id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 24 april 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2006:ARR.20060424.11 Rolnummer: 45.759 Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2008-02-20 Raadplegingen: 143 - laatst gezien 2026-07-01 04:23 Versie(s): Vertaling FR Fiche Een vermoeiende en plotse reis van de aangestelde van een vakvereniging, belast met internationale contacten, die een belangrijke zenuwslopende overbelasting van werk met een grote krachtinspanning en bijhorend opwindingtoestand veroorzaakte, maakt een plotse gebeurtenis uit waardoor de bloeddruk op abnormale wijze steeg en het letsel van hersenbloeding werd veroorzaakt, ook al is deze arbeid de gewone en normale bezigheid van de getroffene. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Arbeidsongeval - Begrip en bewijs Vrije woorden: BEROEPSRISICO'S - ARBEIDSONGEVALLEN IN DE PRIVE SEKTOR - Plotse gebeurtenis - Stress. Wettelijke bepalingen: Wet - 10-04-1971 - 9 - 01 ELI link Pub nr 1971041001 Nota: Gepubliceerd in SRK 2007, p. 341-
- VI A art.
- Annotaties Publicaties: Sociaalrechtelijke kronieken - - 2007(341-343) Choniques de droit social - - 2007(341-343) Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN 24 APRIL
- 5DE KAMER Arbeidsongeval Tegensprekelijk Definitief + Verzending naar de Arbeidsrechtbank te Brussel In de zaak : De Gemeenschappelijke Kas tegen Arbeidsongevallen P & V, met maatschappelijke zetel gevestigd te 1210 BRUSSEL, Koningsstraat
- Appellante, vertegenwoordigd door Mr. S. LIBEER, advocaat te Brussel. Tegen : D.A., wonende te [...]. Geïntimeerde, verschijnend in persoon en bijgestaan door Mr. V. VERBESSELT loco Mr A. VERMOORTELE, advocaat te Herne. Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit : Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid: - het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis gewezen op tegenspraak door de 6de kamer van Arbeidsrechtbank te Brussel d.d. 11 mei 2004; - het beroepsverzoekschrift ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel d.d. 30 juli 2004; de besluiten en synthesebesluiten van de partijen; Gehoord de partijen in hun middelen en verdediging ter openbare terechtzitting van 13 maart 2006 waarna de debatten gesloten werden. Gelet op de neergelegde stukken. Feiten en procedurevoorgaanden Mevrouw D.A.-O. is geboren op 3 april
- Zij is sedert 30 oktober 1968 werkzaam bij de Internationale Confederatie der Vrije Vakorganisaties hierna afgekort als I.C.V.V.. Op 1 januari 1990 werd zij aangesteld als hoofd van de afdeling coördinatie voor centraal en Oost-Europa. Zij diende de algemeen-secretaris van ICVV bij te staan. Als hoofd van deze afdeling was hij verantwoordelijk voor het opvolgen en bijwonen van de congressen van de aangesloten en meewerkende nationale vakbondorganisaties. Tevens dient zij nauw samen te werken met het internationaal arbeidsbureau in de regio en aan de jaarlijkse bijeenkomst van het internationaal arbeidsbureau in Genève (stuk 11 dossier geïntimeerde). Op 1 en 2 november 2001 diende mevrouw D.A. zich onverwacht voor opdracht naar Sofia( Bulgarije) te begeven in het kader van een nationale demonstratie voor de bescherming van het arbeidsrecht en georganiseerd door de Bulgaarse vakbonden, waar zij als spreker uitgenodigd werd alsook de diplomatieke contacten met de regeringsverantwoordelijken diende te verzorgen (zie onder meer de verklaring van de heer Prince, secretaris van de Zwitserse syndicale organisatie die mevrouw D.A. op 1 november 2001 