id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 09 juni 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2006:ARR.20060609.4 Rolnummer: 46415 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-11-09 Raadplegingen: 112 - laatst gezien 2026-07-01 04:31 Fiche Groepsverzekeringspremies zijn loon in de zin van de loonbeschermingswet en de niet tijdige betaling ervan is een strafbaar feit. Ononderbroken wanbetaling gedurende 20 jaar zonder enige rechtvaardigingsgrond wordt door het Hof beschouwd als door een zelfde opzet ingegeven, met name kostenbesparing, en maakt een voortgezet misdrijf uit, zodat de verjaring van de eis ex delicto door de werknemer ingesteld slechts begint te verjaren na het laatste strafbaar feit. Vrije woorden: ARBEIDSREGLEMENTERING - BESCHERMING VAN HET LOON - Arbeidsovereenkomst - Niet-betaling van maandelijkse patronale bijdrage aan de groepsverzekering - Voortgezet misdrijf - Laatste strafbaar feit - Beginperiode van de verjaring. Wettelijke bepalingen: Wet - 12-04-1965 - 42 - 04 ELI link Pub nr 1965041207 Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN NEGEN JUNI TWEEDUIZEND EN ZES. DERDE KAMER Bediendecontract Tegensprekelijk Definitief In de zaak: V. B. J., Appellant, vertegenwoordigd door Mr. K. Boels loco Mr. S. Mertens, advocaat te Mechelen; Tegen: N.V. JOHNSON CONTROLS INTERNATIONAL, met zetel te 1831 DIEGEM-ZUID, Pegasuspark, De Kleetlaan 3; Geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. L. Vanaverbeke, advocaat te Antwerpen; &§61683; &§61683; &§61683; Na beraadslaging, velt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest: Gelet op: de stukken der rechtspleging en ondermeer het eensluidend verklaard afschrift van het vonnis a quo uitgesproken op tegenspraak door de 2e kamer van de Arbeidsrechtbank te Brussel op 29 oktober 2004 (AR nr 61344/03), alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep ontvangen op de griffie van het Arbeidshof op 7 maart 2005; de besluiten, aanvullende besluiten en synthesebesluiten van geïntimeerde, ontvangen ter griffie op 11 juli 2005, 30 november 2005 en 3 maart 2006; de besluiten en synthesebesluiten van appellant, ontvangen ter griffie op 3 oktober 2005 en 3 februari 2006; Gehoord de partijen in hun middelen en verdediging ter openbare terechtzitting van 21 april
- Partijen legden hun bundel neer waarna de debatten gesloten werden en de zaak in beraad werd genomen. &§61552; &§61552; &§61552; I. DE FEITEN. De eerste rechter vatte de feiten zeer volledig en objectief samen als volgt: Appellant trad op 22 oktober 1973 in dienst van de firma NV Schatten, oorspronkelijk in de hoedanigheid van technisch tekenaar. Op 31 januari 1990 werd tussen de NV Schatten en appellant een nieuwe arbeidsovereenkomst afgesloten met behoud van anciënniteit, om reden dat hij van dan af als diensthoofd van de afdeling "data technics" tewerkgesteld was. Onder artikel 18 van de oorspronkelijke arbeidsovereenkomst van 22 oktober 1973 werd voorzien dat aan appellant de voordelen van een groepsverzekering zouden worden toegekend, onder de voorwaarden gesteld in het bijhorende document. Ook in de nieuwe arbeidsovereenkomst van 31 januari 1990 wordt deze groepsverzekering voorzien (art. 17). De NV Schatten had in 1969 een groepsverzekering afgesloten met Assubel ten voordele van haar bedienden. Dit groepsverzekeringsreglement voorzag dat het werd ingesteld voor de bedienden wier jaarloon de referentiebezoldiging, zoals dit bij art. 3 nader omschreven wordt, de 180.000 BEF (EUR 4.462,08) overschrijdt. Op 31 juli 2002 heeft de NV Schatten, die enige tijd later werd opgeslorpt door de NV Johnson Controls International, de arbeidsovereenkomst met appellant verbroken, met betaling van een opzegvergoeding gelijk aan 31 maanden loon, een bijzondere vergoeding van EUR 32.913,17 bruto, en een forfaitaire vergoeding als vakbondsafgevaardigde gelijk aan één jaar loon, hetzij EUR 67.399,88 bruto. Nadat een verzoek tot reïntegratie van appellant door de NV Schatten was afgewezen, vond er op 25 september 2002 een zitting plaats van de verzoeningscommissie, waarbij volgens appellant een gedeeltelijke verzoening werd bereikt, waarbij hem 1 maandsalaris extra zou worden betaald. Appellant dagvaardt geïntimeerde op 14 juli 2003 voor de eerste rechter in betaling van: EUR 248,15 t.t.v. vergoeding wegens achterstallig loon januari t.e.m. juli 2002; EUR 26.366,96 t.t.v. vergoeding wegens niet betaling Assubel groepsverzekering, de som te vermeerderen met de vergoedende intresten sinds 1 augustus 2002 en de gerechtelijke intresten sedert 14 juli 2003; minstens tot betaling van de som van EUR 5.930,- t.t.v. achterstallige patronale bijdragen groepsverzekering, som te vermeerderen met de wettelijke intresten over EUR 1.115,52 sedert 1 januari 1998 over EUR 2.263,80 sedert 1 januari 1999, over EUR 3.429,- sedert 1 januari 2000, over EUR 4.661,76 sedert 1 januari 2002 