← België

ECLI:BE:CTBRL:2006:ARR.20060601.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 01 juni 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2006:ARR.20060601.1 Rolnummer: 42505W Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-06-23 Raadplegingen: 113 - laatst gezien 2026-07-01 04:28 Fiche 1 De norm die de terugvordering betreft van onverschuldigd betaalde gemeenschapsgelden als gevolg van het stellen van bedrieglijke handelingen is niet van openbare orde. De door de wetgever specifiek ingevoerde korte verjaringstermijn voor de terugvordering van onverschuldigde prestaties waarin artikel 7, ,§ 13 van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders voorziet, is van dwingend recht ten voordele van de sociaal verzekerde,omdat hij enkel de door de wet beoogde privé belangen van de sociaal verzekerde wenst te beschermen. Vrije woorden: ARBEIDSVOORZIENING - WERKLOOSHEID - Verjaring - Terugvordering van onverschuldigd betaalde prestaties - Dwingend recht. Wettelijke bepalingen: Besluitwet - 28-12-1944 - 7,§13 - 01 ELI link Pub nr 1944122850 Fiche 2 De bestemmeling van een aangetekende brief verzonden door de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening toont niet aan dat deze aangetekende brief niet werd aangeboden op zijn adres in Frankrijk door een schrijven voor te leggen van de postmeester van de postdiensten van zijn domicilie in Frankrijk waarin aangegeven is dat van die brief geen spoor wordt gevonden is in de registers dan wanneer wel aangetoond wordt dat de formaliteit van de aangetekende verzending werd vervuld. Het versturen van een aangetekende brief wordt bewezen door de neerlegging van het postrequisitorium dat het versturen vaststelt van de aangetekende brieven hernomen in de lijst vermeldt onder de handtekening van diegene die het requisitorium vordert, waarvan het bewijs wordt geleverd door de poststempel aangebracht op ditzelfde requisitorium. Vrije woorden: ARBEIDSVOORZIENING - WERKLOOSHEID- Besluitwet van 28 december 1944 - Verjaring - Stuiting - Ter post aangetekende brief - Bewijs van ontvangst. Wettelijke bepalingen: Besluitwet - 28-12-1944 - 7,§13 - 01 ELI link Pub nr 1944122850 Nota: Ook gerangschikt onder V AN (Besluitwet van 28.12.1944, art 7, ,§ 13)(andere korte inhoud). Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN EEN JUNI TWEEDUIZEND EN ZES ZEVENDE KAMER Not. 580, 2° G.W. Werkloosheid Tegensprekelijk Definitief In de zaak: RIJKSDIENST VOOR ARBEIDSVOORZIENING, waarvan de burelen gevestigd zijn te 1000 Brussel, Keizerslaan 7, appellant, geïntimeerde op incidenteel hoger beroep, vertegenwoordigd door Mr. R. Swennen, advocaat te 1731 Zellik, Tegen: G.D.H. P., geïntimeerde, appellant op incidenteel hoger beroep, vertegenwoordigd door Mr. Ch. Van Olmen, advocaat te 1050 Brussel, Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit: Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid: - het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, op tegenspraak gewezen door de Arbeidsrechtbank te Brussel op 27 april 1992; - het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 6 oktober 1992; - het voor eensluidend verklaard afschrift van het tussenarrest dd. 16 oktober 2003 van de zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel; - de besluiten in hoger beroep na tussenarrest door geïntimeerde neergelegd; Gehoord partijen in hun middelen en beweringen ter openbare terechtzitting van 23 maart 2006, waarna de debatten gesloten werden. X X X In het tussenarrest van 16 oktober 2003 van deze kamer werd het Auditoraat-generaal verzocht een onderzoek te verrichten nopens het al dan niet aangetekend verstuurd zijn van de beslissing dd. 5 april 1989 en werd de rechtspleging opgeschort in afwachting van het resultaat van dit onderzoek. Met kantschrift dd. 3 mei 2004 wordt een fotocopie van het bewijs van afgifte ter post van de aangetekende zending van 5 april 