id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 09 juni 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2006:ARR.20060609.3 Rolnummer: 44526W Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-11-09 Raadplegingen: 94 - laatst gezien 2026-07-01 04:32 Fiche Een vervangingsovereenkomst kan volgens art. 11TER AOW worden afgesloten ofwel voor een bepaalde tijd, voor een duidelijk omschreven werk of voor onbepaalde tijd. De overeenkomst die wordt gesloten voor de duur van de loopbaanonderbreking van een bepaalde werknemer, zonder dat de datum van werkhervatting van deze laatste is voorzien, is een overeenkomst voor onbepaalde duur, die enkel mits het naleven van een opzegtermijn kan worden beëindigd. Vrije woorden: ARBEIDSOVEREENKOMSTEN - ALGEMENE REGELINGEN - Vervangingsovereenkomst. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 11ter - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN 9 JUNI TWEEDUIZEND EN ZES. DERDE KAMER Bediendecontract Tegensprekelijk Definitief In de zaak: V.Z.W. RUSTHUIS " HUIZE NAZARETH " met zetel gevestigd te 3300 Tienen, Goetsenhovenplein, 22, Appellante, geïntimeerde op incidenteel hoger beroep, vertegenwoordigd door Mter T. Vanaerschot loco Mter L. Holemans, advocaat te 3200 Aarschot; Tegen : Mevrouw S. V., Geïntimeerde, appellante op incidenteel hoger beroep, vertegenwoordigd door Mter R. Bollen, advocaat te 3000 Leuven; &§61683; &§61683; &§61683; Na beraadslaging, velt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest : Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid : - het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, op tegenspraak gewezen door de Arbeidsrechtbank te Leuven op 26 december 1996 (1ste kamer B) in A.R. nr. 2770/95; - het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 28 februari 1997; - de weglating van de zaak op de A.R. van het Hof dd. 8 december 2000; - het verzoek van partij S. V. tot herinschrijving van de zaak op de A.R. dd. 12 augustus 2003; - de besluiten en synthesebesluiten voor geïntimeerde neergelegd ter griffie, respectievelijk op 12 januari 2005 en 16 januari 2006; - de besluiten voor appellante neergelegd ter griffie op 5 december 2005; - de beschikking van het Hof overeenkomstig artikel 747 ,§ 2 G.W. dd. 27 oktober 2005; - de bundelstukken van appellante neergelegd ter griffie op 5 december 2005; Gehoord partijen in hun middelen en beweringen ter openbare terechtzitting van 12 mei
- Partij S. legt een bundel neer, waarna de debatten gesloten werden en de zaak in beraad genomen werd. x x x I. DE FEITEN. Aan de hand van de door partijen neergelegde stukken zijn volgende feiten bewezen : Op 1 juni 1990 trad geïntimeerde als bediende-kinesiste bij appellante in dienst krachtens een deeltijdse vervangingsovereenkomst voor de loopbaanonderbreking van de Heer F. L.. " ... art.
- de verbintenis is gesloten voor een bepaalde duur, zoals hieronder aangeduid. Dit is een vervangingscontract voor de loopbaanonderbreking van de Heer L. F., dat ingaat op 1 juni 1990 en zal eindigen bij de werkhervatting van de Heer L. F....". Op 27 februari 1995 verzocht de Heer F. L. appellante zijn werk te mogen hervatten vanaf 28 februari
- " ...ik ondergetekende, L. F. vraag U om mijn loopbaanonderbreking te beëindigen op 27 februari 1995 zodat ik het werk kan hervatten op 28 februari
- In afwachting op uw antwoord.... (stuk 2 appellante). Op 28 februari 1995 deelde appellante aan geïntimeerde schriftelijk mede : "... hierbij delen wij u mede dat uw vervangingscontract voor de loopbaanonderbreking van L. F. aangegaan op 1 juni 1990 eindigt op 28 februari