en over EUR 5.930,30 sedert 1 januari 2002, alsook de gerechtelijke intresten sedert 14 juli 2003; EUR 6.648,89 bruto t.t.v. saldo opzeggingsvergoeding, EUR 4.140,90 bruto t.t.v. saldo beschermingsvergoeding en EUR 5.961,16 t.t.v. bijkomende vergoeding conform akkoord, sommen te vermeerderen met de wettelijke intresten sedert 1 augustus 2002 en de gerechtelijke intresten sedert 14 juli 2003; De eis strekt er tevens toe, voor zover de rechtbank dit nodig acht, geïntimeerde bij toepassing van artikel 871 Ger.Wb. op te dragen de bewijsstukken voor te leggen m.b.t. winstdeelname die in 2002 aan appellant werd toegekend, geïntimeerde tevens te horen veroordelen tot de afgifte van de overeenstemmende sociale documenten (verbeterde loonstroken, individuele rekening en fiscale fiche 281.10) en dit binnen de 30 dagen na het tussen te komen vonnis, onder verbeurte van een dwangsom t.b.v. EUR 15,- per dag vertraging en per ontbrekend document, alsook tot de kosten van het geding, het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren niettegenstaande alle verhaal, zonder borgstelling en met verbod tot kantonnement. Geïntimeerde stelde voor de eerste rechter een tegeneis in die ertoe strekt appellant te horen veroordelen tot terugbetaling aan geïntimeerde van een bedrag van EUR 2.097,03 t.t.v. intresten vanaf 8 augustus 2002, te vermeerderen met de verwijlintresten vanaf 8 september 2003 en appellant te horen veroordelen tot de kosten. II. HET VONNIS A QUO. Het vonnis a quo verklaart de hoofdvordering verjaard wat de premies in de groepsverzekering voorafgaand aan 14 juli 1998 en wat de loonafhoudingen firmawagen betreft. Verklaart de hoofdvordering voor het overige ontvankelijk en als volgt gegrond: Veroordeelt geïntimeerde tot het betalen aan appellant van het netto equivalent, na afhouding van de fiscale en sociale inhoudingen erop, van een bedrag van EUR 4.695,70 bruto t.t.v. saldo opzeggingsvergoeding, EUR 1.817,69 bruto t.t.v. saldo beschermingsvergoeding, EUR 5.916,32 bruto t.t.v. bijkomende vergoeding, te vermeerderen met de wettelijke intresten op de overeenstemmende netto bedragen. Veroordeelt geïntimeerde tot het betalen voor appellant van de premies in de groepsverzekering Assubel voor de periode van 1998 t.e.m. 2002, in totaal voor EUR 5.930,-. Veroordeelt geïntimeerde tevens tot betaling van de gerechtelijke intresten op alle netto bedragen. Veroordeelt geïntimeerde tot afgifte aan appellant van alle wettelijke sociale en fiscale documenten (verbeterde loonstroken, individuele rekening en fiscale fiche 281.10). Wijst appellant voor het overige af. verklaart de tegeneis gegrond. Veroordeelt de heer V. B. tot betaling aan de NV Johnson Controls International van de som van EUR 2001,71 t.t.v. intresten op het onverschuldigd verkregen bedrag van EUR 27.612,45, vermeerderd met gerechtelijke nalatigheidintresten op deze intresten aan de wettelijke rentevoet vanaf 30 april 2004 tot de dag der volledige betaling. Veroordeelt geïntimeerde tot de kosten van het geding. III. DE BEROEPSGRIEVEN. A. HET HOOFDBEROEP. Appellant verzoekt het Hof het vonnis a quo te hervormen en opnieuw rechtdoende geïntimeerde te veroordelen tot betaling van: EUR 26.366,96 t.t.v. schadevergoeding niet betaling groepsverzekering Assubel 1981-2002, te vermeerderen met de vergoedende intresten sinds 1 augustus 2002 en de gerechtelijke intresten sedert 14 juli 2003; Ondergeschikt: Geïntimeerde te veroordelen tot betaling van EUR 5.930,- t.t.v. achterstallige patronale bijdragen groepsverzekering, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten sedert 14 juli 2003 en de wettelijke intresten over EUR 115,52 sedert 1 januari 1998 over EUR 2.263,80 sedert 1 januari 1999, over EUR 3.429,- sedert 1 januari 2000, over EUR 4.661,76 sedert 1 januari 2001 en over EUR 5.930,- sedert 1 januari 2002; EUR 248,15 t.t.v. achterstallig loon; Uiterst ondergeschikt: geïntimeerde te veroordelen tot de betaling van EUR 248,15 t.t.v. schadevergoeding voor het onterecht afhouden van loon voor de firmawagen; EUR 5.440,02 t.t.v. saldo opzeggingsvergoeding te vermeerderen met de wettelijke intresten sedert 1 augustus 2002 en de gerechtelijke intresten sedert 14 juli 2003; EUR 3.672,14 t.t.v. saldo beschermingsvergoeding, te vermeerderen met de wettelijke intresten sedert 1 augustus 2002 en de gerechtelijke intresten sedert 14 juli 2003; EUR 5.922,67 t.t.v. bijkomende vergoeding conform akkoord, te vermeerderen met de wettelijke intresten sedert 1 augustus 2002 en de gerechtelijke intresten sedert 14 juli
