← België

ECLI:BE:CTBRL:2006:ARR.20060630.10

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 30 juni 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2006:ARR.20060630.10 Rolnummer: 46327 Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2007-03-14 Raadplegingen: 133 - laatst gezien 2026-07-01 04:41 Fiche De vaststellingen van een gerechtsdeurwaarder kunnen het bewijs leveren van dronkenschap of alcoholintoxicatie. De strafrechtelijke kwalificatie van openbare dronkenschap is zeer specifiek en sluit niet uit dat er sprake is van een alcoholintoxicatie. Voor de uitoefening van de functie van bankbediende is een bijzondere nauwgezetheid vereist. Daar hij in rechtstreeks contact staat met het cliënteel moet ook zijn gedrag onberispelijk zijn en vertrouwen wekken. Een toestand van alcoholintoxicatie is dan ook ontoelaatbaar. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Einde (arbeidsovereenkomst) Vrije woorden: ARBEIDSOVEREENKOMSTEN - ALGEMENE REGELINGEN - Einde arbeidsovereenkomst - Ontslag wegens dringende reden - Dronkenschap bankbediende - Vaststellingen door gerechtsdeurwaarder - Onachtzaamheden in uitoefening functie. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 35 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Nota: Gepubliceerd in RABG 2007, p. 93 + noot Dirk Van Strijthem en Melanija Ruzic. Annotaties Publicaties: RECHTSPRAAK ANTWERPEN BRUSSEL GENT - en noot DIRK VAN STRIJTHEM EN MELANIJA RUZIC - 2007, p. 93 Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST OPENBARE TERECHTZITTING VAN DERTIG JUNI TWEEDUIZEND EN ZES. DERDE KAMER Bediendecontract Tegensprekelijk Definitief In de zaak: N.V. ROGER MUYLDERMANS ALL FINANCIAL AND INSURANCE, met zetel te 1932 SINT-PIETERS-WOLUWE, Woluwedal 12 en ingeschreven in het handelsregister te Brussel onder nummer 532.364; Appellante, vertegenwoordigd door Mr. A. L. Dubois loco J. Buekenhoudt, advocaat te Brussel; Tegen: K. G., Geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. M. Van Baelen loco J. Nulens, advocaat te Hasselt; xxx Na beraadslaging, velt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest: Gelet op de stukken van de rechtspleging en ondermeer op: het eensluidend verklaard afschrift van het vonnis uitgesproken op tegenspraak door de 2e kamer van de Arbeidsrechtbank te Brussel op 8 november 2004 (AR nr. 32.111/00) waarvan geen betekeningsakte wordt voorgelegd; het verzoekschrift tot hoger beroep ontvangen op de griffie van het Arbeidshof op 10 februari 2005; de besluiten en synthesebesluiten van geïntimeerde, ontvangen ter griffie op respectievelijk 5 juli 2005 en 17 februari 2006; de besluiten en aanvullende besluiten van appellante, ontvangen ter griffie op respectievelijk 27 januari 2006 en 27 maart 2006; Gehoord de partijen in hun middelen en verdediging op de openbare terechtzitting van 2 juni

  1. De partijen legden hun bundel neer waarna de debatten gesloten werden en de zaak in beraad werd genomen. xxx I. DE FEITEN. De heer K. trad op 2-7-91 als bediende in dienst van de NV ROGER MUYLDERMANS die een NMKN-FORTIS bankagentschap uitbaat. Hij was loketbediende en werd eveneens belast met de ophaling van gelden bij klanten. De vennootschap beëindigde de arbeidsovereenkomst onmiddellijk op 6-12-99 en bevestigde met een aangetekende brief van 8-12-99 dat het een ontslag om dringende reden betrof. De brief luidde als volgt: "Hierbij bevestigen wij de beslissing van maandag 6 december laatstleden waarbij u ontslagen werd om dringende reden. De motieven voor dit ontslag zijn de volgende: 1.Op maandag 6 december 1997 hebt u zich op uw werk aangeboden om 12u15, terwijl uw dienst begint om 11u
  2. 2.U was onder invloed van alcohol en zo dronken dat u niet rechtop kon blijven staan en niet in staat was een zin te zeggen. U werd verzocht de sleutels van het agentschap af te geven en onmiddellijk te vertrekken. U heeft daarop geantwoord dat u de sleutels niet zou afgeven "tenzij in aanwezigheid van een deurwaarder". Wij hebben verschillende studies in de buurt gecontacteerd en hebben verkregen dat Meester Sonck ter plaatse kwam omstreeks 12u
