← België

ECLI:BE:CTBRL:2006:ARR.20060404.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 04 april 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2006:ARR.20060404.1 Rolnummer: ONBEKEND Rechtsgebied: Invoerdatum: 2007-03-15 Raadplegingen: 110 - laatst gezien 2026-07-01 04:18 Fiche xxxBedrijven gevestigd in Brussel-Hoofdstad stellen de bescheiden in het Nederlands wanneer zij bestemd zijn voor het Nederlandssprekend personeel en in het Frans wanneer zij bestemd zijn voor het Franssprekend personeel. Bij gebrek aan wettelijke criteria ter bepaling van het begrip "Nederlands- en Franssprekend" personeel in functie van de te gebruiken taal, kan men uitgaan van een weerlegbaar vermoeden dat de taal van het gebied waar de werknemer woont,tevens diens voertaal is. Maar uiteindelijk bepaalt de werknemer zelf welke taal hij wenst te gebruiken in het officiële verkeer of bij onderhandelingen, zoals bij het sluiten van een arbeidsovereenkomst. Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP - RECHT - WETGEVING - TAALWET IN BESTUURSZAKEN - "Nederlans- en Franssprekend" personeel - Taalkeuze werknemer. Wettelijke bepalingen: Gecoordineerde Wetten - 18-07-1966 - 52 - 02 Link Justel databank 19660718-02 Nota: Gepubliceerd in RABG 2006, 1018 + noot Jan Herman. Annotaties Publicaties: RECHTSPRAAK ANTWERPEN BRUSSEL GENT - HERMAN,JAN - 2006(P.1018-1027) Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN VIER APRIL TWEEDUIZEND EN ZES. DERDE KAMER Bediendecontract Tegensprekelijk Definitief In de zaak: W. M., Appellante, vertegenwoordigd door Mr. M. De Puydt loco Mr. J. Verbeek, advocaat te Brussel; Tegen: B.V.B.A. PROMWISE PR-WISE SHOWWISE CORPORATE WISE B-TO-BE WISE IT WISE TAGORA.CORPORATE, met zetel te 1950 KRAAINEM, Mechelsesteenweg 455 en ingeschreven in het handelsregister te Brussel onder nummer 636.233; Geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. C. Stalmans loco Mr. E. Hupin, advocaat te Brussel; ó ó ó Na beraadslaging, velt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest: Gelet op: - de stukken der rechtspleging en ondermeer de dagvaarding voor de Arbeidsrechtbank te Brussel betekend aan huidige geïntimeerde op 28 maart 2003 door Mr. S. Van Meerbeek, plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder in vervanging van Mr. F. Koekelbergh, gerechtsdeurwaarder te Wezembeek-Oppem; - de besluiten van geïntimeerde, neergelegd ter griffie van de Arbeidsrechtbank op 4 juli 2003 en 3 november 2003; - de besluiten van appellante, neergelegd ter griffie van de Arbeidsrechtbank op 1 oktober 2003; - het eensluidend verklaard afschrift van het vonnis uitgesproken op tegenspraak door de 2e kamer van de Arbeidsrechtbank te Brussel op 29 april 2004 (AR nr 53.053/03); - het verzoekschrift tot hoger beroep ontvangen op de griffie van het Arbeidshof op 2 juli 2004; - de besluiten en aanvullende besluiten van geïntimeerde, ontvangen ter griffie op respectievelijk 30 september 2004 en 24 november 2005; - de besluiten en synthesebesluiten van appellante, ontvangen ter griffie op 10 januari 2005 en 23 december 2005; Gehoord de partijen in hun middelen en verdediging ter openbare terechtzitting van 10 januari

