id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 28 juni 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2006:ARR.20060628.15 Rolnummer: K.G. 287 Rechtsgebied: Overige - Arbeidsrecht Invoerdatum: 2007-03-14 Raadplegingen: 140 - laatst gezien 2026-07-01 04:39 Fiches 1 - 2 De vordering van een ex-werkgever tegen een door zijn ex-werknemers opgerichte vennootschap is ontvankelijk. De bevoegdheid ratione materiae van de rechter die van de vordering kennis neemt, wordt bepaald naar het onderwerp van de vordering. In de oorspronkelijke arbeidsovereenkomst werd met voorzien m een concurrentiebeding zodat het de ex-werknemers vrijstaat, na de beëindiging van hun arbeidsovereenkomst, hun ex-werkgever op eerlijke manier te beconcurreren. Er is geen sprake van systematische desorganisatie of destabilisatie van een bedrijf wanneer er sprake is van 7 werkverlaters in verhouding van een sociale turn-over van 294 vertrekken voor 384 aanwervingen. Er is sprake van oneerlijke concurrentie wanneer personeel wordt af geworven door de ex-werkgever qua arbeidsvoorwaarden en personeelsbeleid in een slecht daglicht te stellen. Er is sprake van oneerlijke concurrentie wanneer producten van de ex-werkgever worden gedenigreerd en er foutieve informatie over gegeven wordt. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BEVOEGDHEID - Materiële bevoegdheid - Arbeidsrechtbank - Algemene bevoegdheid arbeidsrechtbank Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP - RECHT - WETGEVING - GERECHTELIJK RECHT - Arbeidsrechtbank - Bevoegdheid ratione materiae - Oneerlijke concurrentie - Gebruik van vertrouwelijke informatie - Afwerven personeel. Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 578 - 03 ELI link Pub nr 1967101054 Nota: I A art 578 . Gepubliceerd in RABG 2007, p.
- Eveneens gerangschikt onder II AAN art. 17, 3°. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Concurrentiebeding Vrije woorden: ARBEIDSOVEREENKOMSTEN - ALGEMENE REGELINGEN - Arbeidsrechtbank - Bevoegdheid ratione materiae - Oneerlijke concurrentie - Gebruik van vertrouwelijke informatie - Afwerven personeel. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 17,3° - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Nota: II AAN art 17,3° Gepubliceerd in RABG 2007, p.
- Eveneens gerangschikt onder I A art.
- Annotaties Publicaties: RECHTSPRAAK ANTWERPEN BRUSSEL GENT - - 2007,P. 104 Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST BUITENGEWONE OPENBARE TERECHTZITTING VAN 28 JUNI 2006 1STE KAMER Kortgeding Tegensprekelijk Definitief Inzake :
- A. D.,
- S. V.,
- V.N. N.
- W.A.K.C.,
- B.V.B.A. D.N.V., met maatschappelijke zetel gevestigd te 7062 SOIGNIES (NAAST), rue d'Ecausinnes
- Appellanten, vertegenwoordigd door Mr G. VAN GRIEKEN en Mr B.H. VINCENT, advocaten te Brussel. Tegen : B.V.B.A. D & P BELGIUM, met maatschappe-lijke zetel gevestigd te 1831 MACHELEN (DIEGEM), J.E. Mommaertslaan 18 B. Geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr M. SIMON en Mr S. COCKX, advocaten te Brussel. Na beraadslaging, velt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest: Gelet op de stukken van de rechtspleging en meer bepaald op : - de dagvaarding in kortgeding ontvangen ter griffie van de Arbeidsrechtbank te Brussel op 22 februari 2006; - het voor eensluidend verklaard afschrift van de beschikking gewezen op tegenspraak door de Kamer zetelend in kort geding van de Arbeidsrechtbank te Brussel op 24 april 2006; - het verzoekschrift in hoger beroep ontvangen ter griffie van dit Hof op 27 april 2006; - de besluiten van de geïntimeerde partij neergelegd ter openbare terechtzitting van 5 mei 2006; - het tussenarrest van dit Hof d.d. 19 mei 2006; - de synthesebesluiten van de geïntimeerde partij neergelegd ter openbare terechtzitting van 2 juni 2006; Gehoord partijen in hun middelen en beweringen op de openbare terechtzitting van 2 juni 2006, waarna de debatten gesloten werden en de zaak in beraad werd genomen. Gelet op de neergelegde stukken. ó ó ó VOORWERP EN PROCEDURE De bij voormelde dagvaarding d.d. 17 februari 2006 in kortgeding door huidige geïntimeerde ingeleide hoofdvordering beoogt : ¿ vast te stellen dat: * de heer D; A., de heer V.S., mevrouw N. J.V.N. en de D.N.V. nv (!) zich schuldig maken aan oneerlijke concurrentie, gebruik van vertrouwelijke informatie, onrechtmatige afwerving van personeel en cliënteel en het denigreren van het cliënteel van D&P Belgium bvba; * mevrouw C. W. A. K. zich schuldig maakt aan het gebruik van vertrouwelijke informatie en het denigreren van het cliënteel van D&P Belgium bvba; * dringende en noodzakelijke maatregelen zich bijgevolg opdringen. Dienvolgens de heer D. A., de heer V. S., mevrouw N. J. V.N. en bvba D.N.V. te veroordelen tot : de staking van : * in hoofdorde, alle activiteiten die, rechtstreeks of onrechtstreeks, concurrerend zijn aan D&P Belgium bvba; en in ondergeschikte orde, alle activiteiten die bestaan uit de verkoop van abonnementen aan stands in supermarkten; * het benaderen, rechtstreeks of onrechtstreeks, van enige werknemers of voormalige werknemers van D&P Belgium bvba; * het sluiten van arbeidsovereenkomsten of samenwer-kingsovereenkomsten met enige werknemers of voorma-lige werknemers van D&P Belgium bvba; * het tewerkstellen van voormalige werknemers van D&P Belgium bvba voor diensten ten behoeve van Phone-Plus en City Power; * het denigreren van D&P Belgium en haar cliënten; * het gebruik van informatie en documenten die eigendom zijn van D&P Belgium bvba; teruggave van alle informatie en documenten die eigendom zijn van D&P Belgium bvba; mevrouw C. W. A. K. te veroordelen tot staking van : * het denigreren van D&P en haar cliënten; * het gebruik van informatie en documenten die eigendom zijn van D&P Belgium bvba; * de heer D. A. te veroordelen tot de teruggave van de laptop van het merk Dell, eigendom van D&P Belgium bvba; * dit alles onder verbeurte van een dwangsom van 5.000 euro per inbreuk, totdat de Arbeidsrechtbank uitspraak zal hebben gedaan over de vordering ten gronde; Het tussen te komen vonnis uitvoerbaar te horen verklaren bij voorraad, niettegenstaande alle verhaal en zonder borg.¿ De bij conclusie door elk der huidige appellanten ingestelde tegenvordering beoogt de veroordeling van huidige geïntimeerde tot betaling van een schadever-goeding ex aequo et bono begroot op 2.500 euro wegens rechtsmisbruik, met name bij gebrek aan voorafgaan-delijke ingebrekestelling te hebben gedagvaard. De dienstdoende Voorzitter van de Arbeidsrechtbank te Brussel, zetelend in kortgeding, beschikte op 24 april 2006 als volgt : ¿ Verklaren de hoofdvordering ontvankelijk en als volgt gegrond : * bevelen dat de heer A., de heer S., mevrouw V.N. en de BVBA DNV overgaan tot staking van : - alle activiteiten die rechtstreeks of onrecht-streeks concurrerend zijn aan de BVBA D&P Belgium - het benaderen rechtstreeks of onrechtstreeks van enige werknemers of voormalige werknemers van de BVBA D&P Belgium - het sluiten van arbeidsovereenkomsten of samen-werkingsovereenkomsten met voormalige werknemers van de BVBA D&P Belgium - het tewerkstellen van voormalige werknemers van de BVBA D&P Belgium voor diensten ten behoeve van Phone-Plus en City Power - het denigreren van de BVBA D&P Belgium en haar cliënten - het gebruik van informatie en documenten die eigendom zijn van de BVBA D&P Belgium. * bevelen dat mevrouw W. overgaat tot staking van het denigreren van de BVBA D&P Belgium en haar cliënten en tot staking van het gebruik van informatie en documenten die eigendom zijn van de BVBA D&P Belgium. * bij verbeurte veroordelen verweerders tot een dwangsom van 1.000,00 euro per inbreuk tot de uitspraak ten gronde. Verklaren het overige van de hoofdvordering ongegrond. Verklaren de tegenvordering ontvankelijk doch ongegrond. Veroordelen verweerders tot de kosten voor de BVBA D&P Belgium begroot op 1.152,76 euro dagvaardingskosten en 35,70 euro rechtsplegingsvergoeding.¿ Het door appellanten bij voormeld verzoekschrift ingesteld hoger beroep beoogt : ¿Huidig beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, En, rechtsprekende van bij de inleidingszitting, conform artikel 19 en 735 Ger. Wb., * De opschorting te bevelen van alle gevolgen van het door Mevrouw de Voorzitter van de Arbeidsrechtbank op 24 april 2004 op tegenspraak uitgesproken beschikking, ingeschreven op de rol van kortgedingen onder het nummer 14/06, repertorium 06/07951, Vervolgens : * de bestreden beschikking nietig te verklaren; * de hoofdvordering ongegrond te verklaren en D&P hiervan af te wijzen; * de tegenvordering ontvankelijk en gegrond te verklaren en D&P te veroordelen tot het betalen van 10.000 euro alsmede de kosten van beide aanleggen.¿ De zaak werd behandeld op de inleidingszitting van 5 mei 2006 waarbij de debatten zich beperkten tot de door appellanten gevorderde opschorting van uitvoerbaarheid bij voorraad van de gevelde beschikking in kortgeding. Gelet op het tussenarrest d.d. 19.05.2006 van de 1ste kamer van dit Hof zetelend in kortgeding dat het hoger beroep ontvankelijk verklaart; waarbij appellanten werden afgewezen van hun verzoek tot opschorting van de tenuitvoerlegging van de beschikking, de zaak voor verdere behandeling werd vastgesteld op de openbare terechtzitting van 02.06.2006 en de beslissing nopens de gerechtskosten wordt aangehouden. ó ó ó De feiten Betreffende de feiten wordt verwezen naar deze zoals uiteengezet in de bestreden beschikking d.d. 24.04.2006 welke hierbij als hernomen dienen te worden beschouwd. ó ó ó De ontvankelijkheid van de initiële hoofdvordering in kortgeding : Appellanten stelden in eerste aanleg voor de voorzitter van de Arbeidsrechtbank zetelend in kortgeding dat de vordering onontvankelijk zou zijn t.o.v. de door hen opgerichte B.V.B.A. D.N.V waarvan de staking van de activiteiten enkel en alleen voor de Rechtbank van Koophandel zou kunnen gevorderd worden, welk middel in graad van hoger beroep niet wordt herhaald. De eerste rechter verwees echter terecht naar de door oorspronkelijke eiseres, huidige geïntimeerde, beweerde toepasselijkheid in casu van artikel 578 Ger.W. en de artikelen 701, 566 en 565,3° Ger. W. om tot de ontvankelijkheid van de vordering te besluiten met verwijzing naar de rechtspraak van het Hof van Cassatie (Cass. 11.05.1990, Arr. Cass. 1989-90, 536; Cass. 19.12.1985, Arr. Cass. 1985-86, 279; Cass. 19.02.1987, Arr. Cass. 1986-87, 808) die stelt dat de bevoegdheid ratione materiae van de rechter die van de vordering kennis moet nemen dient te worden bepaald naar het onderwerp van de vordering zoals het in de dagvaarding is omschreven door de aanleggende partij. ó ó ó De urgentie Appellanten betwisten in hun beroepsconclusie ten onrechte het hoogdringend karakter van de vordering zoals reeds gesteld werd in het tussenarrest d.d. 19.05.
- Immers is er van urgentie in de zin van art. 584 Ger. W. sprake wanneer de vrees voor de schade met een zekere omvang een onmiddellijke beslissing wenselijk maakt (Cass. 21.05.1987, R.W. 1987-88, 1426; Cass. 11.05.1991, Arr. Cass. 1989-90,1175), zodat de hoogdringendheid niet zal beoordeeld worden in functie van de aangetoonde schade, maar zij moet worden aanvaard wanneer de verweten feiten schade kunnen berokkenen aan de werkgever (cfr. Clesse en F. Baert, ¿Les procédés d'urgence en cas de concurrence illicite par le salarié¿, in V. Vannes, ¿Clauses spéciales du contrat de travail-utilité-validité-sanction¿, Brussel, Bruylant 2003, p. 284.) ó ó ó Bij voorraad Ten onrechte beweren appellanten dat de beschikking niet bij voorraad zou zijn uitgesproken en nadeel zou toebrengen aan de zaak zelf gezien de rechter in kortgeding de zaak zou onderzocht hebben en juridisch zou beoordeeld hebben. Inderdaad doet de rechter in kortgeding, overeenkom-stig artikel 1039 Ger. W. uitspraak bij voorraad en mag zijn beslissing geen nadeel aan de zaak zelf toebrengen. De rechter in kortgeding mag bijgevolg wel degelijk de zaak en de rechten van de partijen onderzoeken zonder uiteraard deze rechten op een definitieve en onherroepelijke wijze aan te tasten. Het moet immers steeds een voorlopige maatregel blijven, uitgaande van de ogenschijnlijke rechten van partijen (Cass. 31.01.1997, Arr. Cass. 1997,140.). Daarbij wijst de voorwaarde van de ¿uitspraak bij voorraad¿ niet op een beperking van de rechtsprekende bevoegdheid van de rechter in kortgeding. Zij houdt alleen in dat de rechter ten gronde in geen enkel opzicht gehouden is door de beslissing van de kortgedingrechter (cfr. J. Laenens, Artikelsgewijze Commentaar Gerechtelijk Wetboek, Kluwer, losbl. Art. 584-8.). ó ó ó Betreffende de beweerde daden van oneerlijke concurrentie: Geïntimeerde verwijt aan appellanten volgende praktijken van oneerlijke concurrentie: - het gebruik van haar vertrouwelijke informatie; - het afwerven en trachten af te werven van haar personeel; - het denigreren van de producten die zij verkoopt; - het op onrechtmatige wijze benaderen van haar cliënteel; Artikel 17,3° van de Arbeidsovereenkomstenwet van 03.07.1978 (AOW) bepaalt dat : ¿De werknemer is verplicht zowel gedurende de overeenkomst als na het beëindigen daarvan zich te onthouden van : a)fabrieksgeheimen, zakengeheimen of geheimen in verband met persoonlijke of vertrouwelijke aangelegenheden, waarvan hij in de uitoefening van zijn beroepsarbeid kennis kan hebben, bekend te maken; b) daden van oneerlijke concurrentie te verrichten of daaraan mee te werken.¿ Het voeren van oneerlijke concurrentie, dat altijd verboden is, onderscheidt zich duidelijk van de (eerlijke) normale concurrentie die steunt op het principe van de vrijheid van handel en nijverheid (art.7 van het Decreet d'Allarde) en uiteraard geoorloofd is, behoudens de door een geldig gesloten concurrentiebeding opgelegde beperkingen met uitwerking na de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, terwijl tijdens de uitvoering ervan ook gewone concurrentie niet toelaatbaar zal zijn gezien hetzelfde art. 17,1° de werknemer evenzo verplicht ¿zijn werk zorgvuldig, eerlijk en nauwkeurig te verrichten ...¿ en het principe van het werken in ondergeschikt verband alleen reeds principieel geen concurrentie toelaat. In de oorsponkelijke arbeidsovereenkomst werd niet voorzien in een concurrentiebeding zodat het de appellanten, die met geïntimeerde als hun werk-geefster verbonden waren, vrijstaat deze, na de beëindiging ervan op eerlijke manier te beconcurreren. ó ó ó Het beweerde gebruik van vertrouwelijke informatie en documentatie Volgens geïntimeerde doen appellanten aan oneerlijke concurrentie door het gebruik van uit haar bedrijf ingewonnen informatie zoals zou blijken uit de vaststelling dat zij praktisch op hetzelfde moment in de supermarkten aanwezig zijn voor de verkoop van abonnementen van Phone Plus en City Power, concurrenten van respectievelijk Tele 2 en Essent die door geïntimeerde worden gepromoot, en wat volgens haar bewezen wordt door de schriftelijke verklaring d.d. 14.11.05 (stuk 9) van mevrouw A. A., een werkneemster van geïntimeerde, deze van 08.12.05 van de heer L. M. m.b.t. het gebruik door eerste appellant van een laptop toebehorend aan geïntimeerde