ontmoet heeft en met haar het vliegtuig teruggenomen heeft naar Wenen om zelf terug te keren naar Zürich en die verklaart dat mevrouw D.A. uitgeput was en zeer moe). Op vrijdag 2 november 2001 omstreeks 19.00u keerde mevr. D.A. terug naar België waar zij eerst nog verder diende te werken op haar bureau te Brussel alvorens 's avonds laat naar huis te keren (verklaring Drion stuk 21 dossier geïntimeerde). Op zaterdag 3 november ging mevr. D.A. eerst nog naar haar bureau teneinde om 10 uur aanwezig te zijn in de luchthaven, om te 11 uur te vertrekken via tussenlanding in Wenen met overstap richting Sarajevo( Bosnië-Herzegovina) om daar een conferentie, gehouden op 5 en 6 november, als organisator voor te bereiden. De terugkeer was voorzien op 7 november (zie stuk 17 programma conferentie). De heer B., werknemer van het regionaal bureau van de vakvereniging te Sarajevo heeft mevr. D.A. opgehaald van de luchthaven en rechtstreeks naar zijn bureau gevoerd om de voorbereidingen aan de conferentie te beginnen. Mevr. D. en de heer G. zijn rechtstreeks van de luchthaven naar hun hotel gegaan. Teneinde geen verdere tijd te verliezen is mevr. D.A. niet naar het hotel teruggekeerd doch is blijven logeren bij de heer B., teneinde sneller en langer te kunnen werken. Op 4 november 2001 zette mevr. D.A. de voorbereidingen verder vanaf 8.30u tot op het ogenblik waarop zij onwel werd, zich extreem vermoeid voelde, en concentratiestoornissen had waardoor zij haar zinnen niet meer kon afmaken. Men besliste om die dag te stoppen met werken en naar het hotel te gaan. In het hotel aangekomen waar bovendien de conferentie zou plaatsvinden en de meeste gasten verbleven, werd, gezien de concentratiestoornissen erger werden, een arts geroepen waarna deze besliste mevr. D.A. dringend per ambulance naar een hospitaal te brengen. Mevrouw D.A. komt in het hospitaal op de dienst intensieve zorgen. Er wordt een hersenbloeding vastgesteld met apoplexie met als onmiddellijk gevolg moeilijk praten en paralyse van de rechterhelft van het lichaam. De werkgever verzekerd bij P & V in arbeidsongevallen, na telefonische kennisname, doet aangifte op 5 november
- Mevr. D.A. is nog steeds volledig werkonbekwaam. De raadsgeneesheer van P & V Dr. Cornelis schrijft in zijn verslag van 25 januari 2002 dat mevr. D.A. zich niets van de omstandigheden herinnert maar dat ze gewoon aan het werk was en dat er zich niets speciaals voordeed. Hij besluit tot een hersenbloeding zonder accidenteel feit. Op 16 mei 2002 schrijft P & V dan ook aan mevr. D.A. dat de feiten niet gekwalificeerd kunnen worden als een arbeidsongeval. Bij dagvaarding d.d. 25 maart 2004 vordert mevr. D.A. de betaling van de wettelijke vergoedingen ingevolge arbeidsongeval op datum van 4 november
- Met het bestreden vonnis verklaart de Arbeidsrechtbank de vordering ontvankelijk en vooraleer verder recht te doen wordt Dr. Van Keerbergen aangesteld met de gebruikelijk opdracht met name na te gaan welke de verschillende perioden en graden van tijdelijke arbeidsongeschiktheid zijn ingevolge het arbeidsongeval van 4 november 2001, te zeggen of de letsels geheeld zijn en dit geval de datum van de consolidatie der letsels vast te stellen, evenals het percentage van de blijvende arbeidsongeschiktheid. Beoordeling Ontvankelijkheid van het hoger beroep Er wordt geen betekening van het bestreden vonnis overgelegd . Het verzoekschrift is regelmatig naar vorm en werd ingesteld binnen de daartoe wettelijk bepaalde termijn, wat overigens niet wordt betwist. Het is