id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Brussel Vonnis/arrest van 26 juli 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CTBRL:2006:ARR.20060726.6 Rolnummer: 46581 Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2007-03-14 Raadplegingen: 113 - laatst gezien 2026-07-01 04:41 Fiche Het begrip 'dezelfde werkgever', voor toepassing van het proefbeding, dient niet te worden begrepen in de zin van artikel 82 ,§ 2 alinea 2 van de Arbeidsovereenkomstenwet van 3 juli
- Er kan geen sprake zijn van 'een zelfde werkgever', noch van 'een zelfde socio-economische entiteit' wanneer de werknemer, die in onderling akkoord met de werkgever de arbeidsovereenkomst beëindigt, vervolgens in de dienst treedt van een werkgever waar ook diens vorige werkgever werkzaam is. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst Vrije woorden: ARBEIDSOVEREENKOMSTEN - BEDIENDEN - Einde arbeidsovereenkomst - Proefbeding - Verandering werkgever - Zelfde werkgever. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 82 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Nota: Gepubliceerd in RABG 2007, p. 67 + noot Marijke Demedts. Tekst van de beslissing Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST BUITENGEWONE OPENBARE TERECHTZITTING VAN ZESENTWINTIG JULI TWEEDUIZEND EN ZES. DERDE KAMER Bediendecontract Tegensprekelijk Definitief In de zaak: V. D. S. L., Appellante, vertegenwoordigd door Mr. I. Devenez loco Mr. M. Van Bever, advocaat te Grimbergen; Tegen: 1.L. J.-C., 2.STICHTING VOOR PSYCHOGERIATRIE, met zetel te 1082 SINT-AGATHA-BERCHEM, Gentsesteenweg 1050; Geïntimeerden, vertegenwoordigd door Mr. S. Demeulemeester loco Mr. S. Dubois, advocaat te Brussel; xxx Na beraadslaging, velt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest: Gelet op: de stukken der rechtspleging en ondermeer de dagvaarding voor de Arbeidsrechtbank te Brussel betekend aan huidige geïntimeerde op 19 november 2001 door Mr. L. Pauwels loco Mr. R. Moreels, gerechtsdeurwaarder te Brussel; de besluiten, aanvullende besluiten, synthesebesluiten en repliekbesluiten van geïntimeerden, neergelegd ter griffie van de Arbeidsrechtbank op 4 juni 2002, 28 oktober 2003, 7 november 2004 en 18 november 2004; de besluiten, aanvullende besluiten en tweede aanvullende besluiten van appellante, neergelegd ter griffie van de Arbeidsrechtbank op 16 juni 2003, 19 maart 2004 en 17 november 2004; het eensluidend verklaard afschrift van het vonnis uitgesproken op tegenspraak door de kamer van de Arbeidsrechtbank te Brussel op 21 januari 2005 (AR nr 21 295/01); het verzoekschrift tot hoger beroep ontvangen op de griffie van het Arbeidshof op 18 april 2005; de besluiten van geïntimeerden, ontvangen ter griffie op 30 augustus 2005; de besluiten van appellante, ontvangen ter griffie op 25 oktober 2005; Gehoord de partijen in hun middelen en verdediging ter openbare terechtzitting van 25 april
- Partijen legden hun bundel neer waarna de debatten gesloten werden en de zaak in beraad werd genomen. xxx I. ONTVANKELIJKHEID. Het hoger beroep werd tijdig en op geldige wijze ingesteld, wat overigens niet betwist wordt en is derhalve ontvankelijk. II. VOORWERP EN PROCEDURE. De door huidige appellante bij voormelde dagvaarding ingeleide en bij besluiten herleide initiële vordering strekt tot veroordeling van de Stichting voor de Psychogeriatrie, huidige tweede geïntimeerde, tot betaling van: EUR 11.929,33 t.t.v. verbrekingsvergoeding gelijk aan 6 maanden loon, EUR 758,95 t.t.v. pro rata eindejaarspremie, EUR 115,22 t.t.v. vakantiegeld bij uitdiensttreding op eindejaarspremie. In ondergeschikte orde: De Stichting voor de Psychogeriatrie en de heer J.-C. L. te veroordelen in solidum, de ene bij gebreke aan de andere, tot betaling van een bedrag van EUR 16.113,08 t.t.v. schadevergoeding wegens gekwalificeerde benadeling en/of bedrog bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst met de heer J. C. L. in onderling akkoord op 30 juni 2000 en bij verbreking van de arbeidsovereenkomst met de Stichting voor de Psychogeriatrie op 29 november