- Geïntimeerde eveneens te veroordelen tot de afgifte van de overeenstemmende sociale documenten (verbeterde loonstroken, individuele rekening en fiscale fiche 281.10) en dit binnen de 30 dagen na het tussen te komen vonnis, onder verbeurte van een dwangsom t.b.v. EUR 15 per dag vertraging en per ontbrekend document. Geïntimeerde te veroordelen tot de gerechtskosten. 1.Appellant meent dat de eerste rechter ten onrechte geoordeeld heeft dat artikel 42, 1° van de Loonbeschermingswet, dat uitdrukkelijk verwijst naar artikel 9 van dezelfde wet, niet doelt op de niet (tijdige) betaling van premies aan de groepsverzekeraar. deze stelling is volgens appellant in strijd met de duidelijke cassatierechtspraak ter zake dat de groepsverzekeringspremie die de werkgever dient te betalen, loon vormt in de zin van de Loonbeschermingswet en dat deze premies niet vallen onder de uitsluiting van artikel 2 derde lid c van deze wet (Cass. 4.2.2002, RW 2002-03, afl. 8, 293, noot). Nu vaststaat dat de premies die de werkgever voor zijn bediende aan de verzekeringsmaatschappij dient te betalen loon vormen in de zin van de Loonbeschermingswet, zijn vanzelfsprekend de bepalingen van de Loonbeschermingswet m.b.t. het tijdstip van uitbetaling van toepassing. Appellant stelt dat geïntimeerde overeenkomstig het groepsverzekeringsreglement, art. 6, maandelijks de bijdragen voor hem diende te storten voor de groepsverzekering Assubel sinds 1981, zodat hij door de niet betaling van deze bijdragen vanaf 1981 tot het ontslag een voortgezet misdrijf heeft begaan dat slechts afliep bij het ontslag zodat de verjaring slechts vanaf het ontslag begon te lopen. Appellant vordert ex delicto schadevergoeding ten belope van niet betaalde premies of ten belope van EUR 26.366,96 (EUR 16.828,96 + EUR 9.538,- intresten berekening detail stuk 19 b). Subsidiair vordert appellant ex contractu betaling van de achterstallige premies voor de periode 1998-2002: 1998: EUR 1.115,52 1999: EUR 1.148,18 2000: EUR 1.165,20 2001: EUR 1.232,76 2002: EUR 1.268,24 EUR 5.930,00 2.Appellant stelt dat de eerste rechter zijn vordering tot betaling van achterstallig loon ten belope van EUR 248,15 (EUR 35,45 x 7 maanden ten onrechte ingehouden loon voor de bedrijfswagen) ten onrechte verjaard verklaarde bij toepassing van artikel 15 AO-wet daar deze eis reeds was begrepen in de inleidende dagvaarding die de verjaring tijdig stuitte. Subsidiair stelt appellant een vordering tot betaling van EUR 248,15 t.t.v. schadevergoeding ex delicto. 3.Appellant stelt dat de eerste rechter hem ten onrechte geen aanvullende opzegvergoeding (voor 31 maanden loon) toekende op volgende loonbestanddelen en voordelen: Winstpremie 2002: EUR 212 x 31 = EUR 547,67 Premies Assubel EUR 126.874 x 31 = EUR 3.277,58 Sociale zekerheidsbijdragen of patronale bijdragen aan 6% = EUR 196,
- Appellant stelt dat geïntimeerde hem derhalve een saldo opzeggingsvergoeding verschuldigd is gelijk aan: inhouding firmawagen EUR 1.098,95 winstdeelname EUR 547,67 groepsverzekering Assubel EUR 3.277,58 patronale zekerheidsbijdragen over groepsverzekering (6%) EUR 196,65 geschenkencheques en ziektever-zekering DVK (niet betwist) EUR 319,17 SALDO: EUR 5.440,02 4.Appellant meent dat geïntimeerde hem een saldo beschermingsvergoeding verschuldigd is uit hoofde van dezelfde looncomponenten: - jaarloon EUR 68.966,21 - inhouding firmawagen EUR 425,40 - winstdeelname EUR 212,00 - groepsverzekering Assubel EUR 1.268,74 geschenkencheques & ziekteverzekering DKV EUR 123,55 patronale sociale zekerheidsbijdragen over groepsverzekering (6%) EUR 76,12 EUR 71.072,02 Ontvangen : EUR 67.399,88 Saldo (bruto) : EUR 3.672,14 5.De bijkomende vergoeding gelijk aan één maand loon werd volgens appellant door de eerste rechter ten onrechte bepaald op de som van EUR 5.916,32 bruto in plaats van 5.922,
- De eerste rechter hield volgens appellant ten onrechte geen rekening met de patronale sociale zekerheidsbijdragen over de groepsverzekering (6%) of EUR 76,12 per jaar. 6.Appellant meent dat de eerste rechter hem ten onrechte veroordeelde tot betaling van 2001, EUR 71 t.t.v. intresten sedert augustus 2002op de door hem terugbetaalde hoofdsom van EUR 27.612,45 en dat de eerste rechter ten onrechte ook kapitalisatie van deze intresten toestond, vermits geïntimeerde hem daartoe niet gerechtelijk aanmaande. 7.Appellant vordert veroordeling van geïntimeerde tot afgifte van correcte fiche 281.10 voor 2002 en tot betaling van een dwangsom van EUR 15 per dag vertraging en per ontbrekend sociaal of fiscaal document. B. HET INCIDENTEEL HOGER BEROEP. NV Johnson Control stelt met beroepsbesluiten een incidenteel hoger beroep in en verzoekt ons Hof het vonnis a quo te hervormen en opnieuw rechtdoende de vorderingen van de heer V. B. af te wijzen als zijnde ongegrond en hem te veroordelen tot terugbetaling aan Johnson Control van het bedrag van EUR 2.097,03 t.t.v. intresten vanaf 8 augustus 2002, te vermeerderen met de verwijlintresten vanaf 8 september 2003 en hem te veroordelen tot de kosten ven beide aanleggen. 