derhalve ontvankelijk. Ten gronde Voorafgaandelijk Appellante verwijt ten onrechte in haar beroepsverzoekschrift aan de eerste rechter dat deze het belangrijkste aspect van de betwisting met name de betwisting van arbeidsongeval niet heeft behandeld. Er werden voor de eerste rechter geen betwistingen gevoerd noch besluiten houdende betwisting van het arbeidsongeval neergelegd. Op de inleidingszitting bleek alleen dat partijen niet akkoord gingen over de graad van de werkonbekwaamheid waarmee mevr. D.A. zou behept zijn ingevolge het ongeval. Dit wordt door de eerste rechter formeel in het vonnis vermeld. Appellante roept ten onrechte in synthesebesluiten op blz. 4 in dat door de suggestieve vraag van het Hof teneinde stukken bij te brengen van de werksituatie in de dagen voorafgaand en de dag van de hersenbloeding en het dossier te vervolledigen de zaak verdaagd werd naar de zitting op 2 maanden. Reeds in de dagvaarding werd zeer duidelijk door mevr. D.A. als rechtsfeit aangehaald dat zij het slachtoffer van een hersenbloeding was geworden op 4 november 2001 op een ogenblik dat zij in opdracht was van haar werkgever te Sarajevo en dit ingevolge overbelasting van het werk. Ook de dagen van 1 en 2 november in Sofia worden in de dagvaarding vermeld. De drukke agenda en de stresssituatie komen bijgevolg voor in de beschrijving van de rechtsfeiten in de dagvaarding (zie eveneens Hof van Cassatie van 14 april 2005 inzake ARC030148 F). Het bewijs van de plotse gebeurtenis, kan worden geleverd door alle middelen van recht, getuigen inbegrepen, evenals door ernstige en met elkaar overeenstemmende vermoedens. De feitenrechter oordeelt hierover soeverein. De feitenrechter kan ambtshalve een getuigenverhoor bevelen. Teneinde de procesgang en de procedure niet nodeloos te vertragen werd door het Hof de vraag gesteld naar bijkomende stukken inzake namen en bewijzen van de overbelasting van het werk zoals in de dagvaarding aangehaald. De bewijslevering wordt op soevereine wijze door de rechter beoordeeld en hij beschikt hiervoor over een bepaalde autonomie, dewelke onbetwistbaar is wat het bewijs door alle middelen van recht, getuigen inbegrepen, betreft. Het betreft bijgevolg geen suggestieve vraag van het Hof doch een beoordeling van bewijzen en of getuigenverhoor. Nu de gedinginleidende dagvaarding reeds de opdracht in Sofia (Bulgarije) vermeldt op 1 en 2 november met de vlucht op 3 november naar Sarajevo waar zij op 4 november tijdens een vergadering onwel werd, en nu appellante zelf geen betwisting desbetreffend opwierp voor de eerste rechter, doch slechts in haar beroepsverzoekschrift, is haar protest tegen de in de loop van het hoger beroep verzamelde verklaringen en stukken niet ernstig en niet gegrond. In rechte Opdat er sprake zou zijn van een arbeidsongeval in de zin van de arbeidsongevallenwet van 10.04.1971 (A.O.W.), dient het bewijs geleverd van het bestaan van : • een plotse gebeurtenis, • die tijdens de uitvoering van de arbeidsovereenkomst plaatsvindt • een letsel Eens deze constitutieve elementen bewezen, wordt vermoed, behoudens tegenbewijs, • dat het letsel door het ongeval is veroorzaakt (art 9.) en • dat het ongeval dat zich voordoet tijdens de uitvoering van de arbeidsovereenkomst gebeurd is door de uitvoering van de arbeidsovereenkomst. Het slachtoffer dient dus niet te bewijzen dat de plotse gebeurtenis het letsel veroorzaakt heeft. Volgens de rechtspraak van het Hof van Cassatie dient de plotse gebeurtenis van die aard te zijn dat zij het letsel kan