- Op deze datum is de overeenkomst tussen HUIZE NAZARETH en L. F. in wederzijds akkoord beëindigd. (stuk 3 appellante). De vakcentrale van geïntimeerde deelde appellante hierop mede dat een overeenkomst, waarbij een werknemer een andere werknemer vervangt (waarbij deze laatstgenoemde voor onbepaalde duur afwezig is en waarin als einde wordt overeengekomen de dag dat de afwezige werknemer terugkeert), een overeenkomst van onbepaalde duur is, met derhalve als gevolg dat ook de bepalingen betreffende de opzeggingstermijnen voor overeenkomsten van onbepaalde duur van toepassing zijn. Bij schrijven dd. 22 maart 1995 deelde appellante de vakcentrale van geïntimeerde mede : "... Mevrouw V. S., die de vervanging deed van de Heer F. L., was in deze instelling in dienst van 1 juni 1990 tot en met 27 februari
- Op 28 februari 1995 heeft de Heer L. het werk terug hervat, wat uiteraard automatisch het einde van het vervangingscontract van Mevrouw S. impliceert. Op 28 februari 1995 na beëindiging van deze arbeidsdag weliswaar werd de overeenkomst tussen Huize Nazareth en de Heer F. L. in wederzijds akkoord beëindigd. (stuk 7 bundel S.). Bij gebrek aan minnelijke regeling dagvaardt Mevrouw S. het Rusthuis op 15 juni 1995 voor de eerste rechter in betaling van een opzegvergoeding van 116.274,-F. plus intresten en kosten, alsook tot de afgifte van de overeenstemmende sociale documenten dit alles bij vonnis dat uitvoerbaar zou zijn bij voorraad. II. HET VONNIS A QUO. Verklaart de vordering van Mevrouw S. ontvankelijk en gegrond. Veroordeelt de V.Z.W. om aan Mevrouw S. te betalen de som van 116.274,-F. te vermeerderen met de wettelijke en de gerechtelijke intresten. Zegt dat deze intresten dienen berekend te worden op de netto verschuldigde bedragen. Zegt dat er geen reden is om de voorlopige tenuitvoerlegging van het vonnis te bevelen. Legt de kosten ten laste van de V.Z.W. De eerste rechter oordeelt : Wat dus ook de chronologie van de stukken mogen zijn, namelijk of de ontslagbrief nu 23 of 27 februari is, of de Heer L. nu ja dan neen op 27 februari aan verweerster schreef, en of de loonberekening van 28 februari nu al of niet een effectieve tewerkstelling dekt, het is en blijft verweerster die tot beëindiging van de vervangingsovereenkomst met eiseres een onwettige gebeurtenis inriep. Door de vervangingsovereenkomst te beëindigen op hetzelfde tijdstip, namelijk 28 februari 1995, als de geschorste arbeidsovereenkomst, verviel meteen ook het voorwerp van de vervanging zodat vanaf dan de gewone regeling van de contracten voor onbepaalde duur gelden. Hierbij gaat de rechtbank ervan uit dat - er geen enkel deugdelijk bewijs wordt geleverd van enige effectieve tewerkstelling van de Heer L. op 28 februari 1995; - er geen rekening kan gehouden worden met de in ondergeschikte orde door verweerster voorgehouden verkorte opzegtermijn van 1 dag : zo dergelijke regeling in de rechtspraak en rechtsleer als geldig wordt aanvaard, dient ook hier erop gewezen te worden dat zulks dan ook bij voorbaat schriftelijk en ondubbelzinnig moet worden vastgesteld (Steyaert APR, de arbeidsovereenkomsten p. 320) én dat het om een toestand moet gaan waarbij partijen alle clausules naleefden, hetgeen hier niet het geval was in plaats van hervatting lag precies de beëindiging aan de grondslag van het afbreken van het vervangingscontract ". III. DE BEROEPSGRIEVEN. A. Het hoger hoofdberoep. De V.Z.W. Rusthuis Huize Nazareth verzoekt ons Hof het vonnis van de Arbeidsrechtbank te Leuven dd. 26 december 1996, gekend onder A.R. 2270/95 teniet te doen, en doende wat de Eerste Rechter behoorde te doen, de oorspronkelijke vordering van geïntimeerde ontvankelijk, doch ongegrond te verklaren. Dienvolgens geïntimeerde er van af te wijzen. In ondergeschikte orde, het hoger beroep ontvankelijk te verklaren, doch vooraleer verder ten gronde recht te doen, appellante toe te laten om middels het getuigenverhoor aan te tonen dat de vervangen werknemer, de Heer L. op 28 februari 1995 het werk hervatte in het bedrijf van appellante. In elke orde geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van het geding. De V.Z.W. meent dat partijen een geldige arbeidsovereenkomst sloten voor bepaalde duur zoals blijkt uit artikel 7 van de overeenkomst : " ... art.