in een supermarkt van Carrefour (stuk 12) en door het feit dat appellanten een letterlijke kopie gebruiken van het enquête-formulier van geïntimeerde (stukken 26-27). Appellanten ontkennen deze aantijgingen. In ieder geval kan de gelijktijdige organisatie in een supermarkt van een verkoop (van abonnementen) van concurrerende producten bezwaarlijk als een daad van oneerlijke concurrentie worden aanzien, tenzij ze manifest het gevolg zou zijn van oneerlijke praktijken zonder dewelke deze niet zou kunnen worden gerealiseerd. Zo zal het gebruik maken door de werknemer van de vertrouwelijke bedrijfsinformatie ten nadele van de (ex-)werkgever, zowel tijdens de uitvoering van de arbeidsovereenkomst als na de beëindiging ervan, als een daad van oneerlijke concurrentie worden beschouwd, waarvan appellanten zich dan ook uitdrukkelijk dienen te onthouden, wat evenzo geldt voor het gebruik van het bedrijfsmateriaal van de ex-werkgever en diens vertrouwelijke documenten. Betreffende de kwestieuze laptop van het merk Acer kan nochtans uit de summiere schriftelijke verkla-ring van voormelde heer M. met name ¿Ik verklaar bij deze dat ik op datum van 18.11.2005 omstreeks 11h30 in de Carrefour Des Grands Prés, te Bergen, de heer A. D. herkend heb in het bezit van een draagbare PC, eigendom van D en P Belgium¿ de realiteit van de feiten niet met zekerheid worden afgeleid, ook gezien dit in de schriftelijke verklaring van de heer S. (stuk 13 van appellanten) wordt tegengesproken. Betreffende het gebruik van gelijkaardige kopieën van bepaalde documenten van geïntimeerde dient te worden vastgesteld dat wat de ¿showbooks¿ van Essent en van City-Power betreffen, deze in samenwerking met hun respectieve opdrachtgevers worden samengesteld, waarover tussen partijen geen betwisting meer bestaat. Wat de enquêteformulieren van geïntimeerde voor Essent betreft, getiteld ¿sondage sur le coût de la population belge¿ en deze van appellanten voor City Power ¿sondage sur les habitudes énergétiques de la population belge¿ (stukken 26 en 27 van geïntimeerde) erkennen appellanten dat het hier inderdaad een kopij betreft, maar zij reeds sinds 23.11.2005 andere enquêteformulieren gebruiken getiteld ¿sondage sur les consommations d'énergie¿ (stuk 14) waarvan de echtheid volgens hen bevestigd wordt door de genaamden B., L., Le., Bo., La., LB. en V. (Stukken 15 tot 21). Het Hof dient zodoende vast te stellen dat appellanten perfect het verschil kennen tussen eerlijke en oneerlijke concurrentie en aan welke hierop betrekking hebbende dwingende bepalingen zij zich dan ook dienen te houden. ó ó ó Het beweerde afwerven en trachten af te werven van het personeel van geïntimeerde: Volgens de courante rechtspraak is de loutere voorbereiding op een concurrentiële activiteit die pas effectief zal worden uitgeoefend door de ex-werknemer na het einde van de arbeidsovereenkomst niet ongeoorloofd (Arbh. Brussel 30.03.1990, J.T.T. 1990, 441; Arbh. Brussel 11.12.1996, J.T.T. 1997, 131) waaruit kan worden afgeleid dat een eerlijke poging tot afwerving of de afwerving zelf van een personeelslid na de beëindiging van de arbeidsover-eenkomst eveneens geoorloofd zal zijn tenzij ze systematisch zou worden opgezet ten nadele van de ex-werkgever of om hem schade te berokkenen, of de wijze zelf van afwerving ontoelaatbaar zou zijn, in welke gevallen er wel degelijk sprake is van het voeren van oneerlijke concurrentie t.o.v. de vroegere werkgever. Zelfs indien de afwerving niet tot doel heeft een bepaalde onderneming te desorganiseren doch indien de concurrent weet dat zijn handelingen een destabiliserend effect zullen hebben op de onderneming, kan de afwerving ongeoorloofd zijn (Voorz. Koophandel Luik, 24.09.1990, Jaarboek Handelspraktijken en Mededinging, 1990, 461, noot Dessard D.). Daarbij is de plotse overstap van een groot deel van het personeel een ernstige aanwijzing van systematisch en oneerlijk afwerven van personeel (Antwerpen 06.09.1999, Jaarboek Handelspraktijken en Mededinging 1999, 550). In de zin van voormelde rechtspraak kan in casu bezwaarlijk van een systematische desorganisatie of destabilisatie van het bedrijf van geïntimeerde gesproken worden gezien het in casu om 7 werkverlaters gaat in verhouding tot een sociale turn-over van 294 vertrekken voor 384 aanwervingen zoals blijkt uit stuk 23 