1989 (C 29 beslissing) die medegedeeld werd door appellant op 31 maart 2004, overgemaakt aan de heer hoofdgriffier van het Arbeidshof te Brussel met verzoek deze stukken bij het dossier van de rechtspleging te voegen. Beoordeling door het Hof Hoofdberoep Bij vonnis dd. 27 april 1992 wordt de administratieve beslissing van 5 april 1989 bevestigd, behalve voor wat de terugvordering van de onrechtmatig genoten uitkeringen betreft, die op grond van de verjaringstermijn van vijf jaar i.p.v. drie jaar zoals in de administratieve beslissing, wordt uitgebreid tot alle uitkeringen die vanaf 1 april 1984 werden uitbetaald. Appellant die in zijn beslissing van 5 april 1989 de terugvordering beperkt hield tot de uitkeringen die geïntimeerde onrechtmatig ontving in de loop van de drie jaar vóór zijn recentste onrechtmatig genoten uitkering en de bevestiging van de administratieve beslissing in al haar beschikkingen heeft gevorderd, kan zich door het vonnis dd. 27 april 1992 niet gegriefd voelen, gezien de periode waarin kan worden teruggevorderd door de eerste rechter van drie op vijf jaar wordt gebracht en appellant geenszins in het ongelijk werd gesteld. Uit het rechtsplegingsdossier en het vonnis van de eerste rechter blijkt dat appellant de periode waarbinnen wordt teruggevorderd niet heeft betwist noch in de besluiten noch tijdens de pleidooien. Hoger beroep door een partij tegen de beslissing voor de eerste rechter die conform de conclusie is die zijzelf voor hem had genomen, is zonder belang en derhalve niet ontvankelijk (Cass. 13 maart 1997, Arr. Cass. 1997, 357). In casu wordt door de eerste rechter zelfs een langere terugvorderingsperiode weerhouden dan deze door appellant. De regel dat een rechtsvordering niet kan worden toegelaten indien de eisende partij geen hoedanigheid of belang heeft om deze in te stellen, geldt ook voor de rechtsmiddelen die slechts kunnen worden aangewend door de partijen die benadeeld werden door de beslissing die zij bestrijden (Cass. 19 februari 1979, R.W. 1979-1980, 1543). In het advies van het Auditoraat-generaal wordt gesteld dat op de regel dat men een belang moet hebben bij het instellen van hoger beroep, twee uitzonderingen zijn namelijk om eigen vergissingen recht te zetten die de eerste rechter zou hernomen hebben door in te gaan op de besluiten van de partij waarin die vergissingen voorkwamen en op de materies die de openbare orde raken. Het hoger beroep ingesteld door appellant beoogt te horen zeggen voor recht dat de R.V.A. gerechtigd is op de terugvordering van alle uitkeringen zonder dat van enige verjaring sprake kan zijn en deze vordering kan niet bestempeld worden als een rechtzetting van eigen vergissingen die de rechter zou hernomen hebben door in te gaan op de besluiten van de partij waarin die vergissingen voorkwamen. Niet betwist wordt dat voor de eerste rechter er geen discussie over de toepasselijke verjaringstermijn is geweest zodat van een vergissing geen sprake kan zijn. Terecht stelt het Auditoraat-generaal dat noch de gemeenrechtelijke verjaringstermijn noch de verjaringstermijn van de terugvordering waarin de wet van 11 maart 1977 voorzag, de openbare orde raken en het Hof is van mening dat het advies te ver gaat door aan te nemen dat aan de essentiële normen, die het terugvorderen van onverschuldigd betaalde gemeenschapsgelden als gevolg van het stellen van bedrieglijke handelingen betreft, het karakter van openbare orde niet kan ontzegd worden. Men aanvaardt dat de door de wetgever specifiek ingevoerde korte verjaringstermijnen voor de terugvordering van onverschuldigde prestaties de openbare orde niet raken, maar wel van dwingend recht zijn ten voordele van de sociaal verzekerde, omdat zij enkel de door de wet beoogde privé-belangen van de sociaal verzekerde wensen te beschermen (A. Lindemans, Verjaring in het sociale-zekerheidsrecht, Kluwer, 1994, 267). Bij gebrek aan de