veroorzaken (zie Cass. 11.1.82, R.W.81-82.1872). De plotse gebeurtenis is het bijzondere, duidelijk aanwijsbare, in de tijd en ruimte te situeren element dat voorvalt tijdens de uitvoering van de overeenkomst waarin eventueel de oorzaak te vinden is van het feit dat het letsel zich heeft voorgedaan. De plotselinge gebeurtenis mag niet verward worden met het plots optreden van het letsel, of het plots optreden van de pijn. De uitoefening van de gewone en normale dagtaak kan een plotse gebeurtenis opleveren, voor zover in die uitvoering een element aanwijsbaar is dat het letsel kan hebben veroorzaakt; terwijl het niet vereist is dat dit aanwijsbaar element onderscheiden is van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst (zie Cass. 03.04.2000 AC 2000,219; zie Cass 18.05.1998; AC 1998, 261). De plotse gebeurtenis moet geen abnormaal karakter vertonen (zie Cass. 26.05.1967; Arr. Cass, 1967, 1179, met conclusie van de Eerste Advocaat generaal Ganshof van der Meersch in Pas 1967, I, 1138). Het is dus niet vereist bijzondere omstandigheden aan te tonen, of een bijzondere gebeurtenis of feit waardoor de getroffene verplicht was een beweging te maken of een daad te stellen die niet tot zijn normale dagtaak behoren. De vraag of het een dagelijkse of banale beweging betreft, is onbeduidend. Ook een banale handeling of gebeuren kan een plotse gebeurtenis uitmaken (zie Cass 20.10.1986 AC. 86-87,224). Het volstaat derhalve - maar het is ook onontbeerlijk - dat de getroffene het bewijs levert van het bestaan van een letsel en van een plotse gebeurtenis tijdens de uitvoering van de arbeidsovereenkomst waardoor het letsel kan zijn veroorzaakt, opdat het letsel vermoed wordt behoudens tegenbewijs door een ongeval te zijn veroorzaakt. Het bewijs van de plotse gebeurtenis, dient te worden geleverd door bepaalde, gewichtige en met elkaar overeenstemmende vermoedens (Arbeidshof Gent 19 april 1990,JTT 90, 269). In casu zijn er voldoende ernstige en met elkaar overeenstemmende vermoedens dewelke het bewijs van de plotse gebeurtenis leveren en dit blijkt uit de verklaringen van B., D., P. en de overige stukken uit het dossier waaronder de functiebeschrijving van geïntimeerde en de vliegschema's en Conferentieplanning. Door de vermoeiende en plotse reis naar Sofia juist voor de afreis naar Sarajevo alwaar geïntimeerde onmiddellijk na de landing te Sarajevo in de namiddag het werk aanvat ter voorbereiding van een Internationale Conferentie betreffende de vakbondsrechten en op 3 november niet naar haar hotel terugkeert doch in de nabijheid van het lokaal kantoor blijft overnachten om de dag nadien (4 november) aldaar de gehele dag te werken - en dus door een overbelasting van werk en agenda - veroorzaakt op 4 november 2001 te 19u, dit bij haar een dermate zenuwslopende overbelasting met een grote bijkomende krachtinspanning en bijhorend opwindingstoestand gezien de conferentie een aanvang nam op 5 november 2001 (stuk 17 en verslag van de inspecteur stuk 4 dossier appellante) en 4 november de laatste dag van voorbereiding was, waarvoor geïntimeerde de verantwoordelijkheid droeg (zie stuk 11 "als hoofd van deze afdeling was zij verantwoordelijk voor het opvolgen en bijwonen van de Congressen door de aangeslotenen en nauw samenwerken met het Internationaal Arbeidsbureau in de regio" met daarbij dat kort na de splitsing van ex-Joegoslavie de politieke relaties zeer gespannen waren), en dus zenuwslopend zodat deze op omstreeks 19u uur de plotse gebeurtenis uitmaakt waardoor de bloeddruk