  1. Partijen legden hun bundel neer waarna de debatten gesloten werden en de zaak in beraad werd genomen. p p p I. ONTVANKELIJKHEID. Het hoger beroep werd tijdig en op geldige wijze ingesteld, wat overigens niet betwist wordt en is derhalve ontvankelijk. II. VOORWERP EN PROCEDURE. Het hoger beroep wordt aangetekend tegen het vonnis dd. 29 april 2004, op tegenspraak gewezen door de arbeidsrechtbank te Brussel waarbij de door huidige appellante bij voormelde dagvaarding ingeleide vordering strekkende tot veroordeleing van huidige geïntimeerde tot betaling van: - EUR 26.940,40 t.t.v. aanvullende opzeggingsvergoeding, - EUR 67,61 t.t.v. pro rata eindejaarspremie 2003, - EUR 525,40 t.t.v. aanvulling op het vertrekvakantiegeld, - EUR 5.000,- t.t.v. schadevergoeding wegens misbruik van ontslagrecht, bedragen te vermeerderen met de wettelijke en gerechtelijke intresten op netto equivalent vanaf 6 januari 2003 tot volledige betaling en meer de kosten van het geding en tot afgifte van alle overeenstemmende sociale en fiscale documenten op straffe van verbeurte van een dwangsom van EUR 25,- per document en per dag vertraging, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad niettegenstaande elk verhaal, zonder borg noch kantonnement, ontvankelijk doch ongegrond wordt verklaard en huidige appellante tot de gerechtskosten veroordeeld wordt met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding. Het hoger beroep beoogt de vernietiging van het vonnis a quo, dienvolgens de initiële vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren en geïntimeerde te veroordelen tot het hierin gevorderde zoals voormeld. Geïntimeerde verzoekt in aanvullende besluiten in hoger beroep: "In hoofdorde, Het beroep ongegrond te verklaren en het bestreden vonnis integraal te bevestigen. Mevrouw W. te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoedingen van beide aanleggen. In ondergeschikte orde, Voor recht te zeggen dat het basisloon voor de berekening van de opzeggingsvergoeding slechts EUR 52.741,33 bedraagt. Voor het overige het hoger beroep ongegrond te verklaren. Voor recht te zeggen dat slechts intresten verschuldigd zijn op de netto bedragen die overeenstemmen met de bruto bedragen tot de betaling waarvan geïntimeerde veroordeeld zou worden." III. DE FEITEN. Appellante trad op 1 mei 2002 in dienst van geïntimeerde overeenkomstig de bepalingen van een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur van 22 april
  2. Op het ogenblik van het afsluiten van de arbeidsovereenkomst was de zetel van geïntimeerde gevestigd in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, hetgeen niet wordt betwist. De arbeidsovereenkomst werd opgesteld in de Franse taal. Appellante werd belast met de projecten die geïntimeerde uitvoerde bij ABX Logistics. Op 6 januari 2003 stelt geïntimeerde een einde aan de arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang en onder betaling van een opzeggingsvergoeding t.b.v. 7 dagen loon, gelet op het feit dat de arbeidsovereenkomst een proefperiode voorzag. In tegenstelling tot de arbeidsovereenkomst werd de opzeggingsbrief in het Nederlands opgesteld, aangezien de maatschappelijke zetel van geïntimeerde ondertussen verplaatst was naar Kraainem. In een brief van 13 januari 2003 stelde mevrouw W. dat heer ontslag het gevolg zou zijn geweest van een incident met een kerstkaart die zij persoonlijk had ontvangen van ABX Logistics en waarvan geïntimeerde ten onrechte zou geëist hebben dat deze kaart haar overhandigd werd om ze te kunnen gebruiken tegen ABX Logistics. Mevrouw W. zou eveneens in een negatief daglicht gesteld geweest zijn waarvoor zij schriftelijk