1.Johnson Control stelt dat de heer V. B. nooit effectief werd aangesloten bij de groepsverzekering Assubel omdat zijn loon het grensbedrag, voorzien in artikel 5 van het groepsverzekeringsreglement nooit overschreed zodat geen premies door de werkgever verschuldigd waren (stukken 13, 14 en 7). Bovendien werd hij vanaf 92 aangesloten bij een nieuwe groepsverzekering Zurich en werden de patronale premies hiervoor betaald tot het einde van zijn tewerkstelling. In ondergeschikte orde stelt Johnson dat de niet betaling van premies aan de groepsverzekering geen misdrijf is zoals strafrechterlijk gesanctioneerd door artikel 42,1 en 9 van de Loonbeschermingswet. De Loonbeschermingswet is immers enkel van toepassing op de werkgevers in de relatie met hun werknemers (cfr. artikel 1 van deze wet). De premies voor de groepsverzekering daarentegen, worden niet door de werkgever aan de werknemer betaald, maar wel door de werkgever aan een derde, de groepsverzekeraar. De frequentie en de betaling van de premies voor de groepsverzekering worden bijgevolg zoals de eerste rechter terecht stelt - niet door artikel 9 van de Loonbeschermingswet geregeld. Johnson stelt dat het toepassingsgebied van de Loonbeschermingswet zich beperkt tot het loon dat rechtstreeks door de werkgever aan de werknemer betaald wordt. Dit blijkt ook duidelijk uit alle andere bepalingen uit de Loonbeschermingswet, waaronder artikel 5, artikel 3, 23, 27 e.v. Het is derhalve volgens Johnson duidelijk dat de premies die de werkgever stort, niet onder artikel 9 van de Loonbeschermingswet vallen, zodat artikel 42 van diezelfde wet, dat de overtredingen van de wet strafrechtelijk sanctioneert, evenmin van toepassing kan zijn. Volgens Johnson Control is er derhalve geen misdrijf door de werkgever begaan vermits daar geen rechtsgrond toe bestaat. Bovendien ontbreekt ook het intentioneel element in hoofde van de werkgever op dat een misdrijf zou zijn begaan. De NV Schatten ging er immers van uit dat de heer V. B. niet moest aangesloten worden bij de groepsverzekering Assubel. Ook de eenheid van opzet is niet bewezen zodat de niet betaling van de premies alleszins niet als een voortgezet misdrijf kan beschouwd worden zodat de vordering ex delicto in ieder geval is verjaard voor de periode voor 14 juli
- Uiterst subsidiair stelt Johnson Control dat de door de heer V. B. beweerde schade wegens het niet betalen van premies niet gelijk is aan het totaal van de niet betaalde premies maar wel gelijk aan het niet opgebouwde kapitaal dat correspondeert met de werkgeverspremies. In de premies zit immers ook een stuk winst van de verzekeringsmaatschappij inbegrepen. Gesteld dat Johnson niettemin zou veroordeeld worden tot betaling van een vergoeding gelijk aan (een gedeelte) van de premies die aan de groepsverzekeraar hadden moeten betaald zijn quod non dan merkt zij nog op dat er voor het jaar 2002 slechts voor zeven maanden bijdragen in aanmerkingen genomen mogen worden en niet voor een heel jaar zoals appellant ten onrechte doet. Tenslotte merkt Johnson op dat de eerste rechter terecht oordeelt dat er op de gevorderde bedragen geen intresten kunnen worden toegekend vermits enkel de bedragen bedoeld in artikel 10 van de Loonbeschermingswet intresten kunnen opbrengen terwijl appellant een schadevergoeding eist. 2.Over de onterechte loonafhouding van EUR 248,15 stelt Johnson dat deze vordering werd ingeleid bij besluiten dd. 27 september 2004 en dat deze eis is verjaard overeenkomstig artikel 15 AO-wet daar hij niet werd gestuit door de inleidende dagvaarding daar hij er niet virtueel in begrepen was (Cass. 3.6.1991, RW 91-92, 412). Ondergeschikt stelt Johnson dat deze eis alleszins ongegrond is daar de gebruiksovereenkomst voor de bedrijfswagen Citroën Xantia 1,9 SDX door partijen na 31 december 2001 stilzwijgend werd verlengd. 3.Het in aanmerking te nemen jaarloon voor het berekenen van opzeg- en beschermingsvergoeding werd aanvankelijk volgens Johnson bepaald op: - vast loon: 4.048,09 x 13,92 = EUR 56.850,53 privé-gebruik wagen: e 371,84 x 12 = EUR 4.162,08 maaltijdcheques: EUR 89,20 x 12 = EUR 1.017,40 privé-gebruik GSM: EUR 80 x 12 = EUR 960,00 groepsverzekering: EUR 468,60 x 12 = EUR 5.623,20 TOTAAL: EUR 68.966,21 Johnson stelt in besluiten dat dit bedrag dient te worden vermeerderd met een bedrag van EUR 212,30 voor de winstdeelname, met een bedrag van EUR 11,55 voor de geschenkencheques en met een bedrag van EUR 120 voor de bijdragen aan de hospitalisatieverzekering. Dit komt neer op een referentiejaarloon van EUR 69.410,
- Op basis van dit jaarloon is appellant gerechtigd op een opzeggingsvergoeding van (EUR 69.410,06 x (31/12)= EUR 179.309,32 en op een beschermingsvergoeding van EUR 69.410,
- Doordat hij al een bedrag van EUR 178.162,63 t.t.v. opzeggingsvergoeding en een bedrag van EUR 67.399,88 t.t.v. beschermingsvergoeding ontvangen heeft, is appellant volgens Johnson slechts gerechtigd op een saldo opzeggingsvergoeding van EUR 1.146,69 en een saldo beschermingsvergoeding van 2.010,
- 4.Over de bijkomende vergoeding gelijk aan één maand loon (dat de som van EUR 69.410,06/12 = EUR 5.784,17 niet mag overtreffen) stelt Johnson dat uit de neergelegde stukken (stuk 5) blijkt dat deze bijkomende vergoeding hem door de werkgever slechts werd toegezegd in het kader van en voor zover een definitieve regeling van partijen tot slot van alle rekeningen tot stand kwam, quod non,zodat deze vergoeding hem niet verschuldigd is. 5.De gekapitaliseerde intresten op de onverschuldigde som, betaald op 8 augustus
- Johnson stelt dat de heer V. B. deze som (EUR 27.612,45) slechts terugbetaalde op 8 september 2003 (stuk 10) en dat hij overeenkomstig artikel 1378 BW verwijlintresten verschuldigd is, die overeenkomstig artikel 1154 BW dienen te worden gekapitaliseerd op 28 juli 2003 of de som van EUR 2.097,03 (396 dagen) te vermeerderen met de gerechtelijke intresten. &§61683; &§61683; &§61683; IV. BEOORDELING VAN HET HOF. Overwegende dat het hoger beroep en het incidenteel hoger beroep naar vorm en tijd ontvankelijk voorkomen, wat overigens niet wordt betwist. 1.De premies in de groepsverzekering Assubel Het Hof stelt met de eerste rechter aan de hand van de neergelegde stukken vast dat appellant bewijst dat zijn jaarloon vanaf het jaar 1981 inderdaad de loongrens overschreed, zoals door de werkgever verhoogd (stuk 23 en 24 appellant) nl. 600.000 BEF in 1979 en 650.000 BEF in
- Johnson Control brengt geen enkel stuk bij waaruit blijkt dat de werkgever deze loongrens na 1980 nog zou hebben verhoogd. Johnson Control stelt ten onrechte dat de bewijslast dienaangaande op de werknemer zou rusten. Het loongrensbedrag kon overeenkomstig artikel 4 van het groepsverzekeringsreglement (stuk 3 appellant) immers door de werkgever worden gewijzigd, zodat de werkgever uiteraard in het bezit moet zijn van stukken betreffende mogelijks door hem doorgevoerde wijzigingen van het loongrensbedrag. Appellant legt het pensioenreglement neer (stuk 3) en de stukken 23 en 24 houdende wijziging van het loongrensbedrag bedoeld in artikel 4 van dit reglement. Deze stukken stemmen overigens overeen met de door Johnson neergelegde stukken 13 en 14, bijlagen aan het groepsverzekeringsreglement dd. 21 december 1978 (verhoging tot 600.000 BEF) en 28 april 1980 (verhoging tot 650.000 BEF). Vermits de werkgever niet bewijst dat hij nog aanpassingen van het loongrensbedrag verrichtte na 28 april 1980, is het bewezen dat het overeenkomstig de artikelen 4 en 5 van het reglement in aanmerking te nemen loongrensbedrag sinds 28 april 1980 650.000 BEF bedraagt en derhalve is de door de werkgever verschuldigde jaarlijkse patronale bijdrage aan de groepsverzekering voor appellant vanaf januari 1981 gelijk aan 4% van het jaarlijks loon dat deze grens overschrijdt (art. 5 Pensioenreglement) zoals terecht door appellant in detail berekend in zijn stuk 19b). Johnson merkt evenwel terecht op dat appellant in het jaar 2002 slechts 7 maanden tewerkgesteld was, zodat voor het jaar 2002 slechts EUR 1.268,24 : 12 x 7 = EUR 739.80 of 7 maandelijkse premies verschuldigd konden zijn. De werkgever had ten voordele van appellant derhalve de totale som dienen te betalen t.t.v. patronale bijdragen groepsverzekering Assubel voor de tewerkstelling van 1981 tot 31 juli 20012 : EUR 16.300,52 (nl. EUR 16.828,96 (totaal stuk 19b) - EUR 1.268,24 (bijdrage 2002 volledig jaar) + EUR 739,80 (bijdrage 2002 1/1 tot 31/7/02)). Appellant vordert schadevergoeding ex delicto wegens niet betaling van deze patronale bijdragen aan de groepsverzekering. artikel 42, 1° van de Loonbeschermingswet stelt inbreuken op o.a. artikel 9 strafbaar: "Onverminderd de artikelen 269 tot 274 van het Strafwetboek, worden gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot een maand en met een geldboete van 26 tot 500 euro of met een van die straffen alleen; 1° de werkgever, zijn aangestelden of lasthebber die zich schuldig hebben gemaakt aan overtredingen van artikelen 3,4,5,6,9 tot 9quinties, 11,12,13,14,15, vierde lid, of van een beslissing van het bevoegde paritair comité, algemeen bindend verklaard door de Koning bij toepassing van artikel 15, derde lid. 2° ..." Overeenkomstig artikel 9 van de Loonbeschermingswet moet het loon op gezette tijden worden uitbetaald. Artikel 9 lid 7 van de Loonbeschermingswet bepaalt: "Bij ontstentenis van een collectieve arbeidsovereenkomst, moet het loon worden uitbetaald op die tijdstippen en binnen de termijnen die zijn vastgesteld in het arbeidsreglement of in enig ander vigerend reglement;" Het begrip loon aangewend in artikel 9 van de Loonbeschermingswet wordt gedefinieerd in artikel 2 van dezelfde wet dat immers stelt: "Deze wet verstaat onder "loon": Premies die door de werkgever aan een derde ter uitvoering van een groepsverzekering uitbetaald worden maken deel uit van het loon omschreven in artikel 2, eerste lid van de Loonbeschermingswet zo de werknemer aanspraak kan maken op die uitbetaling en zijn recht stoelt op de arbeidsovereenkomst (Cass. 16.1.1978, RW77-78, 2721)." Dergelijke groepsverzekeringspremies die het pensioenfonds spijzen zijn in geld waardeerbare voordelen die als tegenprestatie van de verrichte arbeid betaald worden en maken deel uit van het loon in de zin van de Loonbeschermingswet (Cass. 4.2.2002, RW 2002-03, 293; Cass. 4.2.202, RW 2001-02, 1356; Antwerpen 30.6.1997, RW 97-98, 374 en Arbh. Antw. 15.1.2003, Soc. Kron. 2004, 79). Ook de betaling door de werkgever van sommen aan een derde kan als de betaling van loon worden beschouwd mits de werknemer aanspraak kan maken op die uitbetaling en hij zijn recht stoelt op de dienstbetrekking (Cass. 18.2.2002, JTT 2002, 371). In casu De beide arbeidsovereenkomsten dd. 13 oktober 1973 en dd. 31 januari 1990 voorzien uitdrukkelijk, in respectievelijk artikel 18 en artikel 17 het recht van appellant op groepsverzekering conform het groepsverzekeringsreglement (stukken 1 t.e.m. 3), welk reglement onder artikel 6 uitdrukkelijk bepaalt dat de bijdragen maandelijks dienen gestort te worden door de werkgever. Het groepsverzekeringsreglement is volgens het Hof een ander vigerend reglement zoals bepaald in artikel 9 lid 7 Loonbeschermingswet. Zoals hierboven reeds uiteengezet had appellant vanaf januari 1981 recht op betaling van premies door de werkgever aan de groepsverzekering. deze premies konden duidelijk becijferd worden in hoofde van appellant en dienden maandelijks betaald te worden. Het Hof stelt vast dat de niet tijdige betaling van deze patronale premies aan de groepsverzekering, d.w.z. loon, strafbaar is overeenkomstig artikel 42 van de Loonbeschermingswet (zie in dezelfde zin arbrb. Brussel 24e k., 7.11.1979, JTT 1980, 183; Arbh. Antwerpen 3.9.2003, SRK 2004, 79-81; Arbh. Brussel 4e k., 3.2.1981, JTT 81, 145). Overwegende dat bewezen is dat de werkgever de verschuldigde patronale maandelijkse premies aan de groepsverzekering niet betaalde voor appellant vanaf januari 1981 t.e.m. juli
- Ook bij sociaalrechtelijke misdrijven is een intentioneel element van het misdrijf vereist (Arbh. Brussel 12.5.1982, JTT 83, 183; Arbh. Brussel 5.9.1990, RSR 1991, 11; Arbh. Gent 7.2.2001, JTT 2001, 242). Bij sociaal rechtelijke misdrijven is vereist dat de dader vrijwillig en bewust handelde (Arbh. Brussel 18.1.1980, JTT 82, 36) Er is schuld of fout van de overtreder vereist (Brussel 4.1.1995, JTT 95, 254; Arbh. Brussel 28.6.1994, Rev. Liège 94, 1397). Het moreel bestanddeel kan bv. bestaan in een toerekenbaar nalaten zich te informeren over de wettelijke verplichtingen (Arbh. Antwerpen 3.5.1990, JTT 90, 410). Johnson Control voert geen enkele grond aan van rechtvaardiging die enig element van geloofwaardigheid bevat. Het feit dat zij "dacht dat appellant niet moest aangesloten worden bij de groepsverzekering Assubel" is geen onoverwinnelijke dwaling. In de concrete omstandigheden van de zaak (zie hoger) had appellant krachtens zijn arbeidsovereenkomst en zijn loon vanaf 1981 duidelijk recht op aansluiting bij deze groepsverzekering. De werkgever bewijst geen enkele rechtvaardigingsgrond waarom hij geen patronale premies betaalde. De eerste rechter merkte reeds terecht op dat de groepsverzekering Assubel vanaf 1992 niet werd vervangen door de groepsverzekering Zurich zoals Johnson Control in besluiten laat uitschijnen. Ook dit argument is derhalve geen rechtvaardigingsgrond. De door appellant neergelegde stukken (10,13 tot 15) bewijzen dat appellant lang voor de dagvaarding en m.n. op 11 september 2002 de werkgever uitdrukkelijk heeft verzocht de afsluiting van zijn eerste groepsverzekering (art. 18 arbeidsovereenkomst 13.10.1972) te mogen ontvangen en dat hij pas op 9 december 2002 een antwoord dienaangaande mocht ontvangen, waarin de werkgever stelt dat hij na grondig onderzoek moet vaststellen dat er vóór 1992 nooit een groepsverzekering is geweest voor de bedienden van de firma schatten, standpunt dat de werkgever nogmaals herhaalt in zijn brief van 28 april 2003 zij het meer genuanceerd, stellende dat er geen groepsverzekering Assubel is geweest die appellant zou betreffen. Deze stellingname van Johnson Control geeft blijk van een grondige nalatigheid door zich m.n. niet terdege te informeren over de rechten en de verplichtingen van partijen aangaande de groepsverzekering Assubel waarvan appellant het voordeel kon genieten krachtens duidelijke en uitdrukkelijke bepaling in zijn arbeidsovereenkomsten en het groepsverzekeringsreglement. De vijfjarige verjaringstermijn van een burgerlijke vordering gesteund op een misdrijf bedoeld in artikel 26 VtSV begint ingeval van voortgezet misdrijf te lopen vanaf het laatste feit dat met hetzelfde opzet werd gepleegd (Cass. 2.2.2004, NJW 2004, 1289; Cass. 18.2.2004, JLMB 2004, 1361). Het staat alleen de feitenrechter te oordelen of verscheidene misdrijven wegens eenheid van opzet één enkel strafbaar feit uitmaken (Cass. 4.12.1989 RW 89-90, 1192). Met eenheid van misdadig opzet wordt niet bedoeld opzet in tegenstelling tot onachtzaamheid maar wel het plan, de bedoeling of de ingesteldheid van de dader waarvan de veelheid van strafbare gedragingen de uitdrukking is (Arbh. Gent, afd. Brugge, 20.10.1989, RW 90-91, 575; Arbh. Antwerpen 23.4.2003, Soc. Kron. 2004, 76). Het Hof stelt vast dat de werkgever de patronale premies aan de groepsverzekering Assubel voor appellant niet betaalde van 1981 t.e.m. juli 2002 met dezelfde bedoeling deze kosten te besparen... De niet betaling van de maandelijkse patronale premies groepsverzekering vanaf januari 1981 t.e.m. 31 juli 2002 is in hoofde van de werkgever een voortgezet misdrijf dat slechts begint te verjaren vanaf het laatste strafbare feit (Cass. 2.2.2004 o.c.), zodat de vijfjarige verjaring pas begint op het ogenblik van het einde van de arbeidsovereenkomst (Cass. 26.10.1970). Appellants vordering tot schadevergoeding was derhalve niet verjaard en hij stuitte tijdig door dagvaarding op 14 juli
- Reeds hoger stelde het Hof vast dat de werkgever van 1 januari 1981 tot 31 juli 2002 een totaal bedrag aan premies groepsverzekering ten voordele van appellant niet betaalde gelijk aan EUR 16.300,
- Overeenkomstig artikel 7, 2 van het groepsverzekeringsreglement, wordt een verzekeringscontract type "uitgesteld kapitaal" opgemaakt voor de bediende dat door de patronale premies gestijfd wordt (art. 5). In de verklarende nota bij dit reglement onder Wiskundige Reserve is bepaald dat voor de contracten uitgesteld kapitaal het bedrag van de wiskundige reserve het gekapitaliseerd bedrag vertegenwoordigt van de premies geboekt sedert de onderschrijving. Het is aldus bewezen dat appellant een schade lijdt die minstens gelijk is aan het bedrag van de verschuldigde patronale premies groepsverzekering uitgesteld kapitaal of EUR 16.300,
- Appellant heeft geen recht op wettelijke intresten op deze schadevergoeding ex delicto die immers geen loon is, wel op vergoedende intresten die verschuldigd zijn vanaf het ogenblik van het misdrijf of m.a.w. vanaf het ogenblik van niet betaling van de premies. 2.De ten onrechte verrichte loonafhoudingen t.b.v. EUR 248,15 voor de leasingwagen. Appellant stelt terecht dat op pagina 2 van de inleidende dagvaarding uitdrukkelijk geschreven staat: "betaling wordt gevorderd van de verschuldigde vergoedingen en loon". In het dispositief van de dagvaarding wordt voorbehoud gemaakt voor "alle andere schulden". Het Hof stelt vast dat de vordering van achterstallig loon virtueel in de oorspronkelijke dagvaarding was begrepen, verder dat de eis regelmatig werd uitgebreid zoals voorzien door artikel 807 Ger.Wb. zodat de loonvordering t.b.v. e 248,15 ontvankelijk is. Uit de door appellant neergelegde stukken 4 en 5 blijkt dat de overeenkomst tot afhouding van EUR 35,45 per maand betrekking had op een welbepaalde leasewagen en dat deze in de tijd uitdrukkelijk was beperkt van 1 januari 1998 tot 31 december
- de eerste rechter stelde reeds en terecht: "Er blijkt niet uit de stukken dat dit bedrag van 35,45 EUR een vergoeding is die door appellant betaald moest worden voor het privé gebruik van deze wagen. Door het feit dat dit bedrag gekoppeld wordt aan één leasingcontract, blijkt eerder dat de stelling dat dit een vergoeding uitmaakt ten laste van appellant voor overschrijding van het budget voor de leasingwagen, correct is." Appellant kreeg vanwege de werkgever op 1 december 1999 expliciet de toestemming het bedrijfsvoertuig voor persoonlijk gebruik aan te wenden met een afzonderlijk geschrift (stuk 4 appellant) en deze toestemming was niet beperkt in de tijd, zodat deze nog steeds gold na 31 december 2001 en tot aan het ontslag. Geïntimeerde heeft ten onrechte loonafhoudingen verricht ten bedrage van EUR 248,15 en is gehouden tot betaling ervan aan appellant, meer de wettelijke intresten. 3.Het in aanmerking te nemen jaarloon overeenkomstig artikel 39 AO-wet. - Het vast maandloon ten tijde van het ontslag bedroeg EUR 4.084,09 (loonstaat stuk 21 appellant) zodat het jaarlijks vast loon met inbegrip van de dertiende maand en het vakantiegeld bedroeg: EUR 4.048,09 x 13,92 = EUR 56.850,33 waarde voordeel privé gebruik wagen (niet betwist deel) EUR 4.162,08 maaltijdcheques (niet betwist) EUR 1.017,40 GSM (niet betwist) EUR 960,00 groepsverzekering (niet betwist) EUR 5.623,20 samen: EUR 68.966,21 winstdeelname (niet betwist) (per jaar) EUR 212,00 premies groepsverzekering Assubel (per jaar) EUR 1.268,74 geschenkencheques en ziekteverzekering (niet betwist) (per jaar) EUR 123,55 waarde voordeel privé gebruik bedrijfswagen (ten onrechte ingehouden deel zie hoger) EUR 425,40 TOTAAL: EUR 70.995,90 Appellant vordert ten onrechte dat de sociale zekerheidsbijdragen die de werkgever verschuldigd is over groepsverzekeringspremies (6% of e 76,12 zouden worden in aanmerking genomen als loon en voordelen zoals bedoeld in artikel 39 AO-wet. Deze sociale werkgeversbijdragen zijn immers een kost voor de werkgever die op geen manier een persoonlijk voordeel verschaft aan de werknemer. 