- de verbintenis is gesloten voor een bepaalde duur, zoals hieronder aangeduid. Dit is een vervangingscontract voor de loopbaanonderbreking van de Heer L. F., dat ingaat op 1 juni 1990 en zal eindigen bij de werkhervatting van de Heer L. F....". De tussen partijen gesloten overeenkomst stelde volgens de V.Z.W. in toepassing van artikel 11 ter A.O.W., dat de arbeidsovereenkomst van geïntimeerde een einde nam wanneer de vervangen werknemer, de Heer L., het werk hervatte. De bewoordingen : " ... bij de werkhervatting van de Heer L. F...." zijn duidelijk : het einde van de arbeidsovereenkomst van de vervanger gaat in op de dag dat de vervangen werknemer zijn werk hervat (Arbeidshof Brussel, 5 september 2001, S.R.K. 2003, 238). Bovendien bepaalt de vervangingsovereenkomst : "... art.
- wanneer de verbintenis gesloten is voor een bepaalde duur of voor bepaald werk, neemt zij een einde na afloop van de termijn of bij voltooiing van het werk, behoudens ontslag wegens dringende reden...". De vervanginsovereenkomst eindigde volgens de V.Z.W. dan ook van rechtswege bij de terugkeer van de vervangen werknemer dit is op 28 februari
- Uit o.m. zijn loonfiche blijkt wel degelijk dat de Heer L. in het bedrijf van appellante is teruggekeerd, en voor 1 dag het werk hervatte. De Eerste Rechter stelde volgens appellante hieromtrent ten onrechte dat de effectieve tewerkstelling van de Heer L. op 28 februari 1995 niet wordt bewezen, reden waarom zij in ondergeschikte orde om het getuigenverhoor verzoekt. B. Het incidenteel hoger beroep Mevrouw S. verzoekt ons Hof : Het bestreden vonnis van de Arbeidsrechtbank van Leuven te bevestigen met betrekking tot de toekenning van een aanvullende opzeggingsvergoeding. Zij verzoekt ons Hof bij wege van incidenteel hoger beroep de V.Z.W. te veroordelen tot. - de betaling van 112.206,66,-F. of 2.781,53 EUR bruto ten titel van opzeggingsvergoeding te vermeerderen met de wettelijke en gerechtelijke intresten op het netto opeisbaar bedrag tot 30 juni 2005 en de gerechtelijke intresten op het bruto verschuldigde bedrag met ingang van 1 juli
- - de afgifte van de volgende sociale en fiscale documenten : Een formulier C4/een loonfiche/een individuele rekening/een fiscale fiche 281.10/ op straffe van een dwangsom van 15 EUR per dag, per ontbrekend document, bij niet-afgifte ervan binnen de maand na betekening van het uit te spreken arrest. Appellante te veroordelen tot alle gerechtskosten, inbegrepen de wettelijke rechtsplegingsvergoeding. Mevrouw S. stelt dat partijen een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur afsloten daar zij geen bepaalde termijn met name een bepaalde einddatum hebben vastgelegd. De overeenkomst van onbepaalde duur bevat geen afwijkingsregels inzake opzegtermijnen, zodoende dat de overeenkomst volgens Mevrouw S. maar kan beëindigd worden mits naleving van de opzeggingstermijnen zoals bepaald in artikel 82 A.O.W. van 3 juli 1978, zijnde 3 maanden in casu. Zij vordert veroordeling van de V.Z.W. tot betaling van een opzegvergoeding gelijk aan 3 maanden lopend loon en voordelen of de som van 112.206,66 -F. of 2.781,53 EUR bruto. Zij vordert tevens haar veroordeling tot afgifte van de volgende sociale en fiscale documenten op straffe van een dwangsom van 15 EUR per dag, per ontbrekend document, bij niet-afgifte ervan binnen de maand na betekening van het uit te spreken arrest : een formulier C4/een loonfiche/een individuele rekening/een fiscale fiche 281.