  3. In aanwezigheid van de deurwaarder heeft u geweigerd zowel de sleutels af te geven als de lokalen te verlaten. Wij zagen ons genoodzaakt een beroep te doen op de Politie van Sint-Pieters-Woluwe, wiens aanwezigheid in een bankkantoor altijd een zeer negatief effect heeft in de buurt. Bij de aankomst van de politie heeft u eindelijk aanvaard de sleutels van het agentschap terug te geven. De politiemensen hebben uw staat van dronkenschap vastgesteld. 3.Volgens onze informatie bent u beginnen drinken op vrijdag 3 december en heeft dat heel het weekend geduurd. Van zodra u op 6 december het agentschap verlaten heeft, en na te hebben rondgedoold in de buurt om te ontsnappen aan het toezicht van de gemeentepolitie, bent u het café "Stanje" binnengegaan waar u de hele namiddag heeft verder gedronken. Deze feiten werden vastgesteld door deurwaarder Sonck. Deze extreem ernstige feiten zijn geen alleenstaande feiten, zij volgen op andere ernstige feiten die eerder werden aangeklaagd, zonder dat u de minste rekening hield met deze verwittigingen: 3.1 Ter herinnering, reeds op 3 december 1997, bracht één van onze bediendes, Mevrouw M. V., de zaakvoerder van het agentschap er van op de hoogte dat u geregeld naar de kofferzaal ging, zonder aanwijsbare reden. Deze stelde vast dat u koffer 56, waarvan u de sleutel bezat, gebruikte om een fles whisky op te slaan. Uw omwegen langs de kofferzaal werden gemaakt met als enige bedoeling alcohol te verbruiken op de werkplaats. Wij hebben de fles bewaard. Dezelfde dag, 3 december 1997, werd u een duidelijke verwittiging gestuurd, waarin werd aangeklaagd dat u geregeld dronken was tijdens de werkuren. Deze feiten werden nooit betwist. In de brief werd er ook op gewezen dat u geen medisch attest had afgegeven voor een afwezigheid op 5 november 1997 die ongerechtvaardigd bleef. 3.2 Op 18 maart 1999 hebben wij per aangetekend schrijven nogmaals moeten aanklagen dat u op 17 maart na de middagpauze het werk hervat heeft in dronken toestand. In onze brief werden bovendien nog andere ernstige feiten aangeklaagd die waren vastgesteld. 4.Op 16 september 1999 hebben wij een klacht ontvangen van de uitbater van café "Stanje". Opnieuw had u zich door die klant geld laten overhandigen om dit te storten op diens spaarrekening. U heeft dat niet gedaan en heeft het geld behouden. De feiten werden nooit betwist. Toen u hierover ondervraagd werd was uw enige excuus dat u het geld in een schuif zou gelegd hebben en dat u het daar zou vergeten zijn. Het geld werd uiteindelijk slechts weken later op de rekening gestort, na ons aandringen en na dreiging met een klacht wegens verduistering van fondsen. 5.In juli 1999 gaf klant A. u de opdracht een som over te schrijven van zijn zichtrekening op zijn spaarrekening. U heeft daarop een ongelooflijke reeks fouten gemaakt bij de overschrijving. Eerst heeft u de rekening van de klant gedebiteerd om de rekening van een andere klant (S.) te crediteren. De rekening van deze laatste heeft u dan opnieuw gedebiteerd om ze storten op de rekening van een derde klant (P.). Slechts na drie dagen en na onze tussenkomst is de som gearriveerd op het krediet van de spaarrekening van de klant A.. Een reeks volstrekt onbegrijpelijke vergissingen die slechts kunnen verklaard worden door uw staat van dronkenschap op het werk. De feiten, die u werden meegedeeld op 16 september, werden nooit betwist. In uw brief van 17 september geeft u geen enkele verklaring. 6.De laatste maanden hebben wij een stijgend aantal klachten over u geregistreerd van het cliënteel, dat ontevreden is over "uw afwezige toestand" aan het loket en over de vele vergissingen die daar het gevolg van zijn. We citeren ondermeer de klachten van Mevrouw V., de Heer R., de Heer D. (u bleef 20 minuten verdwaasd voor uw scherm zitten voor een eenvoudige storting), de Heer J. (hij bestelde een chequeboekje dat hij kwam ophalen, maar u had de bestelling niet doorgegeven), Mevrouw L. (zij gaf u de opdracht 130.000 BEF over te maken, u maakte 13.000 BEF over), Mevrouw S. (zij stelde vast dat u dronken aan het loket zat), enz... In deze omstandigheden maken de meer en meer frequente herhaling en de ernst van de feiten die u worden verweten evenals de afwezigheid van de wil om uw gedrag te veranderen de verderzetting van onze arbeidsrelaties onmiddellijk en definitief onmogelijk. Uw functies, waaronder alle operaties aan het loket, impliceren een permanent contact met het cliënteel dat het recht heeft op een onberispelijke kwaliteitsservice in een relatie van volledig vertrouwen. De feiten die u worden verweten brengen door hun ernst en herhaling deze vertrouwensrelatie met ons cliënteel in gevaar. Wij richten u dit schrijven per aangetekend schrijven in twee originele exemplaren, één in het Frans en één in het Nederlands." De heer K. reageerde niet op het ontslag voor 2-8-
  4. Op die datum stuurde zijn vakvereniging een aangetekende brief naar de vennootschap waarin werd overwogen dat het ontslag niet tijdig werd gegeven en de betaling van een verbrekingsvergoeding werd gevorderd. De vennootschap antwoordde via haar raadsman dat het ontslag was gesteund op de feiten die zich op 6-12 hadden voorgedaan zodat het tijdig werd gegeven. De heer K. spande met dagvaarding van 22-11-2000 een geding aan voor de Arbeidsrechtbank. Hij vorderde de veroordeling van de vennootschap tot betaling van volgende bedragen: 10.789,84 Euro als verbrekingsvergoeding en de afgifte van de overeenstemmende sociale en fiscale documenten onder verbeurte van een dwangsom van 25 Euro per document en per dag vertraging indien hieraan niet zou worden voldaan. Met het bestreden vonnis gewezen bij verstek van de vennootschap dat overeenkomstig art. 747 ,§2 Gerechtelijk Wetboek geacht werd op tegenspraak te zijn, verklaarde de Arbeidsrechtbank de vordering ontvankelijk en gegrond voor een bedrag van 9.532.35 Euro als opzeggingsvergoeding en 1.257,49 Euro als pro rata dertiende maand en tot de afgifte van de loonstaten,individuele rekening en fiscale fiche 281.10 betreffende de bedragen der veroordeling, onder verbeurte van een dwangsom van 25 Euro per dag vertraging, te rekenen vanaf één maand na de betekening van het vonnis met een maximum van 250 Euro. II. VORDERING IN HOGER BEROEP. De vennootschap kan zich niet neerleggen bij de uitspraak van de Arbeidsrechtbank. Zij verzoekt het Hof deze te niet te doen en de oorspronkelijke vordering van de heer K. ongegrond te verklaren. In ondergeschikte orde vordert zij: "aan geïntimeerde te bevelen in de 8 dagen van het tussen te komen vonnis en onder een dwangsom van 250 EUR per dag vertraging het origineel document neer te leggen van een document dat zou zijn opgesteld door een Heer F. S. op 30/06/2000, dit op grond van art. 877 G.W.; te bevelen dat de procedure voorzien door art. 895 ev. GW zou aangevat worden, met inbegrip van de mededeling van het stuk aan de Heer Procureur des Konings dat hij een gerechtelijke informatie zou kunnen openen ten laste van de geïntimeerde, uit hoofde van valsheid in geschrifte; concluante (huidige appellante) toe te laten het bewijs te leveren van de feiten van 6 december 1999, o.m. door getuigenissen, o.m. van Adjudant S. B. sectie federale politie Oud Heverlee (voorheen bij de politie Sint Pieters Woluwe), aanwezig ter plaatse; In ieder geval, de eis af te wijzen en geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van de twee gedingen." De heer K. verzoekt het Hof het hoger beroep als ongegrond af te wijzen en het bestreden vonnis te bevestigen. xxx III. BEOORDELING.
  5. ONTVANKELIJKHEID. Nu geen betekeningsakte van het beroepen vonnis wordt voorgelegd, kan worden aangenomen dat het hoger beroep dat naar vorm regelmatig is, werd ingesteld binnen de wettelijke termijn en derhalve ontvankelijk is.
  6. TEN GRONDE. Art. 35 WAO verstaat onder dringende reden de ernstige tekortkoming die elke professionele samenwerking tussen de werkgever en de werknemer onmiddellijk en definitief onmogelijk maakt. Omwille van haar aard kan het ontslag om dringende reden niet meer zonder opzegging of voor het verstrijken van de termijn worden gegeven wanneer het feit ter rechtvaardiging ervan sedert ten minste drie werkdagen bekend is aan de partij die zich erop beroept. De omschrijving van de dringende reden houdt in dat fouten - ook al zijn ze ernstig - daarom nog geen dringende reden tot ontslag zijn. Alleen de dringende reden waarvan kennis is gegeven binnen de drie werkdagen na het ontslag kan worden aangevoerd ter rechtvaardiging. Eerdere feiten kunnen worden ingeroepen als een verzwarende omstandigheid of ter ondersteuning van een tijdig ingeroepen feit. De partij die ontslag geeft draagt de bewijslast van de ingeroepen dringende reden, zowel van het bestaan als van de ernst ervan. In tegenstelling tot de Arbeidsrechtbank acht het Hof de feiten daterend van 6-12-2000 die tegen de heer K. werden ingeroepen wel degelijk bewezen. Het merkt op dat aangezien de vennootschap voor de Arbeidsrechtbank niet was verschenen en geen stukkenbundel werd neergelegd, de door de vennootschap aangevoerde bewijselementen niet in aanmerking konden worden genomen. De heer K. betwist niet dat hij op 6-12 te laat op het werk is aangekomen. Evenmin betwist hij dat hij op het verzoek de sleutels van het agentschap af te geven niet wilde ingaan tenzij tegen ontvangstbewijs of tenzij hem daarvan door een gerechtsdeurwaarder kwijting werd gegeven. De vraag rijst om welke reden de werkgever zodra de heer K. op het werk aankwam om de afgifte van de sleutels verzocht en het zelfs nodig vond een gerechtsdeurwaarder te ontbieden. De gerechtsdeurwaarder begaf zich om 12u30 ter plaatse en stelde een verslag op van zijn vaststellingen. Hij stelde vast dat de heer K. een wazige blik had en bloeddoorlopen ogen, dat hij moeilijk sprak en dat het telkens een tijd duurde voor hij antwoordde op een vraag. De politie kwam op verzoek van de gerechtsdeurwaarder eveneens ter plaatse om te vermijden dat de heer K. met de wagen zou vertrekken. De agenten rieden hem aan zijn wagen niet te besturen. Dergelijk verzoek zou onzinnig zijn geweest indien de heer K. in staat was geweest een voertuig te besturen. De heer K. heeft zich geschikt naar dit verzoek, hetgeen erop wijst dat hij meende dat hij zich aan sancties kon verwachten indien hij het naast zich neerlegde, hetgeen natuurlijk enkel het geval kon zijn indien hij zich inderdaad onder invloed van drank bevond. Volgens de gerechtsdeurwaarder bevestigde de politie zijn eigen indruk dat de heer K. dronken was. Nadat de heer K. het agentschap had verlaten kon de gerechtsdeurwaarder nog vaststellen dat hij niet recht liep, op zijn stappen terug kwam, halt hield en weer verder liep, zich telkens omdraaiend aan de straathoeken om te zien of hij niet gevolgd werd. De politie bleef hem volgen met de wagen hetgeen er nogmaals op wijst dat zij wilde verhinderen dat de heer K. zijn wagen zou besturen, hetgeen natuurlijk enkel zin had indien hij daartoe inderdaad niet in staat was. De gerechtsdeurwaarder kon vaststellen dat de heer K. zich naar het café "Stanje" begaf en er zich om 14u 20 nog steeds bevond. Dit is evenwel niet meer relevant aangezien dit feit zich na het ontslag situeert. In een brief van 7-12-97 waarin de heer K. informeerde naar verdere instructies aangezien hij na het verzoek om op 6-12 het agentschap te verlaten zonder verder bericht bleef, bood de heer K. zijn verontschuldigingen