan bij te wonen (art. 779 van het Gerechtelijk Wetboek). R. VANDENPUT: Raadsheer in Sociale Zaken als werknemer-bediende. L. COEN: Eerstaanwezend adjunct-griffier. L. COEN. G. BALIS. R. VANDENPUT. S. ALAERTS. PDF document ECLI:BE:CTBRL:2006:ARR.20060303.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div