id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour du travail de Bruxelles Jugement/arrêt du 11 septembre 2006 No ECLI: ECLI:BE:CTBRL:2006:ARR.20060911.7 No Rôle: 44.057 Domaine juridique: Droit de la sécurité sociale Date d'introduction: 2007-06-18 Consultations: 134 - dernière vue 2026-07-01 04:44 Version(s): Traduction NL Fiche Pour pouvoir être dispensé d'inscrire les montants non encore récupérés en frais d'administration, l'obligation de l'organisme assureur de consacrer tous les moyens pour obtenir le remboursement doit être appréciée en fonction de l'importance du montant, des possibilités d'action et d'exécution compte tenu des circonstances spécifiques propres à la cause, ainsi qu'à la diligence avec laquelle l'obligation a été exécutée. Thésaurus UTU: DROIT SOCIAL - SÉCURITÉ SOCIALE - Législation soins de santé Mots libres: SECURITE SOCIALE DES TRAVAILLEURS SALARIES - ASSURANCE MALADIE-INVALIDITE - Prestations payées indûment - Pas encore de récupération - Organisme assureur - Inscription en frais d'administration - Dispense - Conditions - Récupération par tous les moyens - Critères. Bases légales: Loi - 09-08-1963 - 124 - 01 Lien ELI No pub 1963080914 Arrêté Royal - 04-11-1963 - 262 - 02 Lien ELI No pub 1963110401 Note: VII D art. 124 + AR 4.11.1963, art. 262 - Publié in JTT 2007, p. 95 Annotations Publications: Journal des tribunaux du travail - - 2007,p.95-96 Texte de la décision Rep.Nr. ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST BUITENGEWONE OPENBARE TERECHTZITTING VAN 11 SEPTEMBER 2006. 7DE KAMER Not. 580 2° G.W. Z.I.V. werknemers Op tegenspraak Definitief In de zaak: RIJKSINSTITUUT VOOR ZIEKTE-EN INVALIDITEITSVERZEKERING ( hierna afgekort R.I.Z.I.V.), met zetel gevestigd te 1150 BRUSSEL, Tervurenlaan 211. Appellante, vertegenwoordigd door Mr J. SWERTS loco Mr ORBAN, advocaat te Brussel. Tegen: NATIONAAL VERBOND VAN SOCIALISTISCHE MUTUALITEITEN (hierna afgekort N.V.S.M.), met burelen gevestigd te 1000 BRUSSEL, Sint-Jansstraat 32. Geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. P. DRIESSENS loco Mr. S. LIBEER, advocaat te Brussel. ¿ ¿ ¿ Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit : Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid: - het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis gewezen op tegenspraak door de 10de kamer van de Arbeidsrechtbank te Brussel d.d. 25 oktober 2002; - het verzoekschrift in hoger beroep ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 1 april 2003; de besluiten en aanvullende besluiten van de partijen; Gehoord de partijen in hun middelen en verdediging ter buitengewone openbare terechtzitting van 19 juni 2006 waarna de debatten gesloten werden. ¿ ¿ ¿ Feiten en procedurevoorgaanden De dienst voor administratieve controle heeft tijdens een onderzoek op 23 oktober 1990 uitgevoerd in het ziekenfonds 322 vastgesteld dat de heer T. ten onrechte een bedrag van 1.654.018 BEF (lees 41.002,04 euro) ontving omdat hij, tijdens de periode van arbeidsongeschiktheid, bij verschillende werkgevers had hernomen, zonder de toelating van de adviserend geneesheer. Bij aangetekend schrijven van 20 november 1990 en 14 december 1990 van het N.V.S.M. aan de heer T. werd dit bedrag teruggevorderd. Het N.V.S.M. leidde een vordering in bij de Arbeids-rechtbank van Tongeren tot terugbetaling van het hogervermelde bedrag op 2 augustus 1991. De Arbeidsrechtbank van Tongeren veroordeelde de heer T. bij vonnis van 18 mei 1992 tot terug-betaling van hogervermelde bedrag. Dit vonnis werd bevestigd door een arrest van het Arbeidshof te Antwerpen van 16 september 1993. Dit vonnis werd op 10 november 1993 aan de heer T. betekend. In december 1993 ging de deurwaarder over tot uit-voerend beslag op roerend goed met kennisgeving van openbare verkoop. Gezien de inbeslaggenomen goederen eigendom waren van derden werd handlichting verleend van de inbeslagname. ¿Vervolgens¿(zie brief deurwaarder dd 1.10.1996) heeft de deurwaarder nagegaan of er mogelijkheid was tot minnelijke afbetalingen, ¿vervolgens navraag gedaan bij het registratiekantoor of betrokkene eigenaar was van een onroerend goed en ¿vervolgens¿ nagegaan of onmogelijkheid was tot derdenbeslag bij de werkgever van betrokkene al waar op dat ogenblik reeds drie loonbeslagen betekend waren (zie schrijven van deurwaarder 1 oktober 1996). Op datum van 8 maart 1994 ging betrokkene overigens uit dienst bij deze werkgever. Bij navraag bij de RVA bleek dat ook daar een loon-beslag was betekend voor een bedrag van 1.765.901 BeF. Bij schrijven van 22 november 1995 aan de dienst