- De eerste rechter vergat aan deze vordering gevolg te geven. IV. BEOORDELING DOOR HET HOF. Overwegende dat het hoger hoofdberoep en het incidenteel hoger beroep naar vorm en tijd ontvankelijk voorkomen. De V.Z.W. voert ten onrechte aan dat Mevrouw S. in het " dictum " van haar beroepsbesluiten dd. 12 januari 2005 geen incidenteel hoger beroep zou hebben aangetekend. Het Hof stelt vast dat Mevrouw S. reeds in beroepsbesluiten dd. 12 januari 2005 impliciet incidenteel hoger beroep heeft aangetekend tegen het vonnis a quo nl. zowel wat de herleide som t.t.v. opzegvergoeding 2.781,53 e betreft als wat de afgifte van de sociale bescheiden betreft. Overeenkomstig artikel 11 ter A.O.W. 3 juli 1978 kan een vervangingsovereenkomst worden aangegaan voor bepaalde tijd, voor een duidelijk omschreven werk of voor onbepaalde tijd (Cassatie, 28.1.2002, R.W. 2002-2003, 543). Opdat er van een overeenkomst van bepaalde duur sprake zou kunnen zijn, dient de duurtijd in de overeenkomst te worden vastgelegd tussen partijen. Dat veronderstelt dat het moment van het verstrijken van de " bepaalde termijn " reeds door beide partijen is gekend bij het sluiten van de overeenkomst. Dit kan gebeuren door aanduiding van een bepaalde dag of gebeurtenis die op een vaste datum plaats heeft (Cassatie, 22.11.1957, T.S.R. 1959, 274; Cassatie, 15 april 1982, R.W. 1982-1983, 2835). Een vervangingsovereenkomst is voor onbepaalde tijd gesloten indien de gebeurtenis die een einde moet maken aan de vervanging alleen bepaald is wat haar aard betreft en niet m.b.t. het tijdstip, b.v.b. het einde van een periode van ziekte of zwangerschap (Arbeidshof Bergen, 15 juni 1986, J.L.M.B. 1990, 110). Een overeenkomst waarbij een werknemer een andere werknemer vervangt die voor onbepaalde tijd ziek is en waarin als einde wordt overeengekomen de dag dat die zieke werknemer terugkeert, is een overeenkomst van onbepaalde duur (Arbeidshof Luik, 27 april 1988, T.S.R. 1988, 398). Een overeenkomst tot de eerste dag van de legerdienst is eveneens geen arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, omdat bij indiensttreding de juiste einddatum niet gekend is (Arbeidshof Bergen, 15 november 1984, J.T.T. 1985, 189). In casu werd de overeenkomst gesloten " voor de loopbaanonderbreking van F. L., dat ingaat op 1 juni 1990 en zal eindigen bij de werkhervatting van de Heer L. F. (artikel 4). Partijen bepaalden dus een begindatum maar geen vaste einddatum noch een met zekerheid vast te stellen einddatum. Partijen sloten aldus een vervangingsarbeidsovereenkomst voor ONBEPAALDE DUUR. De door partijen in artikel 4 van de geschreven overeenkomst aangewende bewoording " de verbintenis is gesloten voor bepaalde duur " is strijdig met de werkelijke bedoeling van de partijen en overigens ook met de tekst van hetzelfde artikel 4 waarbij partijen de duurtijd van de overeenkomst niet vastlegden (zie hoger) en ook met de tekst van artikel 5 waarin zij bedongen dat de overeenkomst na afloop van de proefperiode een overeenkomst is voor een periode van onbepaalde duur. Bovendien mag de totale duur van een vervangingsovereenkomst overeenkomstig artikel 11ter A.O.W.-wet niet langer zijn dan twee jaar. Werd deze termijn overschreden, dan gelden voor deze overeenkomst dezelfde voorwaarden als voor de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, aldus artikel 11ter, ,§ 1, laatste lid A.O.-wet. De arbeidsovereenkomst werd gesloten tussen partijen op 1 juni 1990 met begindatum 1 juni 1990; op het ogenblik van de beëindiging ervan (28 februari 1995) waren duidelijk reeds meer dan 2 jaar verstreken zodat voor deze overeenkomst overeenkomstig artikel 11ter A.O.-wet alleszins dezelfde voorwaarden gelden als voor de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Overwegende dat deze arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur overeenkomstig artikel 82 ,§ 2 van de A.O.-wet van 3 juli 1978 slechts kon worden beëindigd door de werkgever mits een opzeggingstermijn van ten minste drie maanden. Overwegende dat partijen overigens geen afwijkende opzegtermijn bedongen in de overeenkomst. De door appellante aangevoerde argumenten i.v.m. een verkorte opzegtermijn en i.v.m. het feit dat de Heer L. op 28 februari 1995 het werk hervatte, zijn totaal niet dienend. De tussen partijen gesloten overeenkomst kon overeenkomstig artikel 82 ,§ 2 A.O.-wet slechts worden beëindigd door de werkgever mits een opzegtermijn van 3 maanden. De eerste rechter oordeelde terecht dat appellante wegens de onregelmatige beëindiging van de arbeidsovereenkomst aan Mevrouw S. een opzegvergoeding is verschuldigd gelijk aan 3 maanden loon. Mevrouw S. herleidt haar oorspronkelijke vordering t.t.v. opzegvergoeding tot de cijfermatig niet betwiste en door stukken gestaafde hoofdsom van 2.781,53 EUR (112.206,66 -F.). Zij vordert terecht wettelijke en gerechtelijke intresten op het netto eisbaar bedrag ervan tot 30 juni 2005 en op het brutobedrag ervan vanaf 1 juli 2005, datum van inwerkingtreding van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van ondernemingen, houdende wijziging van artikel 10 van de loonbeschermingswet van 12 april 1965, zoals vastgelegd bij K.B. van 3 juli 2005, artikel 1 (B.S. 12 juli 2005). De eerste rechter deed geen uitspraak over de vordering tot afgifte van sociale en fiscale bescheiden. Het incidenteel hoger beroep is ook op dit punt gegrond. OM DEZE REDENEN HET ARBEIDSHOF Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24, Rechtsprekend op tegenspraak, Verklaart het hoger beroep en incidenteel hoger beroep ontvankelijk, Het hoger hoofdberoep ongegrond, Het incidenteel hoger beroep gegrond, Hervormt het vonnis a quo en opnieuw rechtdoende, Verklaart de oorspronkelijke vordering van Mevrouw S. ontvankelijk en gegrond als volgt , Veroordeelt de V.Z.W. RUSTHUIS " HUIZE NAZARETH " tot betaling aan Mevrouw V. S. de som van 2.781,53 EUR bruto t.t.v. opzegvergoeding te vermeerderen met de wettelijke en gerechtelijke intresten op het overeenstemmend netto-bedrag ervan vanaf 28 februari 1995 tot 30 juni 2005 en met de gerechtelijke intresten op het brutobedrag ervan vanaf 1 juli 2005 tot de dag van de algehele betaling, Veroordeelt de V.Z.W. RUSTHUIS " HUIZE NAZARETH " tot afgifte aan Mevrouw V. S. van een aan onderhavig arrest aangepast formulier C4, loonfiche, individuele rekening en fiscale fiche 281.10 uiterlijk binnen de maand na betekening van het arrest op straffe van een dwangsom van 15 EUR per ontbrekend document per dag vertraging, Veroordeelt de V.Z.W. RUSTHUIS " HUIZE NAZARETH " tot de kosten van beide aanleggen, tot op heden begroot op : In hoofde van appellante : Rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg : 178,78 EUR Rechtsplegingsvergoeding hoger beroep : 267,73 EUR In hoofde van geïntimeerde : Rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg : 178,78 EUR Rechtsplegingsvergoeding hoger beroep : 279,62 EUR Aldus gewezen en uitgesproken op de openbare terechtzitting van de 3de kamer van het Arbeidshof te Brussel op 9 juni 2006, waar aanwezig waren : Mevrouw M. VERMAELEN, Raadsheer, De Heer P. DEPRETER, Raadsheer in sociale zaken als werkgever, De Heer J. DE DECKER, Raadsheer in sociale zaken als werknemer-bediende, Mevrouw L. HERREGODTS, Griffier. PDF document ECLI:BE:CTBRL:2006:ARR.20060609.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div