excuses vroeg vanwege geïntimeerde. Geïntimeerde antwoordde niet op die brief en er volgde een ingebrekestelling van de raadsman van appellante waarbij geïntimeerde in gebreke werd gesteld tot betaling van bepaalde bedragen. Geïntimeerde weigerde daarop in te gaan en mevrouw W. ging over tot dagvaarding. ó ó ó IV. IN RECHTE. De aanvullende opzegvergoeding. Appellante die in Dilbeek woont, houdt voor dat het proefbeding in de arbeidsovereenkomst ongeldig is gezien het niet werd opgesteld, zoals trouwens de overeenkomst zelf, in de taal voorgeschreven door de wetgeving op het gebruik der talen in sociale zaken. Het is inderdaad zo dat "het geschrift moet opgesteld zijn in de taal waarvan de taalwetgeving aan de werkgever het gebruik oplegt in de relaties met zijn personeel, in functie van zijn exploitatiezetel (cfr. C. Wantiez "La clause d'essai: forme et durée", JTT 1994, 243 vert.). Artikel 52 ,§2 van de gecoördineerde wet van 18 juli 1966 op het gebruik van de talen in bestuurszaken bepaalt dat: "Voor de akten en bescheiden, die voorgeschreven zijn bij de wetten en reglementen en voor die welke bestemd zijn voor hun personeel, gebruiken de private nijverheids-, handels- of financiebedrijven de taal van het gebied waar hun exploitatiezetel of onderscheiden exploitatiezetels gevestigd zijn. In Brussel-Hoofdstad stellen de bedrijven die bescheiden in het Nederlands wanneer zij bestemd zijn voor het Nederlandssprekend personeel en in het Frans wanneer zij bestemd zijn voor het Franssprekend personeel." Partijen zijn het erover eens dat deze wet geen criteria voorziet ter bepaling van het begrip "Nederlandsen Franssprekend" personeelslid in functie van de te gebruiken taal. Men kan inderdaad uitgaan van het weerlegbaar vermoeden dat de taal van het gebied waar het personeelslid woont, tevens diens voertaal is (cfr. W. Van Eeckhoutte, Soc. Comp. 2002-03, Mechelen, Kluwer 2002, p. 165 met verwijzing naar Arbh. Antwerpen 27.11.1998, Soc. Kron. 1999, 175). Het is zo dat de gemeente Dilbeek, waar appellante woonachtig is, behoort tot het Vlaams gewest en de officiële taal er het Nederlands is. Appellante beweert nochtans ten onrechte dat geïntimeerde niet kan weerleggen dat zij Nederlandstalig is omdat de taal van het gebied waarin zij woont gelijk is aan de voertaal van de rechtsonderhorige. Trouwens stelt appellante in dezelfde alinea van haar aanvullende en synthesebesluiten zelf dat "in Dilbeek de taal van het gebied in de eerste plaats het Nederlands is" waardoor zij zodoende elke mogelijkheid tot weerlegging van kwestieus vermoeden in haren hoofde openlaat. Met voertaal wordt dan volgens het woordenboek Van Daele de taal bedoeld "die in het officieel verkeer en ook bij onderhorigen gebruikt wordt". Hieruit volgt dat in het kader van artikel 52 ,§1 van voormelde wet van 18 juli 1966 het de werknemer zal zijn die uiteindelijk bepaalt welke taal hij wenst te gebruiken in het officiële verkeer of bij onderhandelingen, zoals bij het sluiten van een arbeidsovereenkomst. Zo komt J. Herman in zijn noot bij het arrest van het Arbeidshof te Brussel dd. 25 september 1995 (Soc. Kron. 1999, 173-175) hieromtrent tot hetzelfde besluit waar hij stelt dat "het argument van appellante zou wel betekenis krijgen, zo haar zetel gevestigd was in Brussel zelf of de 19 randgemeenten; dan immers is het de werknemer die de keuze maakt van de taal die hij wenst gebruikt te zien; bij gebrek hieraan en in geval van betwisting zal de rechter uit de gegevens van de zaak dienen uit te maken onder welk taalstelsel de arbeidsovereenkomst valt." Voormeld artikel 52 ,§1 laat, zoals het is opgesteld, deze keuzemogelijkheid volledig open. Nu de in het Frans gestelde arbeidsovereenkomst met het hierin opgenomen kwestieuze proefbeding, door appellante ondertekend werd, waaruit minstens haar hiertoe intrinsiek gemaakte taalkeuze blijkt, kan met zekerheid worden besloten dat zij van bij het aangaan van de overeenkomst akkoord was met de taal waarin deze werd opgesteld, des te meer uit de stukken van haar dossier (nr. 3) blijkt dat zij perfect tweetalig is en daarbij dient te worden vastgesteld dat zij de nietigheid van het proefbeding slechts inroept na te zijn ontslagen. Uit het feit dat de ontslagbrief tot tweemaal toe in het Nederlands is gericht tot appellante, leidt deze hieruit ten onrechte af dat geïntimeerde "bij wijze van spreken haar eigen veroordeling (heeft) uitgeschreven". Immers was de exploitatiezetel van geïntimeerde in tussentijd verplaatst naar de gemeente Kraainem, die integraal tot het Vlaams gewest behoort, zodat geïntimeerde ook in deze omstandigheid alleen maar een juiste toepassing heeft gemaakt van de geldende taalwetgeving in casu het Nederlandse Taaldecreet van 19 juli
  3. Gezien de geldigheid van het proefbeding hield geïntimeerde dan ook terecht rekening met een opzeggingstermijn van 7 dagen. Betreffende de berekening van het basisloon dient te worden vastgesteld dat in artikel 6 van de arbeidsovereenkomst alleen een maandloon is voorzien en maaltijdcheques (restauranttickets) worden toegekend. Appellante vordert eveneens het voordeel van het privé gebruik van de GSM en dat van de brandstofkaart. Echter dient uit de stukken nr. 12 van geïntimeerde te worden afgeleid dat appellante de werkelijk gemaakte kosten terugbetaald kreeg, ook deze voor lunch en restaurant. Dit wordt trouwens bevestigd door de inhoud van de brief van 22 april 2002 waarin geïntimeerde aan appellante het volgende meldt: "Na deze periode zullen wij overgaan tot een re-evaluatie van uw loon welke een bedrijfswagen, een brandstofkaart en een bedrijfs-GSM bevat" (stuk 4 appellante door haar vertaald), maar door appellante verkeerd geïnterpreteerd gezien blijkbaar geen re-evaluatie plaatsvond. De verbrekingsvergoeding werd zodoende correct berekend. Het misbruik van ontslagrecht. Appellante vordert hieromtrent een schadevergoeding van EUR 5.000,- gezien haar ontslag het rechtstreeks gevolg zou geweest zijn van haar weigering aan geïntimeerde privé-correspondentie in casu een kerstkaart ontvangen op haar eigen naam en thuisadres ter beschikking te stellen met het oog op de aanwending daarvan in een gerechtelijke procedure tegen de afzender ervan, met name een oud cliënt van geïntimeerde (ABX Transsport). De mogelijkheid voor zowel de werkgever als de werknemer om een voor onbepaalde duur afgesloten arbeidsovereenkomst eenzijdig te beëindigen mits naleving van de wettelijke bepalingen ter zake kan worden afgeleid uit artikel 7 van de AOW van 3 juli 1978 en is daarenboven uitdrukkelijk voorzien in artikel 37 van deze wet. Echter is het zo dat het verbrekingsrecht dient uitgeoefend te worden in het belang van de onderneming en de werkgever dit recht niet mag gebruiken zonder rechtmatig belang op gevaar af er misbruik van te maken (cfr. T. Claeys Tome I Ced. Samsom p.