- In de meest ondergeschikte orde: De heer J.-C. L. en de Stichting voor de Psychogeriatrie te veroordelen, in solidum, de ene bij gebreke aan de andere, tot betaling van een bedrag van EUR 16.113,08 t.t.v. schadevergoeding wegens misbruik van ontslagrecht. Appellante vordert de hoofdelijke veroordeling van geïntimeerden tot de wettelijke en de gerechtelijke intresten op de overeenstemmende netto bedragen vanaf hun eisbaarheid, evenals de kosten, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding. Geïntimeerden te veroordelen tot afgifte van de nodige sociale en fiscale documenten (een aangepast vakantieattest, loonafrekening, belastingfiche 281.10) en bij verbeurte tot een dwangsom van EUR 12,39 per dag per ontbrekend document, dit spijts alle verhaal, zonder borg en met uitsluiting van het kantonnement. Bij vonnis dd. 21 januari 2005 op tegenspraak gewezen door de arbeidsrechtbank te Brussel werd de vordering ontvankelijk doch ongegrond verklaard, huidige appellante ervan afgewezen en tot de kosten van het geding veroordeeld met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding. Het hoger beroep beoogt de vernietiging van het bestreden vonnis en opnieuw rechtdoende de herleide vordering gegrond te verklaren en geïntimeerde te veroordelen tot het gevorderde en op de wijze zoals voormeld. Geïntimeerden verzoeken het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren, bijgevolg het bestreden vonnis te bevestigen en appellante tot de gerechtskosten te veroordelen met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding. III. DE FEITEN. Appellante trad op 10 maart 1997 in dienst van de heer L. als bediende/secretaresse met een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur, voor een deeltijdse tewerkstelling van 30 uren per week. Zij werd tewerkgesteld te 1082 Brussel, Gentsesteenweg
- Appellante en de heer L. beëindigden de arbeidsovereenkomst in onderling akkoord op 30 juni
- Deze overeenkomst bepaalt: "De arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur wordt verbroken in onderling akkoord op 30/06/
- Partijen komen verder overeen dat deze beëindiging gebeurt zonder vooropzeg noch geldelijke vergoedingen." De beëindiging van deze arbeidsovereenkomst was het gevolg van het feit dat de heer L. vanaf 1 juli 2000 zijn privé praktijk stopzette en exclusief ging werken voor de Stichting voor de Psychogeriatrie te 1082 Brussel, Gentsesteenweg
- Appellante trad vanaf 1 juli 2000 in dienst van de Stichting voor de Psychogeriatrie met een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur, ondertekend op 20 juni 2000, waarbij een beding van proeftijd van zes maanden werd voorzien. Het betrof een deeltijdse tewerkstelling van 30 uren per week. Zij werd volgens de arbeidsovereenkomst in dienst genomen als administratief medewerker. In artikel 11 van de arbeidsovereenkomst wordt voorzien: "Bovendien is nog uitdrukkelijk overeengekomen: De anciënniteit van vorige werkgever Dr. L. wordt overgenomen vanaf 10.03.1997;" Op 29 maart stelde de Stichting voor de Psychogeriatrie een einde aan de arbeidsovereenkomst van appellante, dit met onmiddellijke ingang en uitbetaling van een verbrekingsvergoeding van zeven dagen. Appellante kon hiermee niet akkoord gaan en ging over tot dagvaarding op 19 november