voor administratieve controle van het RIZIV werd een verzoek gericht tot het verlenen van een vrijstel-ling van de boeking van het bedrag van 41.002,04 euro als administratiekosten. Op 19 maart 1996 werd de weigeringsbeslissing van het RIZIV medegedeeld aan het N.V.S.M.. Het N.V.S.M. vordert de vernietiging van de beslis-sing van het RIZIV d.d. 19 maart 1996 en verzoekt tevens te zeggen voor recht dat zij vrijgesteld wordt van de inschrijving in de administratiekosten van het bedrag van 41.002,04 euro dat niet lastens de heer T. kan teruggevorderd worden. Met het bestreden vonnis verklaart de Arbeidsrecht-bank de vordering ontvankelijk en gegrond. De Arbeidsrechtbank stelt vast dat de deurwaarder talrijke uitvoeringsmogelijkheden heeft onderzocht evenals de mogelijkheid tot inhouding op het loon. Gelet evenwel op het feit dat er reeds drie loon-beslagen betekend waren, zou het loonbeslag van het N.V.S.M. de facto niet het minste hebben opgele-verd. Ook de mogelijkheid tot inhoudingen op de werkloosheidsuitkeringen werd nagekeken. Er waren geen roerende of onroerende uitvoeringsmogelijk-heden. De verbintenis die berust op het N.V.S.M. is geen resultaatsverbintenis doch een middelenverbintenis. De verplichting tot terugvordering met alle middelen dient met rede te worden beoordeeld. De Arbeidsrechtbank was van oordeel dat het N.V.S.M. voldoet aan artikel 262 lid 2
- b)van het KB van 4 november 1963 (thans art. 327 lid 2 van het KB van 3 juli 1996). ¿ ¿ Beroepsgrieven Artikel 262 lid 2
- b)van het KB van 4 november 1963 (thans art. 327 lid 2 van het KB van 3 juli 1996) viseert niet alleen de aangewende middelen maar ook de spoed waarmee de terugvorderingsprocedure wordt gevoerd. Het N.V.S.M. heeft meer dan acht maanden gewacht tussen haar ingebrekestelling van november 1990 aan de heer T. en de terugvordering voor de Arbeidsrechtbank in augustus 1991. Dit is overigens strijdig met het toenmalige art. 254 6° van het KB van 4 november 1963 luidens hetwelk de uitvoerbaar-heidstitel - op straffe van een administratieve sanctie - binnen een termijn van vijf maanden na de vaststelling van de dienst van het RIZIV aangevraagd had moeten worden. Daarenboven informeerde de verzekeringsinstelling slechts anderhalf jaar na de betekening van het arrest op 10 november 1993 met name in mei 1995 bij de gerechtsdeurwaarder naar het resultaat van de gedwongen uitvoering. Het N.V.S.M. heeft de terug-vordering niet met de nodige ijver en nauwgezetheid uitgevoerd. Appellante vordert bijgevolg de vernietiging van het bestreden vonnis en de beslissing van de dienst administratieve controle te bevestigen. Het N.V.S.M. meent dat zij wel voldoende diligent is opgetreden zoals omstandig werd aangehaald door de eerste rechter. Zij heeft twee aangetekende ingebrekestellingen verzonden namelijk op 20 november 1990 en 14 december 1990. Het is niet omdat de verzekeringsinstelling zich in de omstandigheden bevindt dat haar een sanctie van 2.500 frank kan worden opgelegd met name door het niet binnen vijf maanden na de vaststelling en terugvordering ingeleid te hebben, dat zij hierom ipso facto het voordeel verliest om van de boeking als administratiekosten ontslagen te worden. De toepassing van de beide artikels staan totaal los van elkaar; zij heeft wel degelijk alle ter beschik-king staande middelen aangewend, minnelijke als gerechtelijke, teneinde terugbetaling te bekomen. Tevens blijkt uit geen enkel element dat indien een procedure tot terugvordering vroeger zou opgestart zijn, de kansen op terugvordering hoger zouden zijn geweest. Er bestaat aldus geen oorzakelijk verband tussen een eventuele tekortkoming in een voorgaande procedure tot terugvordering of in de opvolging van de uitvoering en de onmogelijkheid tot recuperatie. Er was gewoon een insolvabiliteitstoestand van de betrokkene. Indien het verzoekschrift enkele maanden eerder zou neergelegd zijn zou iedere uitvoering evenzeer onmogelijk geweest zijn en dit gelet op de drie loonbeslagen die reeds in handen van de werk-gever van betrokkene gelegd waren. Dit geldt ook voor het informeren naar de stand van de uitvoering van het uitvoeringsdossier. ¿ ¿ Beoordeling Ontvankelijkheid van het hoger beroep Er wordt geen betekening van het bestreden vonnis overgelegd . Het verzoekschrift is regelmatig naar vorm en werd ingesteld binnen de daartoe wettelijk bepaalde termijn, wat overigens niet wordt betwist. Het is derhalve ontvankelijk. ¿ ¿ Ten gronde Artikel 261 van het KB van 4 november 1963 (hierna afgekort het KB) bepaalt dat de terugvordering van de ten onrechte betaalde prestaties wordt gedaan door de verzekeringsinstelling binnen een termijn van twee jaar. Artikel 262 al 1 van het KB bepaalt als regel dat bij afloop van de termijnen bepaald in artikel 261, de ten onrechte betaalde prestaties, die nog niet teruggevorderd zijn, dienen afgeschreven te worden door ze te boeken als administratiekosten. Artikel 262 al 2 van het KB bepaalt nochtans dat de verzekeringsinstelling ontslagen is van de boeking als administratiekosten van de nog niet teruggevor-derde bedragen, indien de volgende drie voorwaarden vervuld zijn :