op abnormale wijze stijgt en het letsel van hersenbloeding kan veroorzaken, ook al is deze arbeid de gewone en normale bezigheid van de getroffene. Als de werknemer het bestaan van een dergelijke plotselinge gebeurtenis en van een letsel aantoont, staat het de verzekeraar vrij het vermoeden om te keren door aan te tonen dat dit letsel niet door die gebeurtenis is veroorzaakt. Appellante vraagt echter niet in besluiten dit tegenbewijs door deskundig onderzoek te mogen bewijzen. Zij betwist alleen plotse gebeurtenis door de vaagheid ervan te weerhouden. Het feit dat de ongevalaangiftes van 5.11.2001 en 12.11.2001 niets vermelden betreffende de plotse gebeurtenis doet niets af aan het geleverde bewijs aangezien geïntimeerde in opdracht was in het buitenland en op intensieve verzorging. De werkgever kreeg slechts telefonisch, en van derden die niet altijd bij appellante waren, informatie over de feiten, hetgeen de vaagheid verklaart. Dit geldt tevens voor het bezoek van de inspecteur van P. & V. wanneer geïntimeerde pas uit het hospitaal ontslagen was en zich niets meer herinnert en waar de echtgenoot een kort relaas per telefoon geeft. Aangezien hijzelf niet aanwezig was tijdens de opdracht. Ook Dr. Cornelis wijst in zijn medisch verslag na onderzoek op 23 april 2002 dat patiënte misschien aan partiële amnesie lijdt, zeker aan aphasie en paresie van de rechterkant. Het is slechts wanneer de verzekeraar de feiten niet als arbeidsongeval erkent dat een dagvaarding voor de Arbeidsrechtbank vereist is en in de dagvaarding haalt geïntimeerde duidelijk aan dat de plotse gebeurtenis de overbelasting is van werk en het gevolg een hersenbloeding. Getuigen mogen hun verklaringen aanvullen en wanneer deze hun eerdere verklaringen niet tegenspreken, en wanneer deze bevestigd worden door andere elementen uit het dossier dan worden zij weerhouden. De verklaring van de heer Buxbaum en van de artsen dateert van onmiddellijk na de feiten. Het voorbereidingsvergadering van 4 november omstreeks 19u die nog niet klaar was daar waar het congres start op 5 november is de plotse gebeurtenis die de hersenbloeding kan doen ontstaan en waar geen tegenbewijs van wordt gevraagd. Het hoger beroep is ontvankelijk doch niet gegrond. Op grond van artikel 1068 lid 2 van het Gerechtelijk Wetboek wordt de zaak terug naar de eerste rechter verwezen. OM DEZE REDENEN : En alle andere hierin impliciet vervat, Het Arbeidshof, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24; Recht sprekend op tegenspraak; Alle andere middelen en conclusies verwerpende; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en ongegrond; Bevestigt het vonnis a quo; Zendt de zaak overeenkomstig artikel 1068 Ger. Wb. terug naar de eerste rechter; Veroordeelt appellant tot de kosten van het hoger beroep, tot op heden als volgt begroot: Deze kosten werden tot op heden als volgt begroot : voor appellante partij : niet begroot, - voor geïntimeerde partij : euro 139,83 rechtsplegingsvergoeding hoger beroep, euro 58,23 rechtsplegingsvergoeding hoger beroep, Aldus gewezen en uitgesproken op de openbare terechtzitting van de 5de kamer van het Arbeidshof te Brussel op 24 april 2006, waar aanwezig waren : Mevr. B. CEULEMANS: Raadsheer. De Heren : E. MAGNUS : Raadsheer in Sociale Zaken als werkgever. H. SILON : Raadsheer in Sociale Zaken als werknemer-arbeider. D. DE RAEDT: Griffier. E. MAGNUS H. SILON D. DE RAEDT B. CEULEMANS PDF document ECLI:BE:CTBRL:2006:ARR.20060424.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div