← België

ECLI:BE:CTBRL:2006:ARR.20060504.5

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 04 mei 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2006:ARR.20060504.5 Rolnummer: 44369 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-12-19 Raadplegingen: 98 - laatst gezien 2026-07-01 04:24 Fiche Artikel 130, ,§ 2, voorlaatste alinea van het werkloosheidsbesluit waar voorzien is dat bij toepassing van de vermindering van het bedrag van de werkloosheidsuitkering in geval van toegelaten cumulatie, wordt rekening gehouden met het netto-belastbaar jaarinkomen wanneer het een activiteit betreft die niet in loondienst wordt uitgeoefend maar met het netto jaarinkomen wanneer het een loontrekkende activiteit betreft schendt het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel niet. Het fiscaal differentiatiecriterium wordt gerechtvaardigd door een objectief en redelijk motief te weten dat de zelfstandige, veel meer dan de werknemer in loondienst, de mogelijkheid heeft om het bedrag van zijn inkomen te beïnvloeden door in grotere mate beroepslasten in mindering te brengen en door investeringen te doen. Vrije woorden: ARBEIDSVOORZIENING WERKLOOSHEID Vermindering van het bedrag van de uitkering in geval van toegelaten cumulatie Activiteit die niet in loondienst wordt uitgeoefend. Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 25-11-1991 - 130,§2 - 50 ELI link Pub nr 1991013192 Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN VIER MEI TWEEDUIZEND EN ZES ZEVENDE KAMER Not. 580, 2° G.W. Werkloosheid Tegensprekelijk Definitief In de zaak: RIJKSDIENST VOOR ARBEIDSVOORZIENING, openbare instelling, waarvan de burelen gevestigd zijn te 1000 Brussel, Keizerslaan 7, appellant, geïntimeerde op incidenteel hoger beroep, vertegenwoordigd door Mr. R. Swennen, advocaat te 1731 Zellik, Tegen: W.P., geïntimeerde, appellant op incidenteel hoger beroep, vertegenwoordigd door Mr. A. Matthijs loco Mr. K. Stappers, advocaat te 2000 Antwerpen, Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit: Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid: het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, op tegenspraak gewezen door de Arbeidsrechtbank te Brussel op 15 mei 2003; het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 24 juni 2003; het voor eensluidend verklaard afschrift van het arrest dd. 16 september 2004 van de zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel houdende heropening der debatten; de besluiten in hoger beroep na heropening der debatten door partijen neergelegd; Gehoord partijen in hun middelen en beweringen ter openbare terechtzitting van 23 februari 2006, waarna de debatten gesloten werden. X X X Bij arrest dd. 16 september 2004 van deze kamer wordt de heropening der debatten bevolen teneinde van partijen hun standpunt te vernemen betreffende de vermelding in artikel 130, ,§ 2, lid 5 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering van het netto belastbaar jaarinkomen en dus na aftrek van de beroepskosten voor wat de activiteit als zelfstandige betreft en van het netto jaarinkomen en dus zonder rekening te houden met de beroepskosten (werkelijke of forfaitair) wanneer de activiteit in loondienst wordt uitgeoefend. Verder werd de vraag gesteld naar de ingangsdatum van de nevenactiviteiten van geïntimeerde. Geïntimeerde stelt dat het onderscheid gemaakt door het Arbeidshof tussen loontrekkenden en zelfstandigen elke relevantie mist en dat er toch niet redelijkerwijze kan voorgehouden worden dat m.b.t. de berekening van het jaarinkomen wel rekening zou mogen worden gehouden met de bedrijfsvoorheffing die lopende het jaar door loontrekkenden is betaald, maar niet met de voorafbetalingen van zelfstandigen, aangezien vaststaat dat beide betalingen eenzelfde doel beogen m.n. bij de verkrijging van het inkomen een deel afhouden ten titel van voorschot op het later te betalen bedrag aan inkomstenbelasting. Appellant stelt dat het niet aan de Rijksdienst is om de reglementering verschillend tot te passen naargelang de situatie en dat de Rijksdienst bijgevolg een correcte toepassing heeft gemaakt van artikel 130 ,§ 2, lid 5 van voormeld koninklijk besluit. Beoordeling Voor de toepassing van artikel 130 van het koninklijk besluit dd. 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering wordt rekening gehouden met het netto belastbaar jaarinkomen wanneer een (neven)activiteit als zelfstandige wordt uitgeoefend en met het netto jaarinkomen wanneer deze (neven) activiteit wordt uitgeoefend in loondienst. Het Hof stelt vast dat appellant zowel in het verzoekschrift tot hoger beroep als in besluiten voor het netto jaarinkomen van de loontrekkende verwijst naar het nettobedrag vermeld op de loonfiche. Met de aftrek van de werkelijke kosten of de forfaitaire aftrek voor beroepskosten wordt voor wat de activiteit als loontrekkende betreft bijgevolg geen rekening gehouden, wanneer het netto jaarinkomen zoals vermeld op de loonfiche wordt in aanmerking genomen. Bij gebrek aan bewezen uitgaven worden de beroepskosten forfaitair bepaald en het forfait dekt alle beroepskosten, met uitzondering van de ingehouden sociale zekerheidsbijdragen en wordt berekend op het bruto bedrag van de inkomsten vooraf verminderd