aan "voor de aangedane opschudding op 6-12." De vaststellingen van de gerechtsdeurwaarder maken duidelijk dat de heer K. zich onder invloed bevond en niet in staat was een wagen te besturen en de beschrijving van zijn toestand laat er geen twijfel over bestaan dat hij evenmin in staat was zijn werk naar behoren uit te oefenen. Uit het feit dat de deurwaarder geen gewag maakt van "alcoholgeur" of het spreken met een dubbele tong die kenmerkend zijn voor dronkenschap meent de heer K. eveneens te kunnen afleiden dat dronkenschap niet bewezen is. De deurwaarder haalde reeds een aantal kenmerken aan die wijzen op alcoholintoxicatie. Alle voor dronkenschap kenmerkende omstandigheden treden niet steeds op. Er bestaan ook gradaties in dronkenschap. Ook uit de omstandigheid dat de politie geen proces-verbaal opstelde wegens openbare dronkenschap meent de heer K. te kunnen afleiden dat de feiten niet bewezen zijn. De strafrechtelijke kwalificatie van openbare dronkenschap is echter zeer specifiek en sluit niet uit dat er sprake was van een alcoholintoxicatie waarvoor in het gemeen spraakgebruik ook de term "dronken" wordt gebruikt. Dat er geen ademtest werd afgenomen was niet aangewezen zolang de heer K. het verzoek opvolgde zijn wagen niet te besturen en daartoe geen aanstalten maakte. Dat de heer K. met de wagen naar het werk was gekomen is daarbij in het geheel niet relevant. Het is best mogelijk en zelfs waarschijnlijk dat hij in de buurt alcohol gebruikte nadat hij met de wagen was aangekomen. De bewering van de heer K. dat zijn toestand verband hield met de medicatie die hij gebruikte wegens hypertensie en rugklachten is weinig geloofwaardig nu hij daarvan niet het minste bewijs voorbrengt. Zijn verontschuldigingen van 7-12 tonen bovendien duidelijk aan dat hij zich er wel van bewust was dat zijn gedrag foutief was. Indien zijn toestand werkelijk het gevolg was van zijn medicatie mag men aannemen dat hij dit toch zou hebben ingeroepen te zijner verdediging en aangetoond. In een proces dragen beide partijen immers de bewijslast van hun beweringen zoals bepaald in art 870 Ger.Wb. De feiten van 6-12 zijn geen geïsoleerd voorval. Reeds met een aangetekende brief van 3-12-97 stelde de werkgever de heer K. in gebreke wegens een herhaalde toestand van dronkenschap die een nadelige invloed kon hebben op zijn prestaties - er werden reeds verscheidene vergissingen vastgesteld - maar ook de reputatie van het agentschap en het imago van de bank kon schaden. Hij beweerde daarover reeds klachten te hebben gehad van klanten. In de ontslagbrief werd dit feit in herinnering gebracht. Een bediende zou hebben vastgesteld dat de heer K. herhaaldelijk naar de kofferzaal ging zonder aanwijsbare reden en het bleek dat dit met de bedoeling was alcohol te gebruiken daar hij in één van de koffers een fles whisky bewaarde. In die brief werd eveneens gewezen op het feit dat voor een afwezigheid van 15-11-97 geen medisch getuigschrift werd afgeleverd zodat deze afwezigheid onverantwoord bleef. De heer K. reageerde niet op die aangetekende verwittiging. Op 18-3-99 stuurde de werkgever opnieuw een waarschuwing. Hij somde daarin verschillende tekortkomingen op: De heer K. zou op 17-3-99 na de middagpauze in dronken toestand zijn dienst hebben hervat. Op maandag 22-12-98 zou hij het kantoor rond 12u30 hebben verlaten en om 14 u in dronken toestand het werk hebben hervat, hetgeen de werkgever zelf zou hebben vastgesteld. Ook de volgende dag zou hij nog steeds beneveld zijn geweest en verschillende fouten hebben begaan waarvoor er twee schriftelijke klachten waren. Op 4-1-99 verwittigde zijn vriendin laattijdig dat hij niet zou komen werken daar hij zich onwel voelde. In de loop van september 98 zou hij fondsen van klanten die moesten worden gestort in het kantoor thuis hebben bewaard en hij zou niettegenstaande streng verbod daartoe het kantoor tijdens de sluitingsuren hebben betreden waarbij het alarm afging. De fondsen werden uiteindelijk op de rekening gestort nadat zou gedreigd zijn met een klacht wegens verduistering. Hij zou een kasverschil van 10.000 F op 6-2-99 niet hebben opgezocht volgens de gegeven instructies. Hij zou geen inspanningen hebben gedaan voor bepaalde acties i.v.m. pensioensparen en beleggingen. Hij zou bepaalde waardepapieren (het betrof titels aan toonder) op 17-3-99 na 4 dagen nog steeds in zijn kas hebben laten liggen in plaats van ze, volgens de instructies, onmiddellijk naar de hoofdzetel te versturen of in de koffer van de bank te plaatsen. Op 18-3-99 werd vastgesteld dat hij in zijn kas vreemde munten bewaarde. Hij zou deze hebben aangekocht hoewel ze uit omloop waren. Wegens deze tekortkomingen werd hij geschorst tot maandag 22 maart en er werd hem verzocht daarover een schriftelijke verklaring af te leggen. De schorsing had geen uitwerking daar hij de brief te laat ontving. De heer K. antwoordde schriftelijk. Hij meende dat zijn zeer matig gebruik tijdens het middagmaal hem niet in een dronken toestand had kunnen brengen. Bepaalde feiten gaf hij toe: het niet tijdig doorstorten van gelden die hij in ontvangst had genomen en thuis bewaard, het betreden van het agentschap tijdens de sluitingsuren, andere betwistte hij of verklaarde hij nader. Met een brief van 16-9-99 maakte de werkgever hem opnieuw opmerkingen na klachten van klanten: Hij zou een bedrag dat hij op 6-7-99 in ontvangst had genomen niet onmiddellijk hebben doorgestort op de spaarrekening en dit pas op 28-7-99 hebben gedaan omdat hij niet meer zou geweten hebben van wie het bedrag afkomstig was. Verschillende klanten klaagden over fouten: stortingen en afhalingen zonder enige reden en zonder hun schriftelijke goedkeuring (er werden drie namen genoemd). Deze feiten werden door de heer K. in een brief van 17-9-99 toegegeven. Ten onrechte meent de heer K. dat deze aanmaningen niet kunnen worden ingeroepen daar zij de periode van drie werkdagen voor het ontslag voorafgaan. Dit zou enkel kunnen opgaan indien de feiten van 6-12-99 geen fout zouden uitmaken of niet bewezen zouden zijn, hetgeen hier niet het geval is. De vroegere feiten kunnen immers als verzwarende omstandigheden worden aangezien die bijdragen tot het zwaarwichtig karakter van de feiten van 6-12-
  7. De heer K. stelt verder dat deze aanmaningen voorbarig, onterecht en ongepast waren. Het Hof merkt op dat hoewel de aanmaningen telkens per aangetekend schrijven gebeurden, de heer K. de eerste aanmaning niet eens schriftelijk heeft weerlegd, dat hij dit wel mondeling zou hebben gedaan blijkt niet. Wat de aanmaning van 25-3- betreft heeft hij wel de dronkenschap betwist, bepaalde fouten heeft hij echter toegegeven. Dit deed hij ook in zijn brief van 17-
  8. Bovendien dient het Hof vast te stellen dat ook na het ontslag geen enkele reactie kwam tot 8 maanden nadien de dringende reden door zijn vakvereniging enkel "naar vorm, tijdstip en bewijskracht" over de "realiteit" ervan wordt niet gerept en geen enkel concreet verwijt werd weerlegd. Voor de uitoefening van de functie van bankbediende is een bijzondere nauwgezetheid vereist aangezien hij dagelijks met fondsen van klanten omgaat. Daar hij in rechtstreeks contact staat met het cliënteel moet ook zijn gedrag onberispelijk zijn en vertrouwen wekken. Een toestand van dronkenschap of van alcoholintoxicatie is ontoelaatbaar. Dit kan inderdaad aanleiding geven tot het maken van vergissingen en fouten en is van aard het vertrouwen van de klanten en de reputatie van het agentschap en van de Bank zelf aanzienlijk te schaden met zelfs commerciële schade als gevolg. Dat dit niet denkbeeldig is wordt aangetoond aan de hand van klachten van verschillende klanten die de vennootschap voorlegt. Het Hof acht bewezen dat de heer K. zich op 6-12-99 te laat en in dronken toestand