duidelijke wil van de wetgever om de bepalingen met betrekking tot de verjaring van de terugvordering het openbaar orde karakter te geven, is het Hof van mening dat men bezwaarlijk dit karakter kan toekennen aan de bepalingen betreffende de verjaringstermijn van de terugvordering van ten onrechte betaalde werkloosheidsuitkeringen. Appellant kon het middel dat de openbare orde niet raakt, niet inroepen voor het instellen van zijn hoger beroep. Gezien appellant geen belang heeft bij het instellen van zijn hoger beroep kan het verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Arbeidshof op 6 oktober 1992 niet worden toegelaten en is het onontvankelijk conform artikel 17 van het Gerechtelijk Wetboek. Incidenteel hoger beroep Artikel 7 ,§ 13 lid 4 van de besluitwet van 28 december 1944 bepaalt : " Onverminderd de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek kunnen deze verjaringstermijnen gestuit worden door een ter post aangetekende brief. De daden die de verjaring stuiten blijven gelden ook indien ze gericht zijn aan een onbevoegde instelling of bestuur op voorwaarde dat die instelling of dat bestuur belast is met de toekenning of de betaling van werkloosheidsuitkeringen". Zoals reeds in het tussenarrest dd. 16 oktober 2003 werd gesteld, wordt het versturen van de aangetekende brief bewezen door de neerlegging van het postrequisitorium welke het versturen van de aangetekende brieven hernomen in de lijst vermeld onder de handtekening van degene die het requisitorium vordert, vaststelt en wordt het bewijs geleverd door het postcachet aangebracht op dit requisitorium. De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening bewijst dat op 5 april 1989 een aangetekende brief werd verstuurd aan de heer G. d. H. P. met de postvordering ondertekend door de verantwoordelijke en het postcachet van dezelfde datum. Het behoort aan de bestemmeling aan te tonen dat hij het schrijven niet heeft ontvangen omdat het niet ten huize werd aangeboden,in welk geval de stuiting niet kan plaatsvinden. Geïntimeerde stelt dat hij enkel een gewone brief heeft ontvangen op zijn adres op 10 april 1989 en legt als bewijs hiervan en briefomslag neer met in de linkerbovenhoek de afzender namelijk het gewestelijk werkloosheidsbureau, en in de rechterbovenhoek de afstempeling te V. op 10 april 1989, met boven het venster de vermelding "Belgique" en onder het venster het adres te L., terwijl in het venster zelf drie lijnen worden doorstreept. Bij brief dd. 18 december 1992 informeert de postmeester van de postdiensten te N. op vraag van geïntimeerde dd. 10 december 1992, dat geen spoor wordt gevonden in de registers van de brief dd. 5 april 1989 en wel van deze dd. 16 maart 1989 zodat volgens hem vaststaat dat de brief van 5 april 1989 niet aangetekend is verstuurd. Het Hof is van oordeel dat geïntimeerde met deze verklaring van de postmeester niet aantoont dat de brief dd. 5 april 1989 niet werd aangeboden op zijn adres in F.. Het niet ingeschreven staan in de registers van een bepaalde brief betekent nog niet dat hij niet werd aangeboden. De Auditeur-generaal stelt dat een poststuk aantekenen er op duidt dat een brief door de postadministratie in een register wordt ingeschreven tot waarborg van de bezorging maar dat appellant echter geen zeggenschap heeft over de wijze waarop de post zich kwijten van hun taak. Appellant heeft inderdaad de formaliteit van de ter post aangetekende brief vervuld en de verjaring werd rechtsgeldig gestuit conform artikel 7 ,§ 13, lid 4 voormeld. Het zorgvuldigheidsbeginsel werd geenszins geschonden door appellant : appellant levert het bewijs dat hij zijn beslissing dd. 5 april 1989 aangetekend heeft verstuurd naar het officiële adres van geïntimeerde in F. In verband met het beschikkingsbeginsel is het Hof van oordeel dat, nu de bepalingen i.v.m. de verjaring van de terugvordering van werkloosheidsuitkeringen de bescherming van bepaalde privébelangen nastreeft, de eerste rechter zonder de heropening der debatten en met miskenning van de rechten van de verdediging ten onrechte ambtshalve de verjaringstermijn op vijf jaar heeft gebracht. Het Hof verwijst naar de veroordeling van geïntimeerde in toepassing van artikel 261, 5° van het koninklijk besluit van 20 december 1963 bij vonnis dd. 18 maart 1991 van de correctionele rechtbank van Brussel en naar het gezag erga omnes van dit vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan, zodat de beperking tot de laatste honderdvijftig dagen van onverschuldigde toekenning wegens goede trouw zoals voorzien door artikel 210 ,§ 1 van voormeld koninklijk besluit bezwaarlijk kan worden ingeroepen door geïntimeerde. Het Hof is van mening dat de terugvordering dient te worden beperkt tot de ten onrechte genoten werkloosheidsuitkeringen gedurende de drie jaren voorafgaand aan 5 april 1989 zijnde tot 5 april 1986 en een bedrag van 18.161,70 Euro. In toepassing van artikel 1153 Burgerlijk Wetboek is de schadevergoeding bestaande uit de wettelijke intrest verschuldigd vanaf de dag der aanmaning tot betaling, waarmee bedoeld wordt de aanmaning tot betaling van de verschuldigde geldsom. Ook al wordt het hoofdberoep onontvankelijk verklaard, het staat vast dat bij verzoekschrift tot hoger beroep dd. 6 oktober 1992 appellant de veroordeling van geïntimeerde vordert tot terugbetaling van de onrechtmatig genoten werkloosheidsuitkeringen provisioneel bepaald op 1 fr., zodat vanaf 6 oktober 1992 moratoire intresten kunnen worden toegekend. Om intresten te kunnen vorderen is het voldoende dat de schuldeiser in de ingebrekestelling duidelijk en op ondubbelzinnige wijze te kennen geeft dat hij wil dat de hoofdverbintenis wordt uitgevoerd (cfr. Cass. 25 november 1991, R.W. 1991-1992, p 1364). OM DEZE REDENEN : De zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel; Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24; Recht doende op tegenspraak, Gehoord de heer André, Substituut-generaal, in zijn schriftelijk advies voorgelezen en neergelegd ter openbare terechtzitting van 6 april 2006; Gelet op de replieken door partijen neergelegd; De zaak is op 4 mei 2006 in beraad; Verklaart het hoofdberoep onontvankelijk; Verklaart het incidenteel hoger beroep deels gegrond; Hervormt het bestreden vonnis en bevestigt de bestreden beslissing; Zegt voor recht dat de terugvordering beperkt wordt tot de ten onrechte genoten uitkeringen gedurende drie jaar voorafgaand aan 5 april 1989 zijnde 5 april 1986 en een bedrag van 18.161,70 Euro, te vermeerderen met de wettelijke verwijlintresten vanaf 6 oktober 1992 en de gerechtelijke intresten. Legt de kosten van hoger beroep, overeenkomstig artikel 1017, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, ten laste van appellant, kosten tot op heden begroot op : - voor appellant 171,05 Euro rechtsplegingsvergoeding hoger beroep - voor geïntimeerde 285,55 Euro rechtsplegingsvergoeding hoger beroep 58,25 Euro aanvullende rechtsplegingsvergoeding hoger beroep Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van de zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel op één juni tweeduizend en zes. Waar aanwezig waren : mevrouw B. VAN DE VELDE, Voorzitter de heer J. BOULOGNE, Raadsheer in Sociale Zaken als werkgever, aangeduid bij bevelschrift van heden ter vervanging van de heer I. VAN DAMME, Raadsheer in Sociale Zaken als werkgever, die de debatten heeft bijgewoond en heeft deelgenomen aan het beraad van onderhavig arrest, maar wettig verhinderd is om de uitspraak ervan bij te wonen (artikel 779 van het Gerechtelijk Wetboek). de heer K. GACOMS, Raadsheer in Sociale Zaken als werknemer arbeider mevrouw G. DE SAEDELEER, Griffier G. DE SAEDELEER B. VAN DE VELDE K. GACOMS J. BOULOGNE PDF document ECLI:BE:CTBRL:2006:ARR.20060601.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.