met de sociale zekerheidsbijdragen. Deze aftrek op forfaitaire basis gebeurt automatisch door de Administratie der Belastingen. Voor de activiteit als zelfstandige wordt een netto belastbaar jaarinkomen in aanmerking genomen en bijgevolg na aftrek van de beroepskosten en investeringen. De stelling van geïntimeerde dat het inkomen dat een loontrekkende als inkomen naast de werkloosheidsuitkering mag genieten veel groter is als dit van de zelfstandige is niet aangetoond, gezien voor de loontrekkende op het netto inkomen geen aftrek is gebeurd van zijn beroepskosten en voor de zelfstandige op het netto belastbaar inkomen deze vermindering wel is gebeurd. Volgens de rechtspraak van het Hof van Cassatie vereist het grondwettelijke gelijkheidsbeginsel dat allen die zich in eenzelfde toestand bevinden op dezelfde wijze behandeld worden. Dat belet evenwel niet dat tussen bepaalde categorieën een onderscheid wordt gemaakt als het onderscheid maar niet willekeurig is, te weten dat het kan worden verantwoord (Cass. 1 april 1982, Arr. Cass., 1981-1982, nr. 466), dat het volkomen objectief en onpersoonlijk is (cfr. Cass., 26 januari 1989, Arr. Cass., 1988-1989, nr. 312). Het fiscaal differentiatiecriterium wordt gerechtvaardigd door een objectief en redelijk motief te weten dat de zelfstandige, veel meer dan de werknemer in loondienst, de mogelijkheid heeft om het bedrag van zijn inkomen te beïnvloeden door in grotere mate beroepslasten in mindering te brengen en door investeringen te doen (cfr. Arrest Arbeidshof Brussel dd. 7 september 1995, A.R. nr. 27.317). De bepaling van artikel 130, ,§ 2 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering schendt de artikelen 10 en 11 van de grondwet niet. In verband met het incidenteel hoger beroep en de vordering van geïntimeerde tot het afwijzen van de initiële vordering van appellant wegens onoverkomelijke dwaling in hoofde van geïntimeerde, stelt het Hof vast dat t.o.v. appellant geen enkele vraag tot inlichtingen werd gesteld door geïntimeerde vóór de bestreden beslissing en dat bij beslissing dd. 24 december 1998 van appellant geïntimeerde werd toegelaten tot het genot van de werkloosheidsuitkeringen onder het voorbehoud van een aanpassing van het bedrag van de uitkering wanneer het definitief bedrag van zijn inkomsten zal worden bepaald, met verwijzing naar de berekeningsnota van de Administratie der Belastingen en naar de bepalingen van artikel 130 en 169 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 voormeld. Hoewel de rechtsdwaling, wegens bepaalde omstandigheden door de rechter als onoverkomelijk kan worden beschouwd, is dat alleen mogelijk op voorwaarde dat uit die omstandigheden kan worden afgeleid dat degene die zich op dwaling beroept, heeft gehandeld zoals ieder bedachtzaam en voorzichtig mens zou hebben gedaan die in dezelfde toestand verkeert (Cass. 31 oktober 1994, R.W. 1994-1995, nr. 33, p.1122). De onoverkomelijke dwaling in hoofde van geïntimeerde wordt niet aangetoond. Het Hof is evenwel van oordeel dat geïntimeerde, gelet op de brochure i.v.m. informatie van het Ministerie van tewerkstelling waarop hij zich heeft gesteund, te goeder trouw is geweest, zodat de terugvordering van de uitkeringen dient te worden beperkt tot de laatste 150 dagen van onverschuldigde toekenning, in toepassing van artikel 169, lid 2 van voormeld koninklijk besluit. Het behoort appellant een nieuwe afrekening te maken en de vraag gesteld in het tussenarrest van 16 september 2004 i.v.m. de aanvangsdatum van de nevenactiviteit is niet meer relevant. OM DEZE REDENEN : De zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel; Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24; Recht doende op tegenspraak, Gehoord de heer André, Substituut-generaal, in zijn schriftelijk advies voorgelezen en neergelegd ter openbare terechtzitting van 9 maart 2006; Gelet op de repliek neergelegd ter griffie op 24 maart 2006 door appellant; De zaak werd op 6 april 2006 in beraad genomen; Verklaart het hoger beroep gegrond; Verklaart het incidenteel hoger beroep deels gegrond; Vernietigt het bestreden vonnis, behalve wat de beschikking omtrent de gerechtskosten betreft, welke bevestigd wordt; en opnieuw rechtsprekend voor al het overige; Bevestigt grotendeels de bestreden beslissing dd. 6 juni 2000; Zegt dat de terugvordering van de ten onrechte ontvangen uitkeringen evenwel beperkt wordt tot de laatste 150 dagen van onverschuldigde toekenning; Zegt dat appellant een afrekening zal opmaken; Legt de kosten van hoger beroep, overeenkomstig artikel 1017, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, ten laste van appellant, kosten tot op heden begroot op : voor appellant niet begroot voor geïntimeerde 267,73 Euro rechtsplegingsvergoeding hoger beroep Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van de zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel op vier mei tweeduizend en zes. Waar aanwezig waren : mevrouw B.VAN DE VELDE, Voorzitter de heer G. VAN BELLEGHEM, Raadsheer in Sociale Zaken als werkgever de heer K. GACOMS, Raadsheer in Sociale Zaken als werknemer arbeider mevrouw G. DE SAEDELEER, Griffier PDF document ECLI:BE:CTBRL:2006:ARR.20060504.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.