- xxx IV. IN RECHTE. De in hoofdorde gevorderde verbrekingsvergoeding t.o.v. de Stichting voor de Psychogeriatrie: appellante vordert een verbrekingsvergoeding gelijk aan 6 maanden loon i.p.v. de haar toegekende vergoeding van 7 dagen loon; appellante houdt daarbij voor dat het proefbeding van 6 maanden opgenomen in de nieuwe arbeidsovereenkomst nietig is omdat: het niet om een nieuwe functie of een essentieel verschillende functie zou gaan in vergelijking met haar vorige functie van secretaresse bij dr. L. ; de arbeidsvoorwaarden zoals deeltijdse arbeidsduur van 30 uur per week en het overeengekomen loon identiek waren aan deze zoals bepaald in de eerste arbeidsovereenkomst; de plaats (het adres) van tewerkstelling op enkele huisnummers na ongewijzigd bleef; de "nieuwe werkgever" tenslotte één en dezelfde werkgever bleek te zijn, gezien mevr. v. D., bestuurster en voorzitster van de Stichting voor de Psychogeriatrie, de echtgenote is van dr. L. die, na het stopzetten van zijn praktijk als privé-arts, als diensthoofd geriatrie bij de Stichting voor de Psychogeriatrie in dienst is getreden. zelfs indien van geen één en dezelfde werkgever kan gesproken worden het in casu gaat om éénzelfde socio-economische entiteit, ook gezien de verworven anciënniteit werd overgenomen volgens artikel 11 van de overeenkomst. Verder stelt appellante dat tweede geïntimeerde niet bewijst dat zij wegens onvoldoende prestaties zou ontslagen zijn of wegens reorganisatie van de personeelsdienst, noch dat dr. L. op geen enkele wijze betrokken zou zijn bij de huidige leiding of het beheer van het ziekenhuis. Omtrent de vraag of geïntimeerden als één en dezelfde werkgever dienen te worden beschouwd of een socio-economische entiteit vormen stelt de eerste rechter terecht dat hierbij het begrip "dezelfde werkgever" niet dient te worden begrepen als dit zoals het voorkomt in artikel 82 ,§2 al. 2 van de arbeidsovereenkomstenwet van 3 juli 1978 (AOW), alwaar de notie zelfde werkgever betrekking heeft op een economische exploitatie-eenheid die de onderneming uitmaakt, zonder dat acht dient geslagen te worden op de wijziging van haar juridische structuur (Cass. 15.4.1985, JTT 1985, 356) of van het bestuur ervan (Cass. 9.3.1992, RW 1992-93, 291). Echter kan in casu zelfs bezwaarlijk nog van éénzelfde werkgever gesproken worden noch van éénzelfde socio-economische entiteit of bedrijfseenheid nu appellante de arbeidsovereenkomst met dr. L. in onderling akkoord beëindigde op 30 juni 2000 en dr. L. , zoals appellante trouwens, vanaf 1 juli 2000 werkzaam waren voor de Stichting voor de Psychogeriatrie, tenzij appellante zou bedoelen dat de arbeidsovereenkomst, in functie van deze begrippen in wezen werd verder gezet door deze stichting, waarmee zij op 20 juni 2000 de nieuwe arbeidsovereenkomst sloot en die zodoende dezelfde werkgever bleef of de voorzetting vormde van eenzelfde socio-economische bedrijfseenheid. Zelfs in deze veronderstelling kan nog geen sprake zijn van dezelfde werkgever gezien uit de stukken van het dossier van partijen nergens blijkt dat dr. L. in de stichting enig bestuursmandaat uitoefende waaruit een gezagsverhouding t.o.v. appellante kan worden afgeleid. Bovendien is het zo dat ook vóór de beëindiging van de arbeidsovereenkomst op 30 juni 2000 zowel de juridische entiteit als de finaliteit en de activiteiten van beide geïntimeerden volledig verschillend waren zodat ook in deze optiek van appellante geen sprake zou kunnen geweest zijn van éénzelfde werkgever of éénzelfde socio-economische activiteit, ondanks zijn argumentatie omtrent dezelfde arbeidsvoorwaarden in beide contracten en de overgenomen anciënniteit. Zodoende is appellante niet gerechtigd op een bijkomende verbrekingsvergoeding. De in ondergeschikte orde gevorderde schadevergoeding wegens gekwalificeerde benadeling en wegens bedrog t.o.v. beide geïntimeerden. Appellante vordert een schadevergoeding op grond van artikel 1382 BW ex aequo et bono begroot op EUR 16.113,