- a)de betaling vloeit niet voort uit een fout, een vergissing of een nalatigheid van de verzekerings-instelling;
- b)de verzekeringsinstelling heeft alle te harer beschikking staande middelen, rechtsmiddelen inbe-grepen, aangewend om de terugbetaling te vorderen;
- c)de niet terugvordering van bedoelde bedragen wordt als gewettigd beschouwd door de leidend ambtenaar van de Dienst voor administratieve controle. Deze voorwaarden dienen cumulatief te worden toege-past en de afwezigheid van één voorwaarde volstaat om de uitzondering van artikel 262 al 2 van het KB dewelke van restrictieve aard is, niet toe te passen. Het RIZIV roept in dat het NVSM de voorwaarde van artikel 262 al 2
- b)niet vervult. Artikel 262 al 2 b van het KB legt aan de ver-zekeringsinstelling op alle door haar ter beschik-king staande middelen, rechtsmiddelen inbegrepen , aan te wenden om terugbetaling te bekomen. Het is juist dat deze verbintenis geen resultaats-verbintenis is doch de verzekeringsinstelling dient wel alle middelen, die ter harer beschikking staan, waaronder ook de rechtsmiddelen, aan te wenden. Deze verbintenis dient te worden beoordeeld in functie van de belangrijkheid van het bedrag, de vorderingsmogelijkheden en de uitvoeringsmogelijk-heden in acht genomen de specifieke omstandigheden eigen aan de zaak. Ook de diligentie waarmee de verbintenis wordt uitgevoerd speelt een rol. In deze zaak stelt het Arbeidshof vast dat de terugvordering een zeer belangrijke som geld vertegenwoordigt met name meer dan 40.000 euro in hoofdsom en dat NVSM in 1990 en in 1991 geen enkel bewarend beslag legt bij de werkgever. Zij wacht daarenboven bijna 8 maanden om een procedure in te leiden (van december 1990 tot 2 augustus 1991). Uit het schrijven van de deurwaarder d.d. 1 oktober 1996 blijkt zeer duidelijk dat ¿vervolgens¿, dit is slechts na de betekening van het vonnis, dus in december 1993 bij de werkgever inlichtingen werden genomen wat uitvoeringsmogelijkheden of beslag betreft en op dat ogenblik waren er reeds 3 belang-rijke beslagen voor belangrijke bedragen voor deze van NVSM, idem voor de RVA. Hieruit blijkt dat NVSM niet voldoet aan de uitzondering van artikel 262 al 2
- b)van het KB. Het is niet terzake relevant na te gaan of indien een procedure tot terugvordering vroeger zou opgestart zijn, de kansen op terugvordering even onbestaand zouden zijn geweest. De regelgever voorziet deze voorwaarde niet in artikel 262 al 2
- b)evenmin als het bewijs van een oorzakelijk verband. Daarenboven bewijst NVSM dit niet. Zij kan geen informatie voorleggen van de datum van de 3 andere beslagen bij de werkgever en RVA. Het hoger beroep komt voor als gegrond. ¿ ¿ OM DEZE REDENEN : En alle hierin impliciet vervat, Het Arbeidshof, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24; Recht sprekend op tegenspraak; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond; Vernietigt het bestreden vonnis en opnieuw recht sprekend; Verklaart de oorspronkelijke vordering ontvankelijk doch niet gegrond; Bevestigt de beslissing van het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering d.d. 19 maart 1996; Legt de kosten van beide aanleggen ten laste van geïntimeerde; Deze kosten werden tot op heden als volgt begroot : - voor appellante partij : euro 100,40 rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg, euro 139,83 rechtsplegingsvergoeding hoger beroep, - voor geïntimeerde partij : euro 93,21 dagvaarding, euro 100,40 rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg, euro 136,84 rechtsplegingsvergoeding hoger beroep; Aldus gewezen en uitgesproken op de buitengewone openbare terechtzitting van de 7de kamer van het Arbeidshof te Brussel op 11 september 2006, waar aanwezig waren : Mevr. B. CEULEMANS: Raadsheer. De Heren : G. JACOBS : Raadsheer in sociale zaken als werkgever, D. VRYSEN : Raadsheer in sociale zaken als werknemer-arbeider, D. DE RAEDT : Griffier, G. JACOBS, D. VRYSEN, D. DE RAEDT, B. CEULEMANS, Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet <div