← België

ECLI:BE:CTBRL:2006:ARR.20060421.7

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 21 april 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2006:ARR.20060421.7 Rolnummer: 44605 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-06-07 Raadplegingen: 96 - laatst gezien 2026-07-01 04:22 Fiche 1 De toepassing van artikel 3,1e lid van de wet van 30 april 1999, waar bepaald is dat met buitenlandse werknemers worden gelijkgesteld : "de buitenlandse onderdanen die anders dan krachtens een arbeidsovereenkomst, arbeid verrichten onder het gezag van een ander persoon " veronderstelt dat moet kunnen vastgesteld worden dat op de betrokken personen een werkgeversgezag werd uitgeoefend bij de algemene organisatie van het werk, zo, niet bij de uitvoering van de werkzaamheden in concreto. Zulks is niet het geval wanneer bij gelegenheid van een controle in een privé woning aldaar twee Poolse onderdanen aan het werk worden aangetroffen, bezig met het metsen van een achterbouw waarvoor geen arbeidsvergunning werd verkregen en waaromtrent de eigenaar van de woning een opdrachtgever voorhoudt dat het een occasionele hulp betrof terwijl geen andere vaststellingen werden gedaan. De aard van de geleverde arbeid laat niet toe deze van een arbeid op zelfstandige basis te onderscheiden. Andersluidend advies O.M. met verwijzing naar de omstandigheid dat de R.S.Z.-bijdragen achteraf werden geregulariseerd in het raam van het opsporingsonderzoek dat door het Arbeidsauditoraat werd ingesteld. Vrije woorden: ADMINISTATIEVE GELDBOETEN TOEPASSELIJK IN GEVAL VAN INBREUK OP SOMMIGE SOCIALE WETTEN - Tewerkstelling van buitenlandse arbeidskrachten. Wettelijke bepalingen: Wet - 30-06-1971 - 1bis,§1,1,a. - 01 ELI link Pub nr 1971063001 Nota: Ook gerangschikt onder V D N art 3,1e lid en V D N art 4, ,§

  1. Fiches 2 - 3 De toepassing van artikel 3,1e lid van de wet van 30 april 1999, waar bepaald is dat met buitenlandse werknemers worden gelijkgesteld : "de buitenlandse onderdanen die anders dan krachtens een arbeidsovereenkomst, arbeid verrichten onder het gezag van een ander persoon " veronderstelt dat moet kunnen vastgesteld worden dat op de betrokken personen een werkgeversgezag werd uitgeoefend bij de algemene organisatie van het werk, zo, niet bij de uitvoering van de werkzaamheden in concreto. Zulks is niet het geval wanneer bij gelegenheid van een controle in een privé woning aldaar twee Poolse onderdanen aan het werk worden aangetroffen, bezig met het metsen van een achterbouw waarvoor geen arbeidsvergunning werd verkregen en waaromtrent de eigenaar van de woning een opdrachtgever voorhoudt dat het een occasionele hulp betrof terwijl geen andere vaststellingen werden gedaan. De aard van de geleverde arbeid laat niet toe deze van een arbeid op zelfstandige basis te onderscheiden. Andersluidend advies O.M. met verwijzing naar de omstandigheid dat de R.S.Z.-bijdragen achteraf werden geregulariseerd in het raam van het opsporingsonderzoek dat door het Arbeidsauditoraat werd ingesteld. Vrije woorden: ARBEIDSVOORZIENING - VREEMDE ARBEIDERS - Tewerkstelling van buitenlandse arbeidskrachten Wettelijke bepalingen: Wet - 30-04-1999 - 3,1° - 45 ELI link Pub nr 1999012338 Nota: ook gerangschikt onder XII (W. 30.6.1971 ) art 1 bis ,§ 1, 1°,a. en onder XIV E (W. 30.4.1999) art 4 ,§ 1 Wettelijke bepalingen: Wet - 30-04-1999 - 4,§1 - 45 ELI link Pub nr 1999012338 Nota: ook gerangschikt onder XII (W. 30.6.1971 ) art 1 bis ,§ 1, 1°,a. en onder V D N art 3, 1e lid. Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN 21 APRIL
  2. 1STE KAMER Not. 583 G.W. Administratieve geldboete Tegensprekelijk Definitief In de zaak : DE BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Werk, Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg, met kantoren gevestigd te 1070 BRUSSEL, Ernest Blerotstraat
  3. Appellant, vertegenwoordigd door Mr A. LINDEMANS, advocaat te Brussel. Tegen: L.K., Geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. N. VAN CAMPENHOUT, advocaat te Brussel. ó ó ó Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit : Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid: - het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis gewezen op tegenspraak door de 8ste kamer van de Arbeidsrechtbank te Brussel d.d. 16 juli 2003; - het verzoekschrift in hoger beroep neergelegd ter griffie van het Arbeidshof te Brussel d.d. 12 september 2003; - de besluiten van de partijen en de aanvullende besluiten van geïntimeerde partij; Gehoord de partijen in hun middelen en verdediging ter openbare terechtzitting van 3 februari 2006 waarna de debatten gesloten werden voor schriftelijk advies neer te leggen ter griffie uiterlijk op 24 februari
  4. Gelet op het schriftelijk advies van de heer J.J. ANDRE, Substituut-Generaal neergelegd ter griffie op 22 februari
  5. Gelet op de termijn verleend aan partijen om eventueel te repliceren m.b.t. dit advies tot 10 maart 2006, waarna de zaak in beraad wordt genomen. Gelet op de repliek van geïntimeerde partij op dit advies ontvangen ter griffie van het Arbeidshof op 10 maart
  6. ó ó ó Ontvankelijkheid van het hoger beroep Het hoger beroep werd tijdig en geldige wijze ingesteld, wat overigens niet betwist wordt en is derhalve ontvankelijk. ó ó ó Voorwerp en procedure Het verzoekschrift d.d. 15 januari 2003 strekt tot vernietiging van de beslissing d.d. 19 november 2002 van de Directeur-Generaal van de Studiedienst van het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid waarbij aan oorspronkelijk eisende partij, huidige geïnti-meerde, een totaalboete van 6.000 EUR wordt opgelegd, om in strijd met artikel 4 ,§ 1 van de wet van 30 april 1999 twee buitenlandse onderdanen arbeid te hebben laten verrichten en in strijd met artikel 2 ,§ 1 van het Koninklijk Besluit van 22 februari 1998 nagelaten te hebben onmiddellijk aangifte gedaan te hebben van de tewerkstelling van deze personen. De bestreden beslissing werd opgelegd op grond van artikel 1 bis ,§ 1, 1°,a en artikel 1 bis ,§ 1 5°,c,a van de wet van 30 juni 1971 op de administratieve geldboeten. Bij vonnis d.d. 16 juli 2003 op tegenspraak gewezen door de Arbeidsrechtbank te Brussel werd de vorde-ring ontvankelijk en gegrond verklaard; de bestreden sanctiebeslissing d.d. 19 november 2002 vernietigd en huidige appellant tot de gerechtskosten veroor-deeld met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding. Het hoger beroep strekt tot vernietiging van het bestreden vonnis en dienvolgens de administratieve beslissing te bevestigen met veroordeling van geïntimeerde tot de gerechtskosten. Geïntimeerde verzoekt in hoofdorde het hoger beroep van appellant indien toelaatbaar en ontvankelijk, minstens ongegrond te verklaren; het eerste vonnis in zijn geheel te bevestigen en appellant tot de kosten van beide aanleggen te veroordelen. ó ó ó Feiten Bij gelegenheid van een controle op 15 mei 2000 in de privé-woning van oorspronkelijk eisende partij, huidige geïntimeerde, en die blijkbaar uitgelokt werd door de aan gang zijnde dakwerken, werd vastgesteld dat naast de aanwezige dakwerker, wiens toestand blijkbaar volledig legaal was, ook twee Poolse onderdanen in de woning aanwezig waren, bezig met het metsen van een achterbouw. De betrokkenen bleken niet over een arbeidsvergun-ning te beschikken. Volgens huidige geïntimeerde ging het om een occa-sionele hulp, gevolg van het feit dat hij achter-stand had opgelopen bij de verbouwing van een kleine woning die hij aangekocht had. Hij zou daarbij beroep gedaan hebben op een Poolse vriend, die op zijn beurt een andere vriend zou meegebracht hebben. ó ó ó In rechte Uit de concrete inhoud van de bepalingen van de wet van 30 juni 1971 betreffende de administratieve geldboeten toepasselijk ingeval van inbreuk op sommige sociale wetten, zoals trouwens alleen reeds uit haar art. 1 bis, 1, a uitdrukkelijk blijkt, waar sprake is van de bestraffing van de "werkgever", kan niet anders dan te worden besloten dat voor de toepassing ervan het bestaan van een arbeidsrechte-lijke gezagsverhouding vereist is (cfr. Arbeidshof Luik 01.02.1991, JTT 1991, 333). Evenzo kan dit worden afgeleid uit de bewoordingen van kwestieus art. 27, 1°, a van het K.B. nr. 34 van 20 juli 1967 betreffende de tewerkstelling van werknemers van vreemde nationaliteit, thans art. 12, 1° en 2° van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers waar bepaald wordt dat gestraft worden "de werkgever, zijn aangestelden of lasthebbers die, in strijd met de bepalingen van dit besluit of van de uitvoeringsbesluiten daarvan, arbeid doen of laten verrichten door een persoon die niet van Belgische nationaliteit is en die niet is toegelaten of gemachtigd tot vestiging of tot een verblijf van meer dan drie maanden of die niet van rechtswege tot vestiging of tot een verblijf van drie maanden in het Rijk is toegelaten". Artikel 1 van dit K.B. nr. 34 bepaalt trouwens uitdrukkelijk dat het besluit van toepassing is op de "werknemers" die de Belgische nationaliteit niet bezitten en op de "werkgevers". Aan deze regel wordt geen afbreuk gedaan door het feit dat het K.B. nr. 34 en de latere wet van 30 april 1999 voor de toepassing van die wet gelijk-stellen met buitenlandse werknemers de "buitenlandse onderdanen die anders dan krachtens de arbeidsover-eenkomst prestaties verrichten onder het gezag van een andere persoon", gezien ook in deze nadere bepaling duidelijk het bestaan van een gezagsver-houding vereist wordt. Zo blijkt het ten andere de bedoeling van de uitbreiding van de wet geweest te zijn een aantal categorieën van "werknemers" die niet door een arbeidsovereenkomst verbonden zijn, zoals bvb. huis-arbeiders (zie wet van 06.12.1996 betreffende de huisarbeid), leerlingen en mensen in beroepsoplei-ding, mede onder het toepassingsgebied van de wet te brengen (H. Verschueren, Tewerkstelling van vreemdelingen in Codex Arbeidsrecht II, 25, p.25). Het Verslag van de Koning preciseert trouwens onder meer dat het K.B. nr. 34 toepasselijk is "op alle personen van vreemde nationaliteit die onder het gezag van een ander persoon arbeid verrichten of er een overeenkomst bestaat of niet. Dit is het geval met de personen waarvoor soms betwisting is gerezen betreffende de rechtsband die hen verbindt met de persoon die hen tewerkstelt onder meer voor de ... vrijwillige hulpkrachten...". De toepassing van deze reglementering zal bijgevolg afhangen van het al dan niet bestaan binnen een professionele relatie van een gezagsverhouding in arbeidsrechterlijke zin. Zij is dus niet van toepassing op aannemingsovereen-komsten of van zelfstandige samenwerking die voor-namelijk het realiseren van een bepaald resultaat (resultaatsverbintenissen) beogen en dus niet strekken tot het zuiver verschaffen van arbeid (cfr. Arbeidshof Antwerpen 16.06.1995, Soc. Kron. 1996; Arbeidshof Brussel 26.04.2001, JTT 2001, 443). De uitoefening van gezag wordt gekenmerkt door de effectieve beslissingsmacht omtrent de algemene organisatie van het werk (cfr. P. Humblet, De gezagsuitoefening door de werkgever, Kluwer, Deurne 1994, p. 91-99), zonder dat vereist is dat deze permanent wordt uitgeoefend en zeker niet bij de eigenlijke uitvoering van het werk zelf, om welke reden trouwens door art. 1 van de wet van 17.07.1985 tot wijziging van de wet van 03.07.1978 betreffende arbeidsovereenkomsten de woorden "leiding en toezicht" als essentiële bestanddelen van de arbeidsovereenkomst geschrapt werden (cfr. K. Van Den Langenbergh, Schijnzelfstandigen of oneigen-lijke werknemers, Fed. Min. Van Tewerkstelling en Arbeid 1999, p.99; Parl. St. Senaat 1981-1982, nr. 80/1,2). Echter zal dergelijke gezagsuitoefening soms nauwe-lijks te onderscheiden zijn van de mogelijkheid tot het "oriënteren" van de prestaties van de zelfstandige medewerker. Het moet in ieder geval gaan om een georganiseerde tewerkstelling in een economisch verband. De rechter zal zodoende de professionele relatie tussen partijen dienen te kwalificeren waarbij reke-ning moet gehouden worden met de gegevens eigen aan de zaak en de concrete omstandigheden waarin deze zich situeren. De toepasselijkheid van voormelde reglementering in functie van de persoon voor wie gewerkt wordt, moet daarbij normaliter geen noemenswaardige problemen opleveren indien deze persoon beroepshalve reeds de hoedanigheid van werkgever bezit of een rechtspersoon is, in tegenstelling tot een zelfstandige of privépersoon, in welk geval ook zowel met de aard van de werkzaamheden als met de regelmatigheid, of het occasioneel karakter ervan, dient te worden rekening gehouden. Zo dient te worden onderlijnd dat de finaliteit van de wet van 30 juni 1971 duidelijk geen situaties viseert waarbij de door de wet opgelegde sancties, die ten aanzien van een werkgever effectief ontra-dend moeten zijn, als disproportioneel overkomen indien zij worden toegepast op een privé-persoon die zich zeer occasioneel laat helpen ondanks de ver-richte activiteit kan worden ingeschakeld in het economisch ruilverkeer. Zo oordeelt de eerste rechter terecht dat uit geen enkel stuk van het dossier blijkt noch dat enig element van de ondervragingen of vaststellingen toelaat te stellen dat geïntimeerde, de heer Leonard, het werkgeversgezag uitoefende op de betrokken personen bij de algemene organisatie van het werk en zeker niet bij de uitvoering van de werkzaamheden in concreto. Evenzo laat de aard van de geleverde arbeid niet toe deze van een arbeid op zelfstandige basis te onder-scheiden zoals die geleverd wordt door een lood- gieter, een schilder, een metselaar of een electrieker die in een privé-woning werken uitvoert waarvan inderdaad niemand kan stellen dat zij arbeid in ondergeschikt verband verrichten onder het gezag van een privépersoon in casu de heer des huizes. Het hoger beroep is zodoende ongegrond. ó ó ó OM DEZE REDENEN : Het Arbeidshof, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24; Gelet op het schriftelijk advies van de heer J.J. ANDRE, Substituut-Generaal neergelegd ter griffie op 22 februari 2006; Recht sprekend op tegenspraak; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond; Bevestigt het vonnis a quo van 16 juli 2003; Veroordeelt appellant tot de kosten van het hoger beroep; Deze kosten werden tot op heden als volgt begroot : - voor appellante partij : EUR 285,57 rechtsplegingsvergoeding hoger beroep, EUR 59,49 uitgaven, - voor geïntimeerde partij : EUR 279,62 rechtsplegingsvergoeding hoger beroep; Aldus gewezen en uitgesproken op de openbare terechtzitting van de 1ste Kamer van het Arbeidshof te Brussel op 21 april 2006, waar aanwezig waren : De Heren : M. DE CUYPER : Raadsheer. G. JACOBS : Raadsheer in Sociale Zaken als werkgever. P. MANS: Raadsheer in Sociale Zaken als werknemer-arbeider. D. DE RAEDT: Griffier. G. JACOBS P. MANS D. DE RAEDT M. DE CUYPER PDF document ECLI:BE:CTBRL:2006:ARR.20060421.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.