  4. 2/1 nr. 480). Deze stelling is gebaseerd op het begrip van "vastheid van betrekking" dat niet uitdrukkelijk in de wet op de arbeidsovereenkomsten is voorzien, maar waarin de doelstelling van de wetgever duidelijk blijkt bij de parlementaire bespreking ervan: "Door de bestendige en nauwgezette vermenigvuldiging van nieuwe regels streeft de wetgever ernaar aan de werknemer een grotere vastheid van betrekking en een grotere zekerheid van arbeidsinkomen te bezorgen" (Gedr.St., Kamer 1968-69 nr. 270, 18). Misbruik van recht bestaat dan ook uit de uitoefening van een subjectief recht met het oogmerk te schaden, of zonder enig rechtmatig belang, of zelfs met enig belang, maar waardoor de andere partij overdreven benadeeld wordt; uit de uitoefening van het recht waardoor aan tegenpartij zulkdanige schade wordt veroorzaakt dat deze onevenredig is met het hieruit behaalde voordeel (onevenredigheidscriterium) of waardoor wordt afgeweken van het doel zelf van dit recht finaliteitscriterium) of wanneer dit recht niet wordt uitgeoefend zoals een normaal voorzichtig en redelijk houder ervan dit in dezelfde feitelijke omstandigheden zou aanwenden (cfr. Gedr. St. Kamer 1968-69 nr. 270, 18; Cornelis L., Onderzoek naar de principiële grondslag van het misbruik van ontslagrecht in het kader van de arbeidsovereenkomsten voor bedienden, in Actuele Problemen van het Arbeidsrecht, Antwerpen 1984, 79 e.v.; Rauws W.: Behoort het rechtsmisbruik in overeenkomsten, inzonderheid het ontslag van bedienden tot de rechtsgeschiedenis? RW 1983-84, 287-289; Vannes V. en Leclercq M., L'Abus du droit de licenciement dans le contrat de travail d'employé, Permanence du droit civil en droit du travail, 307-346; Cass. 19.9.1983 JTT. 1984, 57; AH Antwerpen, 21.3.1983 RW 1983-84, 299 en 8.2.1985 Soc.Kron. 1986, 168; AH Luik 20.10.1982, TSR 1983, 119 en 13.9.1984, Jur. Liège 1985, 313 - JTT 1985, 247 en 20.6.1985, JTT 1986, 281, en 13.9.1990, Soc. Kron. 1992, 106 met noot van Jacqmain J.; Arbrb. Brussel 18.10.1982, Soc. Kron. 1983, 199; Arbrb. Gent 20.12.1971, JTT 1972, 171). De opzeggingsvergoeding dekt forfaitair elke schade die voortvloeit uit de onrechtmatige beëindiging van de arbeidsovereenkomst, zowel de materiële als de morele schade (cfr. AH Gent 9.12.1981, Soc. Kron. 1982, 20; Cass. 19.2.1975, Pas. 1975, I, 622; A.H. Luik 20.1.2000, J.T.T. 2000, 377). De geleden schade door het verlies van betrekking wordt dan ook forfaitair vergoed door de opzeggingsvergoeding, terwijl de vergoeding wegens rechtsmisbruik de buitengewone schade zal dekken die onderscheiden is van die welke veroorzaakt wordt door het ontslag zelf (cfr. AH Brussel 8.1.1991, RSR 1991, 187, AH Mons 14.5.1992, Soc.Kron. 1993, 72). Misbruik van ontslagrecht zal dan ook een element van schuld impliceren zodat naast de fout ook de schade evenals het causaal verband tussen beide dient te worden bewezen door de partij die het misbruik van recht inroept voor wat de bediendecontracten betreft in tegenstelling tot de in artikel 63 WAO voorziene regeling i.v.m. willekeurige afdanking in de arbeidsovereenkomsten voor werklieden. De werkgever is echter niet verplicht het ontslag te motiveren (Cass. 4.5.1985, Soc. Kron. 1985, 142). Zelfs indien het ontslag gemotiveerd is hebben de arbeidsgerechten zich nochtans niet uit te spreken over de opportuniteit van de genomen ontslagbeslissing maar dienen enkel het bestaan van het ingeroepen motief te controleren en na te gaan of de werkelijke reden van het ontslag overeenstemt met de door de werkgever ingeroepen reden (cfr. Jamoulle, R.J.C.B. 1978, p. 649). De afwezigheid van enige fout in hoofde van de werknemer betekent daarbij nog niet dat er sprake is van een abusief ontslag (cfr. W. Van