op het werk aanbood en dit niettegenstaande het feit dat hij voor gelijkaardige feiten in het verleden reeds aangetekend herhaalde verwittigingen had gekregen, hetgeen erop wees dat de werkgever daar bijzonder zwaar aan tilde. Dit kan zeker als een verzwarende omstandigheid worden beschouwd. Het Hof is van oordeel dat de heer K. geen enkel element bijbrengt die die feiten ontkrachten. De - overigens door de vennootschap van valsheid beschuldigde - getuigenverklaring van de heer Smits brengt geen tegenbewijs bij, nu deze verklaart zich -op 30-6-2000 niets meer van de feiten van 17-3-99 te herinneren, hetgeen gezien het tijdsverloop ook logisch voorkomt. Hij betwist enkel dat het nooit gebeurde dat zij samen gingen lunchen en dat de heer K. dronken terugkeerde. Hiermee wordt helemaal niet weerlegd dat de heer K. zich bij herhaling dronken op het werk aanbood, zodat het Hof met die verklaring geen rekening houdt. Bovendien maakte de heer K. zich schuldig aan een aantal tekortkomingen die ontoelaatbaar zijn en die bewezen voorkomen nu hij ze heeft toegegeven. De vennootschap staaft ze ook aan de hand van klachten van klanten. Indien men tijdens de jarenlange uitoefening van een functie waarbij talrijke verrichtingen worden uitgevoerd al eens fouten of vergissingen kan begaan wegens occasionele onachtzaamheid, dan kan dat zeker niet opgaan voor het niet doorstorten van fondsen van klanten gedurende verschillende weken en ook andere fouten kunnen helemaal niet door de beugel, zoals het betreden van het agentschap tijdens de sluitingsuren niettegenstaande verbod daartoe, bewaren van titels aan toonder in de kas, tegen de instructies in, om er maar enkele te noemen. Dergelijke fouten kunnen hoegenaamd niet aan de beweerde "verziekte" sfeer in het agentschap worden toegeschreven. De heer K. betoogt dat het te laat aanvatten van het werk niet als een fout kan worden beschouwd nu het herhaaldelijk gebeurde dat de bedienden hun middagpauze te laat konden aanvatten wegens het vele werk. Het is niet dit feit op zich dat een dringende reden uitmaakt maar het samengaan daarvan met een dronken toestand en bij herhaling. Het geheel van deze overwegingen in acht genomen is het Hof van oordeel dat de feiten inderdaad dermate ernstig zijn dat zij het vertrouwen van de werkgever volledig ondermijnen en de voortzetting van de contractuele arbeidsverhouding onmiddellijk en definitief onmogelijk maken. Het ontslag om dringende reden is derhalve rechtmatig, zodat geen opzeggingsvergoeding noch een pro rata eindejaarspremie verschuldigd is. Binnen het paritair comité nr 218 waaronder de vennootschap ressorteert wordt de betaling van de dertiende maand in geval van ontslag om dringende reden van de werknemer uitgesloten bij CAO van 29-5-89 (KB6-8-90, BS 31-8-90) zoals herhaaldelijk gewijzigd. Er is derhalve aanleiding toe het bestreden vonnis te hervormen. xxx OM DEZE REDENEN, Het Arbeidshof, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24, Rechtsprekend op tegenspraak, Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond. Hervormt het beroepen vonnis. Verklaart de oorspronkelijke vordering ontvankelijk doch ongegrond. Veroordeelt de heer G. K. tot de kosten van beide aanleggen, tot op heden als volgt begroot: - voor appellante: - rechtsplegingsvergoeding hoger beroep EUR 267,73 - voor geïntimeerde: - rechtsplegingsvergoeding hoger beroep EUR 285,57 Aldus gewezen en uitgesproken op de openbare terechtzitting van de derde kamer van het Arbeidshof te Brussel op dertig juni tweeduizend en zes. Waren aanwezig: G. BALIS: Kamervoorzitter. L. REYBROECK: Raadsheer in Sociale Zaken als werkgever. R. VANDENPUT: Raadsheer in Sociale Zaken als werknemer-bediende. L. COEN: Eerstaanwezend adjunct-griffier. L. COEN. G. BALIS. R. VANDENPUT. L. REYBROECK. PDF document ECLI:BE:CTBRL:2006:ARR.20060630.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.