- Appellant stelt dat geïntimeerden misbruik hebben gemaakt van haar onzekerheid en van de opgebouwde vertrouwensrelatie met dr. L. om haar een nieuwe overeenkomst met proefbeding te laten ondertekenen zonder dat zij van deze kwade trouw enig vermoeden had, en anders nooit een nieuw contract met proefbeding zou hebben ondertekend. Zij besluit tot de nietigheid van het proefbeding wegens gekwalificeerde benadeling door een kennelijke onevenredigheid tussen de opzegvergoeding van 7 dagen loon en de door haar gevorderde verbrekingsvergoeding gelijk aan 6 maanden loon. Inderdaad is er slechts sprake van gekwalificeerde benadeling wanneer er een duidelijke en gewichtige wanverhouding bestaat tussen de wederzijdse contractuele verbintenissen, die haar oorsprong vindt in het uitbuiten door één van de contractpartijen van de minder gunstige positie, de benarde toestand, de zwakte, de onervarenheid of de onwetendheid van de andere partij (Van Gerven W.: Algemeen deel, in Beginselen van Belgisch Privaatrecht; Binnemans R. en van Gerven W. Antwerpen, Standaard, 1973, p. 350, nr. 114). Voor de toepassing van de leer van de gekwalificeerde benadelingen dienen tegelijk aan drie voorwaarden te worden voldaan: "Drie voorwaarden zijn vereist opdat het bestaan van een gekwalificeerde benadeling zou worden erkend: het misbruik van de benarde toestand, de zwakte, de onervarenheid, de onwetendheid of de behoeften van de medecontractanten; b)het misbruik moet het instemmen van de medecontractant op doorslaggevende wijze hebben beïnvloed; c)het misbruik moet aan de oorsprong liggen van een kennelijk onevenwicht of een kennelijke onevenredigheid tussen de wederzijdse prestaties van de partijen." (Luik 17.10.1996, JT 1997, p. 569) Terecht oordeelt de eerste rechter hieromtrent dat gezien de leeftijd, de beroepservaring en het opleidingsniveau van appellante, zij zich niet in een situatie van onervarenheid of onwetendheid bevond. Daarbij is het inderdaad zo dat in tegenstelling tot wat appellante beweert zij met kennis van zaken de nieuwe arbeidsovereenkomst, inclusief proefbeding, met tweede geïntimeerde reeds op 20 juni 2000 had ondertekend en deze met dr. L. slechts op 30 juni 2000 werd beëindigd in onderling akkoord. Appellante blijft zodoende in gebreke het bewijs van de door haar aangevoerde gekwalificeerde benadeling te leveren, zodat op deze grond niet tot de nietigheid van het proefbeding kan worden besloten, wat evenzo geldt waar appellante als grond voor de nietigheid bedrog in hoofde van geïntimeerde aanwendt met verwijzing naar artikel 1116, eerste lid BW dat bepaalt: "Bedrog is een oorzaak van nietigheid van de overeenkomst wanneer de kunstgrepen, door één van de partijen gebezigd, van die aard zijn dat de andere partij, zonder die kunstgrepen, klaarblijkelijk het contract niet zou hebben aangegaan." Immers, indien geïntimeerden ter kwader trouw waren geweest en opzettelijk een constructie wilden opzetten om zich op een goedkope manier van appellante als werknemer te ontdoen, zouden zijn logischerwijze, ook gezien de reorganisatie, hiermede geen vijf maanden hebben gewacht. De vordering tot schadevergoeding is bijgevolg ongegrond. De in uiterst ondergeschikte orde gevorderde schadevergoeding wegens abusief ontslag t.o.v. beide geïntimeerden. Ook hieromtrent herhaalt appellante haar zelfde (verkorte) stelling waarop reeds werd geantwoord. De mogelijkheid voor zowel de werkgever als de werknemer om een voor onbepaalde duur afgesloten arbeidsovereenkomst eenzijdig te beëindigen mits naleving van de wettelijke bepalingen ter zake kan worden afgeleid uit artikel 7 van de AOW van 3 juli 1978 en is daarenboven uitdrukkelijk voorzien in artikel 37 van deze wet. Echter is het zo dat het verbrekingsrecht dient uitgeoefend te worden in het belang van de onderneming en de werkgever dit recht niet mag gebruiken zonder rechtmatig belang op gevaar af er misbruik van te maken (cfr. T. Claeys Tome I Ced. Samsom p.