Eeckhoutte en andere, Overzicht van rechtspraak in Arbeidsovereenkomsten 1976-87, T.P.R. 1989, 863, nr. 398). Algemeen kan bijgevolg worden gesteld dat van rechtsmisbruik sprake is wanneer een recht wordt uitgeoefend op een wijze die kennelijk de grenzen te buiten gaat van de normale uitoefening van dat recht door een redelijk, voorzichtig en zorgzaam persoon (cfr. Cass. 10.9.1971, R.W. 1971-72, 321, Concl. Proc. gen. Ganshof van der Meersch). Artikel 16 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten bepaalt dat de werkgever en de werknemer elkander eerbied en achting verschuldigd zijn en zij gedurende de uitvoering van de overeenkomst de welvoeglijkheid en de goede zeden moeten in acht nemen en doen in acht nemen. Artikel 17 2° van voormelde wet bepaalt verder dat de werknemer verplicht is "te handelen volgens de bevelen en de instructies die hem worden gegeven door de werkgever..." Uiteraard kan de werkgever niet eisen dat de werknemer hem zijn privé correspondentie mededeelt wat trouwens een regelrechte inbreuk zou uitmaken op de wet op de bescherming van het privé leven. Geïntimeerde ontkent formeel dit te hebben gedaan en houdt voor appellante wegens economische redenen te hebben moeten ontslaan. Echter rijst ook de vraag hoe het mogelijk is dat de inhoud, minstens fracties ervan, van kwestieuze kerstkaart blijkbaar zijn binnen gesijpeld in het bedrijf van geïntimeerde en zelfs ter ore kwamen van de directie, nu deze kaart op naam van het thuisadres van appellante was verstuurd, tenzij appellante zelf over de inhoud enige ruchtbaarheid zou hebben gegeven, wat uiteraard ook in deze omstandigheden geïntimeerde hoegenaamd nog geen recht geeft deze op te eisen zoals hoger uiteengezet. Wat wel vaststaat is dat geïntimeerde met een belangrijke ex-klant ABX in een gerechtelijke procedure was verwikkeld. Dat appellante wel degelijk vanaf het begin op de hoogte was van de economische situatie van het bedrijf van geïntimeerde blijkt voldoende uit haar in de Franse taal gestelde brief van 13 januari 2003 waar zij het heeft over haar "statut temporaire" (tijdelijk statuut) en wat dan ook aansluit bij de bewering van geïntimeerde dat zij juist wegens economische redenen met een maximale proefperiode van 1 jaar zou zijn aangeworven. Uit hetgeen voorafgaat dient te worden besloten dat appellante geen misbruik van ontslagrecht in hoofde van geïntimeerde bewijst in de zin van voormelde rechtspraak een rechtsleer - a fortiori het causaal verband tussen fout en eventuele schade, zodat zij eveneens van dit onderdeel van haar vordering dient te worden afgewezen. Het hoger beroep is zodoende ongegrond. Het vonnis a quo dient te worden bevestigd, zij het om deels andere motieven. ó ó ó OM DEZE REDENEN, Het Arbeidshof, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24, Rechtsprekend op tegenspraak, Alle andere middelen en conclusies verwerpende, Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt het vonnis a quo in de zin zoals vvoormeld. Veroordeelt appellante tot de kosten van het hoger beroep, tot op heden als volgt begroot: Voor appellante:- rechtsplegingsvergoeding hoger beroep EUR 279,60 Voor geïntimeerde:- rechtsplegingsvergoeding hoger beroep EUR 279,60 Aldus gewezen en uitgesproken op de openbare terechtzitting van de derde kamer van het Arbeidshof te Brussel op vier april tweeduizend en zes. Waren aanwezig: M. DE CUYPER: Raadsheer. A. DE VADDER: Raadsheer in Sociale Zaken als werkgever. J. VERCAMST: Raadsheer in Sociale Zaken als werknemer-bediende. L. COEN: Eerstaanwezend adjunct-griffier. L. COEN. M. DE CUYPER. J. VERCAMST. A. DE VADDER. PDF document ECLI:BE:CTBRL:2006:ARR.20060404.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.