van appellanten. Uit de inhoud van de schriftelijke verklaringen van respertievelijk de heren G. D., M. F. en mevrouw F. G. (stukken 13, 15 en 14) dient echter te worden besloten dat de wijze waarop appellanten aan afwerving doen, met name door geïntimeerde qua arbeidsvoorwaarden en personeels-beleid in een slecht en verkeerd daglicht te stellen, niet toelaatbaar is, en van welke ontoelaatbare praktijken appellanten zich dan ook dienen te onthouden, i.p.v. deze af te doen als een ¿puberale discussie tussen werknemers van concurrerende verkoopsploegen¿. ó ó ó Het beweerde denigreren van de producten die geïntimeerde verkoopt: Geïntimeerde houdt voor dat appellanten op volstrekt oneerlijke wijze de producten die zij verkoopt, met name abonnementen van Tele 2, Essent en Nuon, pogen zwart te maken. Hiervoor verwijst zij naar twee valse klachten die eerste appellant, zoals voordien is gebleken, zou geplaatst hebben op de website van Test-Aankoop (Test-Achat), welke praktijken hij minimaliseert, doch die als verwerpelijk dienen te worden bestempeld zoals evenzo het verspreiden van foutieve informatie over Essent door de overige appellanten, zoals blijkt uit het P.V. van 10.02.06 van gerechtsdeurwaarder Delangre (stuk 28), even verwerpelijk is en die dan ook als een vorm van oneerlijke concurrentie dienen te worden bestempeld, waarvan appellanten zich dienen van te onthouden. ó ó ó Het beweerde op onrechtmatige wijze benaderen van het cliënteel van geïntimeerde: Geïntimeerde houdt voor dat de eerste drie appellanten contact hebben gezocht met Essent, de cliënt van geïntimeerde, en haar hebben voorgesteld het contract met geïntimeerde op te zeggen en hen als agent aan te nemen voor de verkoop van haar energiecontracten. Uiteraard is het benaderen van het cliënteel van de concurentie toegestaan tenzij dit op een onrecht-matige manier gebeurt en daardoor ontegensprekelijk een duidelijke vorm van oneerlijke concurrentie ontstaat, waarvan appellanten zich uitdrukkelijk dienen te onthouden. ó ó ó De tegenvordering: Appellanten vorderen een schadevergoeding wegens misbruik van ontslagrecht ex aequo et bono begroot op 2.500 euro omdat geïntimeerde hen dagvaardde zonder het versturen van een voorafgaandelijke ingebreke-stelling, wat echter volgens de geldende rechtspraak en rechtsleer (cfr. o.m. Cass. 10.09.1971, RW, 1971-72, 321, Concl. Proc. Gen. Ganshof van der Meersch) niet als rechtsmisbruik kan worden aanzien, zodat deze tegenvordering ongegrond is. Het hoger beroep is zodoende deels ongegrond. ó ó ó OM DEZE REDENEN, HET ARBEIDSHOF, zetelend in kort geding, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24, Rechtsprekend op tegenspraak, Gelet op het tussenarrest d.d. 19 mei 2006; Verklaart het hoger beroep gegrond in de volgende mate; Hervormt de bestreden beschikking zoals volgt; Verklaart de hoofdvordering ontvankelijk en gegrond zoals volgt; Beveelt appellanten zich te onthouden van het verrichten van daden van oneerlijke concurrentie of daaraan mede te werken, door zich te onthouden van: * gebruik te maken van vertrouwelijke informatie, bedrijfsmateriaal, documenten, of kopijen hiervan, van geïntimeerde; * onrechtmatig aan afwerving te doen van het personeel van geïntimeerde door haar personeels-beleid en arbeidsvoorwaarden te denigreren; * de producten van geïntimeerde te denigreren en hierover aan foutieve informatie te doen; * het onrechtmatig benaderen van het cliënteel van geïntimeerde; B ij verbeurte veroordelen appellanten tot een dwangsom van euro 250 per inbreuk; Bevestigt de bestreden beschikking voor het overige; Veroordeelt appellanten tot de kosten van het hoger beroep; Deze kosten werden tot op heden als volgt begroot : - voor appellante partijen : niet begroot; - voor geïntimeerde partij : euro 285,57 rechtsplegingsvergoeding hoger beroep; Aldus gewezen en uitgesproken op de buitengewone openbare terechtzitting van de 1ste Kamer van het Arbeidshof te Brussel op 28 juni 2006, waar aanwezig waren: De Heer M. DE CUYPER : Raadsheer, De Heren : G. JACOBS : Raadsheer in sociale zaken als werkgever, J. VERCAMST : Raadsheer in sociale zaken als werknemer-bediende, D. DE RAEDT : Griffier, G. JACOBS, J. VERCAMST, D. DE RAEDT, M. DE CUYPER, PDF document ECLI:BE:CTBRL:2006:ARR.20060628.15 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div