- 2/1 nr. 480). Deze stelling is gebaseerd op het begrip van "vastheid van betrekking" dat niet uitdrukkelijk in de wet op de arbeidsovereenkomsten is voorzien, maar waarin de doelstelling van de wetgever duidelijk blijkt bij de parlementaire bespreking ervan: "Door de bestendige en nauwgezette vermenigvuldiging van nieuwe regels streeft de wetgever ernaar aan de werknemer een grotere vastheid van betrekking en een grotere zekerheid van arbeidsinkomen te bezorgen" (Gedr.St., Kamer 1968-69 nr. 270, 18). Misbruik van recht bestaat dan ook uit de uitoefening van een subjectief recht met het oogmerk te schaden, of zonder enig rechtmatig belang, of zelfs met enig belang, maar waardoor de andere partij overdreven benadeeld wordt. Uit de uitoefening van het recht waardoor aan tegenpartij zulkdanige schade wordt veroorzaakt dat deze onevenredig is met het hieruit behaalde voordeel (onevenredigheidscriterium) of waardoor wordt afgeweken van het doel zelf van dit recht finaliteitscriterium) of wanneer dit recht niet wordt uitgeoefend zoals een normaal voorzichtig en redelijk houder ervan dit in dezelfde feitelijke omstandigheden zou aanwenden (cfr. Gedr. St. Kamer 1968-69 nr. 270, 18; Cornelis L., Onderzoek naar de prinêcipiële grondslag van het misbruik van ontslagrecht in het kader van de arbeidsovereenkomsten voor bedienden, in Actuele Problemen van het Arbeidsrecht, Antwerpen 1984, 79 e.v.; Rauws W.: Behoort het rechtsmisbruik in overeenkomsten, inzonderheid het ontslag van bedienden tot de rechtsgeschiedenis? RW 1983-84, 287-289; Vannes V. en Leclercq M., L'Abus du droit de licenciement dans le contrat de travail d'employé, Permanence du droit civil en droit du travail, 307-346; Cass. 19.9.1983 JTT. 1984, 57; AH Antwerpen, 21.3.1983 RW 1983-84, 299 en 8.2.1985 Soc.Kron. 1986, 168; AH Luik 20.10.1982, TSR 1983, 119 en 13.9.1984, Jur. Liège 1985, 313 - JTT 1985, 247 en 20.6.1985, JTT 1986, 281, en 13.9.1990, Soc. Kron. 1992, 106 met noot van Jacqmain J.; Arbrb. Brussel 18.10.1982, Soc. Kron. 1983, 199; Arbrb. Gent 20.12.1971, JTT 1972, 171). De opzeggingsvergoeding dekt forfaitair elke schade die voortvloeit uit de onrechtmatige beëindiging van de arbeidsovereenkomst, zowel de materiële als de morele schade (cfr. AH Gent 9.12.1981, Soc. Kron. 1982, 20; Cass. 19.2.1975, Pas. 1975, I, 622; A.H. Luik 20.1.2000, J.T.T. 2000, 377). De geleden schade door het verlies van betrekking wordt dan ook forfaitair vergoed door de opzeggingsverêgoeding, terwijl de vergoeding wegens rechtsmisbruik de buitenêgewone schade zal dekken die onderscheiden is van die welke veroorzaakt wordt door het ontslag zelf (cfr. AH Brussel 8.1.1991, RSR 1991, 187, AH Mons 14.5.1992, Soc.Kron. 1993, 72). Misbruik van ontslagrecht zal dan ook een element van schuld impliceren zodat naast de fout ook de schade evenals het causaal verband tussen beide dient te worden bewezen door de partij die het misbruik van recht inroept voor wat de bediendecontracten betreft in tegenstelling tot de in artikel 63 AOW voorziene regeling i.v.m. willekeurige afdanking in de arbeidsovereenkomsten voor werklieden. De werkgever is echter niet verplicht het ontslag te motiveren (Cass. 4.5.1985, Soc. Kron. 1985, 142). Zelfs indien het ontslag gemotiveerd is hebben de arbeidsgerechten zich nochtans niet uit te spreken over de opportuniteit van de genomen ontslagbeslissing maar dienen enkel het bestaan van het