4.Saldo beschermingsvergoeding en opzegvergoeding. Appellant ontving betaling van volgende bedragen: beschermingsvergoeding EUR 67.399,88 opzegvergoeding (zie individuele rekening stuk 16 Johnson) EUR 178.162,63 appellant heeft recht op betaling van: beschermingsvergoeding: EUR 70.995,90 opzegvergoeding: EUR 70.995,90 : 12 x 31 = EUR 183.406,07 Verschuldigde saldi: beschermingsvergoeding: e 70.995,90 - EUR 67.399,88 = EUR 3.596,02 opzegvergoeding: EUR 183.406,07 - EUR 178.162,63 = EUR 5.243,44 5.Bijkomende vergoeding van één maand loon Het Hof beaamt volledig de motivering van de eerste rechter (blz. 6, punt 5) dienaangaande en acht deze voor herhaald. Gelet op het onvoorwaardelijk akkoord van partijen is Johnson aan appellant een bijkomende vergoeding verschuldigd gelijk aan één maand loon of EUR 70.995,90 (zie hoger) : 12 = EUR 5.916,
- 6.Sociale en fiscale documenten Het Hof beaamt ten volle de beslissing van de eerste rechter terzake. 7.De oorspronkelijke tegeneis gekapitaliseerde intresten op de hoofdsom van EUR 27.612,45 Gezien uit de neergelegde stukken inderdaad blijkt, zoals de eerste rechter terecht oordeelde, dat appellant werd aangemaand door Johnson tot terugbetaling van de onverschuldigde som van EUR 27.612,45 op 26 augustus 2002 en dat appellant op dit ogenblik perfect wist aan wie hij deze som diende terug te betalen (zie vonnis a quo 8e blz.) is hij vanaf deze datum te kwader trouw in het bezit gebleven van de onverschuldigd ontvangen som tot 8 september 2003 en is hij overeenkomstig artikel 1378 BW gehouden tot betaling van verwijlintresten voor 378 dagen ten belope van EUR 2.001,
- Met besluiten dd. 30 april 2004 vorderde Johnson de kapitalisatie van deze intresten zodat deze door de eerste terecht werd toegestaan om de in het vonnis a quo aangehaalde redenen. &§61683; &§61683; &§61683; OM DEZE REDENEN, Het Arbeidshof, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24, Rechtsprekend op tegenspraak, Alle andere middelen en conclusies verwerpende, Verklaart het hoger hoofdberoep en het incidenteel hoger beroep ontvankelijk. Verklaart het hoger hoofdberoep gegrond in hierna vermelde mate Verklaart het incidenteel hoger beroep ongegrond. Bevestigt het vonnis a quo in zijn beschikkingen over de oorspronkelijke tegeneis van NV Johnson Controls International en over de kosten van het geding. Hervormt het vonnis a quo voor het overige. Opnieuw rechtdoende over de oorspronkelijke hoofdeis van appellant, Verklaart de hoofdvordering van de heer J. V. B. ontvankelijk. Verklaart deze hoofdvordering gedeeltelijk gegrond als volgt: Veroordeelt NV Johnson Controls International tot betaling aan de heer J. V. B. van het netto equivalent van volgende bruto bedragen na inhouding van sociale en fiscale lasten: EUR 5.243,44 (vijfduizend tweehonderd drieënveertig euro en vierenveertig cent) bruto t.t.v. aanvullende opzegvergoeding, EUR 3.596,02 (drieduizend vijfhonderd zes en negentig euro en twee cent) bruto t.t.v. aanvullende beschermingsvergoeding, EUR 5.916,32 (vijfduizend negenhonderd zestien euro en tweeëndertig cent) bruto t.t.v. bijkomende vergoeding, te vermeerderen met de wettelijke en gerechtelijke intresten op de overeenstemmende netto bedragen. Veroordeelt NV Johnson Controls International eveneens tot betaling aan de heer J. V. B. van de som van EUR 248,15 (tweehonderd achtenveertig euro en vijftien cent) netto t.t.v. achterstallig loon en de som van EUR 16.300,52 (zestienduizend driehonderd euro en tweeënvijftig cent) netto t.t.v. schadevergoeding wegens niet betaling van patronale premies groepsverzekering Assubel, dit laatste bedrag te vermeerderen met vergoedende intresten vanaf de datum van de misdrijven van niet betaling tot 13 juli 2003 en met gerechtelijke intresten vanaf 14 juli 2003 tot de dag der betaling. Wijst appellant af van het meergevorderde. Veroordeelt NV Johnson Controls International tot afgifte aan de heer J. V. B. van alle wettelijke sociale en fiscale documenten aangepast aan de veroordelingen in huidig arrest binnen de dertig dagen na de betekening ervan. Veroordeelt NV Johnson Controls International tot de kosten van het hoger beroep, tot op heden als volgt begroot: Voor appellant: rechtsplegingsvergoeding hoger beroep aanvullende rechtsplegingsvergoeding EUR 285,57 EUR 59,47 Voor geïntimeerde: rechtsplegingsvergoeding hoger beroep EUR 285,55 Aldus gewezen en uitgesproken op de openbare terechtzitting van de derde kamer van het Arbeidshof te Brussel op negen juni tweeduizend en zes. Waren aanwezig: M. VERMAELEN: Raadsheer. F. VANDEWIJNGAERDEN: Raadsheer in Sociale Zaken als werkgever. J. DE DECKER: Raadsheer in Sociale Zaken als werknemer-bediende. L. HERREGODTS: Griffier. PDF document ECLI:BE:CTBRL:2006:ARR.20060609.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div