ingeroepen motief te controleren en na te gaan of de werkelijke reden van het ontslag overeenstemt met de door de werkgever ingeroepen reden (cfr. Jamoulle, R.J.C.B. 1978, p. 649). De afwezigheid van enige fout in hoofde van de werknemer betekent daarbij nog niet dat er sprake is van een abusief ontslag (cfr. W. Van Eeckhoutte en andere, Overzicht van rechtspraak in Arbeidsovereenkomsten 1976-87, T.P.R. 1989, 863, nr. 398). Algemeen kan bijgevolg worden gesteld dat van rechtsmisbruik sprake is wanneer een recht wordt uitgeoefend op een wijze die kennelijk de grenzen te buiten gaat van de normale uitoefening van dat recht door een redelijk, voorzichtig en zorgzaam persoon (cfr. Cass. 10.9.1971, R.W. 1971-72, 321, Concl. Proc. gen. Ganshof van der Meersch). Daar waar zij aanvoert dat er geen reorganisatie werd doorgevoerd zoals vermeld op het C4-formulier dient nochtans te worden vastgesteld dat zij en mevrouw W. (eveneens deeltijds werkzaam) werden vervangen door mevrouw V. M. in een voltijdse betrekking, zoals appellante zelf in conclusies stelt. Appellante bewijst dan ook geen abusief ontslag in de zin van voormelde rechtspraak en rechtsleer zodat haar hierop gesteunde eis tot schadevergoeding eveneens ongegrond is. De pro rata eindejaarspremie en het vakantiegeld bij uitdiensttreding op de eindejaarspremie. Appellante vordert vanwege tweede geïntimeerde een pro rata eindejaarspremie 2000 t.b.v. EUR 758,75 en EUR 115,22 als vakantiegeld hierop. Echter is het zo dat zij bij haar uitdiensttreding bij dr. L. een eindejaarspremie ontving t.b.v. EUR 872,34 gezien zij als medische secretaresse ressorteerde onder het ANPC 218 voor bedienden, terwijl uit het C4-formulier blijkt dat tweede geïntimeerde als rusthuis valt onder het PC 305-2 en noch in een CAO, noch in een individuele arbeidsovereenkomst of arbeidsreglement hierin is voorzien, terwijl appellante niet bewijst dat de betaling ervan met geïntimeerden was overeengekomen door te verwijzen naar dezelfde verloning en de overgenomen anciënniteit, waardoor zij geen loonverlies zou lijden. Het hoger beroep is zodoende ongegrond. xxx OM DEZE REDENEN, HET ARBEIDSHOF, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24, Rechtsprekend op tegenspraak, Alle andere middelen en conclusies verwerpende, Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt het bestreden vonnis. Veroordeelt appellante tot de kosten van het hoger beroep, tot op heden als volgt begroot: Voor appellante: rechtsplegingsvergoeding hoger beroep EUR 285,55 Voor geïntimeerden: rechtsplegingsvergoeding hoger beroep EUR 285,55 Aldus gewezen en uitgesproken op de buitengewone openbare terechtzitting van de derde kamer van het Arbeidshof te Brussel op zesentwintig juli tweeduizend en zes. Waren aanwezig: M. DE CUYPER: Raadsheer. S. ALAERTS: Raadsheer in Sociale Zaken als werkgever. A. LEURS: Raadsheer in Sociale Zaken als werknemer-bediende, aangeduid bij bevelschrift van heden, ter vervanging van de heer M. WEYNS, Raadsheer in Sociêale Zaken als werknemer-beêdiende, die de debatten heeft bijgewoond en heeft deelgenomen aan het beraad van onderhavig arrest, maar wettig verhinderd is om de uitspraak ervan bij te wonen (art. 779 van het Gerechêtelijk Wetboek). L. COEN: Eerstaanwezend adjunct-griffier. L. COEN. M. DE CUYPER. A. LEURS. S. ALAERTS. PDF document ECLI:BE:CTBRL:2006:ARR.20060726.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div